Het nieuwe antisemitisme – Eerst religie, dan ras, dan wat? (deel1) [Bernard Lewis]

The New Anti-Semitism

First religion, then race, then what?

door Bernard Lewis [http://theamericanscholar.org/]
vertaling Vederso/E.J. Bron [http://ejbron.wordpress.com/]

Er is een versleten gemeenplaats die we allemaal al vele malen eerder hebben gehoord: het is volstrekt legitiem om de acties en het beleid van de staat Israël of de leerstellingen van het zionisme te bekritiseren zonder dit noodzakelijkerwijs als antisemitisme te bestempelen. Het feit dat dit tot vervelens toe is herhaald, doet geen afbreuk aan de waarheid ervan. Niet alleen kan ik het accepteren, maar ik zou zelfs nog een stap verder willen gaan met een andere formulering die misschien verrassing oproept zo niet shock: het is perfect mogelijk om Joden te haten en zelfs te vervolgen, zonder noodzakelijkerwijs antisemitisch te zijn.

Helaas, haat en vervolging zijn een normaal onderdeel van de menselijke ervaring. Het hebben van een afkeer, mild of intens, tegen mensen, die op een of andere manier anders zijn, naar etniciteit, ras, huidskleur, geloof, eetgewoonten, het maakt niet uit wat, is een onderdeel van de normale menselijke conditie. Wij vinden het overal in de geschreven geschiedenis en we vinden het over de gehele wereld. Het kan soms buitengewoon boosaardig zijn en soms zelfs amusant. Niet lang na de Tweede Wereldoorlog liepen de Denen over van wrok tegen twee van hun buren: de Duitsers als bezetters en de Zweden voor het aan de kant staan in een nutteloze neutraliteit. Een Deense gezegde in die tijd was: Wat is een Zweed? Een Duitser in menselijke vorm. Nog een dubbele belediging, deze uit het Britse leger in de late jaren 1930, toen het zich zorgen maakte over twee verschillende groepen van terroristen: Wat is een Arabier? Een geroosterde Ier. Ik citeer deze voorbeelden in geen enkel opzicht met goedkeuring of aanbeveling, maar als voorbeelden van de aard van het echt vervelende vooroordeel dat wijdverbreid is in onze wereld.

Antisemitisme is iets heel anders. Het wordt gekenmerkt door twee bijzondere eigenschappen. Een van deze is dat de Joden worden beoordeeld volgens een norm die sterk verschilt van die voor anderen. We zien hier op dit moment tal van voorbeelden van. Maar ook daar moet men voorzichtig zijn. Er kunnen ook verschillen in beoordelingsnormen over andere kwesties zijn, soms zelfs met betrekking tot Joden, zonder antisemitisme of niet noodzakelijk ingegeven door antisemitisme.

Bijvoorbeeld medio september 1975 werden in Spanje vijf terroristen voor moord op politiemannen ter dood veroordeeld. De Europese progressieve opinie was verontwaardigd dat in deze moderne tijd een West-Europees land mensen ter dood veroordeelde. Ongehoord!

Er was een kreet van verontwaardiging en er werd sterke druk uitgeoefend op de Spaanse overheid. Maar in de Sovjet-Unie en haar satellietstaten werden in dezelfde periode veel grotere aantallen ter dood veroordeeld en geëxecuteerd en in Afrika werden honderdduizenden, een groot deel van de bevolking van Oeganda, door Idi Amin afgeslacht. Nauwelijks een gemompel van protest in de westerse wereld.

De les is heel duidelijk. Rechtse regeringen (generaal Francisco Franco was nog steeds aan de macht) wordt het niet toegestaan om overtreders ter dood te veroordelen, linkse regeringen mogen dat wel. Een andere implicatie is: het afslachten door blanke mensen is slecht, het afslachten door gekleurde mensen is normaal. Soortgelijke discrepanties zijn te vinden in de antwoorden op een aantal andere kwesties, zoals de behandeling van vrouwen en etnische of andere minderheden.

