Opgang en ondergang van Jericho, de oudste stad van de wereld [Erhard Gorys]

Jericho staat in de wereld bekend als de stad waar de Bijbel verhaalt hoe de muren naar beneden kwamen: “Toen de ramshoornen schalden, juichte het volk en daarop stortte de de stadsmuur in. De Israëlieten stroomden van alle kanten de stad binnen en namen haar in” [Jozua 6:20].

In de jaren 1950 deed Kathleen M. Kenyon onderzoek in Jericho. Zij kwam tot de conclusie dat het verhaal in het boek van Jozua en zijn Muren van Jericho een mythe waren. De in de 13e eeuw v. C. onder aanvoering van Jozua hier binnendringende Israëlieten vonden een bijna verlaten stadje met vervallen versterkingswerken. Noch bazuingeschal noch krijgsgeschreeuw was nodig om de muren van’ de machtige koningsstad’ te doen instorten, zoals het boek Jozua vermeldt. 

In de tijd dat de Israëlieten de stad aanvielen bestond er niet eens een stad en zeker geen versterkte muren. Er is tot op heden geen enkel archeologisch bewijs gevonden in Jericho dat het verhaal van de Bijbel bevestigt. De muren die werden gevonden dateren uit de late bronstijd en houden geen enkel verband met de komst van de Israëlieten. De conclusies van Kathleen M. Kenyon deden de grondvesten van [vooral de religieuze] wereld daveren en rommelden met zoveel kabaal dat wellicht luider heeft geklonken dan het in elkaar storten van Jericho’s muren zelf, tenminste… als die al ooit bestaan zouden hebben.

De controversie duurt voort tot op vandaag. Het volgende nuchter essay is van de hand van de Duitse historicus Erhard Gorys (1926-2004) en dateert alweer uit 1984. Zijn essay houdt het midden tussen archeologie en Bijbelse verhalen, tussen wat we willen geloven en wat artefacten die ter plaatse werden gevonden ons feitelijk vertellen. Het is zeer zeker de moeite waarde om te lezen.

Jericho, de oudste stad op de aarde

door Erhard Gorys

Bron: Das Heilige Land. Historische und religiöse Stätten von Judentum, Christentum und Islam in dem 10.000 Jahre alten Kulturland zwischen Mittelmeer, Rotem Meer und Jordan; Du Mont Buchverlag, Köln; 1984 – Nederlandse editie: Uitgeverij Cantecleer 1989

Jericho (Arabisch: Er-Riha) is voor zover nu bekend de oudste stad van de aarde, en volgens de bijbel de eerste stad die de Israëlieten in het beloofde land veroverden. Eigenlijk zijn er drie steden van die naam geweest in verschillende periodes, elk ongeveer 2 km van elkaar verwijderd. Oorspronkelijk was er de stad op de Tel Jericho (Tell es-Soeltan), vervolgens de hellenistisch-Romeinse stad van Herodes de Grote bij de Toeloei Aboe el-Alajik en ten slotte ten zuidwesten daarvan bij de Wadi el-Kelt de stad van de kruisvaarders, tevens het huidige Arabische Er-Riha. Daarbij komt nog de uitgestrekte wijk Akabat Jahr ten zuiden daarvan, die na 1967 is ontstaan uit een Palestijns vluchtelingenkamp.

Ook enkele plaatsen in de omgeving zijn een bezoek meer dan waard, vooral het sprookjesachtige winterpaleis van de Omajjaden in Khirbet el-Maljir, de synagoge van Na’aran, de Berg der Verzoeking en de plaats waar Jezus werd gedoopt, tegenwoordig verboden terrein. De herkomst van de naam Jericho is nog niet bevredigend verklaard. Meestal neemt men aan dat er verband bestaat met jareach (= maan) en dat de stad is genoemd naar de oudsemitische beschermende maangod.

