Wallenberg begint aan de race tegen de tijd versus Adolf Eichmann om de Joden te redden [Jacques Derogy]

Oswiescim, Polen, 26 mei 1944. Hongaarse Joden arriveren op het perron van KZ Auschwitz-Birkenau. Voor hen komt alle hulp te laat. Raoul Wallenberg komt pas op 9 juli 1944 toe in de Hongaarse hoofdstad Boedapest. Op dat ogenblik waren reeds 437.402 Joden – zowat de helft van de Hongaarse Joden – gedeporteerd en vermoord. Wallenberg zal meteen alles op alles zetten om de verdere vernietiging van het Joodse volk van Hongarije te stoppen. Hij zal nog duizenden Joden uit de klauwen halen van SS-Obersturmbannführer Adolf Eichmann en Reichsführer van de SS Heinrich Himmler en redden van een gewisse dood.

Aan het begin van de race tegen de tijd tussen Wallenberg en Eichmann

bron: ‘De Zaak Wallenberg’
De meest tragische held van de Tweede Wereldoorlog

door Jacques Derogy
Uitgeverij Elsevier A’dam/Brussel; 1981

“De Zaak Wallenberg” is het uitputtende verslag over een van de minst bekende helden van de Tweede Wereldoorlog. Het gebeuren speelt zich af in Boedapest, in de jaren 1944-1945. In zes maanden tijd weet de Zweedse diplomaat Raoul Wallenberg duizenden Hongaarse joden voor de ondergang te behoeden. In 1944 reist Wallenberg, telg van een van Zwedens meest bekende families, naar Boedapest waar hij een gigantische diplomatieke operatie op touw zet om de bedreigde joden aldaar naar het buitenland te evacueren. Het voornaamste middel daartoe is het uitreiken van Zweedse paspoorten die de joden (nu Zweedse onderdanen) tegen deportatie beschermen, en het oprichten van een ‘internationaal getto’ dat hen enigszins vrijwaart van snelle, onaangekondigde acties. Met gevaar voor eigen leven weet hij zodoende in een race tegen de tijd, tegen Eichmann en Himmler duizenden joden te redden.

Drie dagen na zijn aankomst [in Boedapest] begeeft Raoul Wallenberg, die van deze schijnonderhandelingen in het geheel niet op de hoogte is, zich [op 12 juli 1944] naar het gebouw van de Joodse Raad om zich zo snel mogelijk te laten inlichten en een onderhoud te hebben met de voorzitter van de Raad, Samuel Stern. Omdat hij geen jodenster draagt op zijn marineblauwe overjas en omdat hij Duits spreekt en met gezag optreedt, wordt hij voor een man van de Gestapo aangezien. Men laat hem dus wachten in de hall. Daar wordt hij echter herkend door een jeugdvriend, een Hongaarse jood die László Petö heet en evenals Raoul heel wat heeft rondgereisd. Deze introduceert hem onmiddellijk bij dr. Stern. Raoul overhandigt hem de aanbevelingsbrief van Marcus Ehrenpreis, de opperrabbijn van Stockholm: ‘Geeft u hem op schrift al uw dringende wensen mee. De heer Wallenberg zal mij deze via de kanalen van Buitenlandse Zaken doen toekomen .. Via hem zal ons hulpcomité alles doen wat in zijn macht ligt. In de hoop dat onze geloofsgenoten, met de genade van God, voor het ergste gespaard zullen blijven.’

De twee mannen spreken af dat László Petö in de toekomst hun verbindingsman zal zijn. Raoul gaat daarna onmiddellijk naar het Zwitserse consulaat waar hij een langdurig onderhoud heeft met consul Charles Lutz,. Deze heeft in het gebouw asiel verleend aan de Hongaarse afgevaardigde van de Jewish Agency, die belast is met de organisatie van transporten bestemming Palestina.

