Het ware verhaal van de NAKBA, de vlucht van de Arabieren uit Palestina 1947-1949 – deel 2

Het musuem van de I.Z.L. (1947-1948) ter ere van Amihai Paglin (“Gidi”), de commandant van de I.Z.L., werd opgedragen aan de 41 strijders die sneuvelden tijdens de gevechten in de slag om Jaffa
Het museum van de I.Z.L. (1947-1948) ter ere van Amihai Paglin (“Gidi”), de commandant van de I.Z.L., werd opgedragen aan de 41 strijders die sneuvelden tijdens de gevechten in de slag om Jaffa april/mei 1948

Over de zogeheten ‘nakba’, de vlucht van de Arabieren uit Palestina tussen 1947 en 1949, circuleren nogal wat Wild-West verhalen, nagenoeg allemaal van Arabische en Palestijnse origine en gestoffeerd en al dan niet ‘intellectueel’ geschraagd door westerse journalisten, auteurs, historici tot en met de Israëlische ‘nieuwe historici’. De hierna volgende vlijmscherpe en recente analyse van Efraïm Karsh van de vlucht van de Arabieren uit Palestina rond 1948 is er een die niemand kan negeren.

In de oorspronkelijke engelstalige versie werd elke passage voorzien van een bron en voetnoot. Gezien de lengte heb ik die niet opgenomen in deze vertaling. Dus, voor wie de bronnen wil traceren die Efraïm Karsh heeft gebruikt voor zijn analyse, moet ik helaas naar die engelstalige versie verwijzen (zie onderaan bij bronnen). De oorspronkelijke titel ‘1948, Israel, and the Palestinians—The True Story‘ heb ik gewijzigd naar ‘Het ware verhaal van de NAKBA’ omdat die titel imho nederlandstalige lezers in België en Nederland wellicht meer zal aanspreken. Het ware verhaal van de Nakba verschijnt noodgedwongen – omwille van de lengte van de tekst – in twee afleveringen op deze blog.

Het ware verhaal van de NAKBA – deel 2

1948, Israel, and the Palestinians—The True Story

door Efraïm Karsh

Laatste passage uit deel 1: De Palestijns-Arabische leiders beloofden dat “indien het verdeelplan moet worden uitgevoerd, dit alleen zal bereikt worden over de dode lichamen van de Arabieren van Palestina, hun zonen en hun vrouwen.” De Irakese commandant Qawuqji van het Arabische Bevrijdingsleger (ALA) zwoor “om alle Joden in de zee te drijven.” Abdel Qader Hoesseini verklaarde dat “het Palestijnse probleem alleen door het zwaard zal worden opgelost; alle Joden moeten Palestina verlaten.”

Zij en hun Arabische medestanders deden hun uiterste best om deze bedreigingen te doen uitkomen met alle middelen waarover ze beschikten. Naast de reguliere troepen zoals de ALA, richtten guerrilla- en terreur groepen enorme ravage aan, zowel onder de niet-strijders als onder de Joodse gevechtseenheden. Vuurgevechten, sluipschutters, hinderlagen, bomaanslagen, die in de wereld van vandaag zouden veroordeeld worden als oorlogsmisdaden, waren dagelijkse kost in het leven van burgers. “Onschuldige en weerloze mensen, die hun dagdagelijkse ding deden”, schreef de Amerikaanse consul-generaal in Jeruzalem Robert Macatee in december 1947, worden getroffen tijdens het rijden in bussen of wanneer ze in de straten lopen en verdwaalde schoten treffen zelfs mensen tijdens hun slaap in bed. Een Joodse vrouw, moeder van vijf kinderen, werd neergeschoten in Jeruzalem terwijl ze wasgoed te drogen hing op haar dak. De ambulance die haar in allerijl naar het ziekenhuis voerde werd met machinegeweren onder vuur genomen en tenslotte werden op haar begrafenis de rouwenden aangevallen en werd een van hen doodgestoken.

