Raoul Wallenberg oktober 1944: ‘Ik wil een volk redden!’ [Kati Maton]

Boedapest, Hongarije, november 1944: Een groep Hongaarse Joden vluchten weg nadat ze zonet van deportatie werden gered door de Zweedse diplomaat Raoul Wallenberg [bron]

Raoul Wallenberg: ‘Ik wil een volk redden!’

door Kati Marton
bron: “Wallenberg”;[uitgeverij Hollandia; 1983]

Kapitein Nándor Batizfalvy, een Hongaarse legerofficier van het oude stempel, kon wat hij daar voor zich zag niet meer aanzien. Hij werd misselijk bij het zien van die eindeloze colonne meelijwekkende mensen die op voeten, zo opgezwollen dat deze hen niet meer konden dragen, toch nog voortschuifelden. Hij wendde zich af van de Hongaarse gendarmes met hun overjassen aan die hun grauwende dobermanpinschers aan een heel korte riem nauwelijks in bedwang hielden. De mensen in de colonne leken precies op de karikaturen die de nazi’s van de joden schetsten. Zij bestonden enkel nog uit ogen en neuzen.

Kapitein Batizfalvy belde Raoul Wallenberg op. De zwaar ademende, innerlijk verscheurde Hongaar onthulde het hele weerzinwekkende tafereel aan de Zweed: 8.000 Hongaren waren al in Hegyeshalom vlakbij de Oostenrijkse grens aan de Duitsers uitgeleverd; 13.000 anderen waren nog op weg naar de grens.

Wallenberg wachtte niet op nog meer bijzonderheden. Hij, verzamelde zo snel mogelijk etenswaren, pakte zijn schrijfmachine mee en ging vergezeld van Per Anger en nog twee helpers op weg, richting Hegyeshalom. Hij wilde de grens bereiken vóór de eerstvolgende groep daar aankwam.

Toen Wallenberg een paar uur later bij de grens aankwam, was hij een emotioneel geladen man. Hij had mensen gezien die zo’n erbarmelijke aanblik boden dat zelfs hij daarop niet voorbereid geweest was. Eichmann en Wisliceny stonden voor de controlepost aan de grens te wachten.

Eichmann was de man geweest die het besluit genomen had dat de joden hun dood maar tegemoet moesten lopen als er geen treinen meer voor dat doel gemist konden worden. Begin november begon hij met die dodenmarsen, tochten van tweehonderd kilometer in de kou en de regen aan het eind van de herfst. Die afstand moest te voet afgelegd worden zonder één kruimel voedsel of beschutting onderweg. Voor ten minste 10.000 mensen die van uitputting, honger of dorst stierven, voltooide deze mars zelf al het karwei dat Eichmann niet snel genoeg naar zijn zin kon afwerken.

Die marsen begonnen zodra de nazi’s zoveel joden hadden kunnen oppakken – op straathoeken, in winkels, in hun eigen huis – dat zij aan zo’n tocht konden beginnen. Geen enkele jood kon er volkomen zeker van zijn dat hij aan zo’n fatale tocht onder begeleiding zou ontkomen. Het duurde niet lang of de bermen langs de weg van Boedapest naar Hegyeshalom waren één langgerekt kerkhof. Diegenen die struikelden en vielen, werden in het algemeen met een enkele kogel afgemaakt. Anderen benutten de nachtrust op een dorpsplein of in het open veld om zelf een eind te maken aan hun leven; de volgende morgen trof men vaak hun lichamen aan, hangend aan een boomtak.

Snel verder lezen KLIKKEN op–>>

In het dorp Gönyü aan de Donau, waar een aantal mars lopers de nacht overbleven, sprongen tallozen de ijskoude, donkere rivier in. Anderen werden daartoe gedwongen door de geweerkolven van Pijlkruisers. De eindeloze colonnes kronkelden zich door het landschap, terwijl ze zo’n dertig kilometer per dag aflegden.

Jonge mensen werden soms gedwongen grotere afstanden te lopen. Zij durfden niet één keer eventjes achter te blijven of zelfs maar steun bij elkaar te zoeken. De gendarmes wedijverden met de Pijlkruisers waar het erom ging met gebruikmaking van geweerkolven achterblijvers aan te sporen. Eén zo’n groep jonge mensen werd na een mars van drie dagen zonder eten of drinken’ de zolder op gedreven van een boerderij in het dorp Szöny, waar ze die nacht mochten uitrusten. In de loop van die nacht bezweek de zolder onder het gewicht van de groep. Zeven mensen vielen te pletter, dertien raakten levensgevaarlijk gewond en zeventig anderen konden de tocht niet voortzetten. Zij werden allen in die onbewoonde boerderij achtergelaten, zonder medische verzorging en zelfs zonder eten.