De vroegste sporen van bewoning gaan terug tot ongeveer 10.000 v.C. In die tijd moet bij de waterrijke bron Ain es-Soeltan een volk hebben gewoond dat de eerste voorzichtige pogingen ondernam om de grond te bewerken. Ten noorden van Tell es-Soeltan vond men sporen van een rechthoekig gebouw van 6,5 x 3,5 meter. De muren waren uit ruwe steenblokken opgetrokken en de fundamenten waren van leem en ongeveer 30 cm breed. Twee 75 cm hoge doorboorde rotsblokken speelden misschien een rol bij de eredienst.

Jericho 's 9000 jaar oude toren! Dat was nog net vóór de Zondvloed plaatsvond 😉

Ergens tussen 7000 en 6800 v. C. moet Jericho al een echte stad zijn geweest, de eerste die we kennen, met stenen muren, minstens één toren (afb. hiernaast) en een verdedigingsgracht. Er kunnen ongeveer 3000 mensen hebben gewoond. De welstand waarop de aanleg van deze versterkingen wijst, was hoofdzakelijk te danken aan de bron Ain es-Soeltan, die een uitgestrekte oase, waar zelfs palmen konden gedijen, bevloeide. Misschien heeft ook de ontginning van het in de Dode Zee overvloedig aanwezige zout, zwavel en aardpek tot de welvaart bijgedragen.

Volgens Kathleen M. Kenyon, die in Jericho uitvoerige opgravingen heeft verricht (1952-1958), is het zeer merkwaardig dat zich hier lang voor de bouw van de piramiden “een gedifferentieerde leefgemeenschap met een goed functionerende organisatie heeft ontwikkeld”. In de oudste stedelijke cultuurperiode zijn duidelijk twee lagen te onderscheiden. De oudste (7000-6800 v. C.) heeft huizen met een rond grondvlak, de jongere laag (einde zevende millennium v. C. bevat huizen met een vierkant grondvlak. Deze bestonden vaak ook uit meerdere vertrekken die om een hof waren gegroepeerd. De wanden en vloeren waren bijzonder goed afgewerkt en geverfd in rode en gele tinten. Beeldjes in klei, die werden gevonden in een groot langwerpig gebouw met halfronde nissen, wijzen op de verering van een vruchtbaarheidsgodin. Zeer verrassend was in 1953 de vondst van mensenschedels zonder onderkaak en voorzien van gezichtsmaskers in klei. Misschien staan ze in verband met de voorouderverering. Rond 5500 v. C. schijnen de inwoners om ons onbekende redenen de stad te hebben verlaten.

Tussen 5000 en 2000 v. C. werd de stad herhaaldelijk weer bewoond, verwoest, opnieuw versterkt en weer verlaten. Daardoor is het zeer moeilijk de historische ontwikkeling nauwkeurig vast te stellen. Rond 1900 v.c. verschenen de Kanaänieten in Jericho. De stad werd tot ongeveer 4 ha uitgebreid en door een zware wal omgeven. De glooiing was bekleed met mortel en stenen, zodat hij beter bestand was tegen de nieuwe belegeringstechnieken (stormram). Dit was namelijk de tijd waarin de Hyksos het Midden-Oosten onveilig maakten.

Ondanks de versterkingen slaagde farao Ahmosis er in 1550 v. C. toch in de stad te veroveren en in de as te leggen. Bijna twee eeuwen lagen hier ruïnes, tot na 1400 v.c. een nieuwe stad ontstond, die echter rond 1325 v. C. alweer werd verlaten. De in de 13e eeuw v. C. onder aanvoering van Jozua hier binnendringende Israëlieten vonden een bijna verlaten stadje met vervallen versterkingswerken. Noch bazuingeschal noch krijgsgeschreeuw was nodig om de muren van’ de machtige koningsstad’ te doen instorten, zoals het boek Jozua [6: 20] vermeldt. Het hele grondgebied werd vervloekt en inderdaad bleven de ruïnes lange tijd onbewoond. Het gebied was toegewezen aan de stam Benjamin en pas in de ge eeuw v. C. bouwde een zekere Hiël, vermoedelijk een hoge beambte van koning Achab van Israël, de stad weer op. [1 Kon. 16:34] Archeologen vonden weliswaar geen sporen van stadsmuren uit de tijd van Achab, maar wel enige resten van gebouwen. In deze tijd kwam de profeet Elia met zijn leerling Elisa naar de stad [2 Kon. 2:4]. Onze kennis van Jericho in de 7e eeuw v.c. beperkt zich tot vondsten van scherven van aardewerk.

