Grote Leugens deel 4: De kwestie van de nederzettingen

David_MeirLeviDavid Meir-Levi heeft een tekst geschreven die het geheugen herstelt van de feiten die de kern vormen van het conflict in het Midden-Oosten. Deze feiten zijn van cruciaal belang, niet alleen om de geschiedenis te restaureren die door de politiek werd verduisterd, maar om een volk te helpen overleven dat leeft in de schaduw van haar eigen vernietiging. Iedereen die geïnteresseerd is in rechtvaardigheid moet deze tekst hebben gelezen.

Door Brabosh werd deze omvangrijke tekst (toch voor een weblog) vertaald en in vijf delen gepubliceerd als:

Grote Leugens deel 4: De kwestie van de nederzettingen

BIG LIES 4. The Settlements – Part 1

door David Meir-Levi

Er zijn vijf soorten nederzettingen: A. Agrarische nederzettingen voor militaire doeleinden, meestal bemand door soldaten; B. Nederzettingen van Joden die terugkeerden naar gebieden die zij vóór 1948 in bezit hadden (Hebron, Gush Etzion, Joodse wijk van Oost-Jeruzalem); C. Uitbreidende voorsteden van Israëlische steden op of nabij de ‘Groene Lijn’; D. Nederzettingen los van de voorgaande drie soorten; E. Illegale wilde nederzettingen.

A. Nederzettingen voor militaire doeleinden

Het Allon Plan 1968-1987

Agrarische nederzettingen bemand door Israëlische soldaten, werden al snel werd ingesteld na de oorlog in gebieden waarvan het IDF (Israëlische Leger) oordeelde dat ze cruciale corridors voor de defensie waren, vooral langs de rivier de Jordaan, nabij de ‘Groene Lijn’, in de Golanhoogte en in de omgeving van de Gazastrook. De term Groene Lijn wordt gebruikt om te verwijzen naar de grenzen tussen Israël en haar buurlanden (Egypte, Jordanië, Libanon en Syrië) die na de Wapenstilstand van 1949 ontstonden na het einde van de Onafhankelijkheidsoorlog van 1947-1949.

Omdat Egypte, Syrië en Jordanië ook na het einde van de oorlog decennialang oorlogvoerende staten bleven en omdat de PLO actief probeerde basissen voor terrorisme in de nieuw veroverde gebieden te ontwikkelen en omdat Israël eerder was binnengevallen in deze gebieden, werden deze nederzettingen in de eerste plaats bestemd om strategisch militaire defensieve doeleinden te dienen.

Het Allon Plan, ontwikkeld door generaal Yigal Allon kort na de Zesdaagse Oorlog van 1967, voorzag een aantal van deze militair-agrarische nederzettingen (in het Hebreeuws als ‘nahal’ genoemd) als bescherming van de strategische gebieden langsheen de rivier de Jordaan (het is belangrijk eraan te herinneren dat het Hasjemitische Koninkrijk van Jordanië de jure in staat van oorlog verkeerde met Israël tot 1994) en in delen van de Westelijke Jordaanoever waar de bewaking en de mogelijkheden voor een snelle militaire inzet, van essentieel belang werden geacht in het kader van de beveiliging [van de staat en haar inwoners].

In een aantal gevallen maakten Palestijnse boeren gebruik van het Israëlische rechtsysteem om klacht neer te leggen tegen het leger dat het onnodig terrein innam zonder de juiste militaire doeleinden en deed het Israëlische Hooggerechtshof van Justitie uitspraak in het voordeel van de eisers. De legerbasis Beth El (in de buurt van Ramallah) is het meest bekende geval en waarschijnlijk een van de weinige gevallen in de geschiedenis van de wereld waarin het rechtssysteem van het zegevierende land besluiten nam in het voordeel van de overwonnenen en in strijd met de veiligheidseisen van het leger. Het IDF werd gedwongen om haar basis tien kilometer verder naar het westen te verplaatsen om te voldoen aan aan de land aanspraken van de lokale Palestijnen.