Deze voorbeelden laten zien dat zelfs een grote ongelijkheid in de beoordelingsnormen op zichzelf niet per se een bewijs is van antisemitisme. Er kunnen andere elementen mee een rol spelen. Zo wordt de vergelijking wel eens gemaakt tussen reactie in de wereld op het bloedbad van de Palestijnen door Libanese christelijke milities in Sabra en Shatila in september 1982, waar ongeveer 800 mensen werden gedood, en het bloedbad eerder in hetzelfde jaar in Hama in Syrië, waar tienduizenden werden gedood. Om het laatste bekommerde zich geen hond. Het verschil lag natuurlijk in de omstandigheden. In beide gevallen waren de daders Arabisch, maar in het geval van Sabra en Shatila, vanwege de dominante Israëlische militaire aanwezigheid in de regio, was er een mogelijkheid om de Joden ervan te beschuldigen. In Hama heeft deze mogelijkheid niet bestaan, dus de massale slachting van Arabieren door Arabieren ging onopvallend, onopgemerkt en zonder protest voorbij. Dit contrast is duidelijk anti-Joods. Op een andere manier is het ook anti-Arabisch.

We zien dichter bij huis andere gevallen van verschillende normen en methoden in de beoordeling en in een misschien minder alarmerende vorm. We horen bijvoorbeeld veel over de Joodse lobby en de verschillende beschuldigingen die hier van tijd tot tijd tegenin worden gebracht, dat degenen die er bij betrokken zijn op de een of andere manier ontrouw zijn aan de Verenigde Staten en in dienst staan van een vreemde mogendheid.

De Joodse lobby is natuurlijk niet de enige lobby in zijn soort. Kijk eens naar drie anderen: de Ierse, Griekse en Armeense lobby’s. De Ierse lobby, die campagne voerde tegen het Verenigd Koninkrijk, de trouwste bondgenoot van Amerika en de Griekse en Armeense lobby’s, die campagne voerden tegen Turkije toen Turkije een cruciale NAVO-bondgenoot was, werden gezien als het nastreven van gerechtvaardigde zorgen. Ik kan me geen beschuldigingen tegen één van hen herinneren van ontrouw of zelfs van verdeelde loyaliteit.

De andere speciale vorm van antisemitisme, die veel belangrijker is dan het hanteren van verschillende normen, is de beschuldiging van de Joden als een kosmisch kwaad. Klachten tegen mensen van andere groepen bevatten deze zelden. Deze beschuldiging van kosmisch, satanisch kwaad, toegeschreven aan Joden, bestaat in verschillende delen van de wereld en in verschillende vormen en is datgene wat in de moderne tijd antisemitisme is gaan heten.

In de Westerse wereld heeft het antisemitisme drie duidelijk verschillende fasen doorlopen. Sommige mensen hebben geschreven en gesproken over antisemitisme in de Oudheid, maar de term is in dat verband misleidend. Wij vinden in de Oudheid inderdaad teksten die Joden aanvallen en aan de kaak stellen, soms heel venijnig, maar we vinden ook nare opmerkingen over Syriërs, Egyptenaren, Grieken, Perzen en de rest. Er is geen groot verschil tussen de anti-Joodse opmerkingen en de etnische en religieuze vooroordelen geuit tegen andere volkeren en over het algemeen zijn die tegen de Joden niet de meest boosaardige. De in Syrië geboren Romeinse historicus Ammianus Marcellinus bijvoorbeeld spreekt over de Saracenen en merkt op ze niet als vrienden of als vijanden te wensen. Ik weet het niet zeker, maar ik kan me niet herinneren dat in de Oudheid zoiets vervelends over de Joden is gezegd.

