De Val van Jeruzalem in mei 1948

Op 14 mei 1948 riep David Ben Goerion plechtig de Joodse staat Israël uit. Op dat zelfde moment vochten in de straten van Jeruzalem de Joden en Arabieren op leven en dood. Diezelfde dag vielen vijf Arabische legers de nieuwe staat binnen en rukten op naar de Heilige Stad. Zo eindigde het fiasco van het Engelse mandaat over Palestina en het gekonkel dat aan de afkondiging van de Joodse staat voorafging.

Een periode van halve oorlog, van schermutselingen, bomaanslagen en van een krankzinnige bewapeningswedloop. Drie maanden verbitterde oorlog zouden volgen, maanden waarin de Joodse staat moest worden veroverd op of verdedigd tegen de Arabieren. Jeruzalem, grotendeels in handen van het ondergrondse leger, was het sleutelpunt. Wie deze stad had, hield het lot van de nieuwe staat in handen.

In het boek lopen de verhaallijnen van verschillende partijen en personen door elkaar. Zo bijvoorbeeld hoe een jonge Joodse vrouw in 1948 naar de Verenigde Staten werd gezonden om fondsen te werven voor het Joodse Agentschap (Jewish Agency) en terugkeerde met vijftig miljoen dollar. Deze jonge vrouw was Golda Meir die later Eerste Minister werd van Israël. Later zal Ben Goerion, de eerste Eerste Minister van Israël hierover verklaren: “De dag dat geschiedenis werd geschreven en de Joodse staat werd geboren danken wij aan een jonge Joodse vrouw.”

Het boek “O Jeruzalem” van de schrijvers Larry Collins en Dominique Lapierre dat voor het eerst werd uitgebracht in 1970, werd door Elie Chouraqui verfilmd en voorgesteld aan het publiek op 18 oktober 2006. In de hoofdrollen onder meer Ian Holm, Tom Conti, Mama Papas, Patrick Bruel, Saïd Taghmaoui, en Tovah Feldshuh in de rol van Golda Meir.

Hierin wordt zorgvuldig de historische strijd rond de oprichting van de staat Israël in 1948 gereconstrueerd. De film, gebaseerd op de historische rekeningen van de best verkochte roman “O Jeruzalem” ooit, biedt een rijke achtergrond aan het explosieve conflict dat voortduurt tot de huidige situatie in het Midden-Oosten.

Hierna volgt één van de belangrijkste passages uit het boek over de Val van Jeruzalem tussen 25 en 29 mei 1948 na drie maanden van hevige strijd tegen het Arabisch Legioen.

Jeruzalem, door de hele wereld verraden en verlaten

De binnenstad van Amman zag zwart van de mensen. Ritmisch in hun handen klappend op de maat van hun spreekkoren, dansten ze van straat naar straat om de overwinning van hun leger uit te jubelen. Hun gejuich vormde een prettige onderbreking voor de mannen in de conferentiezaal in het hotel tegenover de Romeinse arena uit de oudheid. De triomf van Latrun was niet de enige Arabische overwinning die de leden van de politieke commissie van de Arabische Liga konden vieren. Dezelfde dag dat kolonel Majali’s mannen de Israëli’s bij Latrun hadden teruggeslagen, was de kibboets Jad Mordechai, na vijf dagen heldhaftige tegenstand, in handen van het Egyptische leger gevallen. Alleen in het noorden – waar de Israëli’s de Syriërs uit Galilea hadden verdreven – hadden de Arabische legers een belangrijke nederlaag geleden.

Abdel Pazcha
Azzam Pasha: ‘een oorlog van uitroeiing en een gedenkwaardig bloedbad’

Het besef van de naderende triomf wekte bij de Arabische leiders weinig behoefte om welwillend te staan tegenover het document dat hun door de secretaris van de Liga, Azzam Pasha, was voorgelegd: een beroep van de Veiligheidsraad der Verenigde Naties om binnen 36 uur tot een staakt-het-vuren te komen.

Sinds 14 mei hadden de Verenigde Staten getracht de Veiligheidsraad te bewegen tot een oproep om het vuren te staken. De Amerikaanse pogingen waren hardnekkig door Groot-Brittannië in de grond geboord. Ervan overtuigd dat de Arabieren wellicht op de drempel van grote terreinwinsten stonden, toonden de Engelsen geen enkele neiging om het einde der gevechten te verhaasten. Zoals een hoge Engelse diplomaat tegen een Amerikaanse collega zei, moest men de situatie ‘een tijdje vanzelf laten rijpen.’

Ten slotte hadden de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie op 22 mei in de Veiligheidsraad een oproep tot een staakt-het-vuren erdoor weten te drukken nadat hun pleidooi voor een `bevel’ om de gevechten te staken met zware sancties als daar geen gehoor aan werd gegeven, op Engels verzet was gestuit.

