Grote Leugens deel 2: De creatie van het vluchtelingenprobleem in acht stappen

David_MeirLeviDavid Meir-Levi heeft een tekst geschreven die het geheugen herstelt van de feiten die de kern vormen van het conflict in het Midden-Oosten. Deze feiten zijn van cruciaal belang, niet alleen om de geschiedenis te restaureren die door de politiek werd verduisterd, maar om een volk te helpen overleven dat leeft in de schaduw van haar eigen vernietiging. Iedereen die geïnteresseerd is in rechtvaardigheid moet deze tekst hebben gelezen.

Door Brabosh werd deze omvangrijke tekst (toch voor een weblog) vertaald en in vijf delen gepubliceerd als:

Grote Leugens deel 2: De creatie van het vluchtelingenprobleem in acht stappen

2: The Eight Stages of the Creation of the Problem

door David Meir-Levi

De vlucht van de Arabieren uit wat spoedig Israël zou heten, vond plaats in acht fases:

Fase een

Partition
Het Verdeelplan - Resolutie 181, de 'Moeder van alle resoluties' die later nog zullen volgen - werd door de Verenigde Naties in 1947 goedgekeurd maar afgewezen door de Arabische wereld

Reeds in de herfst van 1947, maanden vóór het VN-verdelingsplan van 29 november 1947 werd goedgekeurd door de Verenigde Naties, was het duidelijk dat er oorlog zou komen, ongeacht hoe de grenzen voortvloeiend uit het Verdeelplan [Resolutie 181] zouden getrokken worden. In afwachting van deze oorlog, namen vele van de welgestelde Arabieren (de Effendi) in West-Galilea, tussen Haifa naar Acco en de tussen gelegen dorpen, hun voorzorgen, sloten hun huizen af en trokken naar Beiroet en Damascus.

Met hun rijkdom en connecties konden ze vanuit het buitenland in veiligheid de oorlog aan hun neus laten voorbijgaan, tenminste dat dachten ze toch. Niemand die zich op dat ogenblik kon voorstellen dat de pasgeboren staat Israël een oorlog tegen de Arabische staten zou winnen. De Arabieren die vertrokken dachten dat ze op die manier buiten schot zouden blijven en eens de oorlog voorbij was ze gewoon terug naar hun huizen konden terugkeren. Huidige schattingen gedaan door objectieve waarnemers (Conor Cruise O’Brien, in zijn boek The Siege, is misschien wel de meest objectieve) ramen dat in die periode ongeveer 70.000 Arabieren zijn gevlucht.

Fase twee

Deze eerste vluchtelingenstroom veroorzaakte een plotselinge afwezigheid van politieke en maatschappelijke leiders onder de Arabieren van Galilea en dus, wanneer de vijandelijkheden zich ontwikkelden in de winter van 1947, volgden veel van de Arabische boeren (de Felahin) het voorbeeld van hun leiders, en vluchten eveneens weg. Zij misten het geld en de connecties van hun Effendi om een comfortabele reis weg van het gevaar te maken, dus liepen velen van hen gewoon weg met wat ze konden dragen naar Libanon of Syrië. Hun leiders waren gevlucht, waardoor ze wel moesten geloven dat de zaken er behoorlijk slecht voorstonden, dus meenden ze dat ze ook maar beter konden vertrekken. Tevens waren zij ervan overtuigd, zich baserend op de documentatie uit de Arabische pers van dat ogenblik, dat wanneer de oorlog voorbij zou zijn en de Joden waren gedood of verdreven uit Israël, zij zouden terugkeren naar hun huizen.

Er zijn geen exacte aantallen bekend van deze uittocht, maar uiteenlopende schattingen spreken van ongeveer 100.000 mensen. Er waren zoveel vluchtelingen dat de Arabische staten in Beiroet een speciale conferentie belegden om te beslissen wat er met de Arabieren moest gebeuren die in grote aantallen over de grenzen stroomden. Ze zetten speciale kampen op, die later bekend zullen worden als de vluchtelingenkampen. Deze Arabieren vluchtten weg uit eigen vrije wil. Niemand, noch in Israël en noch in de Arabische staten, die deze Arabische vluchtelingen aanmoedigden of angst aanjaagden om dit te doen. De oorlog was nog niet eens begonnen.

Fase drie

Na 29 november 1947 begon de oorlog tussen de Israëlische Haganah en tienduizenden para-militaire Arabische vrijwilligers in alle ernst.