Polytheïsme was in wezen tolerant, elke groep vereerde zijn eigen god of goden, zonder bezwaren over de aanbidding van andere goden. In werkelijkheid zou men bereid zijn geweest om ten minste een snufje wierook aan te bieden aan een aantal vreemde goden, uit hoffelijkheid als bezoeker of, zelfs thuis, uit eerbied voor een leenheer. Alleen de Joden in de Antieke wereld stonden erop, absurd volgens de heersende opvatting van die tijd, dat die van hen de enige god was en dat de anderen niet bestonden. Dit gaf aanleiding tot problemen met hun buren en hun verschillende imperiale meesters, met name de Romeinen. Soms leidde dat tot vijandige reacties en zelfs tot vervolging, maar niet het soort van demonisering dat is bekend komen te staan als antisemitisme. De tendens was eerder om de Joden belachelijk te maken voor hun anonieme, vormeloze god in de wolken en voor dergelijke absurde en barbaarse gewoonten als de besnijdenis, de afwijzing van varkensvlees en het meest absurde van alles, de sabbat. Verschillende Griekse en Romeinse auteurs merkten op, dat als gevolg van deze komische praktijk de Joden een zevende van hun leven verspilden.

Demonisering, in tegenstelling tot de gewone of huis-, tuin- en keukenvariant van vooroordeel of vijandigheid, begon met de komst van het christendom en de speciale rol die de Joden hadden in de kruisiging van Christus zoals beschreven in de Evangeliën. Het christendom is begonnen als een beweging binnen het Jodendom en het conflict tussen christenen en Joden had die speciale bitterheid die vaak maakt dat conflicten binnen religies dodelijker zijn dan die tussen religies. De christelijke boodschap werd gepresenteerd als de vervulling van Gods beloften aan de Joden, geschreven in wat christenen het Oude Testament noemen. De afwijzing van die boodschap door de Joodse bewaarders van het Oude Testament was vooral kwetsend. Een belangrijke zorg van de eerste christenenwas niet zozeer aan de Joden de schuld te geven als, om begrijpelijke redenen, om de Romeinen vrij te pleiten. Joodse schuld en Romeinse onschuld, de twee hangen nauw samen, werden belangrijke onderdelen van de christelijke boodschap, eerst naar Rome toe en dan daarbuiten, met verwoestende uitwerking op de houding van het publiek ten opzichte van Joden, vooral in de tijd van Pasen.

Gedurende vele eeuwen was de haat en vervolging van Joden en de ideologie en de terminologie die werd gebruikt om ze te uiten, geworteld in religie. Toen kwam de fase waarin religieuze vooroordelen in diskrediet werden gebracht, gezien als niet in overeenstemming met de ideeën van de Verlichting. Het werd gezien als bekrompen, erger nog, als ouderwets en achterhaald. Dat betekende dat er nieuwe redenen nodig waren om de Joden haten. Die werden gevonden.

Het proces van verandering begon in Spanje, toen een groot aantal Joden en ook moslims met geweld werd bekeerd tot het christendom. Met een gedwongen bekering was er onvermijdelijk enige twijfel, vooral onder de autoriteiten, met betrekking tot de oprechtheid van de bekeerlingen. En er was goede reden voor deze twijfel, zoals we die kennen van het fenomeen van de Marranen en de Moriscos, de soms twijfelachtige bekeerlingen uit het Jodendom en de islam. Zo is de praktijk ontstaan van het onderzoeken van de raciale oorsprong van de zogenaamde nieuwe christenen. We vinden zelfs verordeningen in het 16e-eeuwse Spanje over de zuiverheid van het bloed, la limpieza de sangre. Alleen mensen die een christelijke afkomst voor een bepaald aantal generaties konden bewijzen, zouden kunnen worden aanvaard als echte christenen. ”De zuiverheid van bloed” was een vereiste voor bepaalde posities en bepaalde functies.

Dit is waar de raciale vorm van het antisemitisme begon. Het werd gesystematiseerd in het Duitsland van de 19e eeuw, toen voor het eerst de term “antisemitisme” werd uitgevonden en ingang vond.