In Tel Aviv polste David Ben Goerion zijn militaire leiders over de raadzaamheid om op het beroep in te gaan. Hun bewapeningssituatie was enigszins verbeterd. Er waren nog vijf Messerschmitts naar Israel overgevlogen en het eerste grote wapentransport per schip was in de haven van Haifa aangekomen. Niettemin waren Ben Goerions adviseurs bet er unaniem over eens: een staakt-het-vuren was zeer wenselijk.

Heel andere gevoelens bezielden de Arabische leiders die in Amman bijeen waren. Ervan overtuigd dat Jeruzalem op het punt stond voor hun strijdkrachten te bezwijken, waren ze categorisch tegen een staakt-het-vuren gekant. Sterker nog, de Arabische leiders stelden de Verenigde Naties een eigen ultimatum: ze gaven het wereldlichaam 48 uur de tijd om een nieuwe oplossing voor Palestina te bedenken waarbij geen sprake was van een joodse staat.

In de joodse wijk van Jeruzalems Oude Stad drongen de rabbijnen die vier dagen tevoren hun superieuren hadden gesmeekt `de wereld wakker te schudden en onze zielen te redden’, bij de Hagana-commandant van de wijk op overgave aan. `We hebben de hele tijd psalmen gezongen, en toch gaat de strijd maar voort,’ zei een van hen droevig tegen Mosje Russnak. Het was duidelijk Gods wil dat ze zich zouden overgeven.

De laatste strijd om Jeruzalem

Russnaks positie was inderdaad wanhopig. Abdoellah Tells genadeloze druk had zijn mannen uit de ene stelling na de andere verdreven. Het nog in joodse handen zijnde wijkoppervlak was tot de helft van de oorspronkelijke omvang teruggebracht. Er was bijna geen water meer. De elektriciteitsvoorziening was uitgevallen. De riolen functioneerden niet meer en het was onmogelijk vuilnis op te halen. In de mei-hitte waren de steegjes van de wijk bezwangerd met de stank van in ontbinding verkerende menselijke uitwerpselen. Nog erger was de rottende stank van dood vlees die om bet ziekenhuis hing. Niet in staat hun doden te begraven, hadden de artsen van de wijk ze, in oude lakens gewikkeld, achter bet ziekenhuis laten opstapelen. Daarbij bevonden zich ook rabbi Abraham Orenstein en zijn vrouw. Terwijl hun zoon en vijftienjarige dochter Sarah aan de rand van de wijk vochten, waren de rabbijn die Israëls geboorte op 14 mei met een sjechijanoe begroet had, en zijn vrouw gedood door een granaat die op hun huis terechtkwam. De jonge Orenstein had maar net lang genoeg van zijn post kunnen wegblijven om de kaddisj, het gebed voor de doden, over het lijk van zijn vader uit te spreken.

In het ziekenhuis waren zelfs de laatste flessen bloedplasma onbruikbaar geworden toen de stroom uitviel. Er waren geen verdovende middelen meer en operaties werden zonder narcose uitgevoerd bij het licht van zaklantaarns. De oude gewelfde zalen van Misgav Ladakh lagen stampvol met ruim honderdvijftig gewonden, soldaten en burgers dooreen. Op een van die bedden, haar rug opengescheurd door een mortiergranaatscherf lag het Engelse meisje dat zo graag aan de verdediging van de Oude Stad had willen meehelpen, Esther Cailingold.

Uit hun huizen verjaagd die of door de Arabieren waren veroverd, of door de beschieting onbewoonbaar gemaakt, drornden de meesten van de 1700 bewoners van de wijk bijeen in drie synagogen die nog net binnen de linies van de Hagana lagen. Ze kookten op de vloer, sliepen op besmeurde, van ongedierte wemelende oude matrassen, huilend, biddend, of voor zich uitstarend.

Toch, ondanks deze grimmige situatie, weigerde Russnak te zwichten voor de smeekbeden van de rabbijnen om zich over te geven. Telkens en telkens weer was hem sinds 18 mei hulp beloofd, en telkens en telkens 9 eer was die hulp uitgebleven. De beloften die hem echter deze ochtend waren gedaan hadden zo overtuigend geklonken dat Russnak voet bij stuk wilde houden. Vanavond, zei hij de rabbijnen, moest er hulp komen. In plaats van versterkingen zou Russnak de eerstkomende twintig uur een verrassing van de Arabieren krijgen.

Ontevreden met de door zijn artillerie op de Olijfberg bereikte resultaten had Abdoellah Tell besloten zijn geschut naar bet hart van Jeruzalem te brengen waar de uitwerking van, zijn granaten vernietigender zou zijn. Langs de kruisstaties van de Via Dolorosa, zandzakken gebruikend om over traptreden te komen, lukte het Tell twee van zijn pantserwagens voort te krijgen waar voordien alleen maar muilezels en geiten hadden gelopen, door de kronkelige steegjes van de Oude Stad.

