Israël, de Palestijnen en de kwakkel van de waterzwendel [Jack L. Schwartzwald]

Israel, Palestinians and Water Libel

door Jack L. Schwartzwald
bron: http://frontpagemag.com/

Op 13 december, 2011, gaf de Franse Assemblée Nationale (het Franse parlement) een 320 pagina’s tellend rapport uit, “La géopolitique de l’eau (Bassin Jordanien)” (Geopolitiek van het Water, Jordaans Bassin), waarvan 20 pagina’s werden besteed aan een zogenaamde “wateroorlog” tussen Israëliërs en Palestijnen.

Met aangebrande termen zoals “Apartheid“ en “bezet water” beschuldigde de auteur van het rapport, Jean Glavany, Israël van het opsouperen van de Palestijnse waterbronnen en het bevoorrechten van 450.000 “kolonialistische” Joodse inwoners, die “ogenschijnlijk meer water verbruiken dan 2.3 miljoen Palestijnen [op de West Bank].“

Het rapport oogstte onmiddellijk lof van Shaddad Attili, de directeur van het departement voor water van de Palestijnse Autoriteit (die gelijkaardige beweringen maakte in 2011 in een editoriaal in The Jerusalem Post). Het tijdschrift Harper voorzag het eveneens van een gunstige commentaar, net zoals de altijd-betrouwbare Counterpunch, die de misleidende hypothese voorstelde dat de veiligheidsbarrière van Israël “nauw de lijn volgt van de westelijk gelegen waterhoudende ondergrond” als deel van een sinistere samenzwering om het “Palestijnse” water naar Israël af te leiden.

(Voor de goede orde: (1) de westelijk gelegen waterhoudende bodemlaag betrekt het grootste deel van zijn water onder Israëlisch grondgebied, waar het al sinds de jaren 1920 wordt gehaald; (2) de “lijn” die de veiligheidsbarrière van Israël “nauw volgt” is diegene die would-be Palestijnse terroristen scheidt van hun intentionele Joodse slachtoffers; en (3) de Joden die achter deze barrière wonen, maar voorbij de Groene Lijn van 1949, krijgen hun water uit Israëlische bronnen en niét uit Palestijnse.)

Het leugenachtige Franse rapport is nauwelijks het eerste woord dat over dit onderwerp wordt gezegd. In mei 2008, gaf National Geographic twee neerwaartse duimen voor de levensbelangrijke ontziltingsinstallaties van Israël, erop wijzend dat de fossiele brandstoffen die nodig zijn om hen te laten draaien (daardoor de planeet bedreigen), dat zij water produceren dat “te zuiver” is (daardoor de integriteit van de waterleidingen bedreigen) en dat zij kwetsbaar zijn voor terreuraanslagen (om niet iedereen op slechte gedachten te brengen).

Veel slechter was een “exposé” van The Guardian uit 2009 “Wie zal de kinderen van Gaza redden?“, waarin Victoria Brittain beweerde dat het Israëlische waterbeleid pasgeborenen in Gaza blootstelde aan giftige niveaus van nitraten, waardoor een “uitzonderlijk hoge” toename werd vastgesteld van het “blauwe babysyndroom”. In feite staat het aantal gevallen van het “blauwe babysyndroom” (de dodelijke vorm van de een medische toestand van “methemoglobinemia“) op nulkommannul. (Hoewel milde, niet-dodelijke gevallen van methemoglobinemia in Gaza zijn voorgekomen, zijn de verhoogde nitraatgehaltes die deze veroorzaakten toe te schrijven aan gebrekkige Palestijnse bevruchtingsmethodes en niét het gevolg van het Israëlische waterbeleid.)

Synchroon daarmee werd de “waterlaster” collectief overgenomen en verspreid door Petra Marquardt-Bigman, een blogster op The Jersualem Post, met de hierboven geciteerde verslagen in een de duivel-weet-er-wel-weg-mee houding ten aanzien van de gevestigde feiten. Zich baserend op de documenten van de Palestijnse Water Instantie en de Gezamenlijke Israëlisch-Palestijnse Water Commissie, hebben Visser en Shaked (Missing Peace) de beschuldigingen van Shaddad Attili compleet weerlegd.

Zo beweerde Attili bijvoorbeeld dat de Israëliërs vier keer meer water per inwoner verbruiken dan de Palestijnen. De lezer zal tot dezelfde conclusie komen, op voorwaarde dat hij de berekeningen van Attili gebruikt, dewelke (a) het Israëlische verbruik per inwoner met bijna 100% overschat (280 kubieke meters jaarlijks tegenover 150); (b) het Palestijnse verbruik onderschat met meer dan 50% (60 tegenover 140) en (c) algemeen de bevolking van Palestina overschat door er 400.000 Palestijnen bij te tellen die in Israël leven (waar zij gebruik maken van Israëlische watervoorziening), alsmede nog eens 400.000 Palestijnen die in het buitenland wonen.

Net zoals met het Franse rapport van de Nationale Assemblée, draaide het er op uit dat Monsieur Glavany systematisch essentiële feiten uit de wegging met een air van zelfvertrouwen die in zijn land niet meer gezien werd sinds de Dreyfus Affaire. Verder interpoleerde hij ter elfder ure een aantal vergiftigde onnauwkeurigheden in het rapport zonder daar zijn medeauteurs vooraf van op de hoogte te brengen, die zijn beweringen afkeurden toen zij de definitieve herziene tekst onder ogen kregen.