“Semitisch” werd eerst gebruikt als een taalkundige, niet als een etnische of raciale term. Net zoals “Arisch” werd het bedacht door filologen om een groep van verwante talen aan te duiden. Als Arische talen werden zulke diverse talen beschouwd als het Sanskriet, Perzisch, en bij uitbreiding, Grieks, Latijn, en de meeste van de talen van Europa. Semitische talen omvatten het Syrisch, Arabisch, Hebreeuws en Ethiopisch. Reeds in 1872 wees de grote Duitse filoloog Max Müller erop dat “Arisch” en “Semitisch” filologische en geen etnologische termen waren en om te spreken van een Arisch of Semitisch ras net zo absurd was als te spreken van een dolichocephalische (langschedelige) taal. ”Wat voor misverstanden en wat voor controverses zouden niet kunnen ontstaan,” zei hij, “door de twee te verwarren” – een correcte alsmede onderschatte voorspelling. Ondanks deze waarschuwingen werd “Semitisch” overgezet van de oorspronkelijke taalkundige betekenis in een nieuwe raciale betekenis en werd het de basis voor een nieuwe en andere onverdraagzaamheid. De mensen die voorstander waren van dit fanatisme wezen religieuze vooroordelen af, omdat ze zichzelf zagen als modern en wetenschappelijk. Hun vijandigheid ten opzichte van Joden, zo beweerden zij, was gebaseerd op waarneming en ging over gedocumenteerd, raciaal anders-zijn en minderwaardigheid.

En toen werd, net zoals de religieuze vijandigheid werd afgewezen door de Verlichting en vervangen door moderne en “wetenschappelijke” rassendiscriminatie, de rassendiscriminatie in diskrediet gebracht door het Derde Rijk en zijn misdaden, door de openbaringen na zijn ondergang van de verschrikkelijke dingen die het had gedaan. Dit in diskrediet gebrachte racisme liet een vacuüm achter, een pijnlijke leegte.

Dit is waar de derde fase van antisemitisme ontstaat, die we bij gebrek aan een betere term zouden kunnen noemen; een politiek-ideologische Judeofobie. Ras? Oh nee, daar zouden we niets mee te maken willen hebben. Religieuze vooroordelen? Oh nee, dat ligt achter ons. Dit is politiek en ideologisch en het biedt een sociaal en intellectueel aanvaardbare, moderne vermomming van gevoelens die zo’n 2000 jaar teruggaan.

Wenden we ons van de christelijke naar de islamitische wereld, dan vinden we een hele andere geschiedenis. Als we kijken naar de omvangrijke, beschikbare literatuur over de positie van Joden in de islamitische wereld, vinden we twee gevestigde mythen. Een daarvan is het verhaal van een gouden tijdperk van gelijkheid, wederzijds respect en samenwerking, met name, maar niet uitsluitend, in het Moorse Spanje, de andere is van “dhimmitude”, van dienstbaarheid en vervolging en mishandeling. Beiden zijn mythen. Net als zoveel mythen bevatten ze belangrijke elementen van de waarheid en de historische waarheid ligt op de gebruikelijke plaats, ergens in het midden tussen de twee uitersten.

Er zijn een aantal belangrijke verschillen tussen de behandeling, de positie, de perceptie van de Joden in de premoderne islamitische wereld en in de premoderne en moderne christelijke wereld.

Het verhaal van een gouden tijdperk met volledige gelijkheid is natuurlijk onzin. Iets dergelijks was onmogelijk of zelfs maar denkbaar. In werkelijkheid zou onder christenen en moslims het geven van gelijke rechten, of beter gezegd, gelijke kansen voor ongelovigen, niet zijn gezien als een verdienste, maar als een plichtsverzuim. Maar tot in de moderne tijd was er een veel grotere mate van tolerantie in de meeste islamitische landen dan wat de overhand had in de christelijke wereld. Al eeuwenlang waren in het grootste deel van Europa christenen erg druk met elkaar te vervolgen; in hun vrije tijd waren ze bezig Joden te vervolgen en moslims te verdrijven – alles in een tijd dat in het Ottomaanse Rijk en een aantal andere islamitische landen Joden en verschillende soorten christenen redelijk vrij en comfortabel naast elkaar leefden.

