Het ware verhaal van de NAKBA, de vlucht van de Arabieren uit Palestina 1947-1949 – deel 1

nakba1948

Over de zogeheten ‘nakba’, de vlucht van de Arabieren uit Palestina tussen 1947 en 1949, circuleren nogal wat Wild-West verhalen, nagenoeg allemaal van Arabische en Palestijnse origine en gestoffeerd en al dan niet ‘intellectueel’ geschraagd door westerse journalisten, auteurs, historici tot en met de Israëlische ‘nieuwe historici’. Recent, zondag 4 oktober 2009, toen ik een debat in Antwerpen bijwoonde met als titel: ‘61 jaar, 4 maanden en 20 dagen Israël’, hoorde ik Lucas Catherine en de zelfbenoemde dichter Charles Ducal nog letterlijk over de nakba zeggen “dat de Palestijnen uit hun land van oorsprong werden verdreven door het Israëlische leger.” Dat zijn om te beginnen al drie leugens op een rij: ‘Palestijnen’ – ‘land van oorsprong’ en ‘verdreven door het Israëlische leger’.

'Al bij al een opvallende, eenzijdige en bijzonder ongenuanceerde sloganeske veroordeling van de Israëlische staat die in werkelijkheid op geen enkele historisch feit berust. Bovendien eisen zij de onmiddellijke terugkeer van 4 miljoen [?] nazaten van Palestijnse vluchtelingen met het gekende resultaat zoals onlangs Wim Lankamp, voorzitter van het Nederlands Palestina Komitee, openlijk toegaf: “Dat betekent inderdaad het einde van het huidige Israël.” Dus toch de vernietiging van de Joodse staat als doel gevolgd door een nieuwe judeocide. Toegegeven, dat was tenminste een duidelijk antwoord.

Om dergelijke slogans afdoende te beantwoorden en te weerleggen had ik ervoor kunnen kiezen om nieuwe slogans te bedenken om me daar snel vanaf te kunnen maken maar dat zou in de eerste plaats van een totale intellectuele oneerlijkheid getuigen en helemaal geen licht werpen op de werkelijke draad van historische gebeurtenissen van de beslissende jaren 1947 tot en met 1949 rondom de stichting van de Joodse staat. Vandaar mijn beslissing om op deze blog lijvige teksten te publiceren die eerder door andere onderzoekers werden geschreven en op een verantwoorde wijze iedereen uit te nodigen om op eigen houtje op onderzoek te gaan naar de ware loop van de feitelijke gebeurtenissen, in de hoop om deze hoax over de nakba eens en voor altijd op te doeken.

De hierna volgende vlijmscherpe en recente analyse van Efraïm Karsh van de vlucht van de Arabieren uit Palestina rond 1948 is er een die niemand kan negeren. In de oorspronkelijke engelstalige versie werd elke passage voorzien van een bron en voetnoot. Gezien de lengte heb ik die niet opgenomen in deze vertaling. Dus, voor wie de bronnen wil traceren die Efraïm Karsh heeft gebruikt voor zijn analyse, moet ik helaas naar die engelstalige versie verwijzen (zie onderaan bij bronnen). De oorsponkelijke titel ‘1948, Israel, and the Palestinians—The True Story‘ heb ik gewijzigd naar ‘Het ware verhaal van de NAKBA’ omdat die titel imho nederlandstalige lezers in België en Nederland wellicht meer zal aanspreken. Het ware verhaal van de Nakba verschijnt noodgedwongen – omwille van de lengte van de tekst – in twee afleveringen op deze blog.

Het ware verhaal van de NAKBA

1948, Israel, and the Palestinians—The True Story

door Efraïm Karsh

Zestig jaar na de oprichting van een internationaal erkende daad van zelfbeschikking, blijft Israël de enige staat in de wereld die constant besmeurd wordt met de meest bizarre complottheorieën en bloedsprookjes, waarvan haar beleid en acties obsessief worden veroordeeld door de internationale gemeenschap, en van wie het bestaansrecht voortdurend ter discussie staat en in twijfel wordt getrokken, niet enkel door haar Arabische vijanden, maar door segmenten van de geavanceerde opinie in het Westen.