Alzo, wat zijn dan precies de feiten? Een nuttig uitgangspunt zou zijn te vermelden dat onder het Jordaanse bestuur voorafgaand aan 1967, slechts 1 op 10 huishoudens op de West Bank aangesloten waren op stromend water en dat vandaag, ten gevolge van het Israëlische waterbeleid, het cijfer zich nabij 96% bevindt (en spoedig zal toenemen tot 98.5%). Ten tweede, zijn het de Palestijnen die Israëlisch water stelen (en niet andersom zoals door Attili en Glavany wordt beweerd), terwijl Israël veel meer volumes water exporteert naar de West Bank dan in de Akkoorden van Oslo werd bepaald. (Israël doet dit hoofdzakelijk om het herhaalde falen te compenseren van de Palestijnse Water Instantie om goedgekeurde waterprojecten te implementeren en te voldoen aan minimale standaarden van onderhoud en veiligheidsprocedures, die resulteren in het verlies van naar schatting 33 procent jaarlijks van de toegewezen Palestijnse waterhoeveelheid.)

Hoofdzakelijk omdat ze geen tijd willen verspelen aan dergelijke mondaine taken zoals het ontwikkelen en onderhouden van zijn watervoorraden, hebben de PWA en zijn directeur een overvloed aan tijd om valse beschuldigingen tegen Israël te produceren. En hoofdzakelijk omdat de Israëliërs geen van al die dingen doen waarvan ze worden beschuldigd, hebben zij overschot van tijd gehad om aan de echte watercrisis in het gebied te werken. Inderdaad hebben zij daaraan gewerkt lang vooraleer Israël een staat werd. Het was met name de Joodse gemeenschap die de moerassen aan de kustvlakte ten tijde van het Britse Mandaat voor Palestina in de jaren 1920 hebben droog gelegd om toegang te krijgen tot de waterbronnen van de westelijk gelegen waterhoudende laag die er benden lag. In 1937 richtte deze zelfde gemeenschap Mekerot op (of het nationaal waterbedrijf).

Vanaf toen, hebben zij het waterprobleem aangevallen vanuit veelvoudige invalshoeken. Bijvoorbeeld de “druppel irrigatie” waarin Israël in de jaren 1960 pionier van was, het bevochtigen van de wortels van platen met een efficiency van bijna 80% (het dubbele van wat met gewone open irrigatie wordt bereikt), en de nieuwere “ondergrondse irrigatie” doen nog beter. Omdat het land meestal dor is, bouwde Israël in 1964 zijn National Water Carrier (afbeelding rechts) om water van de gebieden tijdens hogere neerslag nabij het Meer van Kinneret (Meer van Galilea of Tiberius) naar de uitgedroogde Negev te leiden, waardoor woestijngebieden werden omgezet in productieve landbouwgrond.

Israël recycleert 75% van zijn afvalwater (6x meer dan zijn meest nabije concurrent) en gebruikt het gerecycleerde water voor de landbouw. Zij hebben onbemande vliegtuigjes ontwikkeld die vanuit de lucht waterlekken opsporen in waterleidingen via alarmsystemen op watermeters en een “curapipe” proces ontwikkeld dat “speldeprik” lekken herstelt zelfs nog voor ze ontdekt worden. Hoog-technologische “SmarTap” afsluitkranen verminderen de consumptie van huishoudwater met 30% met patronen die nauwelijks zichtbaar zijn.

Het meest ambitieuze programma van Israël echter, was zijn “Desalination Master Plan” (Hoofdplan voor Ontzilting). In 2000 in werking gesteld, was het doel om toonaangevende ontziltingsinstallaties te bouwen langsheen de kust van de Middellandse Zee om via “omgekeerde osmose” jaarlijks 400 miljoen kubieke meters drinkbaar water te leveren tegen het jaar 2005. (Tegen 2020, wordt een cijfer van 750 miljoen kubieke meters nagestreefd).

De eerste omgekeerde osmose-installatie, toen de grootste van de wereld in die aard, werd in Ashkelon in 2005 geopend met een capaciteit van 100 miljoen kubieke meter drinkbaar water per jaar, aan de kostprijs van 52 centen per kubieke meter. (Het natuurlijk drinkwater kost eigenlijk meer aangezien het nog moet bewerkt worden.) Een tweede installatie werd in 2010 in Hadera in gebruik genomen en wanneer de installaties van Soreq en Ashdod in 2013 zullen openen, zullen de ontziltingsinstallaties van Israël 85% van de consumptie van het huishoudwater van Israël voor zich nemen en zal de staat in een exporteur van water veranderen.

In het buitenland hebben de Israëlische technologiebedrijven meer dan 400 ontziltingsinstallaties in 40 landen gebouwd. India werkt momenteel aan een proefproject dat betrouwt op Israëlische deskundigheid en China heeft met Israël een overeenkomst ondertekend om met gebruik van IDE-technologie een “Groene” ontziltingsinstallatie te bouwen die via verdamping en condensatie ontzilt.

Terwijl de Palestijnen Israël beschuldigen werken de Israëliërs intussen naarstig verder aan innovatieve oplossingen. In de maand maart hield de Palestijnse Water Autoriteit op het Wereld Water Forum een petitie om 450 miljoen dollars in te zamelen om in Gaza een ontziltingsinstallatie te financieren. Binnen de 24 uren bood Israël zijn deskundigheid aan het project te verlenen. Misschien komt er een Israëlisch-Palestijnse “wateroorlog” maar die zal niet begonnen zijn door de schuld van Israël.


Met dank aan Joke Elshout voor de hint.

Jack Schwartzwald is a Clinical Assistant Professor of Medicine at Brown University and author of Nine Lives of Israel (McFarland, 2012).

Freedom Center pamphlets now available on Kindle: Click here.