Vaak is de vergelijking gemaakt tussen de Koude Oorlog van de 20e eeuw en de confrontatie tussen christendom en islam in de 15e, 16e, en 17e eeuw. In veel opzichten is het een goede vergelijking. Maar men moet niet vergeten, dat in de confrontatie tussen het christendom en de islam de beweging van vluchtelingen, van hen, die in de beroemde woorden van Lenin “stemden met de voeten,” voor het overgrote deel van west naar oost was en niet van oost naar west. Dit was tolerantie, niet meer en niet minder. Tolerantie is naar moderne maatstaven een in wezen intolerant idee. Tolerantie betekent dat ik aan de touwtjes trek, de baas ben. Ik zal je echter enkele, maar niet alle rechten en privileges die ik geniet, toestaan, op voorwaarde dat men zich gedraagt volgens de regels die ik zal stellen en zal handhaven. Dat lijkt een redelijke definitie van tolerantie zoals het gewoonlijk begrepen en toegepast wordt. Het is natuurlijk een intolerant idee, maar het is een stuk beter dan intolerantie als zodanig en de beperkte maar wezenlijke tolerantie die werd toegekend aan Joden en andere niet-islamitische gemeenschappen in de islamitische staten, tot in het begin van de moderne tijd, was zeker enorm veel beter dan wat voorhanden was in het christendom.

Vooroordelen bestonden in de islamitische wereld, net als af en toe vijandigheid, maar niet wat men antisemitisme zou kunnen noemen, want er was geen toeschrijven van een kosmische kwaad. En over het geheel deden Joden het beter onder islamitisch bewind dan de christenen.

Dit is het tegenovergestelde van wat men zou verwachten. In de canonieke geschiedenis, in de koran en de biografie van de profeet, komen de Joden er slecht af. De profeet had meer confrontaties met Joden dan met christenen, dus vinden we meer negatieve uitspraken over Joden dan over christenen. De biografie van de profeet verhaalt van gewapende conflicten met de Joden en in die ontmoetingen waren het de Joden die werden gedood. Moslims konden zich dus een meer ontspannen houding ten opzichte van Joden veroorloven in de daaropvolgende generaties.

Het andere voordeel voor de Joden was dat ze niet als gevaarlijk werden gezien. Christendom werd gezien als een rivaliserende wereldgodsdienst en een concurrent in de kosmische strijd om het heil te brengen (en daarmee, onvermijdelijk, overheersing) aan de hele mensheid. Deze kosmische strijd had belangrijke consequenties. Lokale christenen waren mogelijk gevaarlijk als een potentiële vijfde colonne voor de christelijke mogendheden van Europa, de belangrijkste tegenstander van de islamitische wereld. Joden werden er niet van verdacht van pro-christelijk te zijn. Integendeel, zij werden gezien als betrouwbaar en zelfs als nuttig. Het was niet slechts tolerantie of goede wil, maar deze waren wel essentiële voorwaarden, die de Ottomaanse sultans er toe brachten om zoveel Joodse vluchtelingen toe te laten uit Spanje, Portugal, Italië en elders. Joden, vooral die van Europese afkomst, waren actief in handel en industrie en uit vele documenten in de Ottomaanse archieven wordt duidelijk dat ze werden gewaardeerd als een fiscaal waardevolle aanwinst. Het werd hen niet alleen toegestaan, ze werden aangemoedigd en zelfs een paar keer gedwongen, om zich te vestigen in Ottomaanse landen, vooral in de nieuw veroverde provincies.