Door de toename van de gevechten, deelden ook de Arabische burgers de klappen en af en toe leidde een gruweldaad tot een cyclus van grootschalig geweld. Zo werd de moord op zes Arabische arbeiders in december 1947 in een olieraffinaderij de buurt van de Haifa gepleegd door de kleine Joodse ondergrondse groep IZL (Irgun Zvai Leumi/Irgoen), onmiddellijk gevolgd door de slachting van 39 Joden door hun Arabische collega’s, net zoals de dood van zo’n 100 Arabieren tijdens de strijd om het dorp Deir Yasin in april 1948 binnen enkele dagen werd ‘gewroken’ door de moord op 77 Joodse verpleegkundigen en artsen die op weg waren naar het Hadassah ziekenhuis op de Scopus Berg.

Het bloedbad in Deri Yassin in april 1948: 106 doden, door de Arabieren spoedig opgeblazen tot 500 en meer doden, zorgde voor een golf van paniek op het Arabische platteland
Het bloedbad in Deir Yassin op 8/9 april 1948, balans: 106 doden. Dit cijfer werd door de Arabische propaganda spoedig opgeblazen tot 246 en later zelfs tot 500 en meer doden en veroorzaakte een golf van paniek op het Arabische platteland. Dat er op 13 april 1948 als vergelding 77 Joodse dokters en verplegers worden afgeslacht tijdens een medisch konvooi naar de Scopusberg, wordt dra door iedereen 'vergeten' maar Deir Yassin daarentegen staat tot vandaag symbool voor 'zionistische wreedheid'

Maar terwijl de Joodse leiders en de media deze gruwelijke gebeurtenissen beschreven voor wat ze waren, soms informatie achter hielden om paniek te voorkomen en aldus de deur open hielden voor Arabisch-Joodse verzoening, werd door hun Arabische tegenhangers de tol niet alleen opgeblazen tot gigantische proporties, maar bedachten ze talrijke onbestaande wreedheden. De val van Haifa bijvoorbeeld (21-22 april), gaf aanleiding tot volstrekt valse beweringen over een grootschalige slachting, die verspreid werd in het Midden-Oosten en de westerse hoofdsteden bereikten. Ook valse geruchten werden verspreid na de val van Tiberias (18 april), tijdens de strijd om Safed (begin mei) en in Jaffa, waar eind april de burgemeester een bloedbad fabriceerde van “honderden Arabische mannen en vrouwen.” De verslagen in de Arabische media over het bloedbad in Deir Yasin waren extreem huiveringwekkend, met IZL-strijders die op hun armen hamer en sikkel tatoeages zouden gehad hebben en vals beschuldigd werden van vernielingen en verkrachtingen.

Het doel van deze paniekzaaierij was ongetwijfeld gericht op het winnen van een zo breed mogelijke sympathie voor de Palestijnse situatie door de Joden voor te stellen als wrede roofdieren. Maar oogste het tegenovergestelde effect en draaide uit op een ramp doordat de paniek zich begon te verspreiden binnen de toch al gedesoriënteerde Palestijnse samenleving. Dat verklaart op haar beurt waarom in april 1948, na vier maanden van ogenschijnlijke vooruitgang, de Arabische oorlog in deze fase in elkaar stortte. (Dat gebeurde allemaal aan de vooravond van een tweede, bredere en meer langdurige fase waarin de legers van vijf Arabische landen half mei Palestina zullen binnen vallen.) Want niet alleen namen steeds minder Palestijnen deel aan de vijandelijkheden, steeds grotere aantallen pakten hun hebben en houden bij elkaar, verlieten hun huizen en vluchten weg naar plaatsen elders in het land of naar naburige Arabische landen.

Inderdaad, waren velen gevlucht nog voor de vijandelijkheden waren uitgebroken, en nog grotere aantallen trokken er vandoor voordat de oorlog hun eigen voordeur bereikte. “Arabieren met hun families verlaten in grote aantallen het land en er is een uittocht van de gemengde steden tot in de landelijke Arabische centra,” meldde Alan Cunningham, de Britse Hoge Commissaris, in december 1947, en hij zal er een maand later nog aan toevoegen dat de “paniek bij de middenklasse blijft voortduren en er een gestage uittocht plaatsvind van diegenen die het zich kunnen veroorloven om het land te verlaten.”

