De communistische wortels van de Palestijnse terreur [deel 1]

In de Verenigde Naties, op universitaire campussen, en onder een groeiend aantal van onze meest prestigieuze westerse kranten, werd de geschiedenis zo grondig herschreven dat Israël wordt gezien als de slechtste van de onderdrukkende Westerse bezetters in de Derde Wereld. Zo succesvol is hun campagne geweest dat Palestijnse spinmeisters en hun apologeten effectief verklaarden dat de Israëli’s, een volk dat leeft in de schaduw van de holocaust, echte ‘nazi’s’ zijn. Hoe kon dit gebeuren? Hoe is het onaanvaardbare antisemitisme erin geslaagd zich om te turnen in een verdedigbaar anti-Zionisme en verfoeilijke Jodenhaat om te zetten in een politiek correcte Israël-haat?

historyIn zijn boek History Upside Down, gaat historicus David Meir-Levi op zoek naar de ideologische DNA-sporen achter het Palestijnse nationalisme en haar belachelijke “alternatieve” verhalen. Hij onthult hoe het nazi-fascisme voedsel gaf aan de Jodenhaat in de Arabische wereld en de intellectuele structuur daar rond en hoe het Sovjet-communisme haar genocidale bedoelingen maskeerde met de mantel van de zogeheten ‘nationale bevrijding’.

Meir-Levi onderzoekt de mythen die de hoekstenen vormen van deze beweging – mythen die decennialang de aanhoudende terreur en volkerenmoord rationaliseren en hun ambities verheerlijken, met als resultaat dat zij de geschiedenis van het Midden-Oosten verdraaien, haar ondersteboven en binnenstebuiten hebben gekeerd, waardoor het slachtoffer tot de agressor werd gemaakt en de agressor het slachtoffer.

History Upside-Down is de eerste golf in een tegenaanval tegen deze Arabische oorlog op de geschiedenis. Zij verwerpt het idee dat de fundamentele situatie in het Midden-Oosten veranderd is, sinds de Verenigde Naties eerst de Joodse staat hebben gesticht en een Palestijnse staat die ernaast zou hebben gestaan. Spijtig genoeg bewijzen de argumenten van Meir-Levi dat de situatie in het Midden-Oosten nu is wat ze was tijdens de islamitische invasie in de zevende eeuw: de haat van de Arabieren jegens de Joden.

De volgende tekst is een hoofdstuk uit het boek van David Meir-Levi: History Upside Down: The Roots of Palestinian Fascism and the Myth of Israeli Aggression (‘Geschiedenis op zijn kop. De wortels van het Palestijnse fascisme en de Mythe van de Israëlische agressie’). Het Terrorism Awareness Project drukte eerder de geschiedenis van de invloed van extreemrechts op het Islamitische extremisme in het boek: The Nazi Roots of Palestinian Nationalism and Islamic Jihad (‘De naziwortels van het Palestijnse nationalisme en Islamitische Jihad’). Samen genomen (met zijn volledige boek) tonen deze hoofdstukken aan dat het islamofascisme een politieke strijd is – en dus niet enkel een religieuze – en de krachtige en dodelijke nakomelingen zijn van de totalitaire ideologieën uit het verleden.

Omwille van de omvang, wordt dit dossier door Brabosh in 2 delen gebracht, zoals gewoonlijk vrij vertaald en bewerkt: [deel 1] en [deel 2]

De communistische wortels van de Palestijnse terreur – deel 1

door David Meir-Levi

Hoewel veel nazi’s na de Tweede Wereldoorlog een nieuw en ideologisch gastvrij tehuis vonden in Egypte en Syrië, bleef de Grootmoefti van Jeruzalem Hajj Mohammad Amin Al-Hoesseini van de Palestijnse nationale beweging zelf, beroofd van haar nazi-patroon, een wees. Geen enkele soevereine staat van gelijk welke doctrine steunde hem. Integendeel, de meeste van de omringende Arabische landen, allemaal gesteund door het postkoloniale nationalisme en op zoek naar politieke stabiliteit, zagen de Palestijnse zaak, met name zoals ze werd ingebed in de Moslim Broederschap, als een bedreiging. Egypte onderdrukte agressief de Broederschap. De Saoedische en Jordaanse koninkrijken bekeken de groei van de radicale islam met argwaan. Syrië en Libanon trachtten te evolueren in de richting van een opener samenleving in het pre-Ba’ath-tijdperk en vreesden het verzet van de Moslim Broederschap tegen de westerse stijl van burgerlijke rechten en vrijheden en haar felle veroordeling van de verwesterde Arabische samenlevingen.

