Grote Leugens deel 3: De kwestie van de bezetting

David_MeirLeviDavid Meir-Levi heeft een tekst geschreven die het geheugen herstelt van de feiten die de kern vormen van het conflict in het Midden-Oosten. Deze feiten zijn van cruciaal belang, niet alleen om de geschiedenis te restaureren die door de politiek werd verduisterd, maar om een volk te helpen overleven dat leeft in de schaduw van haar eigen vernietiging. Iedereen die geïnteresseerd is in rechtvaardigheid moet deze tekst hebben gelezen.

Door Brabosh werd deze omvangrijke tekst (toch voor een weblog) vertaald en in vijf delen gepubliceerd als:

Leugens deel 3: De kwestie van de bezetting

BIG LIES 3. The Question of Occupation

door David Meir-Levi

Naast het vluchtelingen probleem, zijn de twee meest prominente vraagstukken in de Arabische propaganda-oorlog tegen Israël, de vermeende Joodse bezetting van Arabische gebieden en het bestaan van de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook [tot augustus 2005 wanneer Israël zich volledig uit Gaza heeft terugtrokken]. Om de schil eraf te halen die deze mythen omhult en de realiteit die achter deze problemen schuilgaat bloot te leggen, is het noodzakelijk om haar geschiedenis te herzien in het kader van de Arabische oorlog tegen Israël, die zonder onderbreking al sinds de oprichting van Israël in 1948 voortduurt, inbegrepen de Arabische vijandigheid ten opzichte van de Joden reeds lang daarvoor.

Historische achtergronden

Het vroege zionisme

herzl2
Theodor Herzl in 1898 aan boord op weg naar Palestina

Zionistische pioniers uit het midden van de 19e eeuw vervoegden de leden van de lokale Joodse gemeenschappen in de wederopbouw van een Joods thuisland in wat toen het Turkse Rijk was, door grond aan te kopen van de Turkse kroon en van Arabische grondbezitters (de Effendi). Er was geen invasie, geen verovering, en geen diefstal van Arabisch land – en zeker niet van een land van Palestina, sinds de Arabieren in de regio woonden en de afgelopen 400 jaar onderworpen waren door de Turken. Ongewapend en zonder leger, kochten de Joden zoveel land van de Arabieren dat een groep van Effendi in 1892 een brief stuurden naar de Turkse sultan, met het verzoek dat hij de verkoop door zijn onderdanen van land aan de Joden illegaal zou verklaren. Hun opvolgers deden in 1915 hetzelfde, via een telegram. Blijkbaar is de aanwezigheid van Joden die land bezitten in het Midden-Oosten – nochtans legaal verkregen – voor hen beledigend.

Het staat buiten kijf dat er geen diefstal [van grond] heeft plaatsgevonden, omdat er niemand was die erover klaagde. Er werden geen Arabieren verdreven uit hun huizen. In feite, zoals een demografische studie die gepubliceerd werd door de Universiteit van Columbia (VS) aantoont, nam de Arabische bevolking in het gebied in deze periode enorm toe onder meer vanwege de economische ontwikkeling die de Joden hielpen te genereren. Tussen 1514 na C. tot circa 1850, bleef de Arabische bevolking van deze regio van het Turkse rijk min of meer gelijk staan op ongeveer 340.000 bewoners. Die bevolking begon opeens te stijgen rond 1855, en in 1947 bedroeg de Arabische bevolking ongeveer 1.300.000 – bijna een verviervoudiging in minder dan 100 jaar. De exacte oorzaken van deze bevolkingsexplosie vallen buiten het bestek van dit essay, maar het causale verband tussen dit onafhankelijk gedocumenteerd fenomeen en anderzijds de zionistische onderneming, reikt verder dan eender welke rationele argumentatie.

Verre van het uitdrijven van eender welke Arabieren, noch het stelen van hun land of het verpesten van hun economie, zorgde het hard labeur van de Joodse pioniers in de 19e en begin 20e eeuw er in tegendeel voor dat de Arabische bevolking kon verviervoudigen, dat de economie de moderne tijd betrad en dat de maatschappij de ketenen van lijfeigenschap, onder de Effendi/Fellah-relatie (land- eigenaar/dienaar) die het Ottomaanse tijdperk kenmerkte, eindelijk kon afwerpen. Een Arabier die in een Joodse fabriek of in een landbouwgemeenschap (kibboets) werkte, zou in een maand zoveel kunnen verdienen als wat zijn vader op een jaar verdiende in een armoedig bestaan die zich verder als boer moest behelpen met middeleeuwse technologie. De Arabische kindersterfte daalde en de levensverwachting nam toe door het feit dat de Joden hun moderne medische technologie deelden met hun Arabische buren.

sheik
Sjeik Yousoef Al-Qaradhawi: 'Hoe komt het toch dat de zionistische bende erin geslaagd is om superieur te zijn aan ons, ondanks het feit dat ze met zo weinig zijn? Omdat wij - Arabieren - niet willen werken.'