De toespraken in de Arabische pers en in het publiek maakten duidelijk dat dit een vernietigingsoorlog was, zoals die van de grote Mongoolse horden die alles en iedereen zouden uitroeien op hun pad. De Joden zouden ofwel dood ofwel verdreven zijn. Israël vocht niet voor de onafhankelijkheid, maar streed een oorlog om te overleven. Om een aantal gebieden te verdedigen waar de Joden volledig werden omringd door Arabieren (zoals de Joden van Jaffa, Joodse dorpen of kibboetsen in delen van Galilea en in het centrale bergland en de Joden in Jeruzalem), gebruikte de Haganah afschrikkingstactieken die bedoeld waren om de Arabische bevolking in die gebieden zodanig de daver op het lijf te jagen, zodat ze zich uit schrik zouden terugtrekken naar veiliger oorden. Dan zou het voor de Haganah mogelijk worden om die Joden te verdedigen die anders onbereikbaar zouden zijn en aldus ten prooi zouden vallen aan de Arabische genocidale bedoelingen.

haganah
Militanten van de Haganah (1920-1948), een voorloper van het IDF - het Israëlische leger

Die tactieken brachten het nodige effect teweeg en veel Arabieren in delen van West-Galilea, Jaffa, en in delen van West-Jeruzalem, kozen het hazenpad. Geruchten zoals dat een groot Joods leger uit het Westen op het punt stond te landen aan de kust, handgranaten die werden gegooid in de portieken aan de voorzijde van de woningen, jeeps die door de straten reden met ratelende machinegeweren die salvo’s losten op de muren of omheiningen van de huizen, geruchten die verspreid werden door Arabisch sprekende Joden dat de Haganah veel talrijker was dan zij in werkelijkheid was en met een massaal Joods leger op het punt stond alles weg te vagen wat ze op haar weg tegenkwam, enz.

Hier is het belangrijk om op te merken dat de Joden voor dit deel van de Arabische vlucht aansprakelijk zijn. Maar dat gebeurde niet omdat ze het land etnisch wilden zuiveren of om de Arabieren weg te vagen. Het was omdat zij wisten dat waar de Joden in de Arabische enclaves in de minderheid waren, onverdedigbaar en weerloos zouden worden afgeslacht (zoals in werkelijkheid het geval was met de Joden in de dorpen van Gush Etzion, in de Joodse wijk van de Oude Stad in Jeruzalem en zoals was gebeurd in 1929 in Hebron). Het was uit pure noodzaak om een oorlog te overleven tegen een veel grotere en beter bewapende vijand, die hen tot het gebruik van dergelijke tactieken dreef zoals hierboven werd beschreven.

Het is ook belangrijk om volgende feiten niet te vergeten: Indien de Arabische leiders hadden ingestemd met het VN-Verdeelplan, dan zou er sinds 29 november 1947 een onafhankelijke Palestijnse staat hebben bestaan naast Israël. Als de Arabische legers het land niet waren binnengevallen zou er nooit een vluchtelingenprobleem hebben bestaan. Met deze twee feiten in het achterhoofd is het duidelijk dat de totale schuld en verwijtbare nalatigheid voor het begin van het vluchtelingenprobleem volledig en uitsluitend rust bij de Arabische staten die het land binnenvielen, uit duidelijke minachting voor Resolutie 181 van de Verenigde Naties en voor het internationale recht.

Fase vier

Arabische leiders van de para-militaire strijdkrachten en van de Syrische strijdkrachten verkondigden luidruchtig dat ze wilden dat de Arabieren het strijdtoneel moesten verlaten, zodat hun legers een open terrein kregen om hun genocide op de Joden uit te voeren. Wanneer de oorlog voorbij zou zijn en de joden werden verdreven of gedood, zouden de Arabische bewoners kunnen weerkeren en, naast hun eigen land, bovendien ook nog dat van de Joden in bezit krijgen.

shabtailevi
Burgemeester Shabtai Levi (rechts) van Haifa reed in 1948 doorheen de Arabische wijken van zijn stad rond met een jeep met luidspreker en smeekte de Arabieren om te blijven

We zullen nooit de exacte aantallen kennen hoeveel Arabieren gevolg gaven aan die Arabische oproepen [om het gebied te ontruimen] en gevlucht zijn, maar sinds een aantal Arabische woordvoerders na de oorlog openlijk hebben toegegeven dit gedaan te hebben en publiekelijk in hun handen wrongen van spijt en berouw dat zij aldus het vluchtelingenprobleem hebben gecreëerd, is het voor iedereen duidelijk dat die oproep van de Arabische leiders aan hun eigen volk, voor veel Arabieren in het gebied een belangrijke factor speelde in de Arabische vlucht.