Meer bepaald was het zo dat elk van deze lidstaten hun ogen hadden laten vallen op alles – of delen van – van wat voorheen het Britse Mandaat Palestina heette en toonden zich niet bepaald meer enthousiast over de oprichting van een nieuwe Arabische staat dan dat ze dat waren over het ontstaan van Israël. Als gevolg van deze complexe nationale ambities en tegenstellingen, werd er geen staat opgericht voor de Arabieren die leefden binnen het Britse Mandaat Palestina. Hoewel Israël de terugkeer van de gebieden, die het veroverde tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog van 1947-1949, tijdens de wapenstilstand conferentie van februari 1949 in Rhodos heeft aangeboden, hebben de Arabische leiders (onder wie geen enkele vertegenwoordiger van de Arabieren van het formele Palestina aanwezig was) het vredesaanbod van Israël afgewezen, verklaarden zij de jihad (de islamitische oorlog) aan Israël en veroordeelden zij de Arabische vluchtelingen naar de eeuwige status van vluchteling, terwijl ze tegelijkertijd illegaal de overige gebieden inpikten die de Verenigde Naties voorbehouden hadden voor een toekomstige Palestijnse staat – zoals Arafat ons zelf verteld heeft in zijn geautoriseerde biografie (Alan Hart, ‘Arafat: Terrorist or Peace Maker?’). Egypte dreef de Palestijnse Arabieren samen in vluchtelingenkampen in haar nieuwe heerlijkheid in de Gazastrook, vermoordde haar leiders en schoot iedereen neer die probeerde de Gaza te verlaten. Jordanië annexeerde illegaal de Westelijke Jordaanoever bij haar koninkrijk en zal voor de volgende negentien jaar de staat van beleg onderhouden jegens Israël.

fedayeen-3Egypte was zich in het bijzonder bewust van de dreiging die uitging van de Moslim Broederschap jegens de westerse geseculariseerde samenleving die het land probeerde op te bouwen en zowel Koning Farouk als later de Egyptische president Gamal Abdel Nasser, namen brutale en effectieve maatregelen om die beweging te onderdrukken. Ze zorgden er tevens voor dat de 350.000 Palestijnen, die het Egyptische leger in vluchtelingenkampen in de Gazastrook had gedreven, geen nationalistische sentimenten of activisme zouden ontwikkelen. De Egyptische propaganda had hard gewerkt om de Palestijnse gerechtvaardigde anti-Egypte gevoelens om te buigen in brandende haat jegens Israël. Haar geheime politie ontwikkelde de oprichting en de inzet van de Fedajien (terroristische infiltranten) beweging (afbeelding rechts), die tussen 1949 en 1956 meer dan negenduizend terroristische aanslagen uitvoerde tegen Israël, waarbij meer dan zeshonderd Israëli’s omkwamen en duizenden gewonden vielen. Deze Fedajien waren meestal Arabische vluchtelingen, getraind en bewapend door Egypte.

Naarmate het conflict met Israël verhardde in de jaren 1950, kwam Nasser tot het inzicht dat het Palestijnse nationalisme, indien zorgvuldig gemanipuleerd, een troef kon worden [in de strijd om de vernietiging van de Joodse staat] in plaats van alleen een bedreiging of als een ergernis. Hoewel het terrorisme van de Fedajien Israël in 1956 dwong om de Sinaï binnen te vallen, zag de Egyptische leider de waarde in van een strijdmacht die hij voor zijn doel kon inzetten en die geen deel uitmaakte van het formele Egyptische leger. Die terroristische cellen konden tactische aanslagen uitvoeren en vervolgens verdwijnen in de vormeloze demografie van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, waardoor Egypte een geloofwaardige ontkenning kon afleveren voor de chaos die ze zelf had veroorzaakt. Maar het vermogen van Nasser om een dergelijke nuttige terroristische groep te ondersteunen werd beperkt door de mislukking van de economie die hij zelf in zijn land had veroorzaakt; en aldus was hij in 1964 bijzonder opgetogen om samen met de Sovjet-Unie te werken aan de oprichting van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO).

