Relaas van een verblijf van veertig dagen in het Heilig Land (Sir Moses Montefiore)

Foto hierboven Jeruzalem in 1880 gezien vanuit de Oude Stad. Tot halverwege de 19de eeuw bestond er in feite maar één Jeruzalem, met name dat deel dat men nu de Oude Stad heet en dat tussen 1948 en 1967 tijdelijk  ‘Oost-Jeruzalem‘ werd genoemd en door de tegenstanders van de Joodse staat tot op vandaag zo wordt genoemd. In werkelijkheid is de Oude Stad het oorspronkelijke millennia oude Jeruzalem, dat in 1542 werd ommuurd door de Ottomaanse sultan Suleyman I. Jeruzalem werd door de Arabieren leeggeroofd en compleet verwaarloosd en was de facto van nul en generlei waarde in de Arabische of moslimwereld.  Jeruzalem wordt zelfs niet één keer vernoemd in de koran. De Arabische aandacht voor de stad zal pas ontwaken  wanneer de Joden beginnen terugkeren naar hun heimat halverwege de 19de eeuw.

Sir Mozes Montefiore op zijn 100ste verjaardag

Op de afbeelding zie je Mishkenoth Sha’annanim, de eerste Joodse buurt die in 1860 werd gebouwd buiten de stadsmuren van Jeruzalem, de zogeheten New City of Nieuwe Stad (West-Jeruzalem), en dat op aansturen van Sir Moses Montefiori op het einde van de jaren 1850. De windmolen (rechtsboven op de foto) werd gebouwd in 1857 en maakte deel uit van dat bouwproject. In de jaren 1880 kwam er naast de Mishkenoth Sha’annanim wijk een andere Joodse wijk – Yemin Moshe – genaamd naar Sir Moses Montefiori. De nieuwe wijk bevind zich rechts op de foto. Na de oorlog van 1948, wanneer de stad verdeeld werd tussen Israël en Jordanië, bevonden de twee wijken zich op een vijandige grens (in West-Jeruzalem). Voor enkele decennia na de oorlog raakten de wijken in verval en werden bewoond door arme gezinnen. Na het einde van de Zesdaagse Oorlog in juni 1967 en na de hereniging van Oost- en West-Jeruzalem, werd de hele wijk opgekalfaterd.

Sir Mozes Montefiroe werd geboren in 1784 in Italië en groeide op in Londen. Hij werd een van de weinige Joodse leden van de Londense Stock Exchange (beurs). Hij vertegenwoordigde de Rothschilds en trouwde zich in 1812 in de familie. Tussen 1827 en 1875, bezocht hij Palestina zeven keer, meestal samen met zijn vrouw. Ze reisden met paard en wagen, per boot, per kameel en te voet. Na zijn eerste bezoek werd hij een strikte observant. Hij bouwde ook zijn eigen synagoge op zijn landgoed buiten Londen. Hij was een man die gedreven werd door zijn liefde voor zijn mede-Joden, met name degenen die zich in het land van Israël vestigden. Hij trad op als hun woordvoerder bij de Ottomaanse heersers. Hij verzamelde over de hele wereld Joden en bood hen zijn hulp aan als ze aliyah zouden maken. Tot zijn projecten behoorde het opstarten van de eerste Joodse drukpers in Jeruzalem. Hij bouwde een schrijn boven het graf van Rachel, een landbouwbedrijf in de buurt van Jaffa, en het symbool van zijn roem, de molen Yemin Moshe (hierboven op de afbeelding rechts).

Het volgende is een reisverslag van Sir Mozes Montefiore tijdens één van zijn laatste reizen aan het land – in 1875 – alwaar hij tot zijn groot genoegen de onvermoeide bouwlust en ondernemingswoede kan vaststellen van de pas ingeweken onvermoeibare Joodse immigranten in het Heilig Land.

A narrative of a forty days sojourn in the Holy Land

[Relaas van een verblijf van veertig dagen in het Heilig Land]
door Sir Moses Montefiore

Om vijf uur in de ochtend werden we al begroet door vrienden die onze komst hadden opgewacht en een half uur later hielden we halt op de plaats vanwaar we een volledig overzicht hadden over de Heilige Stad. Daar hebben we de ceremonie van Keriah uitgevoerd [het scheuren van een kledingstuk als een teken van rouw – auteur] en de gebruikelijke zegen uitgesproken, omringd door een menigte mensen die op ons vanuit alle richtingen kwamen toegelopen.