In 578 v.c. veroverden de troepen van Neboekadnessar Jeruzalem. Sedekia, de laatste koning van Juda, vluchtte naar Jericho, maar de Babyloniërs namen hem gevangen ‘in de vlakte van Jericho’ [2 Kon. 25:1]. Zij staken hem de ogen uit en voerden hem samen met de joodse elite naar Babylon in ballingschap. Nadat de Perzen het Nieuw-Babylonische rijk hadden vernietigd, keerden in 538 v. C. 345 joden met hun gezinnen naar Jericho terug. [Ezra 2:34]

In 161 v. C. versterkte Bacchides, generaal van de Seleucidenvorst Demetrius I, het nieuwe Jericho. [1 Mak. 6:50] Enkele jaren later veroverden de Makkabeeën de stad. Twee bastions, de ‘torens Threx en Taurus’ , bewaakten de toegang tot de Wadi el-Kelt, waardoor de weg naar Jericho liep. Toen de Romeinen in 63 v.c. Palestina onderwierpen en de cohorten van Trajanus, een generaal van Pompejus, naar Jericho marcheerden, vluchtten de inwoners naar de nabijgelegen bergen. Trajanus vestigde zich zonder slag of stoot in de verlaten stad. Marcus Antonius gaf het rijke Jericho met inbegrip van de oase cadeau aan zijn geliefde Cleopatra, die de stad aan Herodes de Grote verpachtte.

Na haar zelfmoord in 30 v. C. gaf Octavianus de stad aan Herodes in volle eigendom. Deze breidde haar uit tot een luxeus kuurcentrum met enorme parken, kunstmatige vijvers, een amfitheater en een hippodroom. Aan weerszijden van de Wadi el-Kelt liet hij een prachtig winterpaleis bouwen, waar hij bij voorkeur verbleef. Daar is hij in 4 v. C. ook gestorven. Tijdens zijn laatste uren wachtten in het hippodroom 15.000 gevangengenomen joden op hun doodvonnis, maar na Herodes’ dood liet zijn zuster hen vrij. Na de bijzetting van de koning in het Herodeion bij Betlehem liet een van zijn slaven zich tot koning van Jericho uitroepen. Toen Herodes’ zoon Archelaüs daarop de stad aanviel, stak de slaaf het paleis in brand en kwam in de vlammen om. Archelaüs bouwde alles weer op, breidde de stad in oostelijke richting uit en legde een uitgestrekt bevloeiingssysteem voor de reusachtige plantages aan.

De Griekse geograaf Strabo (63 v.C.-20 n.C.] heeft de vlakte langs de Wadi el-Kelt gezien en beschreven in zijn Geographica [XVI, 2:40]. De vlakte stond ‘vol woningen en vruchtbomen’. Hij was verrukt van het ‘unieke palmwoud, dat een oppervlakte had van 100 stadiën’ en van de ‘balsemtuin, die het ook als geneesmiddel belangrijke balsemhars leverde’. Ook Jezus heeft in Jericho sporen achtergelaten. Hier bekeerde hij de belastingpachter Zacheüs [Luc. 19:2] en genas hij de blinde Bartimeüs [Mar. 10:46]. Tegen het einde van de Eerste Joodse Oorlog in 70 n. C. werd de stad door de Romeinse troepen verwoest en verloor ze alle betekenis. De overlevenden bouwden echter in de loop der tijd een nieuwe wijk, die zich geleidelijk stroomafwaarts uitbreidde tot het¬ huidige Eriha. In de Byzantijnse tijd was de stad zetel van een bisschop. Tot nu toe heeft men zes kerken en een synagoge kunnen lokaliseren.