Veel van het land dat de zionisten aankochten was woestijn en moeras, het was onbewoond en werd alzo ook door de Arabieren beschouwd als onbewoonbaar gebied. Met behulp van moderne agrarische technieken, die door de Joden werden meegebracht en aangewend alsmede het bloed en het zweet van duizenden idealistische zionisten, werd het land teruggewonnen en omgezet in eersteklas vastgoed met bloeiende landbouwbedrijven en snel groeiende gemeenschappen, die het gebruik van moderne technologie en een gezonde markt economie aanmoedigden. Als gevolg hiervan, stroomden Arabische migranten vanuit de omringende landen de regio binnen, met honderdduizenden op zoek naar een beter leven en grotere economische kansen. Gebaseerd op het bovenstaande is het eerlijk om te suggereren dat een belangrijk deel, zo niet een meerderheid van de Arabieren die vandaag in Israël wonen, hun feitelijke bestaan te danken hebben aan de zionistische onderneming.

Bevestiging van deze geschiedenis, die in strijd is met de klassieke Arabische propaganda, komt uit een verrassende bron. Sjeik Yousoef Al-Qaradhawi, een internationale Arabische terrorist en medewerker van Osama bin Laden, berispte in in een op de televisie uitgezonden toespraak in mei 2005 zijn volgelingen met de volgende woorden: “Helaas, wij [Arabieren] blinken niet uit noch in de militaire en noch in de burgerlijke industrie. Wij importeren alles, van naalden tot en met raketten… Hoe komt het toch dat de zionistische bende erin geslaagd is om superieur te zijn aan ons, ondanks het feit dat ze met zo weinig zijn? Het is [aan ons] superieur geworden door kennis, door middel van technologie en door middel van kracht. Het is superieur aan ons geworden door te werken. We hadden de woestijn voor onze ogen, maar we hebben er niks mee gedaan. Toen zij [de woestijn] veroverden, hebben zij ze veranderd in een groene oase. Hoe kan een volk dat niet werkt ooit vooruitgang boeken? Hoe kan het groeien?”

Het was juist dit succes van de zionistische onderneming die de angst en de woede heeft opgewekt onder de Arabische leiders. De Zionistische vooruitgang, hun technologie en economisch inzicht alsmede de bereidheid van de Joden om deze technologie te delen met hun Arabische buren, vormde een radicale bedreiging voor de middeleeuwse wurggreep van de Effendi (landeigenaars) over de fellahin (de boeren). De Turkse methoden onder de sultan om de rust te bewaren waren nogal draconisch. Bijgevolg, en als onderdeel van het Turkse rijk, hebben de Arabieren niet het risico willen nemen dat er onlusten zouden ontstaan in de regio en legden zij aldus steeds een stoïcijns geduld [dhimmitude] aan de dag tegenover de Joodse aanwezigheid, die door sommigen geïnterpreteerd werd als tolerantie. Maar het Britse bestuur dat na de Eerste Wereldoorlog het Turkse opvolgde, was niet zo behoedzaam. Toen Groot-Brittannië het bestuur opnam van het Britse Mandaat Palestina (vandaag de staten Israël en Jordanië), ontdekten de Arabische leiders dat ze meer vrij spel kregen. Ze stookten de religieuze haat aan en wakkerden het vuur van de fellahin aan met wrok en leugens over de zogenaamde bedoelingen van de Joden om de islam te vernietigen, en begonnen vertegenwoordigers van de leidende Effendi families onder leiding van Groot-moeftie van Jeruzalem Hajj Amin elHusseini, met een reeks pogroms een islamitische jihad tegen de Joden.