Het is ook belangrijk te wijzen dat in die periode in een aantal gevallen Joodse leiders zich openbaar maakten en de Arabieren smeekten om te blijven en hun huizen niet achter te laten. Naast de leider van de Labourpartij Abba Khoushi als de commandant van de Haganah, is Shabtai Levi, de burgemeester van Haifa hier wellicht het meest bekende voorbeeld van. Op gevaar af voor zijn eigen leven, reed hij door de Arabische wijk van Haifa met een luidspreker op zijn jeep en riep in het Arabisch de inwoners van zijn stad op om de Arabische propaganda te negeren.

Niettegenstaande vluchtten tienduizenden mensen weg. De Britse officieren die niet konden geloven van wat ze zagen en getuige waren van deze vlucht, hebben dit later uitvoerig gedocumenteerd. Die Arabieren die waren gebleven, bleven ongedeerd en werden burgers van Israël.

De Britten hebben voor de wereld ook een soortgelijk fenomeen gedocumenteerd in Tiberius (een stad waar de Arabische bevolking sterk in de meerderheid waren in verhouding tot een Joodse minderheid). De Arabieren verkozen letterlijk om te vertrekken, ook al vormden ze voor de Joden geen directe bedreiging, en vroegen de Britten om hen te helpen. Tienduizenden van hen verlieten onder Britse bewaking de stad, terwijl de Joden, zowel gewone burgers als leden van de Haganah, erop toekeken. In een andere situatie waren de Arabieren Safed (Tzefat) ontvlucht nog vooraleer de Haganah zou aanvallen, alhoewel de Arabische troepen in Safed met een overweldigende meerderheid waren van wel 10 tegen 1 ten opzichte van de Joodse strijdkrachten.

Waar ook de Arabieren er voor kozen om te blijven, bleven zij ongedeerd en werden later burgers van Israël.

Er zijn door latere historici een aantal essays geschreven die de waarheid betwisten van de stelling dat de Arabische leiders hun mensen aanmaanden om te vluchten. Maar in The Siege van Conor Cruise O’Brien en in Myths and Facts of the Middle East Conflict van Mitchell Bard wordt het onweerlegbaar bewijs geleverd van het bestaan van dergelijke uitspraken.

Fase vijf

Het bloedbad in Deri Yassin in april 1948: 106 doden, door de Arabieren spoedig opgeblazen tot 500 en meer doden, zorgde voor een golf van paniek op het Arabische platteland
Het bloedbad in Deir Yassin op 8/9 april 1948, balans: 107 doden. Dit cijfer werd door de Arabische propaganda spoedig opgeblazen tot 246 en later zelfs tot 500 en meer doden en veroorzaakte een golf van paniek op het Arabische platteland

Deir Yassin: De gebeurtenissen zoals die plaatsvonden in Deir Yassin worden nog steeds fel betwist. Maar met hun eigen goedvinden, heeft het Arabische leiderschap vandaag erkent dat de leugens van de Arabieren over het fictieve ‘bloedbad’, verzonnen werden om de schande van de nederlaag van de Arabische legers in de strijd tegen de Joden te temperen, en de Arabieren te doen schrikken als aanmoediging om te vluchten. Het dorp ligt in de buurt van Jeruzalem, met uitzicht op de weg naar Tel Aviv. Joods Jeruzalem werd belegerd en de enige levensader was deze enige weg naar Tel Aviv. Een contingent van Iraakse troepen was op 13 maart 1948 Deir Yassin binnen getrokken. Sommige bronnen suggereren dat zij werden gevraagd om te vertrekken. Blijkbaar hebben ze dat niet gedaan, vermits hun talrijke gewapende lichamen onder de doden na de slag werden teruggevonden. Het was duidelijk dat ze zouden proberen om de weg af te snijden. Dat zou het einde hebben betekend van Joods Jeruzalem. Dus op 9 april 1948, betrad een contingent van de Irgoen (een para-militaire splintergroep) het dorp. Deze operatie was volkomen legitiem en volledig in overeenstemming met de rules of engagement, omdat de Iraakse aanwezigheid het dorp juridisch tot een militair doelwit had gemaakt.