Het geesteskind van de KGB

ion
Ion Mihai Pacepa, de voormalige chef van de Roemeense spionagedienst (DIE)

Zoals Ion Mihai Pacepa, voorheen directeur van de Roemeense spionagedienst (DIE), later heeft uitgelegd, werd de PLO verwekt in een tijd waarin de KGB (de Russische Geheime Dienst sinds 1995 de FSB genoemd) in de Derde Wereld ‘bevrijdingsfront’ -organisaties oprichtte. Andere voorbeelden zijn het Nationaal Bevrijdingsleger van Bolivia (ELN-Bolivië), opgericht in 1964 met de hulp van Ernesto “Che” Guevara, en het Nationale Bevrijdingsleger van Colombia (ELN-Colombië), opgericht in 1965 met de hulp van Fidel Castro. Maar de PLO was de KGB’s meest blijvende prestatie.

In 1964 vergaderde de eerste PLO Raad, die was samengesteld uit 422 Palestijnse vertegenwoordigers en uitgekozen waren door de KGB, en bevestigde zij de Sovjet-blauwdruk van het oorspronkelijke Palestijnse Nationale Handvest – een document dat werd opgesteld in Moskou – en benoemde Ahmad Shukairy, een invloedrijke agent van de KGB, als de eerste PLO-voorzitter. De Roemeense Inlichtingendienst werd belast met de verantwoordelijkheid voor het verstrekken van logistieke ondersteuning aan de PLO, met uitzondering van de wapens, die geleverd werden door de KGB en de Oost-Duitse Stasi. “Alles,” volgens Ion Pacepa, “kwam uit Boekarest. Zelfs de PLO uniformen en het briefpapier van de PLO werden gratis vervaardigd in Roemenië, als ‘kameraadschappelijke hulp’. Tijdens die jaren landen er elke week twee Roemeense vrachtvliegtuigen op de luchthaven van Beiroet gevuld met ‘lekkers’ voor de PLO.”

De PLO verscheen op het toneel op een cruciaal moment in de geschiedenis van het Midden-Oosten. Op de Conferentie van Khartoem kort na de Zesdaagse oorlog, werden de verslagen en vernederde Arabische landen geconfronteerd met de ‘nieuwe realiteit’ van een Israël dat onverslaanbaar leek in conventionele oorlogsvoering. De deelnemers aan de conferentie besloten, onder andere, tot het voortzetten van de oorlog tegen Israël, wat je vandaag zou kunnen noemen een ‘low intensity conflict‘. De Fatah-troepen van de PLO waren perfect geschikt voor het uitvoeren van deze missie.

breznievarafat2
Arafat op bezoek bij de Sovjet-Russische president Leonid Brezniev, op zoek naar meer wapens en financiële steun voor de PLO

De Sovjets bewapende en trainden niet enkel Palestijnse terroristen maar gebruikten hen ook om duizenden andere professionele terroristen te bewapenen en te trainen. De internationale afdeling van het Centraal Comite van de Communistische Partij (CPSU), de Sovjet-Veiligheidsraad politie (KGB), en de Sovjet-militaire inlichtingendienst (GRU) hebben allen een belangrijke rol gespeeld in deze inspanningen. Vanaf de late jaren 1960 en verder, onderhielden de PLO contacten met andere terreurgroepen – waaronder een aantal van hen neo-nazi’s en extreem-rechtse groepen waren – en leverden hen steun en voorraden, opleiding en financiering.