Jood in Jeruzalem, afkomstig uit Boecharia in Centraal-Azië

Zodra we ons verder bewogen in de richting van Jeruzalem, kon ik niets anders doen dan om naar rechts en links te kijken en naar het aantal nieuwe huizen te zien, waarvan sommige van hen zeer grote gebouwen waren en de monden van vrienden geen rust namen om ons erover te vertellen: “Dit is een huis van een van ons“; “Dat stuk grond is aangekocht door N.N., iemand van onze gemeenschap” en toen we nog verder liepen was het niet eens meer nodig om te informeren naar de naam van de eigenaar wanneer telkens de hele familie van eigenaars uit hun huizen kwamen en ik het geluk had honderden van mijn eigen broeders te zien die zich in rijen voor de gevels hun woningen opstelden. Op dat ogenblik werd mijn aandacht getrokken door mijn zeer gewaardeerde vriend, ds. Samuel Salant, een gentleman die mij werd voorgesteld in Constantinopel door wijlen de eerwaarde heer Rivlin Mozes, in het jaar 5601 (1840) en die de afgelopen vijfendertig jaren een van mijn correspondenten was over kwesties die verband houden met het Heilige Land.

Zijn gelaat straalde van vreugde toen hij me zag en hij sprak de zegen uit van “Shehekheyanoo” [een dankzegging om het geluk te hebben gehad een speciale gebeurtenis of ervaring te hebben beleefd – auteur]. Ik was blij om hem aan te treffen in blakende gezondheid en er bijna net zo jong uitziend als toen ik hem negen jaar geleden voor het laatst had gezien. Toen we een eindje verderop de weg gingen werd mij een nieuwe synagoge getoond in een plaats genaamd Nakhalat Shibeah; die omringd werd door een aantal huizen die bewoond werden door een vijftigtal gezinnen. Opnieuw werd mij een stuk grond aangewezen als behorende tot een partij waarop zestig huizen zouden gebouwd worden. En, wanneer ik het meer in Boven Gikhon naderde, niet ver van de windmolen die ik achttien jaar geleden heb laten bouwen op het landgoed Kerem Moshe Ve-Yehoodit, werd mijn aandacht getrokken door twee andere recent gebouwde windmolens die, naar men mij vertelde, veel winst opleverde voor de Grieken aan wie ze toebehoorden.

Groot was mijn vreugde toen ik erover nadacht dat er maar een paar jaar waren verstreken sinds het moment dat er niet één Joods gezin woonde buiten de poorten van Jeruzalem en er geen enkel huis te zien was en nu zag ik bijna een heel nieuw Jeruzalem opkomen met gebouwen waarvan sommigen konden wedijveren met de mooiste gebouwen in Europa. “Natuurlijk”, riep ik uit, “naderen wij de tijd dat we getuigen zijn van de realisatie van G’d ’s heilige beloften voor Zion! ‘Eens was u verlaten en gehaat, werd u door niemand bezocht. Maar nu maak ik u beroemd, voor altijd, u wordt een bron van vreugde, voor alle geslachten.’ [Jesaja 60:15]” Toen mijn rijtuig van de Jaffapoort bereikte moest ik uitstappen. De straten en de trottoirs van Jeruzalem, zo had de bestuurder opgemerkt, waren nog niet geschikt voor rijtuigen.

In de loop van de avond kreeg ik een uitnodiging van de bouwcommissie van een kleine kolonie genaamd Meah Shearim om er de eerste steen van een nieuwe rij huizen te leggen. “Het bedrijf,” zeiden ze, “namens wie we hunkeren naar de eer van uw aanwezigheid, heeft thans het aantal van 120 leden bereikt en staat onder de leiding van de heer Zalm Beharan, die wordt bijgestaan door de penningmeester, de heer Ben Zion Lion en de secretaris, de heer Jesaias Ornstein. Het doel is om elk jaar minstens tien woningen te bouwen die na afloop worden verloot onder tien van onze leden. Het bedrijf, dat slechts twee jaar geleden werd opgericht, heeft al twintig huizen gebouwd die allen bewoond worden. Er zal een synagoge worden gebouwd, een College en een school; alsmede een openbare badplaats in het midden van het plein en een groot waterreservoir voor de watervoorziening.”