B. Nederzettingen van Joden die terugkeerden naar hun pre-1948 huizen

Het bouwen van nederzettingen door Israëlische burgers op de Westelijke Jordaanoever, begon kort na het einde van de Zesdaagse Oorlog toen een kleine groep orthodoxe Joden een aantal huishoudens opzetten in de voormalige Joodse sectie van Hebron, gevolgd door een grotere herkolonisering door Joden in de snel gereconstrueerde Joodse wijk van Oost-Jeruzalem.

Voorpagina van The Baltimore News krant over de massamoord door Arabieren van 1929 in Hebron

Joden hadden Hebron bijna doorlopend bewoond sinds de dagen van Jozua – 3100 jaar geleden – en werden enkel verdreven tijdens de verschrikkelijke Arabische pogroms van 23 en 24 augustus 1929 toen 67 Joden, mannen vrouwen en kinderen, meedogenloos werden afgeslacht. Een andere bloedige gebeurtenis staat eveneens bekend als de Massacre van Hebron, toen op 25 februari 1994 – op de Joodse Poerimfeestdag – de Joods-orthodoxe extremistische kolonist Baruch Goldstein het vuur opende op biddende moslims in de Ibrahimi Moskee van Hebron waarbij 39 Palestijnen werden gedood en 150 anderen werden gewond. Goldstein, die lid was van de Jewish Defense League (JDL), een militante Joodse organisatie die in 1968 in New York opgericht was door de extremistische rabbijn Meir Kahane, werd ter plaatse doodgeslagen door Arabieren.

De Joodse bewoning van Jeruzalem heeft een soortgelijke millennia-lange geschiedenis, tot de oorlog van 1948 en de massamoord op bijna de helft van de bevolking van de Joodse wijk deze Joodse aanwezigheid in bloed beëindigde. Later hervestigden Joden zich in de dorpen van het Kfar Etzion gebied (alias Gush Etzion) ten zuidwesten van Bethlehem. Aangezien dit gebied uitgebreid door zionistische pioniers werd gekoloniseerd en ontwikkeld in het begin van de 20ste eeuw en bendes ongeregelde Arabieren de meeste Joden van deze dorpen hadden uitgemoord tijdens de oorlog van 1948 [de Massamoord van Kfar Etzion van 13 mei 1948, precies één dag voor Israël de onafhankelijkheid zal uitroepen], wordt de terugkeer van de Israëli’s naar deze gebieden aangeduid als Type B nederzettingen.

C. Uitbreidende voorsteden van Israëlische steden op of nabij de ‘Groene Lijn’

Onbezette gebieden rondom Jeruzalem en ten oosten van Kfar Saba en Netanya (nabij Tel Aviv) en ten noordoosten van Petah Tikva, werden gebruikt als locaties voor grote bouwprojecten die goedkope huisvesting realiseerden voor de groeiende bevolking van Jeruzalem en de gebieden rondom Tel Aviv. In de meeste gevallen werd de gronden van het voormalige Jordaanse ‘kroongebied’ in gebruik genomen omdat geen enkel individu aanspraken kon laten gelden van particulier eigendom. Ook omdat Jordanië dit ‘betwist gebied’ op 24 april 1950 illegaal had geannexeerd bij haar koninkrijk, annexatie die enkel door Groot-Brittannië en Pakistan (toen nog een Britse kolonie) werd erkend maar afgekeurd werd door de meeste landen van de Arabische Liga.

Hebron, april 2009. Palestijnse Arabier wordt opgehangen als straf voor het verkopen van grond aan een Israëlische onderneming

Jordanië zal pas op 31 juli 1988 afzien van haar aanspraken op de Westelijke Jordaanoever door het wegschenken van dit ‘betwist gebied’ aan Yasser Arafat en zijn PLO (Palestijnse Bevrijding Organisatie). Bij het ontbreken van de bereidheid van Jordanië om na het einde van de Zesdaagse Oorlog vredesonderhandelingen aan te vatten met het soevereine Israël, begonnen de Israëli’s deze onbezette gebieden in beslag te nemen en te ontwikkelen, wat juridisch volkomen legaal en conform was met Israël’s soevereiniteit en die het gevolg waren van haar defensieve acties tegen een aanvallende mogendheid (Jordanië) dat haar aanvalsoorlog (in 1967) tegen een soevereine staat [Israël] had verloren.