In navolging van deze verslagen, vertelden medio december inlichtingenbronnen bij de Haganah dat een “een uitzinnige evacuatiegolf bezit heeft genomen van hele Arabische dorpen.” De toestand werd dra onhoudbaar en nog vóór de maand voorbij was, kloegen veel Palestijnse Arabische steden over de ernstige problemen die ontstonden door de enorme toestroom van dorpelingen en smeekten de AHC (Arab Higher Comitee, het politiek orgaan van de Arabische gemeenschap in het Mandaat Palestina) dringend om hulp om een oplossing voor die toestand te vinden. Zelfs de Syrische en Libanese regeringen waren verontrust door deze vroege uittocht, en eisten van de AHC dat het de Palestijnse Arabieren zou aanmoedigen om te blijven en de strijd verder te zetten.

Maar er kwamen geen dergelijke aanmoedigingen, noch van het AHC noch van elders. In feite was elke nationale samenhang zoek, laat staan dat er een gevoel bestond van gedeelde lotsbestemming. Steden en dorpen handelden alsof zij op zichzelf staande eenheden waren, enkel om hun eigen behoeften gaven en het kleinste offer schuwden dat naar andere plaatsen [waar de nood dikwijls veel groter was] zou gaan. Veel “nationale comité’s” (dwz, de lokale leiders) verboden de uitvoer van voedsel en drank uit de goed gevulde voorraadkamers van de steden naar behoeftige afgelegen dorpen en steden. De Arabische kooplieden van Haifa weigerden een ernstig tekort aan meel in Jenin te verlichten, terwijl de Gazastrook weigerde eieren en pluimvee naar Jeruzalem uit te voeren; in Hebron controleerden gewapende bewakers alle vertrekkende auto’s. Tegelijkertijd was er een uitgebreide smokkel ontstaan, met name in de gemengde bevolking van de steden, van Arabische levensmiddelen naar Joodse wijken en andersom.

Het totaal gebrek aan gemeenschappelijke solidariteit bleek eveneens uit de erbarmelijke behandeling, die de honderdduizenden vluchtelingen die verspreid waren over het hele land, werd aangedaan. Niet alleen was er geen collectieve poging om hun lot te verlichten, of zelfs geen breder inlevingsvermogen in de directe omgeving te bespeuren, maar veel vluchtelingen werden mishandeld door hun tijdelijke gastheren en onderworpen aan spot en beledigingen voor hun vermeende lafheid. In de woorden van een Joods intelligentie rapport: “De vluchtelingen worden gehaat waar ze ook maar toekomen.”

Zelfs de uitverkoren oorlogsslachtoffers – de overlevenden van het bloedbad in Deir Yasin –ontliepen hun aandeel in de vernederingen niet. Velen vonden een toevlucht in het naburige dorp Silwan, maar leefden al snel op gespannen voet met de lokale bevolking, tot het punt waar op 14 april, slechts vijf dagen na de tragedie, een Silwan delegatie naar het AHC kantoor in Jeruzalem trok om te eisen dat de overlevenden elders zouden worden overgebracht. Geen hulp voor hun verhuis zou er nog ooit aankomen.

In sommige plaatsen weigerden men botweg vluchtelingen op te nemen, uit vrees om de eigen bestaansmiddelen uit te putten. In Acre (Akko), verhinderden de autoriteiten dat vluchtende Arabieren in Haifa zouden ontschepen en in Ramallah organiseerde de overwegend christelijke bevolking haar eigen privé militie, niet zozeer om de Joden te bestrijden maar om te verhinderen dat nieuwe moslims zouden neerstrijken. Velen maakten ongegeneerd misbruik van de penibele situatie waarin de vluchtelingen verkeerden, met name door hen compleet kaal te plukken voor primaire zaken zoals transport en huisvesting.

arabrefugeeToch bleven de Palestijnen nog steeds hun huizen ontvluchten en in een nog steeds toenemend tempo. Begin april 1948 waren er reeds zo’n 100.000 vertrokken, hoewel de Joden op dat ogenblik nog steeds in het defensief waren en helemaal niet in de positie stonden om hen te verdrijven. (Op 23 maart, een volle vier maanden na het uitbreken van de vijandelijkheden, noteerde Safwat, chef-commandant van de ALA, met enige verbazing dat de Joden “tot nog toe geen enkel Arabisch dorp hebben aangevallen behalve wanneer het daartoe werd uitgedaagd.”) Tegen de tijd van de onafhankelijkheidsverklaring van Israël op 14 mei, was het aantal Arabische vluchtelingen meer dan verdrievoudigd. Zelfs dan, werden geen van de 170,000-180,000 Arabieren die de stedelijke centra waren ontvlucht en slechts een handvol van de 130,000-160,000 dorpelingen die hun huizen hadden verlaten, daartoe gedwongen door de Joden.