Hun verschijning verbijsterde de vermoeide soldaten van de Hagana. `We wisten niet waar die schoten vandaan kwamen, het was allemaal nieuw voor ons,’ zei Jehoeda Choresh. Er was geen enkel antitankwapen in het uitgeputte arsenaal van de wijk. Choresh en zijn kameraden vluchtten naar de daken. Daar gooiden ze een handjevol molotovcocktails naar de wagens, in de hoop dat de smalle, met afval bezaaide steegjes daarbeneden hen de doorgang zouden beletten.

Drieëndertig dagen na Pesach herdenkt het joodse feest van Lag Ba’Omer het wonderbaarlijke einde van een epidemie die Judea gedurende de Romeinse oorlogen teisterde en de laatste worsteling van het joodse volk om hun onafhankelijkheid van Rome te veroveren. Toen op donderdag 27 mei die feestelijke dag in de joodse wijk gloorde, was het zowel haar diep religieuze bewoners als haar uitgeputte verdedigers duidelijk dat alleen een soortgelijk wonder hen zou kunnen redden.

Een inspectietocht van post naar post langs zijn linies bracht Mosje Russnak tot de ontdekking dat er van de 200 strijdbare mannen van het begin der gevechten en de 80 versterkingen die met Gazit waren binnengekomen, nog 35 heelhuids waren overgebleven. Samen hadden ze gemiddeld tien kogels per man. Voor de brenguns was er helemaal geen munitie meer.

Leah Voeltz had van bet laatste sigaretten- en tomatenblikje dat er maar in de wijk te vinden was haar laatste zelfgemaakte handgranaat gefabriceerd. Ze had er nog maar een in reserve gehouden, en dat ene, laatste primitieve wapen stond ze niet af. Leah was vastbesloten zich daarmee zelf het leven te benemen als het einde kwam.

Russnaks jammerlijke stukje grondgebied omvatte het ziekenhuis, zijn hoofdkwartier en de drie oude synagogen waar de gedemoraliseerde bewoners in de kelders samengepakt zaten. Nog maar een van de grote synagogen was in joodse handen gebleven, de Hoerva, de voornaamste tempel van de Asjkenasiem, beschouwd als de mooiste in heel Jeruzalem, ja, heel Palestina. Zoals de koepel van de Sint-Pieter het silhouet van Rome domineerde, zo torende de sierlijke 18de-eeuwse parabool van de Hoerva boven de daken van oud Jeruzalem uit. Om de smaad van vernieling van dit bouwwerk te ontlopen, had Abdoellah Tell 48 uur tevoren Otto Lehner van het Rode Kruis schriftelijk gewaarschuwd dat als de Hagana haar stellingen in de synagoge en aangrenzende binnenplaats niet opgaf, hij gedwongen zou zijn het gebouw aan te vallen.

Russnak kon niet op zijn verzoek ingaan. De Hoerva was de sleutelpositie in bet laatste stukje grondgebied dat hij beheerste. Zodra die stelling viel, zouden de Arabieren nog slechts op vijftien meter afstand staan van de 1700 burgers die hij verdedigde. Hij zou ervoor vechten zolang hij kon.

Zelfs in de wanhoop en ellende van de afbrokkelende wijk ging bet normale leven door. Een vrouw bracht een meisje ter wereld dat `Versterking’ werd genoemd, omdat dit de gedachte was die bij iedereen overheerste. De artsen konden haar net lang genoeg een bed afstaan om van haar kind te bevallen. Toen, haar pasgeboren baby in de armen, ging ze naar de Rabbi Jochnan Ben Zkkai-synagoge terug om eten voor haar gezin te koken.

Zoals hij iedere ochtend deed, bevestigde Jacob Tangy, een zaalknecht in het ziekenhuis, identiteitskaartjes aan de lakens waarin de die nacht gestorvenen waren gewikkeld. Toen, in het schone hemd dat hij voor de gelegenheid bewaard had, haastte Tangy zich naar de kelder van de Hemelpoort Jesjiva, voor een plechtigheid die de voortgang van het leven symboliseerde, en bovenal, in Tangy’s gedachte, bet joodse leven in hun geteisterde wijk. Die plechtigheid was zijn huwelijksvoltrekking.

Zijn bruid was daar al een paar minuten eerder aangekomen, zo uit haar post in de frontlinie, net op tijd om haar kaki-uniform door een jurk te vervangen. Bij bet licht van een kaars die flakkerde van de schok van exploderende granaten, beloofde het jonge paar elkaar eeuwige trouw, overeenkomstig hun joodse huwelijksriten biddend dat weldra “in de steden van Juda, in de straten van Jeruzalem, het geluid van de vreugde en blijdschap moge worden gehoord.”

Hoerva synagoge in de Oude Stad: gedynamiteerd door de arabieren op 27 mei 1948, wederopgebouwd en ingehuldigd op 15 maart 2010

De verwoesting van de Hoerva synagoge

Abdoellah Tells compagniecommandanten waren die ochtend van de 27ste mei bij hun dagelijkse conferentie unaniem in hun oordeel: een doorstoot met vereende krachten, en de wijk zou vallen.