In die gevallen waarin Arabieren legaal gronden bezaten op de Westelijke Jordaanoever en die Israël wilde bezitten bestemd voor de uitbreiding van haar projecten, kocht Israël deze gronden op aan eerlijke marktprijzen. Gronden verkopen door Arabieren aan Israël was in de decennia na de Zesdaagse oorlog de gewoonste zaak van de wereld en bleek voor veel Arabieren een erg winstgevende handel. Zozeer zelfs dat toen de Palestijnse Autoriteit in 1994 werd opgericht, Arafat verklaarde dat de verkoop van grond aan de Joden voortaan een kapitaal vergrijp was en kondigde tegelijk de doodstraf door ophanging af voor grondverkoop aan de Joden, met het onmiddellijke gevolg dat vele Palestijnse families die goed hadden geprofiteerd van deze grondverkoop, plotseling in acuut levensgevaar verkeerden en sommigen gedwongen werden de Westelijke Jordaanoever te ontvluchten.

De snelle aangroei van de Joodse bevolking van Jeruzalem na de oorlog confronteerde de Israëlische regering met zowel het probleem als met de oplossing met een verstrekkende politieke valentie. Wijken in een nederzetting met een dichte Joodse bevolking, werden ontwikkeld om aan deze groei tegemoet te komen en die nederzettingen werden gebruikt om Jeruzalem te omringen, zodat het fenomeen tussen 1948 en 1967 van een ‘Jeruzalem corridor’ (toen Jeruzalem aan drie en een halve zijde werd omringd door vijandige Arabische steden en dorpen en haar bewoners enkel toegang hadden tot de andere Israëlische gebieden via een smalle weg) niet opnieuw zou worden gecreëerd in het kader van een toekomstig vredesakkoord met de Arabieren. De perifere gebieden (onder meer French Hill, Ammunition Hill, Gilo, Ma’aleh Adumim en Har Homah) werden omgezet in snel groeiende voorsteden die de stad een grotere omtrek gaven en onderdak boden aan de snel opkomende bevolking. Hiervan werd enkel Gilo gebouwd op particulier bezit. Een Palestijns christelijk gezin in Beit Jalla verkocht dit gebied op de heuveltop in 1974 aan de gemeente van Jeruzalem. [Gilo kwam op 17 november 2009 in het nieuws toen het gemeentebestuur van Jeruzalem haar fiat gaf voor de bouw van 900 nieuwe woningen.]

D. Nederzettingen los van de voorgaande drie soorten

Arabieren besturen bulldozers en leggen een weg aan in de Joodse nederzetting Maaleh Adumim, nabij Jeruzalem (22 juni 2009)
22 juni 2009. Arabieren besturen bulldozers en leggen een weg aan in de Joodse nederzetting Maaleh Adumim, nabij Jeruzalem op de Westelijke Jordaanoever

Na verloop van tijd moedigden religieuze en rechtse politieke drukkingsgroepen de oprichting aan van nieuwe nederzettingen elders op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza. Onder de premiers Menachem Begin en Yitschak Rabin, rukten deze nederzettingen snel op. Vaak werden zij gesticht in de buurt van oude heilige Joodse plaatsen, zoals het Graf van Jozef in de buurt van Nabloes (= het bijbelse Sichem/Shechem).

Arabische woordvoerders beweren dat deze nederzettingen, waarvan een aantal gebouwd werden diep in de gebieden op de Westelijke Jordaanoever of in de Gazastrook, gestolen land was van Arabische boeren. Israël beweert dat de meeste grond die worden gebruikt voor ontwikkeling, onbezet waren en niemands eigendom, en dat aldus de kwalificatie als ‘Kroongebied’ Israël het volledige wettelijke recht verleende om op die gronden te bouwen en in ontwikkeling te brengen. In die gevallen waar de verwerving van particulier bezit noodzakelijk was voor de uitbreiding van de nederzettingen, beweert Israël dat het die gronden van haar juridische eigenaars heeft aangekocht tegen de reële marktwaarde.

