De vergeten onderdrukking van de Joden onder de islam en in het Land van Israël [2]

typische dhimmi houding
typische dhimmi houding

In deel 1 van dit artikel hebben we laten zien 1) de staat van onderdrukking, vernedering en economische uitbuiting – de dhimmitude – van Joden en christenen in de traditionele Arabische-islamitische samenleving, 2) dat de status van de Joden onder de Arabische Islam slechter was dan elders (volgens Maïmonides) en 3) de lagere status van de Joden zelfs ten aanzien van de christelijke dhimmi’s in de Arabisch-islamitische samenleving in het algemeen en in Jeruzalem in het bijzonder.

Deze geschiedenis is belangrijk omdat geschiedenis nooit verdwijnt. Wanneer er een leegte ontstaat in de algemene kennis van de geschiedenis in een situatie van nationaal conflict, zouden de vijanden die leegte kunnen opvullen met een valse geschiedenis en uitvinden wat het beste hun doelen en belangen dient. Daarom is het gevaarlijk de geschiedenis te vergeten.

In diezelfde geest onderscheidt zich hier het anti-Israël discours van de professoren Walt en Mearsheimer, dat instemmend geciteerd wordt door de vooraanstaande Britse journalist, Max Hastings: “… terwijl er geen twijfel over bestaat dat de Joden in Europa slachtoffers waren, werden zij in het Midden-Oosten vaak als daders voorgesteld, niet als slachtoffers dus, en hun belangrijkste slachtoffers waren en zijn nog steeds de Palestijnen.” [John J. Mearsheimer en Stephen M. Walt, De Israël Lobby – Uitgeverij Atlas, 2007: ‘Niet wetenschappelijk, smakeloos, antisemitisch…’]

Deze auteurs moraliseren. Zij ontwikkelen de thema’s van schuld en onschuld. Toch is het moeilijk om er zeker van welke die historische periode is die Walt en Mearsheimer bedoelen. Is het de gehele geschiedenis of het heden of een deel van het verleden? De onbepaalde tijd, de insinuatie en het suggestieve in plaats van het specifieke of het expliciete, zijn kenmerken van hun proza. In een andere passage blijkt echter dat ze de Palestijnse Arabieren onschuldig bevinden toen Israël een staat werd.

Een derde morele rechtvaardiging [voor Israël] is de geschiedenis van het Joodse lijden in het christelijke Westen, in het bijzonder … de Holocaust… de Joden hebben sterk geleden onder de afschuwelijke erfenis van het antisemitisme… en Israël’s creatie was een passend antwoord op een lange staat van misdaden. Maar in de rand van de oprichting van Israël werden bijkomende misdaden begaan tegen een grotendeels onschuldige derde partij: de Palestijnen.

Walt en Mearsheimer geven ontwapenend toe dat ‘het christelijke Westen’ de Joden heeft doen lijden. Maar ze pleiten impliciet het Arabisch-islamitische Oosten in het algemeen – en de Palestijnse Arabieren expliciet – vrij dat zij de Joden door de geschiedenis heen schade hebben berokkend, misschien insinuerend dat de Joden zelfs niet aanwezig waren in dat deel van de wereld tot aan de 20ste eeuw. Maar we hebben in het eerste deel aangetoond dat de traditionele Arabische-islamitische samenleving de Joden in Israël en elders hebben onderdrukt, uitgebuit en vernederd. Is het daarom dat de auteurs zich rechtvaardigen zeggend dat de Palestijnse Arabieren ‘grotendeels onschuldig’ zijn ten aanzien van de Joden nadat zij de moderne wereld betraden in het midden van de 19de eeuw?

Vanaf deze tijd – de late de Ottomaanse periode – trad er een verbetering op in de status van de dhimmi, grotendeels dankzij de interventie van de Europese mogendheden. Dit was zelfs meer het geval in Jeruzalem dan op vele andere plaatsen in het Rijk. Toch bestond tijdens de Eerste Wereldoorlog de reële vrees dat de Joden in Israël dezelfde lijdensweg stond te wachten zoals de Armeniërs. In dit verband bracht de Balfour-verklaring en de internationale erkenning van haar principes weer hoop. Echter, Groot-Brittannië – dat de Joden tijdens het einde van de Ottomaanse periode in het land had beschermd – pleegde verraad aan haar Mandaat dat de Joden een Joods Nationaal Tehuis beloofde en moedigde de Arabische pogroms op de Joden soms nog wat aan. Dat begon in 1920 in Jeruzalem en werd gevolgd door een reeks van Arabische pogroms in 1921, 1929, 1936-39. Het bloedbad en ‘etnische zuivering’ van de oude gemeenschap in Hebron (68 Joden werden gedood en honderden uitgedreven in augustus 1929) wordt nog steeds met bijzondere bitterheid herdacht door de Joden in Israël en in het buitenland. Deze pogroms vonden plaats jaren vooraleer er een staat Israël was.

