Albert Einstein over Jodendom, Zionisme en Israël [Prof. Wout Jac. van Bekkum]

Tel Aviv, Israël, 8 februari 1923. Albert Einstein (midden vooraan) ontvangt het ere-burgerschap van Tel Aviv: “The accomplishments of the Jews in just a few years in this city arouses the highest admiration.. An incredibly active people, our Jews… [..] I have already had the privilege of of receiving honorary citizenship of the City of New York, but I am tenfold happier to be a citizen of this beautiful Jewish town“.

Albert Einstein: Zionism and Israel

Einstein en Jodendom

door Prof. Wout Jac. van Bekkum
bron: Consistoriaal Nieuwsblad nr. 18

In 1920 stierf de moeder van Albert Einstein (1879-1955) en ook was dit het jaar van grote tegenstellingen in het oordeel over Einstein. Talrijke prijzen vielen hem ten deel, maar in Duitsland werd hij aangevallen als jood en communist. Zijn theorie zou een joodse bevuiling zijn van de zuivere Duitse wetenschap. De natuurkundige Lenard, Nobelprijswinnaar in 1905, trok fel van leer tegen Einstein in antisemitische bewoordingen. De dubbele benadering bracht hem tot de uitspraak: “Grappig volk die Duitsers! Ik ben hun stinkende bloem – toch steken ze me in hun knoopsgat.”

De Joodse Gemeente Berlijn bood hem het lidmaatschap aan maar Einstein weigerde: “Hoezeer ik me ook joods voel, toch sta ik veraf van religieuze vormen. Niemand kan gedwongen worden bij een gemeenschap te horen. Goddank, die tijden zijn voorbij!” Aan joods-sociale instellingen wilde hij wel financiële bijdragen leveren.

In 1923 kwam ook voor Einstein de grootste beloning: de Nobelprijs voor alle bewezen wetenschappelijke verdiensten. Nu voelde Einstein zich sterk genoeg om over allerlei politieke ontwikkelingen zijn mond open te doen. In 1921 ontmoette hij Chaim Weizmann, de onvermoeibare voorvechter van het Zionisme. Ook al had Einstein aan nationalisme een grote hekel, hij voelde zich verantwoordelijk voor het behoud van joods-culturele waarden, maar belangrijker nog vond hij het geven van steun aan organisaties die de sociale noden van joden hielpen verlichten of zich tegen antisemitische bedreiging keerden.

Einstein’s steun ging in de richting van het Zionisme, omdat het stichten van een joods thuisland een groot psychologisch effect zou hebben op de politieke erkenning van het joodse volk en op het veiligstellen van zijn cultuur. Na aanvankelijke aarzeling – bang dat zijn naam misbruikt zou worden – reisde Einstein met Weizmann mee naar de Verenigde Staten waar hem een groot welkom werd bereid. Hij werd op het Witte Huis ontvangen en kreeg een eredoctoraat van Princeton, terwijl tegelijkertijd miljoenen dollars werden vergaard voor het Jewish National Fund, de organisatie die landaankopen in Palestina realiseerde.

Op 24 juni 1922 werd Walther Rathenau vermoord, de Duits-joodse minister van buitenlandse zaken. Einstein was diep geschokt, want in Rathenau herkende hij iets van zijn eigen positie en roem. Hij zag zichzelf als een internationaal georiënteerde jood die zich steeds feller tegen oorlogsstemming ging verzetten.

Februari, 1923 op de Scopusberg, Jeruzalem: Albert Einstein plant een boom waar de Hebreeuwse Universiteit gebouwd wordt

Na het ontvangen van de Nobelprijs reisde hij naar Palestina, waar hij een lezing gaf op de Hebreeuwse Universiteit, gesticht in 1926. Bij het zien van orthodoxe joden bij de Klaagmuur, verzuchtte hij: “Dit is een tragische kijk op mensen met een verleden zonder heden.”

Na bezoeken aan Frankrijk en Spanje waar zich de eerste tekenen van fascisme voordeden, bleef hij Berlijn nog de gouden stad noemen, waar hij in 1928 nog de uitspraak deed: “Niemand mag zich jood of christen noemen die bereid is te doden op gezag of die zich laat gebruiken voor zo’n misdaad hoe dan ook.

