Bloedsprookje: De mythe van de ‘private Palestijnse grond’ [Moshe Dann]


Nazareth in 1842. David Roberts uit The Holy Land, Syria, Idumea, Arabia [bron: A Tour of the Holy Land 1831-1910]

Blood libel: The myth of ‘private Palestinian land’

door Moshe Dann
bron: The Jerusalem Post

Omdat de gronden waarop de meeste nederzettingen worden gebouwd niet nuttig zijn voor de landbouw, werd deze niet opgeëist door de Arabieren. Recent veranderde dat.

De verklaring van premier Benjamin Netanjahoe dat de Joden niet mogen bouwen op private Palestijnse grond is een al lang bestaand beleid dat wordt gesteund door Israëlische regeringen en door het gerechtelijk apparaat.

Landmeter aan het werk in Brits Mandaat Palestina, 1925

De vraag echter is wat is “private Palestijnse grond” en wie beslist wat wel en geen Palestijns privaat grondbezit is? Als het waar is dat de Joden land stelen, dan is dit een overtreding van de Joodse en de Israëlische wetten en waarden en rechtvaardigt dit oproepen tot boycot, sancties en zelfs de eliminatie van de staat, sinds het van toepassing is op de gebieden die verworven werden nà 1948 evenals die nà 1967. Een vernietigende morele en wettelijke veroordeling, die de morele basis van Israël en haar reden van bestaan zou ondermijnen.

Gepromoot door Arabische propagandisten en hun aanhangers, politici, academici, de media en anti-Israëlische NGO ‘s, werd deze theorie ook overgenomen door Israëliërs, met inbegrip van prominente juridische personages die het een schijn van wettelijkheid gaven.

Een vergiftigd verhaal dat gebaseerd is op onwetendheid en/of misverstand, het is een leugen.

Gebaseerd op titels en daden, wordt land dat wordt geregistreerd privé-bezit. Maar wat als er geen documenten zijn om dat eigendomsrecht te bewijzen?

Het land dat door de Arabieren wordt opgeëist als hun privé-bezit werd niet gekocht; het was staatsgrond dat door de soevereine macht tijdens de Ottomaanse, Britse en Jordaanse bezetting werd weggeschonken of in beslag genomen en ontwikkeld. De Arabische eisen die gebaseerd zijn op schenkingen en beweerde landbouwexploitatie zijn geen eigendomsdaden. Hoe is dan deze verwarring omtrent “private Palestijnse grond” tot stand gekomen?

Snel verder lezen KLIKKEN op –>>

Het gebruiken van braakliggend land zonder eigenaar, is een universeel gekende methode om het op te eisen, tenzij het betwist wordt. Tot aan de moderne tijd, was landregistratie, vooral dan in dun bevolkte gebieden zoals het Midden-Oosten, Afrika en Noord-Afrika niet wijd verspreid.

Met de toename van natiestaten en de ontwikkeling van bureaucratieën veranderde dit.

Volgens internationale overeenkomsten zoals het San Remo Akkoord (1920) en de Volkerenbond (1922), werd het Mandaat van Palestina voorbestemd als “Joods Nationaal Huis.” Dit verankert de rechten van het Joodse volk en de Israëlische soevereiniteit in een wet. Het werd nooit herroepen.

Het Mandaat besturende, organiseerde Groot-Brittannië landonderzoeken in Palestina, hoofdzakelijk om belastingen te verzamelen en een ordelijk systeem van landeigendom en landoverdracht tot stand te brengen. Volgens Dr. Dov Gavish, die de enige uitgebreide studie omtrent dit onderwerp schreef, Survey of Palestine, 1920-1948 (2005), werden kaarten getekend gebaseerd op waar bewoners werden aangetroffen en op mondelinge aanspraken, gewoonlijk door lokale mukhtars (leiders) en sjeiks, maar niet gebaseerd op documenten of landregistratie.

Het Grote Triangulation systeem in Palestina op het einde van de Tweede Wereldoorlog, 31 december 1946 [bron: The Palestine Exploration Fund]

Gebaseerd op luchtfoto’s en bewijzen van ontwikkeling, werden de dorpen willekeurig verdeeld in driehoekige blokken van 60 hectaren (plaatje hierboven uit 1925), die toen door lokale boeren onder elkaar werden verdeeld. Hoogst onnauwkeurig, werden deze fiscale kaarten niettemin de basis voor belastingheffing. Zij weerspiegelden niet en doen dat nog steeds niet op wettelijke eigendomsrechten.