Professor J.C. Horewitz
Professor J.C. Hurewitz

Tijdens de afgelopen tien jaar of zo, is de feitelijke afschaffing van de Joodse staat onder veel van deze hoogopgeleide westerlingen uitgegroeid tot een cause célèbre. De ‘één-staat-oplossing’, zoals dat heet, is een eufemistische formule die de vervanging voorstelt van Israël door een staat, theoretisch over het gehele grondgebied van het historische Palestina, waar Joden zullen verlaagd worden tot de status van een permanente minderheid. Alleen op die manier, zo wordt gezegd, kan de “erfzonde” worden vergoed voor de stichting van Israël, een handeling die werd gebouwd (in de woorden van een criticus) “op de ruïnes van het Arabische Palestina” en verwezenlijkt werd door de opzettelijke en agressieve onteigening van haar inheemse bevolking.

Deze bewering van het met voorbedachte rade onteigenen en de daaruit voortvloeiende creatie van het reeds lang bestaande Palestijnse ‘vluchtelingen probleem’, vormen inderdaad het centrale element in de akte van de beschuldiging waarop door de vermeende slachtoffers van Israël en hun westerse aanhangers voortdurend wordt gehamerd. Het is een beschuldiging die nauwelijks wordt betwist. Echter, al in het midden van de jaren 1950, heeft de eminente Amerikaanse historicus J.C. Hurewitz gewerkt aan een systematische weerlegging en zijn bevindingen werden overvloedig bevestigd door latere generaties van geleerden en schrijvers. Zelfs Benny Morris, de meest invloedrijke van de Israëlische revisionistische ‘nieuwe historici’, en een die op zijn manier de zaak van Israëls ‘erfzonde’ zou vast stellen, moest schoorvoetend en met veel tegenzin toegeven dat er niet zoiets bestond als een ‘masterplan’ om de Palestijnse Arabieren te verdrijven.

De recente declassificatie van miljoenen documenten uit de periode van het Britse mandaat (1920-1948) en de eerste dagen van Israël, documenten die door eerdere generaties van schrijvers onbenut bleven en genegeerd of verstoord werden door de ‘nieuwe historici’, geven een veel meer definitief beeld weer van de historische gebeurtenissen. Hieruit blijkt dat de beschuldiging van onteigening niet alleen volledig ongegrond is, maar het omgekeerde van de waarheid is. Wat hierna volgt is gebaseerd op recent onderzoek van deze documenten, die veel feiten en gegevens bevatten die tot nu toe niet werden geopenbaard.

Verre van het ongelukkige object te zijn van een roofzuchtige zionistische aanval, waren het de Palestijns-Arabische leiders die vanaf de vroege jaren 1920 en zeer tegen de wensen van hun eigen aanhangers, gestart zijn met een niet aflatende campagne om de Joodse nationale heropleving te vernietigen. Deze campagne culmineerde in een gewelddadige poging om de VN-resolutie van 29 november 1947 tegen te houden, waarin werd opgeroepen tot de oprichting van twee staten. Hadden deze leiders, en hun tegenhangers in de naburige Arabische landen, de VN-resolutie aanvaard, dan zou er geen oorlog en in de eerste plaats ook geen ontwrichting zijn geweest.

Ze'ev Jabotinsky 1880-1940, oprichter en leider van Irgoen
Ze’ev Jabotinsky 1880-1940, oprichter en leider van de Joodse ondergrondse organisatie Irgoen

Het simpele feit dat de zionistische beweging altijd open heeft gestaan voor het bestaan in de toekomstige Joodse staat van een substantiële Arabische minderheid en die op gelijke voet zou deelnemen “in alle sectoren van het openbare leven van het land.” De woorden zijn die van Ze’ev Jabotinsky, de grondlegger van die tak van het zionisme die aan de grondslag ligt van stichting van de huidige Likoed partij. In een beroemd artikel uit 1923, sprak Jabotinsky zijn bereidheid uit “om een eed af te leggen die onszelf en onze nakomelingen ertoe zou verbinden dat we nooit zullen doen wat in strijd is met het beginsel van gelijke rechten, en dat we nooit zullen proberen iemand uit te sluiten.”