Het Peel Verdeelplan

Van 1919 tot 1936 nam het Arabische geweld tegen de Joden in omvang en brutaliteit toe. De Britten deden vrijwel niets om het te beperken en moedigden het soms aan. Lord Earl Peel leidde in 1936 een onderzoekscommissie met het doel om een oplossing te vinden voor het schijnbaar eindeloze geweld. Zijn suggestie werd de verdeling van het Brits Mandaat. Laat de Joden hun staat hebben op de 15% van de gronden die zij hebben gekocht en teruggewonnen. Laat de Arabieren de hunne hebben op de resterende 85%. Met andere woorden, het idee van de verdeling kwam op de agenda te staan, omdat de Arabieren niet vreedzaam konden leven naast de Joden.

britsmandaatMeer academische bevestiging kan gevonden worden in het boek Palestinian Identity van de in Palestina geboren professor Rashid Khalidi, in het boek The Palestinian People van B. Kimmerling en J. Migdal, en in het nog niet gepubliceerde proefschrift van Dr Sandi Sufian, een Palestijnse die thans postdoctoraal werk verricht aan de Universiteit van Chicago.

In 1922 heeft Groot-Brittannië al het gebied van het Brits Mandaat Palestina dat gelegen ligt ten Oosten van de Jordaanrivier (zie afbeelding rechts), afgestaan aan emir koning Abdullah. Dit werd het Hasjemietische Koninkrijk Jordanië, waarvan de meerderheid uit Palestijnen bestond die prompt een wet goedkeurden die de toegang van de Joden tot het grondgebied verbood. Toen bood de Joden in 1937 een eigen staat werd aangeboden op ongeveer 85% van het overblijvende deel van het Britse Mandaat Palestina dat ten Westen ligt van de Jordaanrivier, kozen de Arabische leiders voor oorlog en terrorisme. Dit was de zogeheten “Grote Arabische Opstand” van 1937-1939. Met de Tweede Wereldoorlog in het verschiet, wilde Groot-Brittannië geen tijd verspillen en verpletterde op brutale wijze die opstand.

Intussen werd het pionierswerk van de zionistische onderneming voortgezet met de aankoop van meer land van het Kroongebied van de Britten. Het is van belang op te merken dat volgens het internationale recht, wat vroeger het Kroongebied was onder het Turkse Rijk, wettelijk gezien nu het Kroongebied was onder het Britse Mandaat. De dispositie van het land via legale aankopen gebeurde ruim binnen de Britse wetten. Ook voldeed [deze grondverwerving] ruim aan de parameters van het internationaal recht. Nadat het Westen zegevierend uit de Tweede Wereldoorlog kwam, bezaten zionistische organisaties ongeveer 28% van wat tegenwoordig Israël is, en particulier Arabisch grondbezit of Brits Kroongebied waren goed voor de rest.

Met het einde van de oorlog, bevorderde het Arabische leiderschap opnieuw het geweld en terrorisme tegen de Joodse nederzettingen en tegen de Britten. De meerderheid van de Joodse leiders predikten en richten zich op het zoeken van praktische politieke oplossingen via de pas opgerichte Verenigde Naties. Een minderheid [van de Joden] koos voor terrorisme tegen de Britten en gewelddadige represailles tegen de Arabieren.

Het Verdeelplan van de Verenigde Naties

Ziek van het geweld en geconfronteerd met politieke crisissen die ontsproten uit de economische problemen na de Tweede Wereldoorlog, verlaten de Britten het grootste deel van hun Rijk en besluiten om “de Palestijnse kwestie” in de handen van de Verenigde Naties te laten. In 1947 hebben verscheidene verkennende missies van de Verenigde Naties de conclusie bereikt van Lord Peel een decennium eerder. Op 29 november 1947 verklaarde de Verenigde Naties de oprichting van twee staten [ten Westen van de Jordaanoever]: een staat voor de Arabieren op ongeveer 45% van het land en de staat Israël voor de Joden op ongeveer 55%. Maar meer dan de helft van het Joodse gedeelte (60%) bestond uit woestijngebied ( de Negevwoestijn), het Kroongebied was grotendeels onbewoond en werd als waardeloos gebied verondersteld. Het VN-verdelingsplan (VN-Resolutie 181) had nogal onpraktische grenzen getrokken tussen de twee opkomende landen, op basis van het grondbezit en de bevolkingsdichtheid van de twee groepen.

israelmap
Links de grenzen volgens het VN-verdeelplan (Resolutie 181) in 1947, die door de Arabische wereld werd verworpen en direct ten oorlog trokken tegen Israël. Rechts in 1949: de Arabieren verloren niet enkel de oorlog maar ook grondgebied

De Arabische staten waren leden van de Verenigde Naties. Hun lidmaatschap laat veronderstellen dat zij vermoedelijk bereid waren besluiten te accepteren, die bij meerderheid werden genomen door de pas gevormde wereldorganisatie. Maar dat deden ze niet. In hoge weerwil van het nochtans bij meerderheid goedgekeurde VN-verdelingsplan, lanceerden zij een agressie oorlog die volgens hun eigen retoriek een vernietigingsoorlog was. Hun bedoeling was niet om eventuele grensgeschillen bij te sturen of gebied dat ze in een eerdere strijd hadden verloren terug te vorderen. Hun bedoeling was de vernietiging van de pas opgerichte staat Israël en de verdrijving – met welke middelen dan ook – van haar 605.000 Joodse staatsburgers.

