Eli Wiesel en de bevrijding van Jeruzalem in juni 1967

Elie Wiesel (Sighet, 30 september 1928), is een Joods-Roemeens-Frans-Amerikaans schrijver van verschillende boeken over zijn ervaringen in de Holocaust, die hij overleefde. Hij ontving de Nobelprijs voor de Vrede in 1986. Wiesel werd geboren in als een zoon van Sjlomo en Sara, orthodoxe joden van Hongaarse afkomst.  In 1944 deporteerden de nazi’s de Hongaarse Joden naar Auschwitz-Birkenau. Zijn moeder en Tzipora, de jongste zus, werden er vermoord; hij en zijn vader werden naar het aangrenzende werkkamp Auschwitz III Monowitz gestuurd. In januari 1945, werden vader en zoon gedwongen te marcheren naar Buchenwald, waar Elies vader overleed. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij in een Frans weeshuis gestopt. In 1948 begon Wiesel een studie aan het Sorbonne. Hij vond een baan bij de Franse krant L’arche als journalist en raakte in contact met de Nobelprijs voor de Literatuur-winnaar François Mauriac, die hem uiteindelijk kon overtuigen zijn Holocaustervaringen op te schrijven.  [bron]

Later verhuisde Elie Wiesel naar de Verenigde Staten, waar hij zich in 1963 naturaliseerde tot staatsburger. In juni 1967 breekt de Zesdaagse Oorlog uit. Alle Joden in de wereld verklaren zich solidair met de Joodse staat. Ook de oorlog laat Elie Wiesel niet onberoerd en hij besluit naar Israël te gaan:

“Ik zeg tegen mezelf dat het ogenblik gekomen is, ik moet naar Israël vertrekken. Dat besluit had ik al in de eerste dagen van het conflict overwogen.  Me aan de zijde van Israël scharen. Voor Israël, in Israël getuigen. Misschien een pretentieus, betekenisloos en vooral ondoeltreffend plan. Israël heeft geen behoefte aan mannen zoals ik. Ik ben geen held, ik heb geen enkele ervaring met wapens en gezien mijn onhandigheid dreig ik zelfs tot last te zijn. Niets aan te doen, ik moet erheen, en ik zal tot het eind toe blijven, tot het ogenblik waarop de vijand zal zegevieren. Diep in mijn hart ben ik er immers van overtuigd, zonder dat ik het mezelf durf bekennen, dat die oorlog het einde van de Joodse staat, de dood van een droom zal betekenen.”

Echter, ondanks het aanvankelijke pessimisme van Elie Wiesel is tegen dat hij Israël bereikt, het doek van de strijd bijna gevallen. De kansen keerden snel in het voordeel van Israël en wanneer Elie Wiesel op 6 juni 1967 op een TWA vliegtuig stapt op Kennedy Airport en een aantal uren later op de luchthaven van Ben Goerion aankomt is Jeruzalem net bevrijd, de Golan zal op 10 juni worden bevrijd. Hieronder een korte impressie uit zijn boek uit 1968: Le Mendiant de Jerusalem [De bedelaar van Jeruzalem]. De bedelaar van Jeruzalem speelt tijdens de zesdaagse veldtocht van Israël in 1967. De hoofdpersoon is David, een journalist (zoals Wiesel er zelf een geweest is), die weliswaar een uniform draagt, maar niet meedoet in de strijd. Zijn vriend, Katriël, die sneuvelt in de strijd om de oude stad, is het geweten, tegenover wie David zich heeft te verantwoorden.

Elie Wiesel in Jeruzalem

door Elie Wiesel
Bron: Memoires: Alle rivieren stromen naar de zee

Het is aan Joodse schrijvers de getuige te zijn van alles waardoor het volk van Israël vanaf zijn oorsprong wordt geobsedeerd. Dat is zijn rol. Niet oordelen, maar getuigen. En in onze traditie wegen de verantwoordelijkheden van getuigen zwaarder dan die van rechters. Als de getuigenis waar is, zal het vonnis rechtvaardig zijn.