Elf jaar later, kreeg Jabotinsky het voorzitterschap voor het opstellen van een grondwet voor een Joods Palestina. Volgens deze bepalingen, delen Arabieren en Joden zowel de prerogatieven als de plichten van de staat, waaronder in het bijzonder militaire en civiele dienst. De Hebreeuwse en Arabische taal zouden dezelfde juridische status genieten, en “in elk regeringskabinet waarvan de minister-president een Jood is, zou het vice-premierschap worden aangeboden aan een Arabier en andersom.”

Als dit de uitgangspositie was van de meer “militante” factie van de Joodse nationale beweging, heeft het reguliere zionisme niet alleen de volledige gelijkheid van de Arabische minderheid verleend in de toekomstige Joodse staat maar was het duidelijk van zin om de Arabisch-Joodse samenleving te bevorderen. In januari 1919, toen Chaim Weizmann de aanstaande leider is van de zionistische beweging, bereikte hij een vrede-en samenwerkingsakkoord met de Hasjemitisch emir Faisal ibn Hoessein, de effectieve leider van de opkomende pan-Arabische beweging. Vanaf die tijd tot de afkondiging van de staat Israël op 14 mei 1948, hebben zionistische woordvoerders honderden bijeenkomsten op alle niveaus met Arabische leiders gehouden. Hieraan werd deelgenomen door onder meer Abdoellah ibn Hoessein, de oudere broer van Faisal en oprichter van het emiraat Trans-Jordanië (later het koninkrijk van Jordanië), toenmalig zetelende en oud-ministers-presidenten van Syrië, Libanon, Egypte en Irak, vooraanstaande raadgevers van koning Abdul Aziz ibn Saoed (de stichter van Saoedi-Arabië) alsmede door Palestijns-Arabische elites van alle gezinten.

Nog op 15 september 1947, twee maanden vóór het verstrijken van de VN-resolutie 181 [het verdeelplan van het Britse Mandaat Palestina], hebben twee zionistische afgezanten geprobeerd Abdel Rahman Azzam, secretaris-generaal van de Arabische Liga, ervan te overtuigen dat een Palestijns conflict compleet “nutteloos de beste energie van de Arabische Liga zou opslorpen,” en dat zowel Arabieren als Joden sterk zouden profiteren “van een actief beleid van samenwerking en ontwikkeling.” Achter deze stelling school de eeuwenoude zionistische hoop: dat de materiële vooruitgang ten gevolge van Joodse nederzettingen in Palestina met gemak het pad zouden effenen voor een permanente verzoening met de lokale Arabische bevolking, of toch op zijn minst het project van de Joodse nationale zelfbeschikking genegen zouden zijn. Of zoals David Ben-Goerion, weldra de eerste premier van Israël, in december 1947 aanvoerde: “Als de Arabische burger zich thuis zal voelen in onze staat,… als de staat hem zal helpen om op een waardige en toegewijde manier het economische, sociale en culturele niveau van de Joodse gemeenschap te bereiken, dan zal het Arabische wantrouwen dienovereenkomstig afnemen en een brug worden gebouwd van een Semitische, Joods-Arabische alliantie.”

Op het eerste gezicht, rustte Ben-Goerion’s hoop op redelijke gronden. De instroom van Joodse immigranten en kapitaal na het einde van de Eerste Wereldoorlog had de tot dan statische situatie in Palestina nieuw leven ingeblazen en verhoogde de levensstandaard van de Arabische inwoners ruim boven die in de omliggende Arabische staten. De uitbreiding van de Arabische industrie en landbouw, met name op het gebied van de teelt van citrusvruchten, werd grotendeels gefinancierd met het aldus verkregen kapitaal en met de Joodse know-how verbeterde de Arabische teelt aanzienlijk. In de twee decennia tussen de wereldoorlogen, namen de citrus plantages die in Arabische handen waren toe met een zesvoud, net zoals ook het geval was met de land- en tuinbouwgewassen, terwijl het aantal olijfgaarden verviervoudigde.