Om hun eeuwige frustratie verloren de Arabische staten hun agressie oorlog. Bovendien verloren zij veel van het grondgebied dat de Verenigde Naties had voorbestemd voor de toekomstige Arabische staat Palestina. Maar zelfs dit restant van wat ooit Palestina zou worden (de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook) werd uitgewist door haar twee naburige Arabische staten. Egypte bezette illegaal de Gazastrook en Jordanië annexeerde illegaal de Westelijke Jordaanoever bij haar koninkrijk. Beide acties waren in hoogste mate in strijd met het internationaal recht en met resolutie 181 en resolutie 194 van de Verenigde Naties. Er kwam geen Arabisch of Palestijns protest over deze nieuwe situatie. Waarom? De enige conclusie die hieruit kan worden getrokken is dat in 1949 de Palestijnen zich niet zagen als “Palestijnen”, maar als Arabieren en in feite werd de term “Palestina” algemeen gebruikt om te verwijzen naar de Joodse staat.

Tot grote verlegenheid van de Arabieren, bood Israël hen in 1949 een formeel vredesverdrag aan in ruil waarvoor Israël veel van het land zou teruggeven dat zij in de oorlog veroverd hadden op de Arabieren en de repatriëring van een groot deel van de Arabische vluchtelingen die door de oorlog het strijdtoneel ontvlucht waren (de Wapenstilstand gesprekken in Rhodos, februari-juli 1949). Indien de Arabische landen bereid waren geweest om het VN-verdelingsplan te accepteren, of indien zij bereid waren geweest om het Israëlische vredesvoorstel te accepteren, zou er niet alleen sinds 1949 wel degelijk een staat Palestina hebben bestaan, maar er zou tevens nooit een Arabische vluchtelingen probleem zijn geweest.

Echter, het Arabische antwoord was: geen vrede. De vluchtelingen zouden enkel mogen terugkeren naar hun huizen wanneer de vlag van Palestina zou wapperen over de lijken van de Joden. Zij achtten het beter om de Palestijnen te laten wegrotten in erbarmelijke vluchtelingenkampen dan dat de Arabieren een niet-islamitische staat in hun midden zouden tolereren. Net zoals in 1937, verwierpen de Arabische leiders de mogelijkheid van een Palestijnse staat in het voordeel van de aanhoudende agressie tegen Israël. Het was niet de oprichting van de staat Israël, die de oorzaak was van het vluchtelingen- en andere latere problemen, het was de vernietigingsoorlog die gevoerd werd door de Arabische landen die aan de basis ligt van het vluchtelingenprobleem en een tweede gelegenheid voor de oprichting van een Palestijnse staat aan zich heeft laten voorbij gaan.

Het pre-1967 terrorisme tegen Israël

Van 1949 tot 1956, voerde Egypte een terreur oorlog tegen Israël, het lanceerde ongeveer 9.000 aanslagen die gepleegd werden door terroristische cellen die zij in de vluchtelingenkampen van de Gazastrook had opgericht. Met de “Sinaï-campagne” van 1956 waarbij Israël het Egyptische leger versloeg, kwam een einde aan de terreur oorlog van Egypte, hoewel de Verenigde Staten Israël nadien heeft gedwongen om de Sinaï terug te geven aan Egypte, zonder dat er een vredesverdrag tegenover stond. Maar de terreur werd voortgezet op andere fronten.

plologo
Logo van de PLO. Zoals elke andere terreurorganisatie claimt ook de PLO het ganse grondgebied van Israël zoals blijkt op het kaartje

In 1964 werd de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie gecreëerd – niet om de Palestijnen te bevrijden van het Jordaanse en Egyptische regime – maar om een 40-jarige terreurcampagne te beginnen tegen Israël met het openlijk beleden doel om “de Joden in de zee drijven.” Aanvankelijk gesponsord door Koeweit, en later door Saoedi-Arabië, Egypte, Irak, Iran en anderen, verklaarden de PLO-leiders de eeuwige oorlog aan Israël totdat heel “Palestina” bevrijd zal zijn, gedrenkt in “vuur en bloed”.