De Russen richten in Moskou ook de Patrice Lumumba People’s Friendship University op, om te dienen als basis van indoctrinatie en verzorgde de opleiding van potentiële ‘vrijheidsstrijders’ uit de Derde Wereld. Meer gespecialiseerde opleiding in het terrorisme werd verstrekt op locaties in Baku, Odessa, Simferopol en Tasjkent. Mahmoud Abbas, die later Yasser Arafat zal opvolgen als hoofd van de PLO, was afgestudeerd aan de Patrice Lumumba Universiteit, alwaar hij in 1982 promoveerde na het voltooien van een proefschrift dat ten dele gebaseerd was op de ontkenning van de holocaust.

Cuba werd ook gebruikt als uitvalsbasis voor terroristische opleiding en marxistische indoctrinatie, als onderdeel van een symbiotische relatie tussen haar revolutionaire context en de PLO. De Cubaanse geheime dienst (DGI) stond na 1968 onder het directe bevel van de KGB. Palestijnse terroristen werden al in 1966 in Havana geïdentificeerd en in de jaren 1970 werden agenten van de DGI uitgezonden naar PLO-kampen in Libanon om terroristen te assisteren bij de vorming van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP). Eind april 1979 werd met de PFLP een overeenkomst bereikt voor de training in Cuba van honderden van haar terroristen, na een vergadering tussen haar leider George Habash en Cubaanse ambtenaren.

De PLO en de Arabische staten

In de chaotische nasleep van de Zesdaagse Oorlog, zag Yasser Arafat een kans voor zichzelf en zijn nog embryonale Fatah-terreur organisatie, ontstaan uit het puin van de oorlogsmachines van de Arabische naties en de vernedering van de Arabische wereld. Hij beraamde een alliantie met president Nasser, die hij ervan kon overtuigen dat, nadat de traditionele oorlogvoering opnieuw had gefaald, de toekomst van het conflict voor de Arabieren lag op het terrein van het terrorisme en niet [meer] in de confrontatie van samengebundelde legers. Van september tot december 1967, ondersteunde Nasser Arafat in zijn poging om de Westelijke Jordaanoever te infiltreren en de fundamenten te leggen van een grote terreuroorlog tegen Israël. Deze inspanningen waren niet succesvol omdat Palestijnen op de lokale Westelijke Jordaanoever samenwerkten met Israël en hielpen bij het bestrijden van Arafat en zijn Fatah-agenten.

Fatah-Nasser_meeting
Fatahleider Yasser Arafat op bezoek bij Nasser ongeveer acht maanden nadat hij in 1969 aan het hoofd van de PLO kwam

Ondanks deze tegenslagen, beschreef Arafat later in zijn geautoriseerde biografie, deze periode als de tijd van zijn meest succesvolle staatsmanschap. Wanneer hem in de dagen na de Zesdaagse Oorlog het bericht bereikte van de vredes toenaderingen van Israël tot de onlangs verslagen Arabische landen, begrepen hij en zijn adjudant meteen dat als er ooit vrede zou komen tussen bijvoorbeeld Israël en Jordanië, de hoop op een Palestijnse staat zou vervliegen. Hij maakte zich op voor een afmattende oefening in shuttle-diplomatie doorheen de grote Arabische landen, de noodzaak predikend om onvoorwaardelijk elk vredesakkoord met de Joodse staat af te wijzen.

Arafat zal later beweren dat hij een rol heeft gespeeld in het resultaat van de Conferentie van Khartoem (augustus–september 1967), toen alle Arabische dictators unaniem gestemd hadden om het aanbod van Israël af te wijzen waarin het veel van het grondgebied dat het had bezet als gevolg van de oorlog, zou teruggeven in ruil voor vrede. Indien hij niet had ingegrepen, zou Israël wellicht vrede hebben gesloten met Jordanië en zou de Westelijke Jordaanoever teruggekeerd zijn onder Jordaanse soevereiniteit, en zou zijn droom van het leiden van een staat een doodgeboren kind zijn.

Maar terwijl Arafat ervan uit ging dat zijn plannen voor een permanente terreuroorlog enthousiast zouden onthaald worden door de Arabische leiders, was er geen noemenswaardige steun te bespeuren onder de Arabieren op de Westelijke Jordaanoever, die gemakkelijk bereid bleken om toe te geven aan de Israëlische autoriteiten. Arafat werd gedwongen te vluchten met het Israëlische leger op zijn hielen, en richtte ten slotte zijn uitvalsbasis op in de stad Salt, in het zuidwesten van Jordanië. Van daar uit voerde hij zijn terroristische aanslagen uit over de Jordaanrivier heen en begon hij clandestiene contacten te recruteren onder de officieren van het Jordaanse Legioen, waarvan bijna de helft Palestijnen waren.