Het was dan ook geen verrassing dat de Palestijnse Arabische vertegenwoordigers in 1939, dus nog lang vóór de onafhankelijkheid van Israël, van de Britten eisten dat zij een einde maakten aan de Joodse immigratie. Dit gebeurde aan de vooravond van de Holocaust toen nog maar weinig landen bereid bleken om zelfs maar een symbolisch aantal Joodse vluchtelingen in hun landen toe te laten. De Britten hebben aan deze eis fundamenteel voldaan in het Witboek van voor Palestina van 1939, waardoor zelfs de poort van het internationaal toegewezen Joods Nationaal Tehuis voor de Joodse vervolgden werd gesloten, behoudens dan een symbolisch handvol Joodse immigranten. Vervolgens hebben de Arabische nationalisten, en in het bijzonder dan Haj Amin el-Husseini – de Grootmoeftie van Jeruzalem en de belangrijkste Palestijnse Arabische leider – meer dan rechtstreeks meegewerkt aan de Holocaust. Husseini had er effectief de hand in dat de vrijlating van duizenden Joodse kinderen en andere Joden in het nazi-fascistische gebieden werd voorkomen en dat de Joden in plaats van naar Polen werden gedeporteerd, waar ze in zijn woorden ‘onder actief toezicht’ zouden staan, zijn eufemisme voor de vernietigingskampen.

Het is duidelijk dat wanneer de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties pleitte voor een ‘twee-staten-oplossing’, met name het Verdeelpan van 29 november 1947, dat de Palestijnse Arabieren nauwelijks nog onschuldig kunnen worden genoemd met betrekking tot de Joden. Noch bleken zij achteraf onschuldig. De Arabieren hebben onder leiding van Husseini, de Joden in het hele land aangevallen en vermoord als reactie op de VN-aanbeveling. Hoewel er sinds 1948 veel wordt gepraat over de Arabische vluchtelingen, is dat maar zelden het geval voor de Joodse vluchtelingen in die oorlog. De eerste vluchtelingen in de oorlog die niet konden terugkeren naar hun huizen, waren de Joden die gevlucht waren uit het Shim’on haTsadiq kwartier (in wat nu ‘Oost-Jeruzalem’ heet) op het einde van december 1947. Inderdaad konden duizenden Joden in het hele land niet terug naar huis na de oorlog.

Daarnaast verboden Jordanië en Egypte de Joden om te wonen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. In alle duidelijkheid: het bleek dat er uiteindelijk minder Arabische vluchtelingen waren dan Joodse vluchtelingen. Er waren aanzienlijk meer Joodse vluchtelingen afkomstig uit de Arabische landen dan Arabische vluchtelingen afkomstig uit Israël. Van het bijna een miljoen Joden in 1948 blijven er vandaag nauwelijks meer dan een paar duizend Joden over in de Arabische landen. De Arabische Liga hebben volgens hun plan hun Joodse bevolking uitgedreven nog voordat het VN-Verdeelplan was opgesteld. Zoveel valt er te zeggen over de zogenaamde Arabische of Palestijns-Arabische onschuld voor of na 1948.

Bestaande tunnel onder de Tempelberg uit de antieke periode

We slaan even de Arabische provocaties, oorlogen en terreur aanslagen uit de jaren 1950 tot de jaren 1980 over en komen we tot wat velen zagen als een nieuw begin van de Arabisch-Israëlische betrekkingen, met name de Oslo-akkoorden van 1993. In tegenstelling tot de hoge verwachtingen, werd de ondertekening van de akkoorden gevolgd door meer terrorisme, zelfmoordaanslagen, schietpartijen vanuit voorbijrijdende wagens enz., een golf van geweld die inging nog vóór Baruch Goldstein in februari 1994 29 Arabieren doodde in Hebron. Zij gaven de controle over de Arabische steden op de Westelijke Jordaanoever aan de Palestijnse Autoriteit eind 1995 – begin 1996, wat leidde tot een ongekende slachting onder de burgers in Israël. Nadat Netanjahoe minister-president werd, heeft Arafat gelogen over de Israëlische activiteiten naast de Tempelberg (september 1996), door valselijk te beweren dat de Israëliërs een tunnel groeven onder de berg, waardoor een vierdaagse mini-oorlog begon met links en rechts weer aantallen doden aan beide zijden.