Van 1949 tot 1967 bestonden er geen Joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Het “Palestina” dat Yasser Arafat wilde ‘bevrijden’ lag niet op de Westelijke Jordaanoever of in de Gazastrook, waar Palestijnen door het Jordaanse en het Egyptische bestuur in troosteloze slavernij werden behandeld, maar de hele staat Israël binnen haar “groene lijn” grenzen van 1949. Het is bijzonder leerzaam om de oorspronkelijke versie van het PLO-Handvest uit 1964 te lezen en dan vooral artikel 24: “Deze Organisatie (de PLO) oefent geen regionale soevereiniteit uit over de Westelijke Jordaanoever in het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, noch in de Gazastrook of het Himmah gebied.” [‘This Organization (the PLO) does not exercise any regional sovereignty over the West Bank in the Hashemite Kingdom of Jordan, in the Gaza Strip or the Himmah area.’] Anders gezegd: de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook werden door de PLO niét als ‘Palestijns’ gebied beschouwd zolang die gebieden bezet werden gehouden door Egypte en Jordanië.

Sinds het oorspronkelijke Handvest van de PLO expliciet erkende dat Judea, Samaria, het oostelijke deel van Jeruzalem en de Gazastrook als behorend tot andere Arabische staten, werd het enige ‘vaderland’ dat in 1964 moest ‘bevrijd’ worden, was de staat die aan de Joden behoorde. Drie jaar later, in 1967, vielen vijf Arabische landen – met inbegrip van Jordanië – Israël aan. Als gevolg van de overwinning van Israël in deze oorlog, bezet Israël sindsdien de Westelijke Jordaanoever nadat het de Jordaanse agressor had overwonnen, die 18 jaar eerder de Westelijke Jordaanoever had geannexeerd. De reactie van de PLO op deze gebeurtenissen was een herziening van het PLO-Handvest, die op 17 juli 1968 gebeurde. Zij verwijderde de praktische taal van artikel 24, waardoor voor het eerst een “Palestijnse” claim van soevereiniteit werd gelegd op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Met andere woorden, de Palestijnse claim was enkel gericht tegen de Joden.

De Jordaanse bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de Egyptische controle over de Gazastrook werden gekenmerkt door brutale totalitaire onderdrukking. In de woorden van Arafat zelf, werden de Palestijnen door de Egyptenaren in 1948 in vluchtelingenkampen gedreven, hielden hen vast achter prikkeldraad, stuurde spionnen om Palestijnse leiders te vermoorden en executeerden zij die probeerden te vluchten. Er waren geen Palestijnse protesten tegen deze onderdrukking of noch tegen eender welk zelfbeschikkingsrecht waarvan zij voelden dat het werd geweigerd.

Het late Palestijnse nationalisme

De reden waarom er geen onrust bestond onder de Palestijnen omtrent hun eigen nationale identiteit voorafgaand aan 1967 is volkomen duidelijk. Het concept van Palestina als een natie en de Palestijnen als een apart volk heeft niet bestaan onder de Arabieren in de Turkse provincies die later na de Eerste Wereldoorlog Britse Mandaat Palestina werden. Ondanks de verwrongen, gedwongen, en gekunstelde verhalen van apologeten voor de Palestijnse oorlog tegen Israël zoals Rashid Khalidi, Baruch Kimmerling en anderen, was er nooit een Palestijnse staat met die naam, er werd geen enkel land bewoond door “Palestijnen”, en vóór 1967 was er geen concept van een aparte politieke, culturele of linguïstische entiteit voor een bepaalde groep die zou geïdentificeerd kunnen worden met een dergelijke benaming.

zuheir
PLO topman Zahir Muhsein in 1977: 'Het Palestijnse volk bestaat niet'

In feite is het tegendeel het geval. Arabische respondenten hebben tegenover de hoorzittingen van de Verenigde Naties in 1947 betoogd dat Palestina er nooit is geweest en ook nooit moet bestaan. Het gebied dat ter discussie stond daarvan beweerden zij dat het een historisch deel was van het zuiden van Syrië, en eeuwenlang bekend was als “balad esh-sham” (het land van Damaskus). In feite werd op dat moment de term “Palestijn” enkel toegepast op de Joden die woonden in het Mandaat Palestina. De Arabieren van de regio stonden bekend als “Arabieren”. Zie ook Yasser Arafat in zijn geautoriseerde biografie, “Arafat: Terrorist or Peace Maker“, door Alan Hart uit 1982.