Er was veel discussie in de Israëlische regering en binnen de samenleving over de vraag of het toelaten van dit soort nederzettingen van Type D wel productief bijdroegen in de context van het doel van Israël om op lange termijn vrede met de Arabieren te bereiken. Uiteindelijk was de Israëlische regering van mening dat het creëren van de ‘uvdot bashetah’ [als een fait accompli in het gebied – met name nederzettingen die de facto bestonden, letterlijk in beton, compleet met gebouwen, bevolkt waren, agrarische en industriële activiteiten ontwikkelden en onderling verbonden waren door een efficiënte infrastructuur met de voor-1967 Israëlische gebieden] nuttig zou kunnen zijn als onderpand tijdens toekomstige onderhandelingen voor vrede met de Arabieren.

E: Illegale wilde nederzettingen

outpost

De Joodse illegale nederzetting Hilltop 18 (Mitzpe Avichai), werd op bevel van premier Netanjahoe in de nacht van 26 op 27 mei 2009 weer afgebroken

Illegale ‘in het wilde’ opgezette nederzettingen werden opgericht door break-away kolonisten, vaak in strijd met de instructies van het IDF en/of de overheid, soms op particuliere Palestijnse gronden. Palestijnse klachten over dergelijke illegale landroof werden behandeld voor de Israëlische rechtbank met besluiten die niet zelden in het voordeel van de Palestijnen werden beslecht. Deze nederzettingen, of ze nu wel dan niet op illegale grond werden opgericht, worden door velen in Israël als illegaal beschouwd. Sommigen werden onder dwang weer afgebroken of plat gewalst door Israëlische legerbulldozers.

Deze kwestie ligt zeer gevoelig in Israël, met voornamelijk orthodoxe Joden die eisen dat het aan alle Joden wordt toegestaan om zich overal in het Beloofde Land te vestigen (vooral dan overal in de regio waar Abraham woonde: dwz, van Sichem / Nabloes naar Hebron op de Westelijke Jordaanoever). Anti-nederzettingen sentiment onder de Israëli’s (vooral de niet-religieuze) wordt voor een groot deel gestimuleerd door deze malafide wilde ‘outposts’ (zie afbeelding hierboven Hilltop 18/Mitzpe Avichai), en het is bijna uitsluitend te wijten aan dit soort nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, dat premier Sharon besloot deze te ontmantelen nog vooraleer de vredesonderhandelingen met de Palestijnse Autoriteit moesten beginnen.

De legaliteit van de nederzettingen

Woordvoerders van de organisaties die tegen de nederzettingen zijn gekant (zowel Arabische, Israëlische en anderen), hebben herhaaldelijk de nederzettingen gebrandmerkt als illegaal in overeenstemming met de Vierde Conventie van Genève (van 12 augustus 1949) en het internationale recht. Maar zelfs een oppervlakkig overzicht van de relevante elementen van het internationale recht, tonen aan dat deze interpretatie van het Verdrag van Genève een typisch voorbeeld is van Orwelliaanse ‘gespletenheid’. Het is integendeel precies het internationale recht, het Verdrag van Genève alsmede de relevante resoluties van de Verenigde Naties, die het bestaan en de oprichting van de nederzettingen als juridisch volkomen legaal bestempelen.

Hamasleider Ismael Haniyeh (links naast Iraans president Ahmadinejad) werd samen met 415 terroristen in 1992 door Israël het land uitgezet

Volgens de Vierde Conventie van Genève van 12 augustus 1949 is het verbod op het verbannen van overwonnen bevolkingsgroepen en het overbrengen van de bevolking vanuit het grondgebied van de overwinnaar naar de door haar veroverde gebieden, enkel van toepassing op grondgebied dat veroverd werd gedurende een offensieve oorlog. Deze secties van het verdrag werden geschreven om toekomstige acties – zoals bijvoorbeeld de aanvalsoorlog door de nazi’s op Oost-Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog – af te schrikken. Sinds Israël haar soevereiniteit over het grondgebied heeft verworven in een defensieve oorlog, is het zeer de vraag of deze verbodsbepalingen hier wel van toepassing zijn.