Voor diegenen die zover hadden kunnen komen, was Hegyeshalom de laatste halte in Hongarije. “Fünf, sechs, sieben…” Eichmanns plaatsvervanger en Dieter Wisliceny begonnen koppen te¬¬ tellen zodra de mars lopers groepsgewijs in zicht kwamen. Wallenberg had slechts één kans. ‘Uit naam van de regering Szálasi beveel ik hen die in het bezit zijn van een Zweeds paspoort, dat paspoort hoog in de lucht te steken!’ Er had een stem gesproken die geen emoties verried, die krachtig en praktisch niet agressief klonk, maar wel strijdlustig. Eichmann en Wisliceny draaiden zich om. ‘Ik ben Wallenberg van het Zweedse gezantschap,’ was de enige uitleg die hij gaf.

‘Hé, jij daar!’ De Zweed wees een verbaasde man aan die op zijn beurt stond te wachten om uitgeleverd te worden aan zijn beul. ‘Geef me je Zweedse paspoort en ga in die rij daar staan,’ blafte hij. ‘En jij, jij moet achter hem gaan staan. Ik weet dat ik jou een paspoort verstrekt heb.’ Wallenberg ging zo door, liep heen en weer en praatte luid, in de hoop dat het gezag in zijn stem op de een of andere manier op deze verslagen mensen zijn weerslag zou hebben. Eichmann hield niet van confrontaties in het openbaar. Hij gaf de voorkeur aan een rustige, ordelijke overgang van leven naar dood. Een paar lijken moest hij zich dan maar laten ontgaan door toedoen van deze eigenaardige, vastberaden Zweed.

De joden kregen eindelijk door wat de bedoeling was. Zij begonnen in zakken te zoeken naar een of ander identiteitsbewijs. Een rijbewijs of een geboortebewijs scheen al voldoende te zijn. De Zweed griste de stukjes papier uit hun handen; de nazi’s schenen niets te controleren en konden trouwens toch geen Hongaars lezen. Schiet op, spoorden Wallenbergs ogen hen aan, schiet op, vóór het spel uit is. Binnen een paar minuten had hij met een paar honderd mensen zijn eigen konvooi gevormd. Vrachtwagens van het Internationale Rode Kruis, waarom Wallenberg dringend verzocht had, kwamen aanrijden en de joden klauterden er in. Wisliceny hervatte zijn onderbroken telling van koppen: “Fünf und vierzig, sechs und vierzig …

Wallenberg sprong in zijn eigen auto. Hij stak zijn hoofd uit portierraampje en fluisterde: ‘Het spijt me,’ tegen de mensen die hij ging achterlaten. ‘Ik probeer de jongsten het eerst mee te nemen,’ legde hij uit. ‘Ik wil een volk redden.’

Op de weg terug naar Boedapest stopten hij en het Rode Kruiskonvooi meermalen. Zij zetten eerstehulpposten op en deelden¬ voedsel uit aan de marslopers. Met de hulp van Per Anger en zijn schrijfmachine vulde Wallenberg formulieren in voor de aanvraag van een paspoort die zij voor deze mensen hadden meegebracht. ‘Ik kom terug,’ zei hij tegen de ongelovige mensen. Hij gaf de gendarmes als beloning voor het feit dat ze hem zijn gang hadden laten gaan een kroes cognac en sigaretten.

De volgende dag ging Wallenberg opnieuw naar de grens. Hij was nu zo brutaal dat hij de trein inliep waarin zich al die mensen bevonden die opgeteld waren bij Eichmanns aantal lijken. ‘Stap uit deze trein!’ beval hij diegenen die de moed hadden in beweging te komen. ‘Ik heb jou een paspoort verstrekt. Jouw naam heb ik zorgvuldig in mijn boek genoteerd.’ Weer werden honderden gered door dit bluffen. ‘Ik heb hiervoor toestemming van het Ministerie van Buitenlandse Zaken,’ zei hij tegen de nazi’s die hem de weg versperden. ‘Hebben jullie baron Kemény’s afkondiging niet gehoord?’ Ondertussen klommen al maar meer joden uit de trein. Zij sprintten met onvermoede energie in de richting van de wachtende vrach twagens.

Het lukte Wallenberg de nazi’s ongeveer 2.000 mensen te ontrukken vóór zij tot de slotsom kwamen dat zijn optreden toch wel erg irritant was. Maar omstreeks de tweede week van november kregen zij met nog een probleem te maken. De treinen konden hun menselijke slachtoffers niet eens meer naar Strasshof, het dichtstbijzijnde Oostenrijkse vernietigingskamp brengen. Russische en geallieerde bommen hadden eindelijk de spoorlijnen vernietigd.

