Mythevorming rondom LIFTA verhindert afbraak voormalige ‘Arabische’ ruïnes in Jeruzalem

Het verlaten idyllische Arabische dorpje Lifta in de buitenwijken van Jeruzalem, waar Israëlische ondernemers een luxueus huizencomplex plannen. Lifta werd tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog van Israël [1947-1949] door de Arabieren op aanstichten van hun leiders verlaten, in de hoop om snel terug te keren nadat de Arabische legers de Joodse staat zouden vernietigd hebben. Die oorlog pakte echter helemaal anders uit, de Arabieren werden verslagen en Lifta, het enige Arabische dorpje waar nog zowat 55 huizen vrij intact zijn gebleven, staat sinds 1948 te verkommeren. Lifta staat sindsdien symbool voor het zogenaamde Recht op Terugkeer van de ‘Palestijnen’ en zelfs de door de Arabieren gemanipuleerde UNESCO bemoeit zich thans met deze zaak van vermeend “Palestijns Erfgoed”.

In een kort bericht uit The Washington Post van 7 februari 2012, is te lezen dat een rechtbank in Jeruzalem de plannen om een groot ontwikkelingsproject, te realiseren op de site van het in 1948 verlaten Arabische dorpje LIFTA, voorlopig heeft afgeblazen. Het project omvat de bouw van een aantal appartementsblokken, aanleg van electriciteitsleidingen en rioleringen en andere nutsvoorzieningen, alsmede de aanleg van parken en het aanplanten van bossen.

De rechtszaak tegen de bouwontwikkelaars was ingediend door voormalige bewoners van LIFTA en hun nakomelingen samen met Israëlische activisten, die argumenteerden dat de ruïnes van Lifta in de buitenwijk van Jeruzalem, moeten bewaard blijven als herinnering aan de periode vóór de stichting van de Joodse staat Israël. Sami Ershied, de advocaat die de zaak van de indieners verdedigde, zei dat de rechter over de Lifta kwestie “moedig had geoordeeld” en bevestigde dat de “geschiedenis en erfgoed van de voormalige dorpelingen door de wet bescherming verdienen.”

Het Arabische dorpje Lifta op een kaart uit 1870 gelegen op 5 km ten Westen van Jeruzalem

De mythevorming rondom Lifta

door Brabosh, vrij naar een artikel op CAMERA [http://www.camera.org]

Op het internet circuleren nogal wat Palestijnse mythes, eenzijdig voorgestelde wildwest cowboyverhalen, flink doorspekt met halve waarheden en hele leugens over vermeende Israëlische wreedheden. Zo bijvoorbeeld omtrent het Bloedbad van Jenin, het Bloedbad van Deir Yassim, de Al Doura saga en dus ook de mythe van de Uitdrijving uit Lifta van de Palestijnen door de Zionisten. Lifta staat voor hen symbool voor de Nakba en moet alleen om die reden behouden blijven.

Ook al werden al die mythes bij herhaling vakkundig weerlegd, de leugens overleven en worden tot in den treuren toe herhaald terwijl de andere kant van het verhaal en de volledige toedracht van de feiten, die in het voordeel van Israël zouden kunnen pleiten, zonder te verpinken onder de mat wordt geveegd. Hier schuilt dus meer achter.

Snel verder lezen KLIKKEN op–>>

Eén van die mythevormers is Ilan Pappe, die zichzelf graag opwerpt als een ‘Israëlische historicus’. De Joodse nephistoricus Ilan Pappe wordt graag geciteerd door zowel Palestijnen en Arabieren als door linkse progressieve Israëliërs, door Israëlbashers over de hele wereld en andere linkse nitwits, om hun argumenten en grieven jegens de Joodse staat Israël te staven.

Dat Pappe er een eigen agenda op nahoudt zal hen worst wezen. Nochtans heeft Pappe bij herhaling – erg duidelijk en open – het handhaven van die leugenachtige mythes verdedigd, in dienst van zijn [en die van vele anderen] anti-Israëlische ideologie. En als Jood zijnde [As-a-Jew: “Als een Jood het zelf zegt zal het wel waar zijn”], wordt hij graag door niet-Joden geciteerd als zijnde deskundiger en geloofwaardiger, dan wanneer bv. een niet-Jood zijn leugens en verdraaiingen zou tegenspreken. Een ‘kwaal’ die wel meer voorkomt bij Joodse betweters omtrent de geschiedenis van het Arabisch-Israëlisch conflict, vooral dan bij Joden in de Diaspora denk bv. maar aan Norman Finkelstein en Noam Chomsky. In de Belgische krant Le Soir van 29 november 1999 drukte Pappe zijn strategie als volgt uit:

“Inderdaad draait de strijd om ideologie en niet om de feiten. Wie kent al de feiten? Wij trachten zoveel mensen als we kunnen te overtuigen van onze eigen interpretatie van de feiten en ze voor te stellen als de enige ware en wij doen dat natuurlijk uit ideologische motieven, niet omdat we op zoek zijn naar de waarheid.”