De Veldslag van Karameh

Het Israëlische leger, onder het bevel van Moshe Dayan, lanceerde begin maart 1968 een beperkte invasie van Jordanië om een einde te maken aan Arafat’s aanslagen. Het doelwit was het dorp Al-Karameh, in de buurt van de rivier de Jordaan, waar de meeste mannen van Arafat waren gelegerd. Tijdens een bloedige veldslag op 21 maart 1968 [bekend als de Veldslag van Karameh] betaalden de terroristische strijders een verschrikkelijke tol. Wanneer Jordaanse artillerie troepen, onder het commando van de Palestijnen, onverwachts het vuur openden op het Israëlische leger, trokken de Israëli’s zich terug, omdat ze niet wensten dat de inval zou ontaarden in een confrontatie met Jordanië. Balans: 28 Israëlische soldaten werden gedood, daarnaast verloren 40 Jordaanse soldaten en ruim 200 terroristen van de PLO het leven.

Israeli_raid_in_house_during_Karama
Israëlische soldaten tijdens een inval in een huis, maart 1968 in al-Karameh

Als bewijs van zijn genialiteit als propagandist, slaagde Arafat er opnieuw in om de strategische terugtrekking van Israël om te keren in een vlucht. Hij bracht zijn verslagen en gedemoraliseerde strijdkrachten weer samen en trok aan het hoofd van een bonte stoet strijdkrachten met hun geweren schietend in de lucht, ‘zegevierend’ doorheen Salt, bewerende dat het dank zij zijn strijders was, eerder dan de vrees voor een diplomatiek incident,  de terugtrekking van de Israëli’s had veroorzaakt. Arafat beweerde dat hij zowel de Palestijnse als de Jordaanse karameh (= waardigheid, in het Palestijns Arabisch) had gered, door het Israëlische leger met een hard klap terug te drijven over de Jordaanrivier, beschaamd en in complete verwarring.

Het was pure fictie maar de Arabieren geloofden het. Geld en rekruten stroomden weer binnen en Arafat kreeg de tijd om zijn strijdmacht te reconstrueren en zijn verwilderde Fatahleger te laten uitrusten. Slim gebruik makend van zijn ‘overwinning’ daagde Arafat in februari 1969 Ahmad Shukairy uit over het leiderschap van de PLO. Als pion van Nasser, steunden de Sovjets Arafat en duwden hem naar naar voren als de onbetwiste leider van de Arabische terroristische oorlog tegen Israël, terwijl de resterende afzonderlijke organisaties, de PLO en Fatah verenigd werden onder de paraplu van zijn leiderschap.

Vanaf hier werd de Sovjet-Russische betrokkenheid kritiek. Onder Russische voogdij, ondertekende in november 1969 Arafat het ‘Caïro Akkoord’, dat hem toestond om, met openlijke Egyptische en Syrische steun en geheime Russische steun, een groot deel van zijn strijdkrachten te verplaatsen naar Zuid-Libanon. Daar zetten zij de operatiecentra op om zich voor te bereiden op terroristische aanslagen tegen de noordelijke grens van Israël, terwijl Arafat en de rest van zijn strijdmacht in Jordanië achterbleven.

De drie jaren van verblijf Arafat in Jordanië waren niet zonder problemen. Regelmatig kwamen de terroristen van Fatah in aanvaring met Jordaanse soldaten (meer dan negenhonderd gewapende ontmoetingen tussen 1967 en 1970). Arafat’s mannen gebruikten Mafia tactieken voor de smokkel van sigaretten, drugs en alcohol, om geld af te persen van de plaatselijke Jordaniërs, zetten wegblokkades op om tol te eisen, en ontvoerden vooraanstaande Jordaniërs om losgeld te verkrijgen voor de financiering van “de revolutie.” Wanneer Jordaanse troepen probeerden de orde te bewaren, moeide Fatah zich en in een aantal gevallen vielen er doden. Koning Hoessein van Jordanië niet erg uit op een confrontatie met hen.