Hun opzet, het dorp overmeesteren en de Irakezen verdrijven, was vanaf het begin helemaal duidelijk, omdat ze met een gesloten jeep en een luidspreker de burgerbevolking opriep om het dorp te ontvluchten. Helaas reed deze jeep zich vast in een greppel, zodat een aantal van de dorpelingen het bericht niet hebben gehoord, maar veel deden dat wel en vluchtten vooraleer de Irgoen het dorp bereikte. In plaats van het dorp af te zetten om hun ontsnapping te voorkomen, liet de Irgoen verschillende routes open om de burgers alsnog de kans te geven zich uit de voeten te maken, waarvan honderden burgers gebruik maakten. Maar de Irakezen hadden zich vermomd als vrouw – het is namelijk erg gemakkelijk om wapens verbergen onder de lange gewaden van de boerka – en verscholen zich tussen de vrouwen en kinderen van het dorp. Dus, wanneer de strijders van de Irgoen strijders het dorp betraden werden ze onder vuur genomen door ‘vrouwen!’

Wanneer de strijders van de Irgoen terug vuurden, hebben zij ook onschuldige vrouwen gedood, omdat de Irakezen zich hadden verkleed als vrouwen en zich achter hen verscholen. Nadat meer dan 40 procent van hun strijdkrachten waren gedood of gewond, was de Irgoen erin geslaagd de Irakezen te doden of te vangen. Dan, terwijl ze in groep en nog steeds verkleed als vrouwen, zich overgaven en akkoord waren om zich gevangen te laten nemen, openden een aantal van de Irakezen opnieuw het vuur met wapens die ze verborgen hielden onder de vrouwenkleding. De strijders van de Irgoen werden hierdoor compleet verrast, een aantal van hen werden gedood en anderen openden het vuur op de groep ‘vrouwen’. Irakezen die zich inderdaad hadden overgeven werden gedood, samen met diegenen die alleen maar gedaan alsof en vervolgens toch het vuur openden.

irgun
De Joodse radicale splintergroep Irgoen. Op de achtergrond een kaart van Trans-Jordanië, het gebied dat de Joden aanvankelijk als Nationaal Tehuis was toegewezen

Toen de Haganah in Deir Yassin toekwamen, troffen zij de dode vrouwen en andere burgers aan en beschuldigden zij dus ten onrechte de Irgoen van moord en slachting. Maar het Rode Kruis, dat werd ingeschakeld om de gewonden en burgers te helpen, vonden geen bewijzen voor het bloedbad. In feite, en wat ook blijkt uit de meest recente herziening van het bewijsmateriaal (juli 1999) door Arabische geleerden aan de universiteit Beir-Zayyit van Ramallah, toont aan dat er geen bloed heeft plaats gevonden maar wel een militair conflict was waarin burgers in het kruisvuur dat ontstond werden gedood. Het totale aantal Arabische doden, met inbegrip van de Iraakse soldaten, werd door Beir Zayyit geraamd op 107.

Dus waar komt dat idee van een bloedbad dan vandaan? Dezelfde Arabische bronnen die toegaven dat zij de Arabieren hadden opgeroepen om te vluchten, hebben ook toegegeven dat Arabische woordvoerders op dat ogenblik op cynische wijze het aantal slachtoffers van de strijd in Deir Yassin schromelijk overdreven, verhalen hadden verzonnen van groepsverkrachting, zwangere vrouwen brutaliseerden, ongeboren kinderen vermoorden die door ‘bloeddorstige Joden uit de baarmoeders van de moeders ‘werden gesneden’, en massamoorden waarbij lichamen in een nabijgelegen steengroeve werden gegooid. Diezelfde Arabische bronnen gaven toe dat het doel van al deze leugens was om de Arabische naties beschaamd te maken zodat zij meer mankrachten en materiaal in het conflict zouden inzetten, zodat de Joden zou worden vernietigd door een overweldigende Arabische overmacht.

Het plan mislukte. Als gevolg van deze propaganda, raakten de Arabische burgers in paniek en vluchtte met tienduizenden tegelijk. Dit werd bevestigd in de PBS documentaire ‘Fifty Years of War’ uit 1993 waarin overlevenden uit Deir Yassin werden geïnterviewd. Zij getuigden dat ze Dr. Hoessein Khalidi, de directeur van de Voice of Palestine (het Palestijnse radiostation in Oost-Jeruzalem) hadden gesmeekt op te houden met het uitzenden van de leugens en verzinsels van wreedheden die nooit waren gebeurd. Hij antwoordde hen toen: “We moeten deze geweldige kans maximaal uitbuiten!”