Tell twijfelde er geen moment aan waar de aanval op gericht zou moeten zijn. In de overtuiging dat hij met zijn onbeantwoorde brief aan het Rode Kruis van zijn morele verplichtingen was ontslagen, zei hij tegen zijn mannen: “Overmeester tegen het middaguur de Hoerva-synagoge.”

“Als we dat doen,” antwoordde kapitein Moessa, “belooft u dan dat we er vanmiddag thee drinken?”

“Inch Allah – Zo God het wil!” zei Tell.

De verwoesting van de oude synagoge zou het laatste wapenfeit zijn van Fawzi el Koetoebs gewelddadige loopbaan.

Hurva synagoge

Om zich een weg door de omringende muren te banen, sjorde hij een vat van tweehonderd liter gevuld met explosieven op een ladder vast. Vier man – onder wie Nadi Dai’es, – de koffiejongen die het lijk van Abdoel Khader bij Kastel ontdekt had – grepen elk een uiteinde van de ladder vast alsof het een draagbaar was. Met zijn pistool in de hand leidde Fawzi hen over een vijftig meter breed stuk open terrein naar de voet van de muur van de binnenplaats voor de synagoge. Terwijl zij wegrenden om dekking te zoeken, wachtte Fawzi even om zich ervan te overtuigen dat de lont die hij met een sigaret aanstak, goed brandde. Toen zocht ook hij een goed en veilig heenkomen.

De explosie sloeg een gapend gat in de muur van de synagoge. Vijfenveertig minuten lang beletten twaalf Hagana-soldaten het Legioen door dat gat naar binnen te stormen, door iedere handgranaat die ze hadden in de bres te smijten. Ten slotte verstomde hun verzet en de legionairs stormden naar binnen. Ze vonden een zeldzame buit. Voor bet eerst had de wijk meer wapens dan mannen. Er waren domweg niet genoeg strijdenden geweest om ze rnee te nemen.

De legionairs drongen de synagoge zelf binnen en probeerden naar de top van de koepel te klauteren om er de Arabische vlag op te planten. Drie van hen werden door Hagana-sluipschutters neergeschoten, maar de vierde had succes. Duidelijk zichtbaar in de Nieuwe Stad getuigde hun vlag boven de daken van de Oude Stad van de triomf van bet Legioen.

Met de verovering van de Hoerva-synagoge was 25 procent van het nog in handen van de Hagana zijnde gebied de Arabieren toegevallen. Slechts een ding redde de wijk van totale vernietiging. De vet`overde sector wemelde van de winkeltjes en weldra waren de plunderingen in volle gang. Profiterend van het respijt dat die plundering hem gaf, besloot Russnak een wanhopige poging te doen weer een verdedigingsstelling te bemachtigen door herovering van een klein gebouw opzij van de synagoge. De vensters van deze zogenaamde Verdedigingsclub boden de Hagana een positie van waaruit ze verder oprukken van bet Legioen tenminste nog enigszins zou kunnen vertragen.

Russnak besloot zijn beste nog levende strijder, een analfabetische joodse Koerd met de bijnaam Jitzjak de Brenschutter, aan te wijzen als leider van de aanval. Hij stuurde een donkerharige vrouwelijke luitenant met zijn bevel naar hem toe. “Dat kan ik niet doen,” zei Jitzjak, die aan bijna alle gevechten in de wijk had meegedaan. “Dit heeft allemaal nou geen zin meer. Het loopt er toch op uit dat we ons overgeven.”

“Jitzjak, je moet het doen,” smeekte het meisje. “De Arabieren zijn nog maar vijftien meter van ons vandaan. Als je het niet doet, maaien ze binnen een uur alles weg. Denk aan al die vrouwen en kinderen.” Woedend, nors, krabbelde de jonge Koerd overeind, riep vijf man en vertrok. Twee minuten later was hij dood.

Het laatste offensief van de wijk was voorbij.

Een paar minuten later deed een gigantische explosie Jeruzalem sidderen. Een dikke wolk van grijs-rood stof kolkte op uit het hart van de Oude Stad en verduisterde de horizon voor de joodse wijk waar een dikke laag steenstof in de steegjes neerdaalde. Toen de rook eindelijk optrok, hieven duizend smartelijke joodse stemmen in de kelders van de drie resterende synagogen klaaglijk bet heiligste gebed van het jodendom aan, bet Sjema Jisrael. Het was Fawzi el Koetoeb en niet Abdoellah Tell die in de Hoerva-synagoge op de thee was gekomen. Met gebruikmaking van de laatste springstoffen die nog in zijn Turkse bad waren overgebleven, had El Koetoeb zijn laatste wraak voltrokken op de buren tegen wie de kruistocht van zijn ]even gericht was geweest. De contouren van Jeruzalem waren beroofd van een der grootste monumenten van de stad. Hij had de restanten van hun kostbaarste synagoge in een puinhoop veranderd.