Lord Peel komt in 1937 aan in het Britse Mandaat Palestina
Lord Peel komt in 1937 aan in het Britse Mandaat Palestina

Niet minder opmerkelijk was de vooruitgang op gebied van het sociale welzijn. Wellicht het belangrijkste is, dat de sterftecijfers in de islamitische bevolking fors daalden en de levensverwachting gestegen was van 37,5 jaar in 1926-27 tot 50 jaar in 1942-44 (vergelijk met 33 jaar in Egypte). De tabel van de natuurlijke aangroei van de bevolking sprong met een derde naar omhoog. Niets dat ook maar in de buurt komt van deze cijfers in de aangrenzende Arabische landen – toen nog onder Brits bestuur -, en niet te vergeten Nederland, die alleen maar te verklaren valt door de beslissende Joodse bijdrage aan het sociaal-economische welzijn in het Mandaat Palestina. De Britse autoriteiten waren zich wel degelijk bewust van deze sociaal-economische vooruitgang zoals onder meer blijkt uit een rapport uit 1937 van een onderzoekscommissie onder leiding van Lord William Peel: “De algemene weldadige werking van de Joodse immigratie op het Arabische welzijn wordt geïllustreerd door het feit dat de toename van de Arabische bevolking het duidelijkst is in stedelijke gebieden die beïnvloed worden door de Joodse ontwikkeling. Een vergelijking van de telling in 1922 en 1931 laat zien dat zes jaar geleden, de toename in procenten in Haifa 86 procent was, in Jaffa 62, in Jeruzalem 37, terwijl in louter Arabische steden zoals Nabloes en Hebron er maar een 7 procent groei was en in de Gazastrook er zelfs een daling was met 2 procent.”

Indien de overgrote meerderheid van de Palestijnse Arabieren waren overgelaten aan hun lot, zouden ze waarschijnlijk tevreden zijn geweest dat ze konden profiteren van de kansen die hen werden aangeboden. Dit blijkt uit het feit dat tijdens het tijdperk van het mandaat, de periodes van vreedzame coëxistentie veel hoger lagen vergeleken met de periodes van gewelddadige uitbarstingen, en het laatste was het werk van slechts een klein deel van de Palestijnse Arabieren. Helaas, voor zowel de Arabieren en als de Joden, werd hoe dan ook geen rekening gehouden met de verwachtingen en wensen van de gewone mensen, net zoals dat maar zelden voorkomt in autoritaire gemeenschappen, die in het algemeen vijandig staan tegenover begrippen zoals de burgermaatschappij of de liberale democratie. In de moderne wereld zijn het bovendien niet de armen en de onderdrukten die de leiding hebben tijdens grote omwentelingen of de grootste gewelddadige daden uitvoeren, maar is het veeleer een militante voorhoede die afkomstig is uit de beter opgeleide en meer bemiddelde klassen van de samenleving.

Zo verging het ook Palestijnen. In de woorden van het rapport van Lord Peel: “We hebben vastgesteld dat, hoewel de Arabieren geprofiteerd hebben van de ontwikkeling van het land als gevolg van de Joodse immigratie, dit geen verzoenend effect heeft gehad. Integendeel… met bijna mathematische precisie heeft de verbetering van de economische situatie in Palestina geleid tot de verslechtering van de politieke situatie.”

Jaffa, 12 juni 1936: het begin van de opstand door Arabische bendes
Jaffa, 12 juni 1936: het begin van de opstand door Arabische bendes

In Palestina werden gewone Arabieren vervolgd en vermoord door hun vermeende meerderen voor de misdaad van “de verkoop van Palestina” aan de joden. Intussen konden diezelfde meerderen zich straffeloos verrijken. De trouwe pan-Arabist Awni Abdel Hadi, die gezworen had “te vechten tot Palestina hetzij onder een vrije Arabische regering komt of het anders een begraafplaats wordt voor alle Joden in het land,” stond persoonlijk de overdracht toe van 7.500 hectare grond aan de zionistische beweging , en sommigen van zijn familieleden, allen gerespecteerde politieke en religieuze figuren, gingen nog een stap verder door de verkoop van feitelijke percelen. Hetzelfde deden ook de talrijke leden van de familie Hoesseini, de belangrijkste Palestijnse Arabische clan tijdens de periode van het Brits Mandaat, met inbegrip van Mohammed Tahir, de vader van Hajj Amin Hoesseini, de beruchte groot-moefti van Jeruzalem.