Het alom verbreide verhaal van Lifta
Het gekende gefabriceerde verhaal van Lifta, zoals het door de auteur Edmund Sanders ook in The Washington Post en door nephistoricus Ilan Pappe wordt verspreid is dat Lifta etnisch gezuiverd werd van Arabieren door het Israëlische leger tijdens de oorlog van 1948 en dat de Palestijnse gronden, huizen en bronnen onrechtmatig werden toegeëigend door de Israëliërs.

Het verhaal luidt als volgt. Op het einde van 1947 zou Lifta het oorlogsterrein zijn geworden tussen pre-Israëlische milities en Arabische strijders. De Joodse milities van de Haganah en van de Stern Gang zouden tijdens twee aanvallen een aantal dorpelingen van Lifta hebben gedood. Hierbij werd ook een bus overvallen. Op 28 december 1947 werden zes dorpelingen doodgeschoten tijdens een aanval op een bekend koffiehuis in Lifta.

Het dorp werd tijdens de volgende weken door de Joodse milities herhaaldelijk aangevallen en tegen februari 1948, waren de inwoners van Lifta nagenoeg allen door de Zionistische milities verdreven en was het dorp zo goed als leeggelopen. Sindsdien belet Israël de dorpelingen om terug te keren naar hun heimat. Einde verhaal.

En nu weer naar de feiten
Betreffende de leegloop van Lifta, ‘vergeten’ zowel Sanders als Pappe te vermelden dat aan de dorpsbewoners wisselend de opdracht werd gegeven om te komen en weer te gaan door hun Arabische leiders.

Historicus Benny Morris schrijft over hoe Lifta werd omgeturnd tot een Arabisch bolwerk: “Lifta werd blijkbaar door de Arabische overheid gesommeerd om zijn vrouwen en kinderen te evacueren en voorbereidingen te treffen om [Arabische] milities te huisvesten” [schrijft hij op pagina 119 in zijn boek uit 2004: “Birth of the Palestinian Refugee Problem Revisited“]. Morris vervolgt:

“Reeds in het midden van december, hadden ongeregelde eenheden uit nabijgelegen dorpen posities ingenomen in Lifta, om de plaats te verdedigen maar ook om naburige Joodse gebieden te bestoken. De oudere dorpsbewoners wilden vrede maar de jongeren, volgens een informant van HIS, “waren allemaal activisten”. In het begin van januari ontstond een ernstig broodtekort en reeds op 28 december 1947 kwamen er meldingen dat vrouwen en kinderen het dorp evacueerden.”

“Tegen 1 januari ’48, waren de meeste dorpsbewoners blijkbaar weggetrokken [naar Ramallah], maar gewapende ongeregelde eenheden en/of Arabische Legionairs [huursoldaten] waren nog op hun plaats. Omstreeks 15 januari ’48, werd de dorpsbewoners bevolen om naar huis terug te keren en blijkbaar deden dat sommigen en deden wellicht de meesten dat.”

“Een week later werd het dorp bezocht door Abd al Qadir al Husseini [een neef van de beruchte Hitleradept, de Grootmoefti van Jeruzalem Haj Amin al-Husseini; ed. Brabosh], die het mansvolk de opdracht gaf om te blijven en ‘de kinderen, vrouwen en ouderen’ aanmaande om te vertrekken. Getuigen vertellen hoe ze vrouwen en kinderen inderdaad zagen vertrekken.”

Daarnaast ‘vergeten’Sanders en Ilan Pappe alweer te vermelden dat naast het feit dat na de oorlog Joodse vluchtelingen afkomstig uit Jemen en Irak hun intrek namen in de huizen van Lifta, het verlaten dorpje eveneens Joodse vluchtelingen herbergde van buiten Jeruzalem. Zoals Morris schrijft “Werd Lifta tijdelijk bevolkt door Joodse vluchtelingen, afkomstig van de nederzetting van Atarot, dat veroverd werd door de Jordaanse troepen.”