Bij thuiskomst treft de jonge Zweedse diplomaat drie joodse vrijwilligers aan nl. Hugo Wohl, en Vilmos en Béla Forgács (het tweetal dat op deze manier aan de razzia van Ujpest is ontkomen), die hem hun diensten komen aanbieden. Zij behoren tot de eersten die een beschermingspas hebben gekregen en niet langer verplicht zijn een jodenster te dragen. Het probleem is echter hoe deze provisorische papieren een maximale waarde kunnen krijgen opdat ze de autoriteiten zoveel mogelijk gezag zullen inboezemen… om ze vervolgens in verhoogd tempo te verstrekken.

Snel verder lezen KLIKKEN op–>>

Het eerste dat Raoul Wallenberg doet is onderhandelingen beginnen met de Vreemdelingendienst van het Hongaarse ministerie van Binnenlandse Zaken over een nieuw model individueel provisorisch paspoort. Dit paspoort geeft de houder ervan het recht ter plaatse zijn inschrijving op een collectief paspoort af te wachten. Alleen zo is het mogelijk groepsgewijs het land te verlaten. De houders van deze paspoorten, evenals hun huisgenoten, staan vanaf dat moment onder bescherming van de Zweedse ambassade, zonder overigens al een andere nationaliteit te hebben gekregen.

Voor het verkrijgen van een dergelijk document is het voldoende wanneer men naam en adres kan noemen ,van iemand in Zweden aan wie men zakelijk of in familieband gelieerd is, en zelfs volstaat het wanneer men verwant is aan een Hongaars staatsburger die een dergelijke band kan aan”: tonen. Zelfs als de gegeven inlichtingen slechts zeer in de verte aan deze voorwaarden voldoen, zal de aanvrager een bewijsstuk ontvangen dat door Wallenberg is ondertekend en waarin wordt verklaard dat de aanvraag voor migratie naar Zweden door de Zweedse autoriteiten is goedgekeurd en dat ‘een beschermingspas, uitgegeven onder nr. xxx, zal worden verstrekt na voltooiing van de desbetreffende administratieve procedure.’

Beter nog. Dank zij de goede relaties die hij al op de eerste dagen van zijn verblijf aanknoopt met de nieuwe verantwoordelijke man voor Joodse Zaken, Miklós Junghert-Arnóthy, krijgt Raoul gedaan dat de Vreemdelingendienst de geldigheid erkent van de identiteitsbewijzen die door afdeling B aan mensen die deze eenvoudige beschermingspapieren kunnen overleggen worden verstrekt … Vanaf dat moment verkrijgen de nieuwe beschermingspassen van de koninklijke ambassade van Zweden een waarde die veel groter is dan die van de emigratiepapieren voor Palestina die door de Zwitsers worden verstrekt of van de papieren van de andere neutrale ambassades. Alleen de Zweedse documenten zijn voorzien van een geldig afgestempelde foto van hun drager en, wat nog veel belangrijker is, van de handtekening van de ambassadeur.

Dat Wallenberg meteen al met zoveel gemak kan opereren, is niet alleen te danken aan zijn vaardigheid in de omgang met mensen en de gezagvolle wijze van optreden die hem in de loop van zijn zakencarrière eigen is geworden. Want op 14 juli heeft zich in Boedapest een nieuwe politieke ontwikkeling voorgedaan.

Gebruik makend van zijn voorsprong schijnt rijksbestuurder Horthy nu de Rubicon te willen oversteken. Hij maakt op de radio de beslissing bekend die zijn regering genomen heeft: geheel in de lijn van de Hongaarse traditie zal er in het vervolg geen enkele restrictie meer worden toegepast ten aanzien van de emigratie van de joden uit Hongarije, verondersteld natuurlijk dat Duitsland transitvisa wil verlenen en dat enige andere staat, neutraal of oorlogvoerend, bereid is hen te ontvangen en hun de nodige inreispapieren verstrekt. Goed gespeeld. Officieel wenst Hongarije zijn joden het beste toe, via de stem van de oude admiraal die sinds bijna een maand door de vrije wereld de morele les wordt gelezen. Nou goed, wat dan nog?