De uitzonderingen die voorkwamen in het hevigste van de strijd, werden op uniforme wijze bepaald door ad-hoc-militaire overwegingen om het aantal burgerslachtoffers te reduceren, door Arabische strijders uit bepaalde plaatsen weg te houden wanneer er geen Joodse strijdkrachten beschikbaar waren om hen af te weren eerder dan uit politieke overwegingen. Ze gingen bovendien gepaard met inspanningen om het vluchten te voorkomen en/of de terugkeer te bevorderen van mensen die gevlucht waren. Om maar een voorbeeld te noemen, begin april trok een Joodse delegatie, die was samengesteld uit topadviseurs in Arabische zaken, lokale notabelen en gemeentelijke chefs die nauwe contacten hadden met naburige Arabische gemeenten, doorheen de Arabische dorpen in de kustvlakte die in een duizelingwekkende tempo leegliepen, in een poging hen te overtuigen dat hun inwoners zouden blijven.

Wat al deze Joodse alle inspanningen nog indrukwekkender maakt is dat ze plaatsvonden in een tijd waarin grote aantallen Palestijnse Arabieren actief uit hun huizen werden gedreven, hetzij door hun eigen leiders en/of door Arabische strijdkrachten, of uit militaire overwegingen of om te voorkomen dat ze burgers zouden worden van de toekomstige Joodse staat. In het grootste en bekendste voorbeeld, werden tienduizenden Arabieren op bevel van de AHC gesommeerd of gedwongen de stad Haïfa te verlaten, ondanks intensieve pogingen van de Joden om hen te overtuigen om te blijven. Slechts enkele dagen eerder, werd de 6000 sterke Arabische gemeenschap van Tiberias op soortgelijke wijze door haar eigen leiders gedwongen te vluchten, tegen de lokale Joodse wensen in. In Jaffa, Palestina’s grootste Arabische stad, organiseerde het gemeentebestuur de vlucht van duizenden bewoners over land en zee; in Jeruzalem beval de AHC vrouwen en kinderen te vertrekken en lokale bendeleiders jaagden de bewoners weg uit verschillende buurten.

Tienduizenden dorpelingen op het platteland werden op soortgelijke wijze gedwongen hun biezen te pakken in opdracht van de AHC, van lokale Arabische milities of door de ALA. Binnen enkele weken na de aankomst van de laatstgenoemde in Palestina in januari 1948, begonnen geruchten te circuleren over geheime instructies voor de Arabieren in de overwegend Joodse gebieden om hun dorpen te verlaten, zodat ze konden gebruikt worden voor militaire doeleinden en om het risico dat ze zouden worden gegijzeld door de Joden te verminderen.

Tegen februari was dit verschijnsel uitgewaaid tot in de meeste delen van het land. Het kreeg aanzienlijk meer dynamiek in april en mei wanneer ALA en AHC troepen zich in Palestina volledig hadden ontplooid. Op 18 april signaleerde de geheime dienst van het filiaal van de Haganah in Jeruzalem, een nieuwe algemeen bevel om vrouwen en kinderen te verwijderen uit alle dorpen die grensden aan Joodse gemeenten. Twaalf dagen later maakte haar medestander in Haifa melding dat een ALA-commando het bevel had uitgevaardigd om alle Arabische dorpen tussen Tel Aviv en Haifa te ontruimen in afwachting van een nieuw algemeen offensief. In het begin van mei, wanneer de strijd wordt geïntensiveerd in het oosten van Galilea, werden lokale Arabieren gecommandeerd om alle vrouwen en kinderen in het Rosh Pina gebied weg te voeren, terwijl in het sub-district van Jeruzalem, het Arabisch Legioen van Trans-Jordanië de volledige ontruiming beval van talloze dorpen.