In 614 richtten de Perzen verwoestingen aan. In 627 vestigde zich hier een groot aantal joden, die door Mohammed uit Arabië waren verdreven. In 638 overstroomden de troepen van kalief Omar het land. Ze bouwden een fort bij de Wadi el-Kelt. Tijdens de regering van de Omajjaden was Jericho hoofdstad van een provincie en leefde het hoofdzakelijk van de handel in indigo en suiker. Ook de kruisvaarders hadden hier suikermolens, totdat Saladin in 1187 de stad veroverde. Onder de Mamelukken en de Osmanen raakte Jericho in verval en in 1871 werd het door een brand geheel verwoest. Twee jaar later wilde de Turkse regering het gebied bij de Toeloei Aboe el-Alajik bij opbod verkopen. Joden uit Jeruzalem deden het hoogste bod, maar het land werd hun niet toegewezen, omdat de regering hier geen joodse kolonie wilde.

In de jaren twintig van deze eeuw verdeelde de Engelse mandaatregering het gebied onder de Arabieren, die het meteen aan joden verkochten. De Arabische opstand in 1936 dwong hen echter de wijk te nemen. Na de aanleg van de autoweg Jeruzalem- Jericho kwam de stad weer tot bloei. Rijke Arabieren bouwden in de klimatologisch gunstig gelegen oasestad luxueuze villa’s, waarin ze de winter doorbrachten. Toen Jericho in 1948 bij Jordanië kwam, vestigden zich daar talrijke islamitische vluchtelingen uit de nieuwe staat Israël. De armere gezinnen werden in kampen ondergebracht. In 1964 telde de stad 13.000 inwoners, terwijl 57.000 mensen in de kampen in de omgeving leefden. Na de bezetting van de westelijke Jordaanoever door de Israëli’s in 1967 liep het aantal inwoners tot 7000 terug.

Jericho in onze tijd, een Arabisch stadje Er-Riha genoemd, wordt sinds 1995 bestuurd door de Palestijnse Autoriteit. Tegenwoordig leven er ongeveer 20.000 Arabieren in groter Jericho. Rechts toont een graffiti de afbeelding van Yasser Arafat. De stad werd in de 12.000 jaar oude geschiedenis zo dikwijls en telkens ook zo grondig verwoest, dat van de antieke geschiedenis van de stad nog amper sporen van te vinden zijn. De weinige resten van gebouwen uit de Byzantijnse tijd en de periode van de Mammelukken zijn een bezoek niet waard.

Tot de resten van de Oude Synagoge uit de late 6de eeuw of begin 7de eeuw n.C. uit de Byzantijnse periode die in 1936 werd ontdekt (tegenwoordig beschermd als de Shalom Al Yisrael Synagoge), behoort een mozaïekvloer met de voorstelling van een thoraschrijn en een zevenarmige kandelaar met de sjofar (ramshoorn) en een feestelijke loelav. De Hebreeuwse inscriptie daaronder luidt: “Shalom al Yisrael” [Vrede zij met Israël].

In 1995 als uitvloeisel van de Oslo Akkoorden, werd het lot van deze belangrijke Joodse archeologische site in de handen gelegd van de Palestijnse Autoriteit. Een grote flater zoals later bleek. In de nacht van 12 oktober 2000, aan het begin van de Tweede Intifada (ook Al Aksa Intifada genoemd) werd de synagoge door boze Palestijnen aangevallen, die het grootste deel van het gebouwencomplex vernielden en verbrandden, inclusief boeken en relieken. Ook de oude mozaïek werd beschadigd. Een en ander gebeurde kennelijk in een zoveelste poging om elk spoor van Joodse origine te wissen net zoals dat ook op de Tempelberg gebeurde.

Het IDF staat sinds 2005 met mondjesmaat bezoeken toe aan de site. Op 25 februari 2009 inspecteerde een belangrijke delegatie van rabbijnen en militairen, begeleid door een patrouille van Israëlische en Palestijnse soldaten, voor het eerst de site. Als gevolg van dat bezoek heeft de Palestijnse Autoriteit de 1500 jaar oude site opgeruimd en herschilderd. [bron]

Advertenties