De ogenschijnlijke edelmoedigheid van het Hongaarse aanbod moet de kwade trouw verbergen van een regime dat zich aanzienlijk bereidwilliger heeft getoond toen het erom ging de Duitsers bij de liquidatie van de joden een handje te helpen. De regering in Boedapest verlangt van de neutrale landen die de belangen van de geallieerden behartigen en de grote internationale hulporganisaties dat zij verder overal voor zullen zorgen. De formaliteiten voor de visa, de financiering van de transporten, de voorzieningen in de ontvangende landen: laten de buitenlanders daar maar voor opdraaien, als ze dan zo dol op de joden zijn! De ‘vader van de Hongaarse natie’ beschouwt degenen die zijn ontkomen aan de slachtingen in de lente – waarover hij angstvallig het stilzwijgen bewaart – al lang niet meer als leden van de Hongaarse gemeenschap. Hij twijfelt er ook niet aan dat Londen en Washington achter hun humanitaire protesten een even groot antisemitisme verbergen als hijzelf en hij zet de geallieerden met de rug tegen de muur.

Blijft staan dat de deportaties zijn opgeschort. Met grote haast is Eichmann er nog in geslaagd 49 000 joden uit zone 6, Boedapest zelf, met de laatste transporten die tussen 30 juni en 7 juli zijn vertrokken, mee te sturen. Nog op dezelfde dag als waarop Horthy het einde van de deportaties afkondigt, 14 juli, antwoordt Eichmann met het bevel 1450 joden uit het Hongaarse kamp Kistarcsa op transport te stellen. Eindbestemming:¬ Auschwitz. Dat is het antwoord van het Einsatzkommando Ungarn op het verraad van de admiraal. Gewend de orders te gehoorzamen beginnen de Hongaarse politiemannen de veewagen vol te stouwen met mensen die al dachten aan het gevaar ontsnapt te zijn. Een van hen heeft nog net tijd om per telefoon de Joodse Raad in Boedapest te waarschuwen, die onmiddellijk contact opneemt met het koninklijk paleis. De oude rijksbestuurder neemt de zaak hoog op: men waagt het zijn orders in de wind te slaan, zijn gezag te minachten? Hij stelt de Joodse Raad gerust en geeft een militair detachement de opdracht de trein nog vóór de grens tot staan te brengen. Het transport maakt rechtsomkeert en de joden worden weer naar het kamp Kistarcsa teruggebracht.

Het nieuws over deze nederlaag van de Gestapo verspreidt zich als een lopend vuurtje door Boedapest. Maar met Adolf Eichmann is het kwaad kersen eten. Twee dagen later ontbiedt hij Kastner: als Joël Brand niet binnen acht dagen terug is, schreeuwt hij, zal hij de ark van Noach vanuit Bergen-Belsen naar Auschwitz laten vertrekken en zal het ‘proefmonster’ de vernietiging in worden gestuurd. Twee dagen later laat hij alle leden van de Joodse Raad met spoed bijeengekomen in het kantoor van zijn assistent Hunsche. Deze toont zich uiterst hoffelijk, maar zeer praatziek. Hij houdt hen de hele dag vast om allerlei kleine zaken te regelen. Bij thuiskomst moeten de leden van de Raad met verbijstering vernemen dat de l450 joden die gezond en wel in in Kistarcsa waren teruggekeerd diezelfde ochtend opnieuw zijn weggevoerd in Duitse vrachtwagens, die de grens al zijn gepasseerd: opnieuw 1450 mensen vergast.

Wallenberg vermeldt deze tragedie in het tweede rapport dat hij naar Stockholm stuurt, minder dan tien dagen nadat hij zich heeft geïnstalleerd in de villa naast de ambassade. Op 14 juli heeft hij zijn vriend Kálmán Lauer gebeld. Een gesprek van 26 minuten, veelvuldig onderbroken. Via een afgesproken code laat Lauer hem weten dat de War Refugee Board ‘voor de export’ 110 000 kronen heeft overgemaakt op een rekening die speciaal op zijn naam bij de familiebank is geopend. Raoul maakt op zijn beurt onmiddellijk geld over naar de directeur van het Zweedse Rode Kruis, Waldemar Langlet en zijn vrouw Nina, waarmee deze de talrijke wezen en aan hun lot overgelaten kinderen, die ze na elke razzia en deportatie opnemen, kunnen onderbrengen in gebouwen die tot exterritoriaal gebied zijn verklaard.