In een interview van 31 maart 1977 met het Amsterdamse dagblad Trouw / De Verdieping, zei uitvoerend comité lid van de PLO Zahir Muhsein (ook Zuheir Mohsen) het volgende: “Het Palestijnse volk bestaat niet. De oprichting van een Palestijnse staat is slechts een middel om onze strijd voort te zetten tegen de staat Israël voor onze Arabische eenheid. In werkelijkheid is er vandaag geen verschil tussen Jordaniërs, Palestijnen, Syriërs en Libanezen. Alleen om politieke en tactische redenen spreken we heden over het bestaan van een Palestijns volk omdat de nationale Arabische belangen vereisen dat we het bestaan poneren van een afzonderlijk ‘Palestijns volk’ om zich te verzetten tegen het zionisme. Om tactische redenen kan Jordanië, een soevereine staat met gedefinieerde grenzen, geen aanspraken maken op Haïfa en Jaffa, terwijl ik als Palestijn, zonder twijfel Haïfa, Jaffa, Beersjeba en Jeruzalem kan opeisen. Echter, op het ogenblik dat we ons recht op heel Palestina terugvorderen, zullen we zelfs geen minuut aarzelen om Palestina en Jordanië te verenigen.”

Zelfs vandaag, spreken Syrische leerboeken in Sociale Studies voor de 5de graad nog steeds over een ‘Groot-Syrië’ met deelstaten zoals Syrië, Libanon, Jordanië en Israël. Er bestaat geen natie genaamd Palestina. Het concept van de “Palestijnen” als Arabieren die al duizenden jaren wonen in een ‘historisch Palestina’ is een fictie die gecreëerd werd voor politieke en militaire doeleinden zoals die beschreven werden door Zahir Muhsein. Deze late razernij van Palestijnse agitatie voor nationale zelfbeschikking is gewoon een dekmantel van fatsoen, waarachter zich genocidale Arabische terroristen verschuilen die ageren tegen Israël met de steun van internationale wereldverbeteraars en andere ‘idealisten’. Sinds de holocaust, zijn liberalen in het Westen het genocidale terrorisme niet bepaald gunstig gezind, maar ze kunnen wel de diepe en oprechte verlangens van een onderdrukt volk dat worstelt om vrij te zijn, warm en enthousiast omarmen. Vandaar dat de terroristische propagandisten van Arafat het nodig achten om leugens te verzinnen van Palestijnse Nationale Identiteit en Israëlische bezetting en onderdrukking.

De Zesdaagse Oorlog van 1967

In tegenstelling tot de huidige Arabische propaganda, maar compleet in overeenstemming met de toenmalige verslaggeving van de gebeurtenissen, was Israël het slachtoffer van Arabische genocidale aanvalsoorlog in 1967. Op 15 mei 1967, eiste Egypte dat de VN-vredesmacht, die sinds de Sinaï Campagne ter plaatse waren, om het gebied onmiddellijk te evacueren. VN-secretaris-generaal Oe Thant, gaf daar onmiddellijk aan toe om redenen die nooit volledig werden opgehelderd. Vervolgens sloot Egypte de Straat van Tiran af, blokkeerde de Israëlische haven van Eilat voor de scheepvaart, en bracht twee tank bataljons en 150.000 troepen in stelling aan de westelijke grens van Israël. Een militair pact met Syrië en Jordanië en de illegale schending van het Israëlische luchtruim voor controlevluchten over de Israëlische kernreactor in Dimona, vervolledigde de aanvalsdreiging. Deze bestond uit vijf casus belli: maatregelen zoals die omschreven worden in het internationale recht die zo bedreigend waren voor een soevereine staat, dat elk van deze vijf een wettige reden creëert voor defensieve militaire reactie. Had Israël slechts één van deze vijf met dodelijk geweld vergolden, zou die militaire actie volkomen legaal zijn geweest volgens het internationale recht, als legitiem defensief antwoord op existentiële bedreigingen van een agressor.

De Israëlische generaal Moshe Dayan (met ooglap) arriveert op 7 juni 1967 zegevierend bij de Klaagmuur in Jeruzalem  (foto Gilles Caron)
De Israëlische generaal Moshe Dayan (met ooglap) arriveert op 7 juni 1967 zegevierend bij de Klaagmuur in Jeruzalem (foto Gilles Caron)

Toch heeft Israël niet onmiddellijk terug geslagen. Eerst probeerde het via politieke onderhandelingen de oorlog af te weren, maar de klachten bij de Verenigde Naties bleef onbeantwoord. Het president Johnson eraan herinneren dat de Verenigde Staten Israël in 1957 hadden gegarandeerd om in te grijpen indien de Straat van Tiran ooit zou worden afgesloten, of als Egypte ooit de Sinaï opnieuw zou militariseren, viel in dovemansoren. President Johnson was te sterk betrokken bij de oorlog in Vietnam om elders een Amerikaanse militaire actie te overwegen, ook al had president Eisenhower, toen hij premier Ben Goerion dwong zich terug te trekken uit de Sinaï na het fenomenale succes van de Sinaïcampagne in 1956, hem eeuwige Amerikaanse waakzaamheid beloofd zodat Israël niet opnieuw zou worden geconfronteerd met een militaire dreiging uit Egypte.

