De Joodse Naqba, de verdrijving van de Joden uit de Arabische landen

De Joodse Naqba

Het vergeten relaas van de  Joodse vluchtelingen uit Egypte en andere Arabische landen

Albert Metzger verliet zijn hotel nooit. Hij bezat nog zes andere hotels in Alexandrië, en eigenlijk stond hij aan het hoofd van de hele hotelindustrie in het noorden van Egypte. Maar het Cecil Hotel aan de kust was voor hem de parel op de kroon. Sinds de bouw van het hotel in 1929 woonde Metzger in een privéappartement op de eerste verdieping. Elke beweging en elke werknemer hield hij nauwlettend in de gaten. In enkele jaren tijd werd het hotel in het hart van de baai van Alexandrië een begrip. Het werd één van de bekendste ontmoetingsplaatsen in de Levant. De Britse auteur Lawrence DurreIl, die enkele jaren in de stad leefde, schrijft in zijn boek ‘The Alexandria Quartet’ over het hotel.

Hotel Cecil thans Sofitel

Op een ochtend in november 1956 moest Albert Metzger het hotel echter verlaten. De galerij bekende hotelgasten, van AI Capone over Josephine Baker tot Winston Churchill, kon hem niet helpen. Ook het feit dat de slag bij EI Alamein op ‘zijn’ eerste verdieping was gepland – het hotel deed toen dienst als hoofdkwartier van de Britse politie – bracht geen zoden aan de dijk. Metzger bouwde het hotel uit het niets op, maar dat kon evenmin helpen.

Die ochtend werd de rijke zakenman, die iedereen in Alexandrië kende, plots persona non grata, een vijand tussen zijn Egyptische landgenoten. In de dagen na het uitbreken van de oorlog in de Sinaï besloot Egypte haar Joodse gemeenschap, zo’n 50.000 zielen rijk, te straffen. De Joden verloren hun staatsburgerschap, er werd beslag gelegd op hun bedrijven en bankrekeningen, en ze mochten niet langer werken. Het Cecil Hotel, en honderden andere bedrijven, werden overgenomen door het Egyptische regime. Eén reden slechts: de eigenaars waren Joods.

Op één nacht tijd werd de multimiljonair Metzger een behoeftige vluchteling. Zelfs toen hij besloot het land te verlaten om zijn geluk elders te beproeven, verbood de overheid hem om geld, eigendommen, juwelen, boeken of foto’s mee te nemen. Slechts één valies vol kledij, met een maximumqewicht van 20 kilo, was toegelaten. Metzger vluchtte samen met zijn familie met de auto. Ze trokken naar de Libische grens en lieten zo een volledig leven achter zich.

Op zijn zwerftocht belandde Metzger in Libië, Italië en Engeland, om uiteindelijk te sterven in Tanzania. Hij heeft zijn hotel nooit meer teruggezien. Vandaag, meer dan vijftig jaar nadat Metzger uit Egypte verdreven werd, voeren zijn zoon Chris, schoondochter Patricia en kleinzoon John een juridische strijd om het hotel terug te krijgen. In 1996 sprak het Egyptische hooggerechtshof zich uit in het voordeel van de Metzgers. Het hotel, ondertussen onderdeel geworden van de Sofitelketen, en de gronden behoren toe aan de familie. De Metzgers hadden ook recht op de inkomsten door de jaren heen. De Egyptische regering respecteerde de uitspraak echter niet. Pas in juni vorig jaar jaar deed ze de familie een voorstel: Egypte wil de gerechtelijke uitspraak erkennen, maar zal het hotel onmiddellijk terugkopen. De familie Metzger ging akkoord, maar de onderhandelingen over de prijs van de schadevergoeding lopen nog.

“Iedereen zei me dat we nooit zouden winnen,” vertelde Patricia Metzger (69) telefonisch vanuit Dar es Salaam aan Ha’aretz. “Maar ik ben een erg koppige vrouw. Ik wilde terugkeren naar Alexandrië om het hotel te runnen. De Egyptenaars zeiden: vergeet het, het is voorbij. Z bleven maar tijd winnen. Uiteindelijk boden ze ons een heel kleine schadevergoeding. Ze wilden het hotel niet opgeven. Ze zeiden dat wanneer we het aanbod niet zouden aanvaarden, de zaak opnieuw voor enkele jaren de vriezer zou ingaan. Ik huilde toen ik het bedrag voor mooie hotel hoorde, maar ik ging akkoord. Dit zou anders wel eens het langste proces uit de¬ geschiedenis kunnen worden. Al wat ik wilde was rechtvaardigheid.”