Zoals Gavish opmerkt, ontbeerde het registratieproces de wettelijke procedures om op deftige wijze het (actuele) eigendomsrecht te bepalen, door onderzoekers uitgevoerd die in regel weinig beroepsopleiding hadden, landmeters die grenzen trokken gebaseerd op onnauwkeurige methodes (zoals vage geografische kenmerken) en werden gehinderd in hun werk door het constante Arabische geweld.

Landmeters aan het werk in de Kabara moerassen, 1925 [bron]

De landkaarten die in het bezit waren van de Turkse en Jordaanse overheden zijn niet beschikbaar en de vele landkaarten van de Britse Gemachtigde overheid werden per ongeluk vernietigd. Het Israëlische Burgerlijke (Militaire) Beleid heeft ook luchtkaarten die worden gebruikt om landgebruik te bepalen en onderzoeken die niet noodzakelijk een betrouwbare of nauwkeurige documentatie van privébezit weergeven.

Deze twijfelachtige kaarten en documenten worden echter wel gebruikt om Arabische eisen te staven en Joden te beschuldigen van het stelen van “Palestijns privaat grondbezit”. Hoewel die gronden konden geregistreerd zijn, waren de meesten dat niet. Bovendien werd grond die niet werd gebruikt of niet door overerving naar de oorspronkelijke eigenaar, de staat, op wettige wijze teruggegeven.

Het merendeel van wat “privaat Palestijns land” wordt genoemd, wordt opgeëist – en sommige geregistreerd – op basis van een beleid die het kraken van grond nà de feiten wettigde en de grond als zijnde “in bezit” beschouwde, terwijl die in feite was gepacht of simpelweg gebruikt werd.

Tijdens de periode van het Mandaat, werd het grootste deel van het land dat door individuen werd geregistreerd “Miri” genoemd. ‘In pacht’ dus, en niet in privébezit, de ‘Miri’ gronden bleven het bezit van de staat.

Hoewel land dat 10 jaar lang niet werd gebruikt aan de staat zou moeten teruggekeerd zijn, bleven grote gebieden van dergelijk ongebruikt land onder lokale Arabische controle.

Een andere categorie van land zonder bezitter, “verloren grond” (‘Mewat‘) genoemd, is gekend in het hele Midden-Oosten en erkend in een internationale wet. Het gezaghebbende artikel van Dr.Ya’akov Meron, “Waste Land (Mewat) in Judea and Samaria” (Boston College Int’l & Comparative Law Review, 1981), noteert dat deze gronden geen staatsbezit zijn en kon worden opgeëist door om het even wie, Joden of Arabieren.

Omdat de gronden waarop de meeste nederzettingen worden gebouwd niet nuttig zijn voor de landbouw, werden deze aanvankelijk niet opgeëist door de Arabieren tot recent, toen anti-nederzettingen NGO ’s beweerden dat deze gronden aan de Arabieren behoorden, individueel of collectief gebaseerd op van-horen-zeggen, landkaarten en documenten die grotendeels onnauwkeurig zijn en dikwijls vervalst bleken.

De beweringen door NGOs en Arabieren dat het land privébezit is, zelfs wanneer ze werden goedgekeurd door een politiek gemotiveerde overheid en gerechtelijke ambtenaren, met inbegrip van de State Prosecutor’s Office and Civil Administration, zijn niet noodzakelijk waarheidsgetrouw. Hoewel deze eisen blind door het Hoge Hof kunnen worden goedgekeurd, zijn zij ongeldig tot zij onderzocht werden door lagere hoven en voor authentiek verklaard. Dit heeft geleid tot veel verwarring over wat precies “private Palestijnse grond” bepaalt.

De Israëlische Joden beschuldigend van “het stelen van private Palestijnse grond”, het veroordelen van de “nederzettingen” als “onwettig”, “schendingen van internationale wetten” en “de bezetting”, zijn krachtige wapens in de oorlog om Israël te demoniseren en delegitimizeren.

Algemeen aanvaard en als vanzelfsprekend beschouwd, worden deze beschuldigingen gebruikt om het Arabisch terrorisme (“verzet”) te rechtvaardigen en het morele bestaansrecht van Israël te ondermijnen. Dergelijke beweringen zijn onnauwkeurig en geven voedsel aan de anti-Israël propaganda. Wie heeft daar behoefte aan?


The author is a PhD historian, writer and journalist.