Alsof de verwoesting van hun synagoge de laatste daad was die hun lot bepaalde, maakte zich een vreemde reactie meester van de bewoners van de wijk die nu in hun donkere kelders opeengedromd zaten. Ze haalden de laatste schatten te voorschijn die ze hadden verborgen. Uit alle hoekjes en gaatjes van de bedompte, benauwde kelders van de drie synagogen die nog overeind stonden, grepen de mensen hun restantjes wijn, snoepgoed, chocolaadjes, sigaretten, linzensoep, noedels. Binnen enkele ogenblikken weergalmden de kelders van de vrolijkheid van een gigantisch feestmaal der gedoemden.

Uit zijn hoofdkwartier stuurde Russnak een duidelijke waarschuwing naar de Nieuwe Stad: als er die avond geen hulp kwam, zou alles afgelopen zijn. Maar de enige hulp die deze nacht over de muur kwam zat in de huls van een Davidka-granaat waar de springstof uit verwijderd was. Twee Palmach-mannen hadden er het enige ingestopt dat de belegerde kameraden die ze met konden bereiken misschien zou kunnen redden, kogels. Ze hadden er een briefje boven opgelegd dat luidde: “Sterkte en moed. We leven met jullie mee.” Toen vuurden ze hun Davidka af.

De granaat kwam binnen de Arabische linies terecht.

Van links: Mordechai Weingarten (de moekhtar van het Joodse Kwartier) en majoor Abdoellah el Tell (plaatselijk commandant van het Arabisch Legioen), na de overgave van Jeruzalem op 28 mei 1948

De capitulatie

Enkele minuten na negenen, op vrijdag 28 mei rinkelde de telefoon in het hoofdkwartier van majoor Abdoellah Tell in de Rawdah-school. Het was kapitein Moessa. “Twee rabbijnen,” zei hij, `komen de wijk uit met een witte vlag.’

Toen hij Moessa’s hoofdkwartier in de Armeense school van de Heilige Aanbidders binnenkwam, zag Tell zich oog in oog geplaatst met de eerste joden die hij ooit ontmoet had: de 70-jarige rabbi Reuven Hazan en de 83-jarige rabbi Zeev Mintzberg. Zoals Jeruzalems Arabische burgemeester 31 jaar tevoren met een oud beddelaken de stad aan de Engelsen had overgegeven, zo was nu dit tweetal gekomen voor de overgave van hun wijk aan het Arabisch Legioen.

De verwoesting in de Batei Mahsestraat, de dag na de evacuatie 30 mei 1948

Hun komst was de climax van een twee uur durende strijd binnen de wijk. De Hagana had de eerste poging van de rabbijnen om de gevechtslinies te overschrijden gewapenderhand verijdeld, waarbij Hazan gewond werd. Onverschrokken betoogden ze dat Russnak hen zou moeten doden om hen te beletten naar de Arabieren te gaan. ‘Het maakt geen enkel verschil wie ons doodt,’ verklaarde Hazan. ‘De situatie is hopeloos.’ De zwaar onder druk staande Russnak riep zijn staf bijeen. De situatie was inderdaad hopeloos. Het Legioen was nog maar zes meter verwijderd van de synagoge waarin de bewoners bijeenzaten; het ziekenhuis was vrijwel door alle medicamenten been. Zijn mannen hadden nog munitie voor met meer dan anderhalf uur. Daarna zouden 1700 mensen aan de genade van de Arabieren zijn overgeleverd. Russnak besloot te proberen tijd te winnen door te gaan praten. Hij machtigde de twee rabbijnen om een staakt-het-vuren te vragen zodat ze de doden en gewonden konden weghalen.

Beleefd maar vastberaden gaf Tell rabbi Hazan bevel naar de wijk terug te gaan om rabbi Weingarten en een vertegenwoordiger van de Hagana te halen. Russnak talmde zolang hij maar durfde, stuurde toen een Arabisch sprekende officier, Sjaul Tawil, naar Tell terug.

Tell had intussen Otto Lehner van het Rode Kruis en Pablo Azcarate van de Verenigde Naties uitgenodigd getuige van de overgave te zijn. Azcarate was diep bewogen. Hij hoorde of zag van Tell `geen enkel woord of gebaar dat de verslagen leider ook maar enigermate kon hebben beledigd of gekwetst,’ en volgens hem toonde Tawil zich `kalm, zelfbewust, zonder het geringste teken van onderwerping of wrok.’ Tell was echter met tot enige discussie bereid. Zijn voorwaarden waren eenvoudig. Alle ongedeerde mannen zouden worden gevangengenomen, vrouwen, kinderen en bejaarden zduden naar de Nieuwe Stad worden gestuurd. De gewonden, afhankelijk van de ernst van hun letsel, zouden gevangen worden gehouden of worden teruggestuurd. Ofschoon hij wist dat er bij de Hagana-troepen veel vrouwen waren, zou hij geen vrouwen gevangennemen. Tell dicteerde zijn voorwaarden aan Nassib Boelos, een tweetalige Arabische correspondent van het tijdschrift Time, en gaf toen de Hagana tot vier uur de tijd om zijn aanbod te accepteren.