Generael Sir Alan Cunningham, de laatste Hoge Commisaris van het Britse Mandaat Palestina:
Generaal Sir Alan Cunningham, de laatste Hoge Commissaris van het Britse Mandaat Palestina (© Bettmann/CORBIS)

Wat de Palestijnse Arabische leiders zelf betreft, die tegen de zin van hun kiezers in hen in de jaren 1920 en 1930 op een ramkoers met het zionisme hadden gezet en hen thans hulpeloos hadden meegesleept in een dodelijk conflict, haastten zij zich om weg te komen uit Palestina op het meest kritieke moment. In de staart van de hier hoger aangehaalde gebeurtenissen, stormden de plaatselijke leiders eveneens massaal door de deur. De Hoge Commissaris van het Mandaat Palestina Sir Alan Cunningham vat – met een typisch Britse understatement – hieronder samen wat er toen gebeurde:

“U moet weten dat de ineenstorting van het Arabische moreel in Palestina in zekere mate te wijten is aan de toenemende tendens [om de vlucht te nemen] van hen die verondersteld worden de mensen te leiden om het land te verlaten… Zo ging bijvoorbeeld de burgemeester van Jaffa 12 dagen geleden op een 4-daagse trip en is niet teruggekeerd, en de helft van het nationaal comité heeft de stad verlaten. In Haifa hebben de Arabische gemeenteraadsleden de gemeente enige tijd geleden verlaten, de twee leiders van het Arabische Bevrijdingsleger hebben recent het strijdtoneel daadwerkelijk verlaten. Thans heeft de voornaamste Arabische magistraat de stad verlaten. In alle delen van het land en gespreid over een lange periode, evacueren de klasse van de Effendi in grote aantallen en het tempo neemt nog steeds toe.”

Arif al-Arif, een prominente Arabische politicus tijdens het tijdperk van het mandaat en de nestor van de Palestijnse historici, beschreef de heersende sfeer in de tijd aldus: “Waar men ook gaat door het hele land hoort men steeds hetzelfde refrein: ‘Waar zijn de leiders die ons de weg moeten tonen? Waar is de AHC? Waarom zijn haar leden in Egypte op het ogenblik dat Palestina, hun eigen land, ze nodig heeft? ‘”

Nimr Muhammad al-Khatib, een Palestijns-Arabische leider tijdens de oorlog van 1948, zal de situatie later in deze woorden samenvatten: “De Palestijnen hadden naburige Arabische staten die hun grenzen en deuren voor de vluchtelingen hadden geopend, terwijl de joden geen andere mogelijkheid hadden dan te triomferen of te sterven.”

Dit geldt waar genoeg voor de Joden, maar het gaf voedsel aan de reden voor de vlucht van de vluchtelingen en verstoorde radicaal de kwaliteit van hun opvang elders. Als ze op geen enkele sympathie konden rekenen bij hun broeders thuis,was de reactie in de hele Arabische wereld zo mogelijk nog harder. Er waren herhaalde oproepen voor de gedwongen terugkeer van de vluchtelingen, of op zijn minst van jonge mannen van militaire leeftijd, van wie velen waren toegekomen onder het (valse) voorwendsel van vrijwilligerswerk voor de ALA. Naarmate het einde van het mandaat dichterbij kwam, weigerde de Libanese regering visa voor Palestijnse mannen tussen achttien en vijftig jaar oud en beval alle ‘gezonde en fitte mannen’ die al het land waren binnengekomen, zich officieel te registreren of anders zouden zij als illegale vreemdelingen worden beschouwd en de gevolgen moeten dragen van de toepassing van de wet.

De Syrische regering pakte de zaken nog strenger aan en verbood de toegang tot haar grondgebied aan alle Palestijnse mannen tussen de zestien en vijftig jaar oud. In Egypte trok een groot aantal betogers naar het Arabische hoofdkwartier in Caïro en dienden een petitie in waarin ze eisten dat “elke gezonde Palestijn die in staat is om wapens te hanteren moet verboden worden om in het buitenland verblijven.” Zodanig groot was de omvang van de Arabische wrok richting Palestijnse vluchtelingen, dat de rector van het Al-Azhar Instituut van Caïro, waarschijnlijk de belangrijkste islamitische autoriteit in die tijd, zich verplicht voelde om een uitspraak te doen in de kwestie van de Palestijns Arabische vluchtelingen met name dat de opvang [van die vluchtelingen] ‘een religieuze plicht is’