Deurstoep van de naaischool in Schneller Woods, dat aangeduid werd als het ‘2de huis buiten de stadsmuren’.

Op mijn vraag of ze de enige bouwonderneming waren in Jeruzalem antwoordden ze: “Nee, er zijn nog twee andere…” Dus alles samen zullen er binnen een paar jaren 235 van onze broeders zijn, eigenaars van de meest comfortabele woningen gelegen in een zeer heilzame plaats net buiten de stad, die zij verzekerd hebben door hun eigen inspanning en met hun eigen geld.

Vrijdag (13 augustus) ging ik naar de Klaagmuur om de gebruikelijke gebeden op te zeggen. De weg die leidde tot deze gewijde plek en de huizen in de nabijheid ervan, verkeren nog steeds in vervallen staat waardoor man en paard te struikelen over losgekomen fragmenten van oude bouwsels die de pelgrim eraan herinneren dat nog een groot deel van de werkzaamheden nog moet worden uitgevoerd vooraleer de paden van Zion weer gelijk en glad zullen zijn.

Toen ik in het jaar 1866 Jeruzalem bezocht, heb ik me nadien erg ingespannen om een luifel te hebben aan de Westelijke Muur. Ik had al een overeenkomst gesloten voor de uitvoering van het werk, maar onverwacht deden er zich enkele problemen voor die niet konden opgelost raken en heb ik de zak laten rusten. Een man heeft er onlangs geprobeerd om enkele zitplaatsen te arrangeren voor de talrijke bezoekers die dagelijks die plek aandoen, en omdat hij maar niet slaagde in zijn pogingen, vroeg hij toestemming om op zijn minst een aantal grote vierkante marmeren stenen die daar stonden te mogen gebruiken, wat hem alsnog werd toegestaan. Maar ze bleven niet lang an hem toegewezen; eerst was er een steen verdwenen, dan een andere, totdat ze uiteindelijk allemaal verdwenen waren….

De Hakham Bashi [opperrabbijn, auteur] heeft mij gevraagd of ik een speciale afvaardiging wilde ontvangen, ik verwees naar de namiddag voor een interview, alhoewel ik reeds de vermoeidheid voelde van de drukte van deze morgen, en ik de noodzaak voelde om me even te ruste te leggen op mijn kamer. Omstreeks twee uur in de namiddag, kwamen Haham Shalom Moshe Khay Gagin, directeur van de Yesheebat Toledoth Yitzhak en Signor Yitzkhak Kalamaro, de schatbewaarder van de ‘Bethel’-synagoge, bij mij op bezoek. Ze deelden mij hun intenties mede opgenomen dat ze de grond hadden vastgelegd voor de bouw van 80 huizen, een synagoge, Beth Hamidrash en een openbaar badhuis.

Ze hadden al, zeiden ze, besloten om voor dat doel de aankoop een stuk grond nabij de stadsmuur gelegen, die 26.000 bouw ares opleverden tegen de prijs van 900 Napoleons, van welk bedrag de Congregatie Gurgistan bereid was om tot 650 Napoleons bij te dragen, maar helaas de kosten die nodig waren om met dat doel de aankoop van die grond veilig te stellen door middel van een contract, liepen zo hoog op dat ze noodgedwongen moesten afzien van die aankoop. De deputatie heeft mij een aantal voorstellen over dat onderwerp overgemaakt waarover ik hen beloofde die in overweging te nemen. Ze communiceerden met mij over kwesties met betrekking tot de Kerem Moshe ve-Yehoodit, en ik gaf hen volledige adviezen hoe ze de zak moesten aanpakken om zo het beoogde doel veilig te stellen.

Bronnen: Israel, Then Now and In-Between; 1997; Amiran Gonen, ISBN 965 05 0890 2; The Jerusalem Anthology, door Reuven Hammer, van 1995, ISBN 0 8276 0554 4