De juridische strijd van de familie Albert Metzger om het in 1956 door Egypte gestolen Cecil Hotel - tegenwoordig Sofitel - loopt nog nog altijd verder

Opnieuw op de agenda

Patricia Metzgers zoektocht naar rechtvaardigheid zet een weinig belicht aspect van het Israëlisch-Arabisch conflict in de schijnwerpers. In het zog van de Onafhankelijkheidsoorlog en de oprichting van de staat Israël vonden er twee grote volksverhuizingen plaats in het Midden-Oosten. De Palestijnse exodus krijgt veel aandacht, maar op hetzelfde moment moesten één miljoen Joden gedwongen de Arabische landen waar ze al honderden jaren leefden, verlaten. Volgens Arabische cijfers verlieten ongeveer 850.000 Joden deze landen tussen 1948 en het begin van de jaren zeventig. 600.000 van hen vonden een nieuwe thuis in Israël. Ter vergelijking: de Verenigde Naties schatten het aantal Palestijnse vluchtelingen op 720.000.

Bovendien waren de bezittingen die de Joden in de Arabische landen achter moesten laten, veel meer waard dan de eigendommen van de gevluchte Palestijnen. Er wordt geschat dat de gevluchte Joden 100.000 vierkante kilometer aan gronden moesten achterlaten. Dat is viermaal de grootte van Israël.

In het verleden probeerden meerdere Joodse organisaties het thema opnieuw op de wereldagenda te plaatsen. Professor Irwin Cotler, een Canadees parlementslid en voormalig minister van Justitie, schreef een uitgewerkt opiniestuk voor de organisatie Justice for Jews from Arab Countries. Hij schreef het samen met de directeur van de organisatie en met een andere deskundige.

Cotler stelt dat de discussie over de benarde situatie van de Joodse vluchtelingen “niet bedoeld is om het Palestijnse recht op schadeloosstelling aan te vechten of om het lijden van de Palestijnse bevolking te minimaliseren. Wel is het recht van de Joodse vluchtelingen uit de Arabische landen op schadeloosstelling even afdwingbaar als dat van de Palestijnen”. Volgens Cotler, een specialist in de mensenrechten, is de definitie van het begrip ‘vluchteling’ in het internationale recht heel duidelijk van toepassing op de Joden uit de Arabische landen. Die definitie omschrijft de vluchteling als iemand die “een gegronde angst heeft om vervolgd te worden op basis van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een welbepaalde sociale groep of politieke mening”. De internationale gemeenschap erkende het lijden van deze Joden al. Dat deed de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties bijvoorbeeld reeds in de jaren vijftig. Tijdens de Camp David-onderhandelingen in 2000 zei de Amerikaanse president Bill Clinton dat Israël vol zat met Joden die in Arabische landen geleefd hadden, maar die naar Israël geëmigreerd waren omdat ze vluchteling waren geworden in hun eigen land.

De gedetailleerde opinie van Cotler geeft aan dat de weigering van de Arabische wereld om het bestaan van de staat Israël te aanvaarden tot een negatieve houding tegenover en een discriminatie van de Joden leidt, en zelfs tot geweld. De Arabische Liga nam in 1948 de beslissing om Joden te beschouwen als “leden van de Joodse minderheid in Palestina”. Of anders gezegd: als burgers van een vijandig land, met name Israël. Het besluit hield ook in dat Joodse bankrekeningen geblokkeerd werden. Joden werden opgesloten en hun bezittingen werden geconfisqueerd. Om al deze redenen liep de Joodse bevolking in de Arabische landen de eerste jaren na de oprichting van Israël fel terug: in Jemen ging het van 55.000 naar 4.000, in Irak van 135.000 naar 6.000, in Egypte van 80.000 naar 50.000, in Libië van 38.000 naar 4.000 en in Syrië van 30.000 naar 5.000.