En inderdaad onderstreept de ontheemding van de Joden uit Atarot, maar ook uit Gush Etzion en uit de Oude Stad van Jeruzalem, dat de bevolking aan weerskanten van de oorlog hun huizen en gronden verloren, een feit dat door Sanders en Pappe volkomen wordt genegeerd. Terwijl de laatsten aanvankelijk naar Lifta verwijzen als zijnde een “slagveld” tussen Joodse milities en Arabische strijders, vervolgen zij verder in hun ‘historisch’ verslag van de gebeurtenissen met enkel nog te verwijzen naar de gevechtshandelingen van de Joodse strijders en worden de daden van de tegenpartij [de Arabische strijders] verder compleet doodgezwegen net alsof zij plots in rook zouden zijn opgegaan en er niet meer aan te pas kwamen. Hiaten met de vleet dus.

Omtrent de aanvallen op het koffiehuis en de bus in Lifta schrijft Benny Morris:

“De geweldspiraal die voorafging ging aan de evacuatie de bewoners van Romema, begonnen met aanvallen op het Joodse verkeer dat Jeruzalem verliet en het doden door de Haganah op 24 december 1947 van Atiya Adel, de eigenaar van het dorp Qaluyniya en van het benzinestation in Romema die, gebruikmakend van een motorfiets, dubbel spel speelde als gids en informant voor de Arabische ongeregelde eenheden omtrent de verplaatsingen van de Joodse konvooien.”

“De volgende dag wreekten de dorpsbewoners de aanval door een granaat naar een Joodse bus te werpen. Vanaf dan braken er dagelijks vuurgevechten uit in en om Romema (en Lifta) en de Haganah, IZL [Irgoen] en LHI [Stern Groep] overvielen herhaaldelijk de twee plaatsen. Romema werd getroffen door twee aanvallen, de eerste door de Haganah in de nacht van 26 december en een tweede keer door de IZL (die een benzinestation en een koffiewinkel vernietigde waarbij zeker vijf Arabieren werden gedood) op 27 december 1947.”

Aldus bestaat er een discrepantie tussen wat enerzijds Morris schrijft en anderzijds wat Sanders/Pappe beweren over de vraag of de aanval op de koffiewinkel en de bus wel degelijk in Lifta had plaatsgevonden of eerder in het naburige dorp Romema. Hoe dan ook, is de fatale aanval waarbij vijf Arabieren werden gedood, geen geïsoleerde gebeurtenis, zoals die wordt voorgesteld in het artikel van Sanders.

Onderzoeker en de columnist van The Jerusalem Post, Seth Frantzman, die het boek The Ethnic Cleansing of Palestine van Ilan Pappe doorlichtten en herzagen, vertelden aan CAMERA dat op 15 december 1947 The Palestine Post [zoals The Jerusalem Post nog tot tot 1950 zal heten; ed. Brabosh] berichtte dat de Arabische strijders van Lifta, wellicht leden van de ongeregelde strijdkrachten, het Joodse kwartier van Romema aanvielen.

Op 19 januari 1948 werden Yisrael Valtuch en Dr. O. Feldmann verwond door sluipschutters vanuit Lifta en werden er ook schoten afgevuurd naar een bus op weg naar Jeruzalem. Op 10 januari ’48 werden vanuit Lifta schoten afgevuurd op Joden. Op 20 januari werd vanuit een huis aan de rand van Lifta door Arabische sluipschutters geschoten op Joden. De Haganah trok naar het huis [van waaruit werd geschoten] en blies het op.

Volgens The Palestine Post, getuigen inwoners van Lifta dat die aanslagen een reactie waren op de aanvallen van de Arabische strijders die hun dorp hadden geïnfiltreerd. Op 30 januari ’48, berichtte The Palestine Post dat vijf huizen werden opgeblazen door militieleden van de Lehi. Lehi had geconstateerd dat de huizen werden gebruikt door Arabische strijders die het dorp hadden geïnfiltreerd en de Joodse strijders vreesden dat het dorp een operationele basis zou worden.


Met dank aan Katrien voor de hint.

3 gedachtes over “Mythevorming rondom LIFTA verhindert afbraak voormalige ‘Arabische’ ruïnes in Jeruzalem

  1. Duidelijke zaak dus. Oorlogszone dus militair doelwit. Zoals in Dir Yassin Arabische geregelde en ongeregelde troepen die schieten op Joodse konvooien. Waar gehakt wordt zijn er splinters. Dat ging over en weer. Niet alleen in het toenmalige Palestina maar ook na 1948 de oprichting van de staat Israël. Marokko tot en met Iran zien de Israëlische eis voor terugkeer c.q. compensatie van geconfisceerde of afgeperste goederen en woonoorden nog niet snel op de agenda van de VN komen.

    Trouwens hadden de pre IDF niet beter het zootje Lifta kunnen bevolken en anders opblazen?!?

    Altijd weer die verschrikkelijke discrepantie en schijn- c.q.dubbelzinnigheid.

    Like

Reacties zijn gesloten.