De vlucht van de Arabieren was reeds vele maanden eerder begonnen voor het incident in Deir Yassin. Dus kan Deir Yassin ook niet in rekening worden gebracht voor die honderdduizenden Arabieren die gevlucht waren vóór 9 april 1948. Bovendien, terwijl de huidige Arabische propaganda nog steeds beweert dat Deir Yassin een van de vele voorbeelden was van Joodse massamoord en slachtingen, bestaat er anderzijds geen enkel ander gedocumenteerd voorbeeld van een dergelijk gedrag door de Joden. Gelijk ook hoe men het bekijkt, was Deir Yassin niet een voorbeeld, maar een uitzondering.

ALA
ALA (Arab Liberation Army) bestond uit huursoldaten, voornamelijk afkomstig uit Syrië en Irak en een handvol Arabische Palestijnen

Kortom, het was niet wat er in Deir Yassin was gebeurd dat aan de basis lag van de vlucht van tienduizenden Arabieren, maar het waren de leugens die uitgevonden waren door het Arabische Oppercommando en Dr. Hoessein Khalidi van de Palestijnse nieuwszender de Voice of Palestine die de paniek hadden veroorzaakt. Niemand die daar Israël voor verantwoordelijk kan stellen.

Bovendien, beschikken we over informatie uit een beroemde bron, Yassir Arafat zelf geeft toe (in zijn officiële biografie door Alan Hart: ‘Arafat: Terrorist or Peace Maker’) dat de leugens over Deir Yassin door de Egyptenaren werden verspreid die werkten “als een rode vlag op een stier”. Dan, nadat ze hen met deze verhalen hadden geterroriseerd, waren de Egyptenaren in het gebied overgegaan tot het ontwapenen van de Arabieren en sloten hen op in gevangenkampen in de Gazastrook (de oorsprong van de huidige vluchtelingenkampen in Gaza). Waarom hebben de Egyptenaren dit gedaan? Volgens Arafat, was dat om de Arabieren uit het gebied te krijgen, omdat de Egyptenaren de vrije hand wilden hebben voor hun oorlog [tegen de Joden]. Egypte had de bedoeling om de Negev te veroveren alsmede het zuidelijke deel van de kustvlakte. Zij wilden geen inmenging van de lokale Arabieren.

Deir Yassin was geen bloedbad; niets zelfs niet eens vaag verwant aan dat waarvan de Joden worden beschuldigd dat er ooit is gebeurd. We weten niet hoeveel Arabieren gevlucht zijn als gevolg van de Arabische propaganda over Deir Yassin. Enkele honderdduizenden is een goede schatting. De meeste van hen belandden in de Egyptische gevangenissen in Gaza.

Fase zes

Naast Deir Yassin, zijn er twee andere incidenten waarvan wordt beweerd dat Arabieren zijn gevlucht vanwege acties van het Israëlische leger met name in Lydda en Ramle. Beide dorpen bevonden zich schrijlings langs de weg van Tel Aviv naar Jeruzalem. Wanneer de belegering van Jeruzalem door de Arabieren wordt opgedreven, beseft het Israëlische leger dat, om de Joden in West-Jeruzalem te redden van een nederlaag en mogelijke vernietiging, het te allen prijzen die weg moet open houden of de stad zou verloren zijn. Dus op een nacht hebben ze beide dorpen overmeesterd en verdreven met geweld de Arabische bewoners. Ze haalden hen uit hun bedden en stuurden hen wandelen doorheen de velden naar het gebied dat op enkele kilometers afstand onder Jordaanse controle stond.

Niemand werd gedood. Er was geen bloedbad, maar ze werden verdreven. Aan de andere kant, werden ze verdreven omdat hun dorpen zich schrijlings op de weg naar Jeruzalem bevonden, en de enige manier om het voortbestaan van de 150.000 Joden in Jeruzalem te garanderen was om de controle over deze weg te behouden.