Op 17 juli stelt hij zijn eerste rapport op. In het Duits, zoals alle correspondentie die hij daarna met zijn ministerie zal voeren. Hij maakt melding van een uitbreiding van de installaties van Auschwitz en Birkenau, waar gedurende de laatste maand voor zijn komst dagelijks verschillende transporten uit Hongarije zijn aangekomen, vaak wel zes treinen per dag, elk met 3000 Hongaarse joden. ‘De gaskamers, vermomd als douches, kunnen 6000 personen per dag vernietigen, van wie de lijken worden verbrand in crematieovens,’ schrijft hij en spreekt er zijn twijfel over uit of het Hongaarse staatshoofd wel bij machte zal zijn om zijn recente veto over de deportaties te doen respecteren.

De dag daarop verstuurt Wallen berg drie brieven: een dankbrief aan Samuel Stern en de Joodse Raad aan koning Gustaaf; een persoonlijke brief aan Lauer, waarin hij hem verzoekt toestemming te vragen voor de opname van 200 kinderen in Zweden en hem geld toe te sturen om valse identiteits- en doopbewijzen te kunnen kopen; en een brief aan zijn moeder: ‘Nodig Lauer en zijn vrouw een avond bij u uit. Ik durf hun niet te vertellen dat vaststaat dat de ouders van Marika en een klein kind uit de familie na deportatie zijn overleden.’ Met diezelfde post van 18 juli 1944 verstuurt hij eveneens een verbijsterend document, dat gebaseerd is op gelijkluidende getuigenverklaringen, enerzijds van Poolse joden die op 7 april uit het kamp Birkenau waren ontsnapt, en anderzijds van een Pool en een Tsjech die op 27 mei waren uitgebroken. Onder de naam Het Protocol van Auschwitz zal deze tekst, die in de Zweedse ambassade te Boedapest is opgesteld, via Stockholm over alle ambassades van de vrije wereld worden verspreid. Dit zijn de voornaamste passages, door Raoul Wallenberg met de hand onderstreept:

… Op 1 april 1944 is een transport van Griekse joden in Birkenau aangekomen. Vijftienhonderd van hen werden direct na aankomst vergast. Tussen 10 en 15 april is er een transport aangekomen dat grotendeels bestond uit ariërs, merendeels Polen, en 300 zeer verzwakte joden, afkomstig uit het kamp Lublin-Majdanek. Via hen is vernomen dat er op 3 november 1943 in dat kamp 11 000 mannen en 6000 vrouwen zijn omgebracht.

Deze joden hadden opdracht gekregen diepe kuilen te graven. Daarna werden zij in groepen van 200 tot 300 man vóór deze massagraven gefusilleerd. Dit alles nam niet meer dan twee uur in beslag en werd begeleid door muziek die het schreeuwen moest overstemmen. Alleen 300 meisjes, die kantoor- of terrein werk deden, bleven gespaard en werden te zamen met de ariërs naar Birkenau overgebracht. Drie dagen na hun aankomst werden ze op bevel van Berlijn vergast. Twee van hen, die die dag door een vergissing aan de dood waren ontsnapt, werden de volgende dag gefusilleerd.

Eind april arriveerde er opnieuw een ‘transport Griekse joden. Drieduizend werden onmiddellijk geëxecuteerd.

Vervolgens in mei, nieuwe transporten van Franse, Nederlandse, Belgische en Griekse joden en Poolse ariërs. Velen van hen zijn tewerkgesteld in de Bona-fabrieken in Auschwitz.

Vanaf half mei zijn er in Birkenau massale transporten uit Hongarije aangekomen. Elke dag tussen de 14 000 en 15 000 joden. De weg die naar de crematieovens leidt werd aangepast, zodat de transporten direct bij de gaskamers konden eindigen.

Ongeveer 10% werd tot het kamp toegelaten. De anderen werden direct vergast.