Het enige waar de groot-moeftie zich om bekommerde was zijn politieke positie te versterken die voor het grootste deel schuilging achter het bloedbad van 1929 waarbij 133 Joden werden vermoord en honderden gewond raakten, net zoals het de strijd voor politieke superioriteit was die de langst durende periode van het Palestijnse Arabische geweld leverde tussen 1936 en 1939. Deze werd overal voorgesteld als een nationalistische opstand tegen zowel het Britse bestuur als tegen de Joodse vluchtelingen die in die tijd naar Palestina trachten te emigreren om te ontsnappen aan de vervolging door de nazi’s. In feite was het een generale repetitie in geweld waarbij veel meer Arabieren dan Joden of Engelsen werden vermoord door Arabische bendes, die de hele Arabische bevolking onderdrukten waardoor duizenden Arabieren het land uitvluchten, en een voorsmaakje werd van wat nog komen zou tijdens de Arabische exodus van 1947-1948.

Sommige Palestijnse Arabieren, die in feite de voorkeur gaven om te strijden tegen de Arabische bendes, zullen met dat doel vaak samenwerken met de Britse autoriteiten en de Hagana, de grootste Joodse ondergrondse verzetsbeweging. Weer anderen zochten onderdak in Joodse buurten. Want ondanks de verlammende sfeer van terreur en een meedogenloze economische boycot, draaide in de praktijk de Arabisch-Joodse samenleving op vele domeinen gewoon verder, zelfs tijdens deze periodes van onrust, en werd na de ineenstorting grotendeels hersteld. Tegen deze achtergrond is het nauwelijks te verwonderen dat de meeste Palestijnen niets te maken wilden hebben met de gewelddadige opstanden die tien jaar later door het Arabisch Hoger Comite (AHC) werden opgezet, comité dat onder leiding stond van de groot-moefti en in die tijd het feitelijke ‘bestuur’ was van de Palestijnse Arabieren, met als enige doel het verdeelplan met de VN-resolutie van 1947 te ondermijnen. Met de herinneringen van 1936-39 nog vers in het geheugen, verkozen velen ervoor om weg te blijven van de strijd. In geen tijd, voerden talrijke Arabische dorpen (en sommige stedelijke gebieden) onderhandelingen met hun Joodse buren over een vredesovereenkomst; op andere plaatsen in het hele land werd op dezelfde wijze gehandeld zonder dat daarvoor een formele instemming bestond.

Evenmin waren de gewone Palestijnen bevreesd om hun hoogste leiderschap te trotseren. Tijdens zijn vele reizen doorheen de regio, constateerde Abdel Qader Husseini, de districts commandant van Jeruzalem en naaste verwant van de groot-moefti, dat het volk vaak onverschillig, zo niet vijandig, reageerde op zijn herhaalde oproepen om de wapens op te nemen. In Hebron, slaagde hij er niet eens in om ook maar één enkele vrijwilliger aan te werven om tegen betaling te dienen in het leger dat hij wilde vormen in die stad, en zijn vele inspanningen in de steden Nabloes, Tulkarm en Qalqiliya hadden nauwelijks meer succes. Arabische dorpelingen, van hun kant, bleken nog minder ontvankelijk voor zijn eisen. In een locatie, Beit Safafa, leed Abdel Qader de ultieme vernedering, toen hij werd uitgedreven door boze inwoners die protesteerden dat hun dorp zou omgevormd worden tot een knooppunt van anti-Joodse aanslagen. Zelfs de weinigen die reageerden op zijn oproep deden dat in het algemeen om wapens te bemachtigen voor hun persoonlijke bescherming en keerden dan terug naar huis.