Fase zeven

Vanaf de 15de mei 1948, hadden de Britten al hun troepen uit het Britse Mandaat Palestina geëvacueerd, en kreeg de Haganah, die nu officieel de Israëli Defense Force (IDF) werd, de vrije hand. Ook dee Arabische landen hadden nu vrij spel gekregen in hun aanvallen, en aanvallen dat deden ze. Legers uit acht Arabische dictaturen zwermden over het gebied uit afkomstig uit Libanon, Syrië, Jordanië, Irak en Egypte (naast vrijwilligers en soldaten uit Saoedi-Arabië, Jemen en Marokko die ook overkwamen). Zij hadden ten opzichte van het IDF een overmacht in aantal van ongeveer vijf tot een. Voor de volgende maand ongeveer vochten de Israëliërs een verschrikkelijk moeilijke defensieve oorlog uit en waren amper in staat om de massa indringers buiten te houden. Er waren ongeveer 63.000 IDF vrijwilligers, maar ze hadden maar wapens voor slechts 22.000.

refugeee
Vlucht van de Arabieren uit Brits Mandaat Palestina in 1947

In juni 1948 werd door de Verenigde Naties een staakt-het-vuren afgekondigd. In juli, toen de Arabieren opnieuw de vijandelijkheden waren begonnen, hadden de Israëli’s van het staakt-het-vuren gebruik kunnen maken om wapens en vliegtuigen uit Rusland en Duitsland te importeren via Tsjecho-Slowakije. Nu ze beter bewapend waren, steeg het aantal strijdkrachten van het IDF tot 65.000 en stegen hun kansen in verhouding van ongeveer 2 Arabieren tegen 1 Jood. Dat was een goede kans voor de vastbesloten Joodse strijders. Bij de volgende gevechten weer in juli, ging het IDF in de aanval en slaagde er in om de Arabische legers te verdrijven uit zowel de Joodse gebieden als uit grote delen van die gebieden, die de Verenigde Naties hadden voorbestemd om deel te worden van de toekomstige Palestijnse staat (West-Galilea, en de zuidelijke kustvlakte ten noorden van de Gazastrook). Wanneer dit offensief begon zijn opnieuw Arabieren gevlucht. Zoals reeds hierboven werd vermeld, zijn de Arabieren die achterbleven ongedeerd gebleven en werden zij burgers van Israël.

In tegenstelling tot wat de revisionistische Arabische propaganda beweert, was het nooit de bedoeling om bloedbad te houden onder de Arabieren, alhoewel de Arabieren duidelijk de bedoeling hadden om de Joden massaal te vermoorden. Vele burgers stierven onder het kruisvuur, en de overgrote meerderheid van de Arabieren waren nodeloos gevlucht, deden dat op eigen initiatief of omdat het Arabische leiderschap hun had voorgelogen en geïntimideerd. In ten minste twee specifieke gevallen werden een aantal Arabieren door het IDF verdreven als een defensieve maatregel. Het was nooit het onderdeel van een plan om een etnische zuivering in het land te houden of een bloedbad onder de Arabieren te zaaien. Deze beschuldigingen zijn allemaal onderdeel van een nieuw en leugenachtig revisionisme dat gericht is om de Arabieren vrij van schuld te pleiten als de werkelijke agressors en hun beslissende rol in het creëren van het Arabische vluchtelingen probleem. Hun agenda is om hun eigen schuld – waar ze terecht hoort – over te dragen naar Israël.

Het bewijs dat Israël nooit de bedoeling heeft gehad om Palestina etnisch te zuiveren van de Arabieren is te zien in de volgende feiten: 1) het volledig ontbreken van eender welke berichtgeving waar ook in de internationale pers, met inbegrip van de Arabische pers en de openlijk vijandige westerse pers, met betrekking tot dergelijke acties van Israël; 2) Het volledig ontbreken van deze beschuldigingen van alle Arabische woordvoerders uit die tijd, zelfs op het hoogtepunt van de vlucht (post-Deir Yassin) en in de vele jaren daarna en 3) Het lot van de Arabieren die gebleven zijn: Zij werden Israëlische staatsburgers en genieten veel meer vrijheid, democratie, politieke vertegenwoordiging, hogere levensstandaard en beter onderwijs, en meer economische kansen in vergelijking met de meeste Arabieren overal in de Arabische wereld van vandaag.

Ten slotte, na het staakt-het-vuren in februari 1949, dat het einde van de oorlog betekende, liep de vlucht van tienduizenden Arabieren gewoon verder. De Joden hebben absoluut helemaal niets gedaan om die vlucht aan te moedigen laat staan met geweld opgedrongen.