Vanaf dat moment zijn er Birkenau méér mensen vergast dan ooit daarvoor. Het Sonderkommando is van 600 tot 800 man uitgebreid en de opruimingstroepen van 150 tot 700. Er waren al drie crematieovens dag en nacht in bedrijf. Nu werd ook een vierde in gebruik genomen. Toen bleek dat de capaciteit van deze ovens nog steeds niet voldoende was, heeft men vier grote kuilen laten graven van 50 meter lang en 15 meter breed, waarin dag en nacht lijken werden verbrand. Momenteel is de vernietigingscapaciteit vrijwel onbeperkt. De 10% die het overleeft draagt gevangeniskleding, maar wordt niet gebrandmerkt. Zij bevinden zich in afdeling C van het kamp, waarvandaan ze worden doorgestuurd naar andere kampen als Buchenwald, Mauthausen enz.

In Birkenau is een transport van 1600 Fransen aangekomen. Het merendeel bestond uit intellectuelen, mensen met een hoge positie in de financiële wereld, officieren, bekende journalisten, politici, voormalige ministers. Op het moment van hun aankomst is er onder hen een opstand uitgebroken die hardhandig werd onderdrukt. Enkelen van hen werden gefusilleerd. De houding van deze Fransen was zeer moedig en vol waardigheid. In het kamp werden ze geïsoleerd gehouden. Na twee weken werden ze, in opdracht van Berlijn, naar Mauthausen overgebracht.

Voorheen kregen alle joden opeenvolgende nummers, maar sinds midden mei is men begonnen met een nieuwe reeks, waarbij het nummer wordt voorafgegaan door de letter A. De reden van deze wijziging is niet bekend. Gedurende de laatste periode is er een honderdtal joden uit Frankrijk, Nederland en Italië aangekomen. In Auschwitz is een laboratorium voor biologisch onderzoek ingericht, dat wordt bemand door SS-ers en burgerartsen. Er worden experimenten uitgevoerd op joodse vrouwen en joodse artsen. Tot op dit moment heeft echter nog geen enkele Slowaakse vrouw als proefkonijn gediend. Verder worden er in een gescheiden afdeling ook experimenten op mannen uitgevoerd. En weer andere experimenten op zigeuners. Deze proefnemingen hebben talrijke slachtoffers geëist. Sommige mensen werden gecastreerd. Het blok waarin deze experimenten worden verricht is geheel geïsoleerd. De luiken voor de ramen zijn gesloten en niemand heeft er toegang.

Na de taak op zich genomen te hebben deze onvoorstelbare waarheid aan de wereld bekend te maken, zal Raoul Wallenberg niet meer dezelfde zijn als voorheen. Zijn activiteit is niet meer te stuiten; hij neemt alle mogelijke risico’s en organiseert vergaderingen met de vertegenwoordigers van de andere neutrale landen: Zwitserland, Portugal, Spanje, het Vaticaan. Hij zet ze met de rug tegen de muur, ontmaskert de vrome wensen, de bloedeloze abstracties en dwingt hen tot duidelijke en concrete stappen.

De dagelijks veranderende situatie maakt het onmogelijk een plan op lange termijn op te stellen. Het zal erom gaan de mogelijkheden van bescherming ter plaatse over een zo groot mogelijk aantal mensen uit te breiden en de tegenstellingen tussen de Hongaarse overheden, die hun internationale goede naam willen redden, en de Duitse bezettingsautoriteiten aan te wakkeren. Raoul gaat zelfs zover dat hij audiëntie aanvraagt bij rijksbestuurder Horthy, waarbij hij hem belooft diens naam van de lijst van oorlogsmisdadigers te laten schrappen wanneer deze eenmaal definitief door de geallieerden zal worden vastgesteld.

[…]

2 gedachtes over “Wallenberg begint aan de race tegen de tijd versus Adolf Eichmann om de Joden te redden [Jacques Derogy]

  1. Geen idee. Het jaar is nog lang. Ik heb op 9 dagen tijd al 4 topics geplaatst over Wallenberg en heb er nog 3 andere klaar zitten. Overigens een merkwaardig geval die Joel Brand.

    Like

Reacties zijn gesloten.