Het feit dat de oorlogvoerende tegenstander (Jordanië) tot 1994 permanent in staat van oorlog verkeerde met het soevereine Israël, betekent dit dat de veroverde bevolking potentieel en expliciet vijandig stond tegenover de Joodse staat. Bovendien heeft Israël nooit geen enkele Arabier verbannen uit de door haar heroverde gebieden (behalve dan op 17 december 1992, toen Israël 415 terroristen deporteerde van Hamas (waaronder ook huidig Hamasleider Ismail Haniyeh) en Islamic Jihad van op de Westelijke Jordaanoever en Gaza naar het zuiden van Libanon in een poging om de terreuracties te stoppen).

Integendeel, als gevolg van Israël’s beleid van ‘open bruggen’ langsheen de Jordaanrivier (alhoewel Jordanië op dat ogenblik nog steeds op voet van oorlog stond met Israël), weken grote aantallen Arabieren uit naar Israël en kon de Arabische bevolking op de Westelijke Jordaanoever zich verdrievoudigen – van ongeveer 650.000 in 1967 tot meer dan 2.000.000 in 1994 – die gelijktijdig gepaard liep met een evenredige toename van Arabische nederzettingen (volgens sommige schattingen blijkt dat maar liefst 260 nieuwe Arabische dorpen werden gesticht of uitbreidingen van bestaande locaties hebben plaatsgevonden gedurende deze periode). Het is dus duidelijk dat het Israëlische nederzettingenbeleid niet alleen niets deed dat een inbreuk kon zijn op het wel en wee van de inheemse bevolking, maar integendeel juist door haar activiteiten daadwerkelijk een gunstige economische omgeving creëerde waardoor honderdduizenden Arabieren konden integreren.

Met betrekking tot grondgebied dat veroverd werd in een defensieve actie, toont het Handvest van de Volkerenbond (van december 1924) duidelijk aan (tegelijk ook dezelfde wereldorganisatie die aan Groot-Brittannië het recht gaf om een Mandaat Regering in te stellen over Palestina en die verklaarde dat het Britse Mandaat Palestina het thuisland moest worden van het Joodse volk), dat de dispositie van dergelijk grondgebied deel zal uitmaken van een vredesovereenkomst tussen de strijdende partijen. Bij gebrek aan een dergelijke overeenkomst, zal de dispositie van deze gebieden in geschil blijven. Dergelijke gebieden worden algemeen aangeduid als ‘betwiste gebieden’ en niet als ‘bezette gebieden’. Hun voortdurende bezetting door de verdedigende partij is bijgevolg legaal.

Omdat de oorlogen van 1948 en 1967 van defensieve aard waren, is de Israëlische bezetting van gebieden buiten de grenzen van het Verdeelplan van 1947 (VN-resolutie 181) en de grenzen na de wapenstilstand van 1949, volledig legaal. Het Charter van de Verenigde Naties (van 26 juni en van kracht op 24 oktober 1945) aanvaardt – en met geen enkele autoriteit die dat kan veranderen – aldus het Handvest van de Volkerenbond. Dus is het Handvest van de Volkerenbond nog steeds internationaal rechtsgeldig en biedt het een congruent en rationeel evenwicht aan de Vierde Conventie van Genève (dat wil zeggen, het Charter beschrijft de rechten van een land dat grondgebied bezet in een defensieve actie en de Conventie beschrijft de beperkingen die op een natie worden gelegd die grondgebied bezet in een offensieve actie). Beide zijn internationaal rechtsgeldig.

Het is ook wettelijk voor de verdedigende partij dat zij, bij het ontbreken van een vredesverdrag, de nodige maatregelen mag treffen om de veiligheid van haar onderdanen te handhaven. Zo zijn nahal-nederzettingen (om militaire redenen) juridisch conform volgens het internationale recht. Het internationale recht is ook duidelijk met betrekking tot populaties die werden verdreven uit hun voorouderlijke huizen, die door hun offensieve actie het recht hebben om zich opnieuw te vestigen in hun voormalige huizen, wanneer zij door een succesvolle defensieve actie het land heroverden waaruit ze werden verdreven. Dus de terugkeer van de Joden naar Hebron, Gush Etzion en de Joodse wijk (in Oost-Jeruzalem) is eveneens juridisch conform aan het internationale recht.