De situatie verschilde van land tot land. Ada Aharoni, die in Caïro woonde, vluchtte met haar familie in 1949. Ze herinnert zich haar leuke kindertijd, maar ook dat het snel bergaf ging na het verdeel plan van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, in 1947.

Aharoni (74) is vandaag professor sociologie in Israël en het buitenland. Ze is voorzitter van de organisatie World Congress of Egyptian Jews. Haar familie bracht de zomervakanties door aan de kust in Alexandrië. Ze herinnert zich het luxueuze Cecil Hotel nog. Maar er waren nog belangrijke en rijke Joden in Egypte, zowel zakenlui als schrijvers, journalisten, muzikanten en artsen. Zo was er Cicurel, de grootste en meest modieuze kledingwinkel van Egypte. De Jood Moreno Cicurel leidde de winkel in de Europese wijk van Caïro. De Joden, die al sinds de tijd van de Tweede¬¬ Tempel in Egypte leefden, werden als een belangrijke kracht gezien binnen het opkomende Egyptische nationalisme.

“Toen ik een kind was, waren de Joden de koningen van Egypte’: blikt Aharoni terug. “Maar na 1948 veranderde de sfeer. Op straat kregen we verwensingen naar het hoofd geslingerd. Dat gebeurde vroeger nooit’. In juni 1948 ontplofte er een bom in de wijk Karaite in Caïro. Tweeëntwintig Joden kwamen om. Een maand later voerde de Israëlische luchtmacht bombardementen uit. Als reactie werden Joodse winkels en synagoges aangevallen. Negentien Joden stierven. Er werden hardhandige wetten afgekondigd tegen de Joden. Onder de slachtoffers was ook de familie Aharoni. Ada’s vader, een meelhandelaar, kreeg te horen dat hij zijn job niet langer mocht uitoefenen. De zaak werd overgedragen aan een moslim. De bron van inkomsten van de familie verdween.

De familie Aharoni besloot naar Israël te verhuizen. De schepen mochten niet rechtstreeks naar Israël varen. Marseille was de eerste bestemming. “Vader zette al ons geld op een rekening bij een Zwitserse bank in Caïro”, herinnert Ada zich. “Toen we aankwamen in Marseille, gingen we meteen naar de bank. De kantoorhouder vertelde vader dat er geen cent op de rekening stond. Egypte had de rekening geblokkeerd”.

Aharoni’s vader kreeg ter plekke een hartaanval. Hij herstelde slechts moeizaam. De oudere broer, rechter in het opperste rabbijnse gerechtshof in Caïro, overleed aan een hartstilstand op het vliegtuig naar Parijs. De grootmoeder van de beste vriend van Ada weigerde het land van haar voorvaderen te verlaten. Ze wierp zichzelf van de trap en stierf ter plekke.

Joods vluchtelingenkamp in 1948 nabij Tel Aviv

Joodse Naqba

De tweede anti-Joodse golf in Egypte, in 1956, raakte de familie Metzger. In de negentiende eeuw was de familie vanuit Frankrijk overgekomen. Maar Albert en zijn vader waren in Egypte geboren en verbleven er bijna hun hele leven. Enkele jaren ervoor kreeg Albert de eretitel van emir. Die kreeg hij omdat hij fondsen had verzameld voor liefdadigheidsprojecten, maar ook omwille van zijn status in de Egyptische maatschappij. Maar toen de Sinaï-campagne in oktober 1956 begon, ging de situatie achteruit.

Onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog werd een duizendtal Joden gearresteerd. Ongeveer vijfhonderd handelszaken werden geconfisqueerd. In de moskeeën van Caïro en Alexandrië werd een regeringsorder voorgelezen dat Joden als ‘vijanden’ moesten behandeld worden. Bankrekeningen werden geblokkeerd, Joodse managers en bedienden werden ontslagen. Rechters en advocaten werden uit hun beroepsorganisatie gezet. Joodse ingenieurs, dokters en leerkrachten mochten niet langer werken.