De volgende dag begin ik in de oude stad, voor de heroverde Klaagmuur, Le Mendiant de Jerusalem [De bedelaar van Jeruzalem] te schrijven. Mijn lippen dicteren mij het boek. Ik zeg het op als een gebed.

Onvergetelijke dag. In de Sinaï ging de oorlog door en op de Golanhoogte was hij nog niet begonnen, maar de bevrijding van Jeruzalem fascineerde en begeesterde de mensen. “De Tempelberg is van ons,” riep kolonel Motta Gur, de commandant van de parachutisten. Hij werd op alle radio’s van alle tanks en van alle voertuigen gehoord. Soldaten en officieren begonnen te huilen. Overal in het Heilige Land werd gehuild. Op slag leek de oorlog opgeschort. Op de daken schoten geïsoleerde Jordaniërs nog, maar de Joden renden bij duizenden in de richting van de oude stad, en geen kracht kon hen stoppen.

Rabbijnen en kooplieden, Talmoedstudenten en landbouwers, officieren en scholieren, kunstenaars en geleerden, allen lieten hun werk in de steek en begonnen te rennen. Iedereen wilde bij de Klaagmuur zijn, de stenen kussen, er vergeten en bestaande gebeden en verzoeken naartoe schreeuwen; allen beseften dat ze die dag moesten rennen.

Dus ben ook ik gaan rennen. Nooit heb ik met zoveel kracht gerend. Nooit heb ik met zoveel kavanah `amen’ gezegd als toen ik de parachutisten het Minhagebed hoorde zeggen. Op die dag heb ik meer dan ooit de ware betekenis van Ahavat Israel begrepen.

Een grijsaard, als het ware oprijzend uit een roman die ik ging schrijven, mompelde tegen zichzelf: “Weet je hoe het ons gelukt is de vijand te verslaan? Zes miljoen Joodse zielen hebben voor ons gebeden.” Ik raakte zijn arm aan: “Wie bent u?” Hij wierp een kalmte brengende blik op mij: “Ik ben degene die bid.”

Een paar aantekeningen, ontleend aan mijn dagboek (in het Jiddisch):

Het is als het gedicht dat op de dag van Shavouot wordt gezongen, voor het lezen van de Torah:

Akdamot milin, alvorens het verhaal te vertellen is het onze taak het ontstaan ervan in herinnering te brengen, het eerste wonder, her eerste gebed, de eerste vonk van het vuur dat zijn weg heeft verlicht. We moeten alles vertellen. Ik weet niet waar te beginnen. De Bijbel zelf begint met een beth en niet met een aleph?

Dat doet er niet toe. Dit weet ik: meet dan ooit moet ik nu bij Jeruzalem beginnen, de stad waar duizend van verlossing dromende generaties de weg voor de helden van vandaag hebben opengelegd, de oude en vernieuwde stad die een brug vormt tussen het begin van het begin en het einde der tijden.

Natuurlijk, de jonge strijders hebben de Naam aan andere fronten geheiligd door hun bloed voor hun volk te vergieten. Degenen die gisteren nog feest vierden in de kroegen van Tel Aviv, hebben zich in een klap verheven tot de rang van rechtvaardige; ze hebben de Joodse Geschiedenis op hun schouders gedragen en sommigen zijn onder het gewicht bezweken.

Maar Jeruzalem komt eerst. Jeruzalem, dat geniet de hoogste prioriteit, daarheen leiden alle wegen. In Jeruzalem heeft ons volk dat gekend wat onze mystici een aliya neshama noemen, een opstijging van de collectieve ziel. Onze voorvaderen en voorgangers hebben haar geholpen zich hoger, steeds hoger te verheffen. Vandaar de vraag: waarmee, met wie beginnen? Met koning David, die met zijn kracht en zijn psalmen de aan vrede en eeuwigheid gewijde stad heeft gebouwd? Met de Zeloten, die voor haar hebben gestreden? Met rabbi Akiba en zijn medemartelaren, die, de dood tegemoet gaande, het geloof van het Joodse volk in zijn eigen opdracht heiligden?