Resolutie 242 van 22 november 1967 van de Verenigde Naties maakt duidelijk dat het doel van de resolutie is, de creatie van een rechtvaardige en duurzame vrede met garanties voor de territoriale onschendbaarheid, wederzijds erkende grenzen en politieke onafhankelijkheid van elke staat in het gebied. Volgens Eugene Rostow, één van de opstellers van VN-Resolutie 242, betekent de resolutie – in haar volle omvang – dat het Israëlische bestuur over de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook volkomen legaal handelt, tot op het ogenblik dat een rechtvaardige en duurzame vrede is bereikt. Dergelijk bestuur mag, bij het ontbreken van een vredesverdrag en in het gezicht van de aanhoudende vijandigheid van de Arabische staten en terroristische groeperingen, leegstaande segmenten verder ontwikkelen voor de huisvesting van een groeiende bevolking. Deze activiteit is niet hetzelfde als het verplaatsen van de bevolking naar het grondgebied voor hervestiging. Dus is ook het derde type van nederzettingen (Type C) bijgevolg eveneens legaal.

Ontruiming van Joodse nederzetting Gush Katif in de Gazastrook, augustus 2005. De 8.000 Joodse kolonisten worden door het Israëlische leger verdreven

De kwestie van de nederzettingen Type D ligt ingewikkelder. Niets in het Verdrag van Genève verbiedt de vrijwillige ontwikkeling van ‘betwiste gebieden’. Wat wel verboden is, is de gedwongen deportatie en georganiseerde verplaatsing van de originele bevolking als gevolg van de opgedrongen kolonisering door de veroverende bevolkingsgroep. Dus, in de mate dat de nederzettingen van het type D in functie zijn van Israëliërs die zich vrijwillig vestigen in de gebieden op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook zonder dat zij beslag leggen op Palestijnse grond en de Palestijnse bevolking niet verwijderd werd, zijn deze nederzettingen van het Type D legaal.

Aangezien de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook juridisch gezien nooit onderdeel waren van een soevereine natie (ze maakten t/m 29 november 1947 deel uit van het Britse Mandaat Palestina en waren door de Verenigde Naties oorspronkelijk voorbestemd om er een Palestijns-Arabische staat op te richten; zij werden in de oorlog van 1948 veroverd en illegaal bezet door Jordanië en Egypte, een schril contrast en een uitdagende schending van het VN-verdelingsplan – VN-resolutie 181 en VN-resolutie 194 – alsmede het internationaal recht), is de Israëlische bezetting van deze gebieden na de oorlog van 1967 geen schending van de wettelijke aanspraken van eender welke natie .

Echter, aangezien sommige Palestijnse grond in particuliere handen in beslag werd genomen met instemming van de overheid, kan worden aangevoerd dat hetzij door medeplichtigheid of naar het ontwerp van de Israëlische regering die deze nederzettingen sponsorde (waardoor deze actie van de overheid meer weg heeft van een plan dan van een vrijwillige kolonisatie), is het meer dan billijk om te stellen dat de nederzettingen van het Type D, hoewel juridisch geheel conform volgens de Vierde Conventie van Genève en de relevante VN resoluties, in een grijze morele zone vertoeven. ‘Wilde’ nederzettingen van het Type E zijn manifest onwettig. Ambtenaren van de Israëlische overheid verwijzen naar die outposts als ‘piraterij’ nederzettingen, het Israëlische leger heeft verscheidene van die nederzettingen ontmanteld en premier Sharon heeft een aantal andere soortgelijke nederzettingen hetzelfde lot toe bedacht. Hetzelfde beleid wordt overigens onder de huidige regering van premier Netanjahoe verder gezet.

Lees het vervolg in het 5de en laatste deel van: Grote Leugens deel 5: De nederzettingen en het Vredesproces

Bron: Free Republic.com: BIG LIES: Demolishing The Myths of the Propaganda War Against Israel door David Meir-Levi met een voorwoord van David Horowitz; een publicatie van het Center for the Study of Popular Culture; Los Angeles, Californië (VS) 7 oktober 2005; website: Students For Academic Freedom; vrij bewerkt en vertaald door Brabosh op 21 november 2009