Tijdens dit gesprek had zich iets voorgedaan dat iedere hoop teniet deed die Russnak nog had om de onderhandelingen tot het vallen van de avond te rekken. De in de kelders van de Rabbi Jochnan Ben Zakkai-synagoge gevluchte bewoners hadden gehoord dat er over capitulatie onderhandeld werd. Onder het slaken van kreten van vreugde en dank stormden ze langs hun Hagana-bewakers de straat op. Binnen enkele minuten vielen Arabieren en joden, die elkaar nog maar enkele uren tevoren hadden geprobeerd te doden, elkaar op straat om de hals, Oude vrienden begroetten elkaar huilend van opluchting, de legionairs kwamen uit hun stellingen en begonnen zich onder de Hagana-mannen te mengen, joodse winke1iers openden hun winkels. Verbitterd merkte Russnak dat sommigen die aan zijn mannen met tegenzin een glas water hadden gegeven, nu de Arabieren koffie met koek aanboden. Bij het zien van die volkomen verbroedering tussen twee volkeren, realiseerde Russnak zich dat overgave al een voldongen feit was, Dat feit behoefde nog slechts door de eigenlijke daad te worden bekrachtigd.

Verdrietig rookte Russnak zijn laatste sigaret in zijn door een kaars verlichte kamer, riep toen zijn officieren bijeen. Allen behalve de vertegenwoordiger van de Irgoen stemden in met overgave. Geschraagd door hun stemmen, trok Russnak een Australisch uniformhemd aan, zette een baret op, gespte een oude parabellum om zijn middel en ging op weg om het oudste stukje joods grondgebied ter wereld aan zijn Arabische vijanden over te geven.

Met gepoetste schoenen en ordelijk uniform stelden de ongeveer dertig Hagana-mannen die de strijd ongedeerd hadden overleefd, zich in drie rijen op langs de rand van de binnenplaats die door Tell voor de capitulatieplechtigheid was aangewezen. Tegenover hen stonden de bewoners met hun kinderen, zakken kleren, enkele stukken meubilair ter herinnering
aan hun vernielde huizen.

Terwijl hij zijn blik over het jammerlijke restant van zijn vijanden liet dwalen, zei Tell tegen Russnak: “Als ik had geweten dat jullie met zo weinigen waren zouden we met stokken op jullie zijn afgekomen, niet met geschut.” Toen, bij het zien van de bezorgdheid op de gezichten van de bewoners, realiseerde Tell zich dat ze allemaal vreesden het slachtoffer te worden van het zoveelste bloedbad. Hij liep naar hen toe en probeerde hen met een gebaar of een vriendelijk woord gerust te stellen. In het ziekenhuis las een van zijn officieren in de ogen van de gewonden “de angstige overtuiging dat we ze allemaal zouden afmaken.”

Terwijl Samir Soeki van United Press door diezelfde zaal vol ellende liep, misselijk van de verschrikkelijke stank van de dood, hoorde hij een stem zijn naam roepen. Op een bed neerkijkend herkende hij een taxi-chauffeur die lag te beven van angst voor een komende slachtpartij. Soeki boog zich over hem heen, bood hem een sigaret aan en verzekerde hem dat alles in orde zou komen.

Hun angst zou inderdaad ongegrond blijken. Tells enige slachtoffers zouden Arabieren en geen joden zijn – plunderaars die zich te haastig op de buit hadden geworpen.

Mei 1948, de Joden vluchten weg via de Zionpoort van de Oude Stad. Ze zullen die pas weerzien in 1967

Verbanning van de Joden uit Jeruzalem

De kortste, bedroevendste verbanning in de moderne joodse geschiedenis begon even voor zonsondergang. De 1700 bewoners van de joodse wijk begaven zich, paar voor paar, op weg over de 500 meter tussenruimte die hen scheidde van de Zionpoort en de Nieuwe Stad. Hun vertrek markeerde het einde van bijna tweeduizend jaar onafgebroken joods verblijf – op een periode van zestig jaar na in de 16de eeuw – binnen de oude muren van Jeruzalem. Wat ze achterlieten was de in puin geschoten muur die zij en zovele generaties voor hen bedroefd hadden bewaakt. Zoals de dorpelingen van Hebron de boomgaarden van Kfar Etzion met wortel en al hadden omwoeld om de laatste sporen van een joodse nederzetting op hun heuvels uit te wissen, zo zouden ook de laatste restanten van joodse bewoning binnen Jeruzalems muren uit hun oude wijk worden weggevaagd. Terwijl de vluchtelingen door de Zionpoort trokken, spatten de vonken van de eerste in brand gestoken huizen al de lucht in.

Een oude ashkenazische Jood wacht gelaten op wat er gebeuren zal, juni 1948

Tells legionairs boden hun bescherming bij hun tocht door de zo vertrouwde smalle steegjes en straatjes met trappen en hielden de opgewonden Arabische drommen op een afstand. Ze hielpen de bejaarden, droegen bagage of kinderen van overbelaste vrouwen. Ze joegen de uitzinnige menigte met hun geweerkolven achteruit, arresteerden heethoofden die probeerden de joden met stenen te bekogelen en vuurden zelfs, een keer, over de drommen heen in de lucht om ze tegen te houden.