Na drie weken van toekijken hoe de Egyptisch-Syrische-Jordaanse strijdkrachten in omvang en sterkte toenamen aan haar grenzen, probeerde Israël nog een laatste diplomatieke actie. Via de VN-commandant van de vredestroepen in Jeruzalem, de Noorse kolonel Od Bul, zond de Israëlische regering een geschreven boodschap aan koning Hoessein van Jordanië: als u Israël niet binnenvalt, zal Israël de Westelijke Jordaanoever niet binnenvallen. De Jordaanse koning smeet de nota hooghartig terug naar kolonel Od Bul en liep weg.

Op maandag de 5 juni 1967, nadat de militaire inlichtingendienst het bericht kreeg dat Egypte binnen enkele uren een invasie zou beginnen via de Gazastrook, lanceerde Israël haar defensieve preventieve aanval met een luchtaanval op de luchtmachten van Egypte, Jordanië, Syrië en vernietigde ze terwijl ze nog steeds op de grond zaten. Met de controle van het luchtruim stevig in Israëlische handen, en haar pantsers en infanterie die de Egyptische troepen op de vlucht joegen, bereikten de Israëlische strijdkrachten het Suez-kanaal binnen de twee dagen.

Ondanks de waarschuwing van Israël, beval koning Hoessein van Jordanië een artilleriebombardement op Jeruzalem en andere Israëlische steden langs de Groene Lijn. Na meer dan een dag van bombardementen, en terwijl de Israëlische aantallen in doden en gewonden in de honderden liepen en miljoenen dollars schade, zond Israël een tweede boodschap naar de Hasjemitische koning: “Wanneer u nu onmiddellijk stopt met de bombardementen, zullen we dit beschouwen als een politiek noodzakelijk ‘ere-salvo’, en zullen we niet terugslaan.” Dit bericht werd verzonden via de Roemeense ambassade, door de (Israëlische) ambassadeur in West-Jeruzalem aan de (Jordaanse) ambassadeur in Oost-Jeruzalem. Koning Hoessein negeerde de waarschuwing en begon een invasie met de infanterie van Joods Jeruzalem. Het was dan pas dat Israël reageerde met haar eigen invasie van de Westelijke Jordaanoever. Na bijna een week van constante beschieting door de Syrische artillerie van Israëlische steden en dorpen in Galilea, veroverde Israël de Golan-hoogvlakte, vernietigde de Syrische artillerie en dreef het Syrische leger tot op 40 kilometer van de Syrische hoofdstad Damaskus.

Israël trok Egypte niet binnen over het Suezkanaal, alhoewel haar strijdkrachten vrijwel zonder tegenstand gemakkelijk Caïro hadden kunnen bereiken. Het leger stak de Jordaanrivier niet over, hoewel het Jordaanse legioen compleet in chaos wegvluchtte, zozeer zelfs dat sommige soldaten hun laarzen en geweer naar de oostelijke oever gooiden om gemakkelijker de rivier over te kunnen zwemmen. Evenmin heeft zij haar opmars vanuit de Golanhoogte verder gezet naar Damaskus, dat nochtans makkelijk had gekund in de nasleep van het flink geschrokken en gedecimeerd Syrische leger. Israël stopte haar opmars op alle drie fronten tegelijk nadat zij haar militaire doelstellingen had bereikt: de vernietiging van de legers die haar bestaan bedreigden en de instelling van verdedigbare grenzen.

De internationale wetten en de Israëlische soevereiniteit

Zelfs één van de meest kritische historici van Israël, professor Avi Schlaim, erkent dat Israël het slachtoffer was van Arabische agressie tijdens de Zesdaagse Oorlog. Dit is een cruciaal gegeven met betrekking tot de kwestie van de Israëlische nederzettingen in en soevereiniteit over de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Het internationaal recht is hieromtrent zeer duidelijk. Indien Israël de agressor was geweest, dan zou de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook illegaal zijn geweest, net als elke toekomstige uitbreiding van de Israëlische bevolking in deze gebieden dat ook zou zijn geweest.