Geconfronteerd met Arafat’s dreigingen met een burgeroorlog, bood hij de PLO leider een positie aan in het Jordaanse parlement. Arafat weigerde en zei dat zijn enige doel in het leven was om Israël te vernietigen. Toen de Amerikaanse adjunct-minister van Buitenlandse Zaken, Joseph Cisco, Jordanië bezocht in april 1970, organiseerde Arafat massale anti-Amerikaanse rellen in het hele land, waarbij een Amerikaanse militaire attaché werd vermoord en een andere ontvoerd. Vernederd in het gezicht van zijn belangrijkste bondgenoot, deed Hoessein helemaal niets.

Zwarte September

In juli 1970 aanvaarden Egypte en Jordanië het plan van de Amerikaanse staatssecretaris William Rogers voor de terugtrekking van Israël uit de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook in ruil voor vrede en erkenning. Maar in plaats van het plan te omarmen en de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook over te nemen, heeft Arafat het voorstel van Rogers opgezegd, andermaal zijn vastberadenheid tonend om eender welk vredesakkoord te verwerpen. Hij organiseerde rellen in Jordanië om een politieke oplossing te voorkomen. Het ‘bevrijde’ Palestina waarnaar hij op zoek was, zou zich uitstrekken van de Jordaanrivier tot aan de Middellandse Zee, zonder Israël, en kon alleen worden bereikt door middel van vuur en bloed. Alle vredesakkoorden die Israël intact lieten waren in zijn ogen verraad aan de Palestijnse zaak.

Nasser was woedend en liet koning Hoessein weten dat hij zijn steun voor Arafat had ingetrokken. De volgende blunder diende zich aan toen Arafat aankondigde dat het tijd was om koning Hoessein van Jordanië omver te werpen, en hij begon met een opstand.

Dawsonfieldcamels
Jordaanse woestijn, 6 september 1970. De kaping van 3 lijnvliegtuigen door het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP) luidde de zwanezang in van de PLO in Jordanië

Tijdens augustus 1970, waren de gevechten tussen troepen van Arafat en het Jordaanse Legioen geëscaleerd. Arafat keek uit naar de steun van Syrië, toen hij uiteindelijk zijn staatsgreep lanceerde, maar de Syriërs hielden zich er van tussen omdat ze begrepen hadden dat Israël van de Verenigde Staten het groene licht hadden gekregen om in te grijpen als ze betrokken raakte.

De druppel die de emmer deed overlopen kwam op 6 september 1970, toen het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP), die volledig onder de controle viel van Arafat, een Zwitsers en twee Amerikaanse vliegtuigen kaapten [gekend als de Dawson’s Field hijackings]. Twee van de vliegtuigen landden in Jordanië, waar de passagiers uit het vliegtuig werden gehaald en het toestel vervolgens werd opgeblazen. De passagiers werden gegijzeld, om te worden vrijgelaten in ruil voor PLO- en andere terroristen die opgesloten zaten in Israëlische gevangenissen. Op dat ogenblik riep koning Hoessein de staat van beleg uit, en beval Arafat en zijn mannen Jordanië te verlaten. Arafat reageerde prompt door een regering van nationale eenheid uit te roepen met zichzelf aan het hoofd. Hoessein beval zijn 55.000 soldaten en 300 tanks de PLO-troepen in Amman, Salt, Irbid en alle Palestijnse vluchtelingenkampen aan te vallen.