Sommigen van de mensen die hun huis achterlieten waren nog nooit buiten de Oude Stad geweest. Een 100 jarige man was er negentig jaar geleden eens uit geweest om te gaan kijken naar de eerste huizen die buiten de muren werden gebouwd; sindsdien was hij er nooit meer weggeweest. De allerdroevigste aanblik boden de baardige oude mannen die een leven van studie achter zich lieten. Sommigen, die nog zo gelukkig waren door de voordeur van hun eigen huis in ballingschap te kunnen gaan, bleven even staan om eerbiedig de mazoeza te kussen, de gezegende inscriptie op de bovenlijst van hun voordeur.

Bij de poort rende een bejaarde rabbijn plotseling uit de rij weg en duwde een pak van een meter hoog in de handen van Antoine Albina, een christelijke Arabier. “Het is iets heiligs uit de synagoge,” zei hij, “ik geef het aan jou. Bewaar het goed.” Het was een zevenhonderd jaar oude thora-rol van 23 meter lang, geschreven op gazelle-perkament. Albina zou de rol elf jaar in bewaring houden tot hij de schat kon overhandigen aan de eerste rabbijn die na tien jaar Arabisch Jeruzalem bezocht. [De rabbijn, dr. Elmer Berger, een vermaard geleerde, bekend om zijn anti-zionistische overtuigingen, schonk de rol op zijn beurt aan een New-Yorkse synagoge.]

Aan de andere kant van de stad werd wanhopig hard gewerkt aan de voorbereidingen om de vluchtelingen te ontvangen. Na te hebben besloten hen onder te brengen in de door de Arabieren verlaten huizen in Katamon, stuurde Dov Joseph zijn assistent Chaam Haller eropuit om de buurtschap af te speuren naar lakens en dekens. In een rooms-katholiek tehuis vond Haller een reusachtige voorraad kaarsen. Zich realiserend wat het voor die orthodoxe vluchtelingen zou betekenen een sabbatkaars in hun nieuwe woning te kunnen ontsteken, nam Haller ze allemaal mee, zich vast voornemend hun ongeheiligde herkomst niet aan degenen die ze zouden ontvangen te openbaren.

Tot laat in de avond ging de trieste processie door de Zionpoort voort, hun gezichten beschenen door de vlammen van hun brandende wijk. Masja Weingarten dacht: `Dit is het eind van mijn leven.’ Haar vader stond erop met de gevangenen mee te gaan en hij nam de sleutel van de Zionpoort die hem nog pas twee weken tevoren door een Engelse officier overhandigd was, in gevangenschap mee naar Amman.

Oud joods echtpaar verlaten het huis waar ze 50 jaar hadden gewoond, ze zullen het nooit meer terugzien

Abraham Orenstein en zijn zuster gingen naar het huis waar hun ouders waren gedood. Het leek Abraham `vol boeken, vol herinneringen aan mijn jeugd.’ Hij wilde iets meenemen, een of ander aandenken aan zijn omgekomen ouders, maar hij kon niets bedenken. Sarah•pakte `een of ander dwaas ding’ mee, en toen ze afscheid namen ging zij naar de Nieuwe Stad, hij met 293 anderen naar een gevangenenkamp.

Staande op een straathoek bij de Zionpoort keek de man die zoveel verwoestende aanvallen op hun wijk had geleid de laatste joodse vluchtelingen na. Zijn hele leven lang was Fawzi el Koetoeb eraan gewend geweest joden in de straten te zien van oud Jeruzalem waar hij geboren was. Plotseling begreep hij dat hij hen daar nu voor de laatste keer zag. Hun aandoenlijke stoet was de laatste triomf van de vreemde en gewelddadige carrière die hij twaalf jaar tevoren begonnen was, toen hij op slechts enkele meters van het portiek waar hij nu stond een zelfgemaakte handgranaat naar een joodse bus gooide.

Onder de laatsten die door de poort gingen, bevond zich ook Leah Voeltz. Het Legioen had haar geen aanleiding gegeven haar laatste granaat te gebruiken. Kijkend naar de vlammen van de wijk voor de verdediging waarvan ze zo hard had gevochten, dacht ze aan “de Spaanse joden die uit hun brandende getto’s wegtrokken.” Verbitterd riep ze naar de eerste de beste man die ze aan de andere kant zag: “Joden! Jullie bleven hier, en wij moesten ons overgeven.”

Toen de avond gevallen was, waren alleen nog de 153 gewonden in de Oude Stad achtergebleven, opeengestouwd in hun armzalige ziekenhuis, wachtend op inspectie door een groep artsen die moesten bepalen wie van hen naar de Nieuwe Stad zouden gaan en wie naar het gevangenenkamp. Intussen naderden de branden die in de geplunderde wijk woedden hun wijkplaats meer en meer. Toen de gewonden een compagnie legionairs naar hun gebouw zagen marcheren, waren ze ervan overtuigd dat hun laatste uur was aangebroken. De soldaten waren echter gekomen om hun gewonde vijanden naar de veiligheid van het nabij gelegen Armeense patriarchaat te brengen.