De [Arabische] minachting voor de Palestijnen werd in de loop van de tijd alleen maar geïntensiveerd. “De Palestijnse Arabieren zijn in de ban van de angst en vluchten het land uit”, aldus Radio Bagdad aan de vooravond van de pan-Arabische invasie van de pasgeboren staat Israël half mei 1948. “Dit zijn inderdaad harde woorden, maar ze zijn waar.” Camille Chamoun, Minister van Binnenlandse Zaken van Libanon (en toekomstige president) was behoedzamer zeggende dat “Het volk van Palestina, in haar vorige weerstand tegen imperialisten en zionisten, bewezen de onafhankelijkheid waardig te zijn,” maar “ in deze beslissende fase van de strijd hebben zij zich niet zo waardig gehouden.”

Geen wonder, dat destijds maar weinig van de Palestijnse vluchtelingen de Joden de schuld gaven van hun eigen ineenstorting en verspreiding. Tijdens een onderzoekscommissie naar de Gazastrook in juni 1949 was Sir John Troutbeck, het hoofd van de Britse zetel voor het Midden-Oosten in Caïro en zeker geen vriend van Israël of van de Joden, verbaasd om te ontdekken dat “de vluchtelingen helemaal niet verbitterd waren over de Joden (en ook niet wat de Amerikanen of onszelf betreft), maar zij wel met de grootst mogelijke bitterheid over de Egyptenaren en andere Arabische staten spraken. ‘We weten wie onze vijanden zijn,’ zullen zij zeggen en verwijzen naar hun Arabische broeders die, zo verklaarden zij, hen ervan overtuigden om hun huizen onnodig te verlaten… Ik heb zelfs horen zeggen dat veel van de vluchtelingen de Israëli’s hartelijk verwelkomen wanneer ze toekomen om de wijk over te nemen.”

Zestig jaar na hun verspreiding, verblijven de vluchtelingen van 1948 en hun nakomelingen nog steeds in de smerige kampen waar zij worden vast gehouden door hun Arabische broeders, terend op haat en valse hoop. Ondertussen hebben hun voormalige leiders opeenvolgende kansen voor een eigen staat verkwist.

Het is inderdaad de tragedie van de Palestijnen dat de twee leiders die hun nationale ontwikkeling bepaalden tijdens de 20e eeuw – Hajj Amin al-Hoesseini en Yasser Arafat, de laatste die de Palestijnse politiek domineerde sinds halverwege de jaren 1960 tot aan zijn dood in november 2004 – megalomane extremisten waren, verblind door anti-Joodse haat en intens geobsedeerd door geweld. Had de groot-moefti ervoor gekozen om zijn volk te leiden naar vrede en verzoening met hun Joodse buren, zoals hij de Britse ambtenaren had beloofd die hem in het begin van de jaren 1920 tot zijn hoge rang hadden benoemd, dan zouden de Palestijnen in 1948 hun onafhankelijke staat hebben gehad op een wezenlijk deel van het Brits Mandaat Palestina en zou het bespaard zijn gebleven van de traumatische ervaring van hun verstrooiing en ballingschap. Had Arafat de PLO vanaf het begin op de weg naar vrede en verzoening gezet, in de plaats van die organisatie te veranderen in een van de meest moorddadige terroristische organisaties van onze moderne tijd, dan zou een Palestijnse staat zijn opgericht in de late jaren 1960 of in het begin van de jaren 1970, of in 1979 als een uitvloeisel van de Egyptisch-Israëlisch vredesverdrag; of in mei 1999 als onderdeel van het Oslo-akkoorden, of ten laatste tijdens de onderhandelingen van juli 2000 in Camp David.

In plaats daarvan Arafat veranderde de gebieden die onder zijn controle stonden in de jaren 1990 in een effectieve staat van terreur, vanwaar hij een totale oorlog begon (de al-Aqsa Intifada) kort nadat hem onafhankelijke Palestijnse staat werd aangeboden in de Gazastrook en 92 procent van de Westelijke Jordaanoever met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. Tijdens dat proces, onderwierp hij de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook aan een repressief en corrupt regime in de slechtste traditie van de Arabische dictaturen en stortte hun levensstandaard tot ongekende diepten.