In elf dagen was alles voorbij. Bij het zien van zijn troepen, wankelend op de rand van totale nederlaag en misschien vernietiging, vluchtte Arafat onmiddellijk in de veiligheid naar Soedan, en verklaarde zich akkoord om voor het tribunaal van de Arabische leiders te verschijnen, die daar zouden beslissen hoe ze een einde konden maken aan het conflict. Na zes uur beraadslaging beslisten de regeerders van Egypte, Koeweit, Libanon, Libië, Saoedi-Arabië en Soedan in het voordeel van koning Hoessein. En tot overmaat van ramp, was Arafat’s laatste beschermheer, de Egyptische dictator Nasser, op 28 september 1970 gestorven aan een hartaanval tijdens een ontmoeting met de leden van het tribunaal op de luchthaven van Caïro. Zodat Hoessein vrijspel kreeg om de resterende PLO terroristen uit zijn steden te drijven en Arafat geen andere keuze liet dan zijn biezen te pakken. In maart 1971 trok hij clandestien naar Libanon, het enige Arabische land dat te zwak was om hem er weer uit te gooien.

Eenmaal in Libanon, wilde hij opnieuw de controle nemen over de strijdmacht van de PLO maar kwam tot de pijnlijke ontdekking dat zijn belangrijkste overlevende officieren hem terecht het debâcle in Jordanië verweten, dat weldra berucht zal worden onder de naam ‘Zwarte September’ [Black September]. Hun afkeer voor het grote en zinloze verlies van zoveel levens in Jordanië leidde tot twee aanslagen op zijn leven.

Arafat heeft dit alles niet enkel overleefd, maar was erin geslaagd om met zijn ruime diplomatieke vaardigheden de kaarten opnieuw naar zijn hand te zetten en zijn tegenstanders binnen Fatah en de PLO opzij te schuiven. Hij betoogde dat, in de paar jaren dat hij zijn ‘bevrijdingsleger’ had geleid, hij het Palestijnse nationalisme had wakker gemaakt (in feite heeft Arafat het virtueel uitgevonden),  had hij een omvangrijk terreurleger opgericht en bewapend (de PLO-troepen in Libanon waren heelhuids uit de catastrofe van ‘Zwarte September’ gekomen), hij had de oorlog tegen Israël geïnitieerd en de inspanningen van Egypte en Syrië om de controle over de PLO te verkrijgen afgeweerd, zodat zijn organisatie als het ware een staat binnen een staat vormde, zowel in Jordanië als in Libanon, en hij oogste substantiële aanhang bij een toenemend aantal rijke buitenlandse Palestijnen en de supporters in de gehele Arabische wereld. In het begin van 1971, ondanks de vijandigheid die zijn debâcle in Jordanië had veroorzaakt, had hij zich met succes hersteld als de onbetwiste militaire en politieke leider van de PLO.

Het vermogen van Arafat om aan de top te blijven van Fatah en de PLO in Libanon was het resultaat, althans gedeeltelijk toch, van de steun die hij kreeg uit de Sovjet-Unie (thans de Russische Republiek). Het Sovjet-belang in Arafat was grotendeels ingegeven door zijn succes in het organiseren en motiveren van zijn terroristische volgelingen. De agenda van de Sovjet-Unie tijdens de Koude Oorlog had iemand nodig met de juiste eigenschappen om de terroristische arm van de Sovjets in de Derde Wereld uit te breiden en te ontwikkelen, en dan in het bijzonder in de moslim wereld. Binnen slechts enkele jaren, richtten door de Russen getrainde en bewapende terreurcellen een dozijn trainingskampen voor terroristen op in Syrië en Libanon, en ontwikkelden terreurcellen over de hele wereld, van Duitsland over Nicaragua en Turkije tot in Iran.

Vanaf 1973 was Arafat was een Sovjet-marionet (en zou dat blijven tot aan de val van de Sovjet-Unie in 1991). Zijn adjudanten, met inbegrip van Mahmoud Abbas, werden getraind door de KGB in guerrilla oorlogsvoering, spionage en vernietiging, en waren zijn ideologen tot in Noord-Vietnam gereisd om de Tao-propagandatechnieken te leren van Ho Chi Minh.

Wordt vervolgd in deel 2 van De communistische wortels van de Palestijnse Terreur

Bron: FrontPageMagazine.com: The Communist Roots of Palestinian Terror door David Meir-Levi van 14 december 2007; deel 1 vertaald en vrij bewerkt door Brabosh op 12 november 2009

Een gedachte over “De communistische wortels van de Palestijnse terreur [deel 1]

Reacties zijn gesloten.