Fase acht

Reuven_Shiloah
Reuven Shiloah op weg naar de onderhandelingen in Rhodos (Gr.) van 1949 voor een wapenstilstand met de Arabieren

Tijdens de wapenstilstand gesprekken in Rhodos in februari 1949, heeft Israël aangeboden om het land terug te geven aan de Arabieren, dat door de Israëliërs als gevolg van de oorlog werd bezet en dat oorspronkelijk bedoeld was om deel te worden van de Palestijnse staat, op voorwaarde dat de Arabieren een vredesverdrag zouden ondertekenen. Dit zou als resultaat hebben gehad dat honderdduizenden vluchtelingen zouden kunnen terugkeren naar hun huizen. Maar de Arabieren hebben dat aanbod afgewezen omdat, zoals ze zelf hebben toegegeven, een nieuw offensief voorbereidden. Zij hadden de eerste rond verloren maar ze bleven hopen op veel meer rondes totdat de Arabieren de uiteindelijke overwinning zouden behalen. Dat nieuwe offensief kwam er in de vorm van 9.000 terreur aanslagen die door de Fedayeen (voornamelijk uit Egypte) werden gepleegd tegen Israël vanaf 1949 tot aan de Suez-crisis in 1956.

Op de Conferentie van Lausanne, die plaatsvond van augustus tot september 1949, heeft Israël aangeboden om 100.000 vluchtelingen te repatriëren, zelfs zonder dat een vredesverdrag op tafel lag. Maar de Arabische landen hebben dat aanbod verworpen omdat, wanneer ze dat aanbod toch zouden accepteren, dit zou leiden tot een stilzwijgende erkenning van de Israëlische staat. Met andere woorden, ondanks het feit dat Israël had aangeboden om de vluchtelingen te repatriëren, bleven de Arabieren zich vasthouden aan de penibele situatie van de Arabische vluchtelingen in al hun ellende en lijden in de vluchtelingenkampen.

De citaten van Arabische woordvoerders in Syrië en Egypte in hun kranten logen er niet om wanneer ze zegden: “Wij zullen de vluchtelingen in hun kampen houden totdat de vlag van Palestina vliegt over heel het land. Zij zullen alleen als overwinnaars terug naar huis keren, over de graven en de lijken van de Joden heen.” Bovendien, waren sommige Arabieren openhartig genoeg om in het openbaar aan te kondigen dat het vluchtelingenprobleem zou dienen als “een etterende wond op het achterwerk van Europa”, en het als morele hefboom gebruiken tegen Israël om de emotionele steun van het Westen tegen Israël te winnen.

Conclusie

Het Arabische vluchtelingenprobleem werd gecreëerd door de oorlogvoerende Arabische dictators die de Verenigde Naties trotseerden, Israël binnen vielen, de Arabieren aanmoedigden om te vluchten en dan met opzet de Arabische vluchtelingen in een ellendige staat van armoede hielden louter en alleen voor propaganda doeleinden. De rol van Israël in het creëren van het vluchtelingen probleem was slechts minimaal en beperkte zich tot legitieme militaire contexten. Israël trachtte na het einde van de oorlog hun situatie om te keren maar dat afgewezen werd door de Arabische staten.

falafel
Ramallah mei 2009: over de zogenaamde hongersnood en armoede in de vluchtelingenkampen op de Westelijke Jordaanoever circuleren de grootste onzin en leugens. Mahmoud Abbas: 'We hebben het er goed'

Het vluchtelingenprobleem werd vervolgens opzettelijk bestendigd door de Arabische staten door hun weigering om zich te houden aan de VN-resoluties en de Conventie van Genève, alsook hun weigering om de vluchtelingen te integreren in de onderbevolkte Arabische landen (met uitzondering dan van Jordanië), hun weigering om vredesonderhandelingen aan te gaan met Israël, en hun weigering om gelijk welk voorstel gemaakt door Israël of door anderen tegemoet te komen. dat tot een oplossing van het probleem zou kunnen leiden.

Door het laten voortduren van het vluchtelingenprobleem, hebben de Arabische leiders pseudo-morele invloed gezocht die zicht richt tegen Europa en Israël, door die zogenaamde “menselijke etterende wonde” uit te buiten als poster voor hun propaganda oorlog tegen Israël, en de kwestie te gebruiken als politiek wapen tegen Israël.

Nog in 1979, toen Egypte een vredesverdrag met Israël ondertekende, weigerden de Egyptenaren om te gaan met het vluchtelingenvraagstuk in de Gaza-strook en maakten in plaats daarvan alle reizen vanuit Gaza naar Israël onmogelijk. Een soortgelijk patroon speelde zich af in 1994 toen Jordanië een vredesakkoord sloot met Israël. Jordanië had duizenden Palestijnen in haar economie geïntegreerd en zag noch de noodzaak of de verantwoordelijkheid in om te gaan met de vluchtelingenkwestie op de Westelijke Jordaanoever.