Wat deze toestand des te wranger maakt is dat los van hun ongelukkige aberraties, Hajj Amin en Arafat typische vertegenwoordigers waren van de cynische en zelfzuchtige leiders die door het Arabische politieke systeem werden geproduceerd. Net zoals de Palestijnse leiders tijdens het mandaat niet twijfelden om hun kiezers aan te zetten tot haat tegen het zionisme en de Joden, onderwijl hun eigen zakken vullende met de vruchten van het Joodse ondernemerschap, maakten de ambtenaren van de PLO gretig misbruik van de miljarden dollars die hun werden geschonken door de Arabische oliestaten en, tijdens het Oslo-tijdperk, door de internationale gemeenschap hun luxueuze levensstijl laten financieren terwijl de gewone Palestijnen moesten krabben voor hun dagelijks levensonderhoud.

En zo is dat gegaan. Zes decennia nadat de groot-moefti en zijn trawanten hun mensen veroordeelden tot statenloosheid door afwijzing van het verdeelplan met Resolutie 181 van de Verenigde Naties, worden hun roekeloze beslissingen van toen nagespeeld door de nieuwste generatie van Palestijnse leiders. Dit geldt niet alleen voor Hamas, dat in januari 2006 de PLO aan het roer van de Palestijnse Autoriteit (PA) heeft vervangen, maar ook voor de zogenaamde gematigde Palestijnse leiders – van president Mahmoud Abbas tot over Ahmad Qureia (onderhandelaar tijdens de Oslo-akkoorden in 1993), van Saeb Erekat tot aan premier Salam Fayad – die recent nog weigerde het bestaan van Israël te erkennen als een Joodse staat en aandringt op de volledige uitvoering van het ‘recht van terugkeer’ [van de Arabische vluchtelingen én hun 4 miljoen nakomelingen.]

En zo gaat dat ook met de Westerse antizionisten, die niet minder dan ‘in naam van de rechtvaardigheid’ tot op vandaag nog steeds oproepen niét om een nieuw en fundamenteel verschillend Arabische leiderschap, maar tot de ontmanteling van de Joodse staat. Alleen wanneer deze disposities veranderen zullen de Palestijnse Arabieren realistisch kunnen uitkijken om eindelijk die ‘catastrofe’ [= nakba] – die ze enkel aan zichzelf te wijten hebben – achter zich kunnen laten.

Bronnen: Commentary Magazine: 1948, Israel, and the Palestinians—The True Story door Efraim Karsh, mei 2008, vrij vertaald en bewerkt door Brabosh op 23 oktober 2009; Cidi.nl / CIDI Israel Nieuwsbrief 2008: De Naqba en de waarheid van 6 juni 2008; op deze blog: Grote Leugens deel 1: Het vluchtelingenprobleem van 16 oktober 2009; Mahmoud Abbas over de Naqba: ‘Wij verlieten ons dorp in 1948 uit vrije wil’ van 9 juli 2009; Waarheid en mythe over de Naqba, de vlucht van de Arabieren uit Palestina van 9 juli 2009; Israël wil herdenken van Palestijnse ‘naqba’ bij wet verbieden van 25 mei 2009 en Joden van Jemen in het geheim naar Israël gesmokkeld van 22 februari 2009; De verzwegen exodus: de verdrijving van 850.000 Joden uit het M-O door de Arabieren van 24 maart 2009 en Joodse en Arabische vluchtelingen: het verschil tussen retoriek en realiteit van 28 februari 2009

Een gedachte over “Het ware verhaal van de NAKBA, de vlucht van de Arabieren uit Palestina 1947-1949 – deel 2

  1. Het blijft voor mij nog steeds onduidelijk waarom/waardoor volgelingen van Mo, steeds blijven proberen om in eigen voet(en) te schieten.
    Zij doen het al zo lang (1400 jaar) dat zij geen been meer hebben om op te staan.
    Daarom hulde aan degenen die hen verteld over de redding van de Zoon v/d Almachtige.
    Baruch aba ha Shem Adonai.
    Shalom.

    Like

Reacties zijn gesloten.