Patricia, de schoondochter van Albert, hield in 1955 haar verlovingsfeest in het Cecil Hotel. Ze keerde de voorbije jaren meermaals terug naar Egypte om de verschillende juridische procedures op te volgen. “Telkens wanneer ik er kwam, probeerde ik een klein stukje van wat ooit van ons was, te pakken te krijgen’: vertelt ze. “Albert had een verguld gastenboek, gesigneerd door iedereen die ooit het hotel bezocht. Heel veel mensen kwamen naar de kerstfeest jes in het hotel, want dat waren de beroemdste feestjes in de hele stad. Maar ze vonden het boek niet terug. Ik vroeg naar de collectie uurwerken die Albert in zijn privéappartement had. Ik kreeg twee dozen vol rommel mee”.

Het viel Patricia tijdens haar laatste bezoeken aan Egypte op dat de kranten haar ‘de Joodse vrouw’ bleven noemen. Volgens haar zijn de Egyptenaren van mening dat de Joden aan de basis van de hele affaire liggen. Maar tot op vandaag heeft de Joodse staat amper interesse in de zaak¬ getoond. Hetzelfde gaat op voor de ruimere vernietiging van de Joodse gemeenschappen in de Arabische landen. Meerdere organisaties, zoals de World Organization of Jews from Arab Countries (WOJAC), probeerden de aandacht van de Israëlische ministers op de zaak te vestigen, maar tevergeefs.

Volgens professor Aharoni wordt er een grote fout begaan. Ze is niet alleen van mening dat de ter ziele gegane gemeenschappen recht hebben op historische rechtvaardigheid, maar vindt ook dat de zaak van groot belang is voor het heden. Dat ontdekte ze persoonlijk toen ze enkele jaren geleden een cursus aan de University of Pennsylvania gaf. De titel luidde ‘De naqba (Arabisch voor ‘catastrofe; red.) van de Joden in Egypte en de Arabische landen: Meer dan de helft van de vijftig studenten in de cursus waren Arabieren uit Egypte, Jordanië, Irak en Iran. Er waren ook Arabische Israëli’s en Palestijnen, en meerdere Iraniërs. Ze werden allemaal erg boos toen Aharoni het onderwerp van de cursus voorstelde. Ze stelden allemaal dat ‘naqba’ alleen verwijst naar de tragische gebeurtenissen waar de Palestijnen in 1948 het slachtoffer van werden.

Maar naar het einde van de cursus stond plots een Palestijnse cursist, een afgestudeerde socioloog, op. Hij zei verbijsterd: “We hebben alle gegevens nauwkeurig gecontroleerd. De getallen en de feiten die u ons gegeven hebt, zijn volledig juist. Het verbaast me dat de Joden, die toch bekend staan als intelligent, verstandig en slim, dit belangrijk en interessant verhaal nog niet gepubliceerd hebben. Waarom hebben wij hier nooit eerder van gehoord? Waarom vertellen jullie het verhaal van de ‘naqba’ van de Joden in de Arabische landen niet?”

Aharoni vroeg nieuwsgierig waarom de student het zo belangrijk vond dat het verhaal gepubliceerd zou worden. “Het redt mijn eer en die van mijn volk”, antwoordde hij. “Het doet ons, Palestijnen, beseffen dat we niet de enige slachtoffers zijn van het Arabisch-Israëlische conflict. Het zou de dingen voor ons veel gemakkelijker maken. Deze informatie maakt het ons mogelijk de rug te rechten. Ze biedt ook mogelijkheden op een ‘sulha’ (verzoening). De voorwaarde voor een ‘sulha’ is dat de partij die onrechtvaardig handelde, de tegenpartij daarvoor vergoedt. Tijdens een ‘sulha’-plechtigheid geschiedt de betaling, en zo wordt volledige verzoening bereikt. Maar nu besef ik dat die Joden al betaald hebben voor de verzoening: ze verloren immers al hun bezittingen en ze werden uitgedreven, net zoals de Palestijnen. De voorwaarden voor de’sulha’zijn dus al vervuld. Als de Israëlische regering dit verhaal bekend maakt, zal het voor de twee naties mogelijk worden om de weg naar de ware vrede in te slaan. Wij Palestijnen zullen ons niet de enige underdog voelen. De Joden uit de Arabische landen waren immers ook slachtoffers. Jullie maakten ook een catastrofe mee. De tijd van verzoening is nu gekomen. We moeten stoppen met elkaar te vermoorden”.


 

Bronnen: Joods Actueel Magazine nr 44 september 2010 Speciaal Nieuwjaarnummer blz. 102 t/m 105: De Joodse Naqba