De misbruiken, overdrijvingen, leugens en vervormingen gepleegd door de opeenvolgende Arabische regeringen, door het Vluchtelingen Agentschap van de Verenigde Naties en door de woordvoerders van de vluchtelingen organisaties, hebben het onmogelijk gemaakt om zelfs al in 1949, een betrouwbaar aantal vluchtelingen te identificeren.

In 1967 begonnen de Arabische staten opnieuw een agressieve oorlog tegen Israël met als gevolg dat Israël de regerende autoriteit werd in de Gazastrook, over de Sinaï woestijn, de Golanhoogte en op de Westelijke Jordaanoever. Onder het Israëlische bestuur van 1967 tot 1992, ondervond de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever de hoogste levensstandaard vergeleken met gelijk welk ander Arabisch land, met uitzondering dan van de olie-staten. Hetzelfde geldt voor de Arabische Israëliërs. De Arabische bevolking op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook is sinds juni 1967 maar liefst verdrievoudigd!

gazacity
Gaza City 2009: onder de terreur van Hamas

In contrast daarentegen, is sinds de overdracht in 1993 van het gezag op de Westelijke Jordaanoever aan de PLO, de toestand van de Palestijnse bevolking onder het bestuur van de Palestijnse Autoriteit eensklaps gedaald. De levensstandaard van de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever werd uitgehold, en het BNP is nog maar een tiende van wat het was toen het nog onder Israëlische controle stond.

Dit is te wijten aan het wanbeheer van meer dan 5,2 miljard dollar onder het bestuur van de Palestijnse Autoriteit dat het geld liet verdwijnen op de persoonlijke bankrekeningen van Arafat en zijn luitenants en bedoeld werd om wapenvoorraden aan te leggen, de infrastructuur werd verwaarloosd en als gevolg van de voortdurende terreuraanslagen tegen Israël, het land doorgedreven defensieve controles moet uitvoeren als afschrikking.

Gerechtigheid voor Joodse en Arabische vluchtelingen zouden het onderdeel van een vredesregeling kunnen zijn geweest wanneer de Arabische staten daartoe bereid waren geweest. Vandaag zijn nog steeds oplossingen mogelijk, maar alleen wanneer de Palestijnse Autoriteit zal stoppen met haar nieuwe oorlog van terreur.

Wordt vervolgd in ‘Grote Leugens deel 3: De kwestie van de bezetting

Bron: Free Republic.com: BIG LIES: Demolishing The Myths of the Propaganda War Against Israel door David Meir-Levi met een voorwoord van David Horowitz; een publicatie van het Center for the Study of Popular Culture; Los Angeles, Californië (VS) 7 oktober 2005; website: Students For Academic Freedom; deel 2 werd vrij bewerkt en vertaald door Brabosh op 1 november 2009

4 gedachtes over “Grote Leugens deel 2: De creatie van het vluchtelingenprobleem in acht stappen

  1. Het zal goed zijn als Meulenbelt-van Agt-van Bommel deze teksten goed tot zich zouden nemen.
    Door de boeken van Bodie Thoene was ik al aardig op de hoogte.
    Maar nu is nog veel meer duidelijk.
    Zoals gebruikelijk elders is hier ook weer de kleine man de dupe/slachtoffer van de malversaties v/d (mis)leiders.
    Shalom Yisrael.

    Like

  2. Nooit geen goordere, misleidende, leugenachtige en denigrerende tekst op het internet gelezen dan dit gebral. Ik had al veel van je strapatsen gehoord maar dit slaat alles. Tekstjes vertalen kan iedereen – maar de inhoud dan ook nog eens klakkeloos overnemen en voor waarheid aannemen kan alleen jij. Men zou je voor de rechtbank moeten brengen joods-would-be-vriendje.

    Like

  3. Stel je voor dat ooit de leugenaars over de nakba hun zaak moesten verdedigen tegenover een rechtbank én die zaak verliezen. Wat zou je dan zeggen? “Nu heeft de Joodse lobby ook al justitie in de macht?” Volgende keer beter met argumenten uitpakken in plaats van ordinair gescheld. Tenslotte heb ik niet die tekst geschreven maar een ander.

    Like

Reacties zijn gesloten.