Wanneer heb ik Jeruzalem voor de eerste keer liefgehad? Ik weet het niet. Bestaat er op de wereld een Jood die niet door liefde voor die stad wordt verteerd? In zijn gezang brengt de dichter die rabbi Yehuda Halevy was, die gedeelde nostalgie tot uitdrukking: het Joodse hart blijft altijd in het Oosten, hoewel we ons hier of daar bevinden, op dit of dat continent, ver weg.

Ik heb in mijn leven veel rondgezworven, ik heb talrijke steden doorkruist. Ik heb de charme van Parijs opgesnoven, het licht van de Provence, de dynamiek van New York en de wisselende kleuren van Bombay bewonderd. Maar bewonderen wil niet per se liefhebben zeggen. De Jood in mij heeft Jeruzalem lief met een andere, een bijzondere liefde.

Nog voordat ik kon praten luisterde ik naar de wiegeliedjes die mijn moeder voor me zong en droomde ik al van de weduwe Sion die, alleen binnen de ommuring van de Tempel van Jeruzalem, op haar geliefde wachtte. Net als zij, met haar, wachtte ik op het legendarische geitje en zijn offergaven, ik wachtte er vooral op opdat het me naar die stad zou brengen waar het Joodse leven ademt, waar de stenen zelf Joodse verhalen vertellen over de Joodse koningen en vorsten uit ons verleden, die soms roemrijk, vaak bedroefd maar altijd opwindend waren.

Ik herinner me: in de cheder weefden mijn vrienden en ik de draden van de Joodse fantasie die ons door geheime, in de Karpaten verborgen tunnels de weg naar bet land van Israel zouden wijzen. We zouden maar een `naam’ hoeven uit te spreken of onzichtbare deuren zouden zich voor ons openen. Dan zou dat in een oogwenk het einde van de vervolgingen, de haat en de angst betekenen. O, Meester van het universum, vroegen wij, wie zal ons die geheiligde en almachtige `naam’ onthullen? Maar er was geen enkele boodschapper verschenen om ons opheldering te geven.

En nu ben ik dan in Jeruzalem. In de ware en onpeilbare diepten van Jeruzalem. Ik heb tijd nodig gehad om er te komen, maar het is me gelukt. Ik droom dat ik droom. Ik droom dat woorden elkaar op mijn lippen verdringen; ze branden op mijn tong. Ja, het is een voorrecht en tegelijk een plicht alles te vertellen.

Het hart is vol, zo vol dat het overloopt. Als het zich niet openstelt, zal het uiteenbarsten. Hoe vaak heb ik, flanerend door de stegen van de oude stad, met het verlangen gevoeld om als een gek te zingen, als een door geluk of ongeluk beneveld kind te snikken, zelfs zonder me af te vragen waarom? Ik zal, om rabbi Nachman van Bratzlav te parafraseren, van mijn tranen woorden moeten maken.

Van die gebeurtenissen van juni 1967 mag niets onvermeld blijven. Ik moet alles onthouden. Alles overbrengen, alles delen. Van het begin tot het eind, hoewel het verhaal voor het begin is begonnen en hoewel het eind bij lange na niet het eind is. Want het gaat om een verhaal dat het individu overstijgt en het ogenblik transcendeert, net als Jeruzalem iets anders is dan de huizen en de schimmen die de stad bevolken…

2 gedachtes over “Eli Wiesel en de bevrijding van Jeruzalem in juni 1967

  1. Vaak vroeg ik me af wat die onbedwingbare tranen toch betekenen, tranen die uit onze ogen druppelen zonder dat we geheel begrijpen waarom. Enkel levenden kunnen tranen plengen en wellicht zijn het niet hun eigen tranen die zij vergieten maar de tranen van vele voorgaande generaties die heengingen naar de komende wereld, nog vol van onvergoten tranen. Die de doden niet kunnen wenen. De levenden worden daartoe ingezet.

    Like

Reacties zijn gesloten.