Washington DC, 20 november 1977. President Carter, Anwar Sadat en Menachem Begin drukken de handen om het Vredesverdrag tussen de Arabische Republiek en de staat Israël te bezegelen
Washington DC, 20 november 1977. President Carter, Anwar Sadat en Menachem Begin bezegelen de vrede tussen Egypte en Israël

Echter, als slachtoffer van agressie, was Israëls juridische positie precies het tegenovergestelde. De wettelijke verdeling van gebieden die veroverd worden tijdens een defensieve oorlog kan alleen worden bezegeld met een vredesverdrag tussen de strijdende partijen. Indien echter een dergelijke vredesverdrag afwezig blijft, is de soevereiniteit en de economische activiteit van het slachtoffer van agressie over het pas verworven grondgebied volkomen legaal, zolang dergelijke activiteit geen ongunstig effect heeft ten aanzien van de autochtone bevolking. In feite bleek dat de soevereiniteit van Israël op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook een weldadig effect had op de situatie van de locale bevolking totdat, zoals we verder zullen zien, het bestuur over die gebieden werd overgedragen aan de Palestijnse Autoriteit in het kader van de Oslo-Akkoorden.

Onmiddellijk na de oorlog, heeft Israël aangeboden om veroverd gebied te geven in ruil voor een formele vrede. De Arabische landen verwierpen dit aanbod, omdat ze gelijksoortige aanbiedingen na vorige oorlogen die de Arabieren waren begonnen eveneens hadden afgewezen. Israël kan volkomen de nieuwe veroverde gebieden probleemloos hebben geannexeerd, maar besloot dat niet te doen omdat het verwachtte dat de agressors uiteindelijk wel bij zinnen zouden komen en hun land zouden terug willen, zodat Israël sommige van deze gebieden zou teruggeven aan hun voormalige bezetters in ruil voor vrede.

Israël heeft dit exact met Egypte gedaan, met de teruggave van de volledige Sinaï na de Camp David akkoorden van 1979. In deze akkoorden weigerde de Egyptische leider Anwar Sadat de Gazastrook terug te nemen, en gaven de voorkeur dat de Palestijnen er beter bleven wonen onder Israëlische soevereiniteit. Wanneer Jordanië met Israël in 1994 een vredesverdrag ondertekende met koning Hoessein, werd de Westelijke Jordaanoever buiten beschouwing gehouden, want tegen dan leefden 96% van de Palestijnen in de streek onder het bewind van de Palestijnse Autoriteit, en had Hoessein toegegeven dat hij geen juridische aanspraak [meer] liet gelden op het gebied of haar Arabische bevolking.

Kortom, Israël is het enige bekende land in de hele geschiedenis dat tot stand is gekomen via juridische en economische ontwikkeling van het land (in tegenstelling tot de bijna universele methode van verovering). De overwinningen van Israël in de oorlog van 1948 en in de oorlog van 1967, waarin zij het slachtoffer was van genocidale agressie alsmede de weigering van de Arabische landen om deel te nemen aan de vredesonderhandelingen, geeft Israël het wettelijke recht om de soevereiniteit over haar pas verworven grondgebied te handhaven en de ontwikkeling van deze gebieden op geen enkele wijze afbreuk doet aan het welzijn van de inheemse burgers. Waren de Arabische leiders vatbaarder geweest voor vrede met Israël, kon er al in 1937 een Palestijnse staat zijn geweest, opnieuw in 1947 en opnieuw in 1949 en zou er nooit een Arabische vluchtelingen probleem hebben bestaan. Indien de Arabische leiders in 1967 en opnieuw in 2000 vatbaar zouden geweest zijn voor vrede met Israël, zou er nooit een voortdurende Israëlische soevereiniteit over het betwiste grondgebied van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook zijn geweest.

Met dit historische kader op haar juiste plaats, kan men de echte problemen achter de controverse over de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook en de juridische status van de nederzettingen beter begrijpen.

Wordt vervolgd in Grote Leugens deel 4: De kwestie van de nederzettingen

Bron: Free Republic.com: BIG LIES: Demolishing The Myths of the Propaganda War Against Israel door David Meir-Levi met een voorwoord van David Horowitz; een publicatie van het Center for the Study of Popular Culture; Los Angeles, Californië (VS) 7 oktober 2005; website: Students For Academic Freedom; dit 3de deel werd vrij bewerkt en vertaald door Brabosh op 8 november 2009