In zijn hoofdkwartier ontving Abdoellah Tell de bekronende hulde van zijn triomfantelijke dag. Het was een telefoontje uit Amman. Hartelijk en vaderlijk feliciteerde de koning persoonlijk de jonge officier die hij tien dagen tevoren naar de stad had gestuurd.

Buiten de muren van de Oude Stad ging Chaim Haller van kamer tot kamer om te proberen de vluchtelingen in hun vreemde omgeving in de Nieuwe Stad te troosten. Ze waren `totaal van streek.’ Maar tot zijn verbazing ontdekte hij dat noch het feit dat ze de dood van zo nabij onder ogen hadden gezien, noch het verlies van het enige tehuis dat de meesten van hen ooit hadden gehad, er oorzaak van was dat ze zo volledig gedemoraliseerd waren. De oorzaak van hun diepe verdriet was het feit dat het vrijdagavond was en dat de meesten van hen, door zich van de Zionpoort naar Katamon te begeven, voor de eerste keer in hun leven de sabbat hadden ontheiligd.

Haller bood hun de enige troost die hij voor hen had. Hij drukte die ontredderde mannen en vrouwen de kaarsen in de hand die waren gezegend door de priesters van een ander in de aarde van Jeruzalem geworteld geloof. Met tranen in zijn ogen sloeg hij hen gade terwijl ze die kaarsen aanstaken, hun gezicht een en al blijdschap nu ze tenminste aan een sabbatgebod gehoor konden geven na zovele andere te hebben geschonden.

Gegeseld door hoge koorts, in verschrikkelijke pijn, lag Esther Cailingold deze sabbatavond te midden der overige gewonden stervend op de vloer van de tweede verdieping van het Armeense klooster. Er was geen morfine meer om haar pijn te verlichten en de gewonde man naast haar zag hoe een van de zaalknechts zich over haar heen boog om haar het enige kalmerende middel aan te bieden dat hij had, een sigaret. Ze hief haar hand op om de sigaret aan te pakken. Toen liet ze haar hand terugvallen…

“Nee,” fluisterde ze, “sabbat.”

Het waren haar laatste woorden. Enkele minuten later gleed ze weg in een laatste coma. Onder haar kussen lag een brief die ze vijf dagen tevoren aan haar ouders had geschreven, waarin ze vooruitliep op de mogelijkheid van haar dood in de gevechten die in de wijk aan de gang waren. Die brief was het enige dat het Engelse meisje zou nalaten.

“Lieve mams en paps,” had ze geschreven, “ik schrijf dit om jullie te smeken dat wat mij ook mag overkomen; jullie je best zullen doen het te aanvaarden in de geest die mij voor ogen staat. Het is voor ons een zwaar en moeilijk gevecht geweest. Ik heb de het meegemaakt maar het was de moeite waard omdat ik ervan overtuigd ben dat het resultaat een joodse staat zal zijn en de vervulling van al onze verlangens. Ik heb mijn leven voluit geleefd en het was heerlijk hier in ons land te zijn … Ik hoop dat de dag gauw mag aanbreken dat jullie allemaal hier komen om de vruchten te plukken van datgene waarvoor we vechten. Wees blij en gedenk me alleen in blijdschap. Sjalom. Esther.”

De reus met de rode baard die naast haar op de vloer lag, huilde terwijl haar moeizame ademhaling langzaam wegstierf. Buiten het klooster kleurden de vlammen van de brandende wijk waarvoor ze gestorven was, de nachtelijke hemel rood en wierpen wolken vol vonken dansend de lucht in als een vlaag sneeuwvlokken in het schijnsel van een lichtbundel. Uitgestrekt in het donker dacht Jesjoef Cohen aan een regel uit de bijbel die hij vaak als jongen gezongen had. Hij begon die tekst nu weer te zingen. Telkens en telkens weer, eerst zachtjes, toen luider totdat de woorden ten slotte met alle kracht van zijn diepe basstem van zijn matras opschalden. De andere gewonden die in het donker om hem heen lagen prevelden de woorden mee. Geleidelijk aanzwellend werd het een fier, uitdagend spreekkoor, galmend door de overwelfde zaal van het klooster.

“Door bloed en vuur zal Judea vallen,” zongen ze, “en uit bloed en vuur zal het worden herboren.”

Jeruzalem, 29 mei 1948: Gevangen Joden worden buiten de Oude Stad bij elkaar gedreven


Bronnen: O Jeruzalem! – De bloedige strijd om het bestaansrecht van Israël door Larry Collins en Dominique Lapierre, uitgeverij Elsevier Amsterdam/Brussel, 1983; ISBN 90 10 04532 3; oorspronkelijke uitgave ‘O Jerusalem’ uit 1970; dit hoofdstuk ’40. Gedenk me in blijdschap’ blz. 413 t/m 423