Op 14 maart 1929 werd Einstein vijftig jaar, een wereldgebeurtenis die overal de kranten haalde. Meer dan ooit voelde Einstein zich de totaalweigeraar van alles en iedereen die uit was op machtsmisbruik en oorlog. Begin jaren dertig, toen Einstein vooral in Oxford en in Pasadena verbleef, nam hij kennis van de groeiende macht van Hitler in Duitsland. Na de machtsovername in 1933 werden Einstein’s Duitse bankrekeningen geblokkeerd en zijn wetenschappelijk werk in de ban gedaan. De nazi’s verklaarden Einstein’s relativiteitstheorie voor een joodse uitvinding, waarop Einstein sarcastisch verklaarde dat hem een groot compliment was gegeven.

Net op tijd kon hij zelf nog zijn lidmaatschap van de Pruisische Academie van Wetenschappen intrekken en zei hij zijn Duits staatsburgerschap op. Spoedig zouden de nazi’s zelf nog een keer officieel volgen en hem zijn nationaliteit ontnemen. Overal in Duitsland werd de beschuldiging geuit dat Einstein gruwelverhalen over zijn voormalige vaderland verspreidde. Vele collega’s geloofden dat en vielen hem af; alleen Max Planck zou, na een intense brievenwisseling, achter Einstein blijven staan. In april 1933 eindigde ook Einstein’s lidmaatschap van de Beierse Academie, waarna hij het gebruik van militaire middelen tegen nazi-Duitsland propageerde. Pacifisten zagen deze oproep als verraad aan zijn anti-oorlogshouding.

In oktober 1933 werd Einstein in de Verenigde Staten door president Roosevelt ontvangen, die het mede voor hem mogelijk maakte om op de universiteit van Princeton te werken aan atoomonderzoek en de methoden voor atoomsplitsing te verbeteren. De ontwikkeling van een atoombom was niet tegen te houden en leidde uiteindelijk tot het gebruik ervan op Hiroshima en Nagasaki. Einstein voelde zich hiervoor mede verantwoordelijk en zou het voorzitterschap aanvaarden van de Emergency Committee of Atomic Scientists. Steeds vaker en krachtiger bepleitte hij de noodzaak van een supranationale, militaire macht die de wereldvrede zou moeten bewaken.

In 1936 stierf zijn tweede vrouw Elsa en Einstein, nu voorgoed gevestigd in de Verenigde Staten, zette zich in voor het redden en overbrengen van Duitse joden naar Amerika. Na de Tweede Wereldoorlog brak hij definitief met Duitsland en weigerde hij het opnieuw aangeboden lidmaatschap van de Beierse Akademie. Zijn mening was zeer stellig: “De Duitsers hebben al mijn joodse broeders gedood. Ik wil nooit meer iets met Duitsers te maken hebben.” Prijzen en lidmaatschappen van wetenschappelijke instituten in Duitsland werden steevast geweigerd. In juni 1951 stierf zijn zus Maja. Einstein betitelde zichzelf als iemand die elder statesman en Jewish saint speelde.

Na de dood van Weizmann werd hem het presidentschap over de staat Israël aangeboden. Hij wees het verzoek af met het volgende commentaar: “Ik ben des te meer verdrietiger dit verzoek te moeten afwijzen, want mijn verhouding tot het joodse volk is mijn sterkste menselijke band, nu ik mij bewust ben van onze moeizame plaats temidden van de andere volkeren der wereld.”

Monument van Albert Einstein in de tuin van de Israëlische Academie voor Wetenschappen te Jeruzalem

Advertenties

One thought on “Albert Einstein over Jodendom, Zionisme en Israël [Prof. Wout Jac. van Bekkum]

  1. Dhr. Heulderink 12 juni 2012 / 14:53

    Om dan toch even de historische “what-if’s” aan te kaarten…
    Zou Israël nog bestaan hebben als de pacifist Einstein die positie toentertijd had aangenomen?

    Like

Reacties zijn gesloten.