Ehud Barak werd premier na Netanyahu en boodt de Palestijns-Arabische zijde ongekende toegevingen aan. Nadat hij het aanbod verwierp, begon Arafat een nieuwe golf van terrorisme die nog steeds voortduurt die begon, nog vooraleer Ariel Sharon de Tempelberg bezocht, alsof al wat Sharon ooit heeft gedaan alles zou kunnen rechtvaardigen van massamoorden, bomaanslagen of de indoctrinatie van de Palestijnse Autoriteit bevolking en dan vooral de kinderen, een cultuur aanbidden van doden en gedood worden, doordrenkt van een dierlijke haat jegens de Joden die op zich al een schending is van het internationaal recht. Inderdaad is het opzettelijk gebruik van kinderen in de strijd een oorlogsmisdaad. Symbolisch voor de situatie is de toename van het afschieten van dodelijke raketten op willekeurige burgerdoelwitten in Israëlische steden en de boerengemeenschappen sinds de eenzijdige Israëlische terugtrekking uit Gaza in 2005 en nog vóór de gedeeltelijke blokkade van kracht werd nadat Hamas in 2007 de Gazastrook had overgenomen.

Toch houden velen vandaag – zoals Walt, Mearsheimer en ook Max Hastings – nog steeds vast aan de Arabische en de Palestijns-Arabische onschuld. Toch was de bewering van Arabische onschuld, prominent in de jaren 1940 en 1950, hoewel de Palestijnse Arabieren niet dezelfden waren als de ‘Palestijnen’ van vandaag, toen zij als volk apart leefden van de andere Arabieren. In die dagen werd expliciet geargumenteerd dat de Arabische-islamitische behandeling van de Joden in het algemeen goedaardig was, waardoor de vermeende wandaden van Israël in 1948 des te weerzinwekkender werden. Dat argument werd voor het eerst al lang geleden gebruikt. Het diende om het politieke beleid ten aanzien van Israël en de Arabieren aan te sporen. Het werd altijd als een instrument gebruikt, noch feitelijk, wetenschappelijk of historisch. Het drijft op de algemene publiek onwetendheid van de echte geschiedenis, met name op de onwetendheid onder Joden en zionisten.

Uit het in het eerste deel gepresenteerde bewijsmateriaal blijkt dat door de geschiedenis heen, deze bewering niet alleen vals is geweest maar zelfs het tegendeel van de waarheid is. Dit vals begrip van de geschiedenis van de betrekkingen tussen Joden en Arabieren in Israël door de eeuwen heen, is wijd verbreid in de academische wereld, in regeringskringen en in de media. De enige manier om leugens te weerleggen is door kennis van de geschiedenis te nemen, vanaf de instelling van de dhimma, van de Joodse geschiedenis, van de Arabische en islamitische geschiedenis, in het bijzonder de geschiedenis van de Joden in het Land van Israël, in alle perioden vanaf de oudheid tot de Middeleeuwen tot aan het begin van de moderne tijd en de laatste tijd, tot aan de laatste Qassam-raket die landde op de stad Sderot. Onwetendheid van die geschiedenis kan beschouwd worden als een belemmering voor de vrede tussen Israël en de Arabieren.

Terug naar deel 1: De vergeten onderdrukking van de Joden onder de islam en in het Land van Israël.

Bronnen: Middle East & Terrorism Blog: The forgotten oppression of Jews under Islam and in The Land of Israel deel 1 en deel 2 door Elliott A. Green van 14 augustus 2009; deel 2 vrij vertaald en bewerkt door Brabosh op 20 november 2009; Elliott A. Green is een onderzoeker, auteur en vertaler die in Jeruzalem woont. Zijn schrijfsels werden gepubliceerd in Midstream [New York], Nativ en in The Jerusalem Post [Israel] alsmede in andere publicaties. Hij was mede uitgever van Crossroads, een kwartaalblad over sociale wetenschappen dat nog steeds wordt uitgegeven in Jeruzalem.