Uiteraard is dit niet gelijkheid, maar het is ook geen antisemitisme in de ware zin van het woord. De Ottomaanse behandeling van de Joden bevatte zelfs een soort van respect. Wij vinden natuurlijk uitingen van vooroordelen tegen de Joden, tegenover een groep mensen die anders is, maar hun algemene houding was geamuseerde, tolerante superioriteit. Een interessant verschil in vijandige stereotypen is te vinden in anekdotes, grappen en dergelijke. De belangrijkste negatieve eigenschap die aan Joden in de Turkse en Arabische folklore werd toegeschreven, was dat ze laf en niet militaristisch waren – zeer verachtelijke eigenschappen in een martiale samenleving. Een late Ottomaanse grap kan dienen om dit te illustreren. Het verhaal gaat, dat in 1912, op het moment van de Balkan-oorlog toen er een acute bedreiging bestond voor het Ottomaanse Rijk in zijn laatste fase, de Joden, vol patriottische ijver, besloten dat ook zij wilden dienen in de verdediging van hun land, zodat ze toestemming vroegen om een speciale vrijwilligersbrigade te mogen vormen. Toestemming werd gegeven en officieren en onderofficieren werden gestuurd om ze te trainen en ze uit te rusten. Nadat de Joodse brigade vrijwilligers was bewapend, uitgerust en opgeleid, klaar voor vertrek naar het front, stuurden ze een bericht met de vraag of ze konden beschikken over een politie-escorte, want er waren meldingen van bandieten onderweg.

Dit is een zeer interessante overlevering. Is deze vijandig? Niet echt. Het toont een soort van geamuseerde tolerantie, tegelijkertijd goed gehumeurd en minachtend, die ons kan helpen om de verbijstering en afschuw te begrijpen over de Israëlische overwinningen in 1948 en daarna. We hebben een aantal levendige beschrijvingen van de verwachtingen en reacties van 1948. Azzam Pasha, die toen de secretaris-generaal was van de Arabische Liga, wordt geciteerd en zou hebben gezegd: “Dit zal als de Mongoolse invasies zijn. We zullen ze volledig vernietigen. Wij zullen ze in zee vegen.” De verwachting was dat het snel en eenvoudig zou zijn. Het zou geen enkel probleem worden een half miljoen Joden aan te pakken. Het was destijds een verschrikkelijke schok toen vijf Arabische legers werden verslagen door een half miljoen Joden met zeer beperkte wapens. Het blijft beschamend en vernederend. Dat werd in die tijd zo gezegd en dat is sindsdien niet veranderd. Een schrijver zei: “Het was al erg genoeg om veroverd en bezet te worden door de machtige rijken van het Westen, het Britse Rijk, het Franse Keizerrijk, maar om dit lot te moeten ondergaan door de handen van een paar honderdduizend Joden was onverdraaglijk.”

De westerse vorm van antisemitisme – de kosmische, satanische versie van Jodenhaat – biedt troost aan gekwetste gevoelens. Het kwam in verschillende fasen naar het Midden-Oosten. De eerste fase was bijna geheel christelijk, meegebracht door Europese missionarissen en diplomaten. Z’n impact was voornamelijk in de lokale, christelijke minderheden, waar we af en toe herhalingen zien van het eerder weinig bekende bloedsprookje. In de 15de en 16de eeuw was dit inderdaad expliciet verworpen in opdracht van de Ottomaanse sultans. Het werd nu opnieuw leven ingeblazen. De eerste grote zaak was het bloedsprookje van Damascus in 1840. Dit soort antisemitisme bleef toenemen, in eerste instantie op kleine schaal, in de 19e en in het begin van de 20e eeuw met een beperkte respons. Op het moment van de Dreyfus-affaire in Frankrijk waren de meningen van moslims verdeeld, sommigen waren tegen Dreyfus, een aantal steunde hem.

Een prominente, islamitisch denker uit die tijd, de Egyptenaar Rashid Rida, schreef een verdediging van Dreyfus door zijn aanklagers aan te vallen en beschuldigde hen niet van fanatisme, omdat ze geen echte religieuze overtuigingen zouden hebben, maar van het hebben van vooroordelen en afgunst. Ondanks deze respons, was een gevolg van deze affaire de eerste vertaling van een lading Europese antisemitische geschriften in het Arabisch.

Lees verder in Deel 2.


Bernard Lewis is professor emeritus of Near Eastern Studies at Princeton University and the author of From Babel to Dragomans: Interpreting the Middle East. This essay is based on a lecture delivered at Brandeis University on March 24, 2004.