Eichmann wilde het nog altijd niet opgeven. ‘Het belangrijkste,’ zei hij tegen Wisliceny, ‘zijn de statistieken. Iedere jood moet verantwoord kunnen worden.’ 17.000 Joden uit de hoofdstad bevonden zich al in goederentreinen in Boedapests Jozsefvárosi-station. Hij had al 60.000 mensen naar de Oostenrijkse grens laten lopen. Waarom zou hij er dan nu mee ophouden – hij kon de overgebleven joden toch even goed helemaal naar de vernietigingskampen laten lopen? Dat kostte maar een paar dagen extra na het bereiken van de grens. Enkelen van hen haalden dat misschien nog wel.

Maar Szálasi, die in naam de dienst in het land uitmaakte, moest met de wereldopinie rekening houden. Een vinnige nota, ondertekend door alle nog in Boedapest aanwezige, neutrale diplomaten, herinnerde hem er aan dat zij nauwkeurig op de hoogte waren van de verschrikkingen van die dodenmars. Szálasi antwoordde dat er geen deportaties meer zouden plaatsvinden. Hij werd daarin gesteund door Himmler. De Reichsführer trachtte voor zichzelf een wat geloofwaardiger positie te verwerven als onderhandelaar over een afzonderlijke vredesregeling met de Geallieerden. Hij zette zijn handtekening onder een bevel dat een eind moest maken aan de uitroeiing van joden door te bepalen dat dit niet meer een officiële nazi-beleidslijn was.

Eichmann voelde zich echter min of meer heer en meester over Boedapest. Hij had daar meer tijd doorgebracht dan enige andere hooggeplaatste nazi. Hij was van mening dat hij het recht verdiend had om naar eigen inzicht over de joden daar te beslissen. Himmler was zo ver weg en zo druk met zijn pogingen om zijn eigen toekomst op te bouwen, dat hij er niet op kon toezien dat zijn bevel daadwerkelijk werd uitgevoerd.

Maar Eichmann zag zich nu toch genoodzaakt zijn plannen voor nog meer joodse deportaties op te geven. Hij moest er genoegen mee nemen dat diegenen bijeengedreven werden die er tot op dat moment in geslaagd waren te ontsnappen, iedere keer wanneer de nazi’s hun net lieten zakken. Zij werden ondergebracht in een centraal getto. Dat waren voornamelijk oude en gehandicapte mensen, vrouwen en kinderen. Maar zij waren te vertalen in cijfers: 63.000 mensen om wie niemand zich scheen te bekommeren.

Eichmann verliet zich op het uiterst effectieve voorbeeld van het getto in Warschau bij het opstellen van zijn plannen voor het getto in Boedapest. Met een meter tachtig hoge versperringen van dikke planken die door ruwe Pijlkruisers werden opgeworpen, werd de voormalige joodse wijk afgezet die bestond uit die straten die de drie synagogen van de hoofdstad omlijstten. En 12.000 christenen werden daaruit verdreven om plaats te maken voor 63.000 joden.

Eichmanns gevangenen konden het getto niet verlaten om medicijnen te gaan halen of enig ander noodgeval het hoofd te bieden. Zij waren voor hun voedsel volledig afhankelijk van hun bewakers en dat hield vaak lange dagen in zonder de noodzakelijke levensbehoeften.

2 gedachtes over “Raoul Wallenberg oktober 1944: ‘Ik wil een volk redden!’ [Kati Maton]

  1. Deze geschiedenis was mij al bekend. Een dappere man. Ik meen mij te herinren dat Wallenberg onterecht in Rusland gevangen is gehouden en daar zelfs zijn einde heeft gevonden. Een zeer pientere man die in staat was vastberaden de moffen voor voldongen feiten te stellen door te beweren dat zij Zweedse staatburgers waren. TB.

    Like

  2. het boek :Wallenberg versus Eichmann geschreven door Alex Kershaw is een bijzonder bijdrage aan Wallenberg en zijn tomeloze inzet om Joodse mensen te redden uit de handen van het naziregiem.

    De uitspraak van David Ben Gurion: wat hebben jullie ons aangedaan, jullie vrijheidlievende volkeren. Als in plaats van Joden, duizenden Engelse, Amerikaanse of Russische vrouwen elke dag gemarteld, verbrand,verstikt in de gaskamers, zouden jullie dan op de zelfde manier hebben gehandeld.

    noot: in 1943 heeft de minister van Financien, Henry Morgenthau- Jood- aan zijn mederkers gevraagd een rapport op te stellen getiteld: De berusting van deze regering -amerika- in de moord op de Joden.

    22 jan 1944 werd door president Roosenveelt actie ondernomen
    begin zomer 1944 werd duidelijk dat een reddingsoperatie moest worden opgezet.
    6 juli 1944 vetrok wallenberg naar Hongarije.

    Verleden jaar ben ik 8 dagen in Budapest geweest -lopend door de stad – de nog steeds gewonde stad en zich herstellend van de verschrikkingen.

    Inmiddelsi het bijn 70 jr geleden : who cares!!!!!

    Like

Reacties zijn gesloten.