Er was een economisch aspect aan deze vredelievendheid. Het uitbreken van de vijandelijkheden die georkestreerd werden door de AHC van de groot-moefti, leidden tot een sterke daling van de handel en een begeleidende piek in de kosten van de basisproducten. Veel dorpen, die afhankelijk waren voor hun levensonderhoud van de Joodse of van de gemengde bevolking in de steden, zagen er het nut niet van om honger te lijden door het expliciete doel te ondersteunen van de AHC dat de Joden wilden onderwerpen. Het was door dit algemene gebrek aan oorlogslust in begin februari 1948, meer dan twee maanden nadat de AHC haar gewelddadige campagne gestart was, dat Ben-Goerion opmerkte “dat de Arabieren in de dorpen voor het grootste deel aan de zijlijn zijn gebleven.”

De Iraakse commandant van de ALA Fawzi Qawuqji
De Iraakse commandant van de ALA Fawzi Qawuqji: ‘De Palestijnen zijn onbetrouwbaar, prikkelbaar, moeilijk te controleren en in georganiseerde oorlogsvoering vrijwel oninzetbaar’

De analyse van Ben-Goerion werd gedeeld door de Iraakse algemene Ismail Safwat, een commandant van het Arabische Bevrijdingsleger (Jaysh al-Inqadh al-Arabi/ALA) onder het bevel van Fawzi al-Qawuqji, dat een leger was dat uit Arabische vrijwilligers bestond en dat in Palestina het grootste deel van de strijd leverde in de maanden die vooraf gingen aan de proclamatie van de onafhankelijkheid van Israël. Safwat betreurde dat slechts 800 van de 5000 vrijwilligers die werden opgeleid door de ALA afkomstig waren uit Palestina zelf, en dat de meeste van hen de ALA weer hadden verlaten vooraleer zij hun opleiding hadden voltooid of onmiddellijk daarna waren vertrokken. Het oordeel van Fawzi Qawuqji, de lokale commandant van de ALA-krachten, was niet minder vernietigend. Hij vond dat de Palestijnen “onbetrouwbaar, prikkelbaar en moeilijk te controleren zijn, en in georganiseerde oorlogsvoering vrijwel oninzetbaar blijken.”

Dit standpunt vat de meeste hedendaagse opvattingen samen van die noodlottige zes maanden van gevechten nadat Resolutie 181 over het verdeelplan van Palestina werd goedgekeurd. Zelfs toen tijdens deze maanden de volledige desintegratie van de Palestijnse Arabische samenleving plaatsvond, werd die nergens omschreven als een systematische onteigening van Arabieren door de Joden. Integendeel: het verdeelplan dat in het algemeen door de Arabische leiders werd aangeduid als “Zionistisch van inspiratie, Zionistisch in beginselen, Zionistisch in wezen en Zionistisch in de meeste details” (‘Zionist in inspiration, Zionist in principle, Zionist in substance, and Zionist in most details,’ in de woorden van de Palestijnse academicus Walid Khalidi), en hun leiders brutaal en openhartig waren over hun vastberadenheid om het [verdeelplan] te ondermijnen met wapengeweld, was er geen enkele twijfel over welke kant verantwoordelijk was voor het bloedvergieten.

Evenmin deden de Arabieren een poging om hun schuld te verbergen. Zoals de Joden de krijtlijnen tekenden van hun ontluikende staat en er tegelijkertijd naar streefden om hun Arabische landgenoten ervan te overtuigen dat zij zouden worden (zoals Ben-Goerion het heeft gezegd) “gelijke burgers, gelijk in alles, zonder enige uitzondering,” beloofden de Palestijns-Arabische leiders dat “indien het verdeelplan moet worden uitgevoerd, dit alleen zal bereikt worden over de dode lichamen van de Arabieren van Palestina, hun zonen en hun vrouwen.” Qawuqji zwoor “om alle Joden in de zee te drijven.” Abdel Qader Hoesseini verklaarde dat “het Palestijnse probleem alleen door het zwaard zal worden opgelost; alle Joden moeten Palestina te verlaten.”

Lees verder in ‘Het ware verhaal van de NAKBA – deel 2

Bronnen: Commentary Magazine: 1948, Israel, and the Palestinians—The True Story door Efraim Karsh, mei 2008, vrij vertaald en bewerkt door Brabosh op 17-18 oktober 2009; Cidi.nl / CIDI Israel Nieuwsbrief 2008: De Naqba en de waarheid van 6 juni 2008; op deze blog: Grote Leugens deel 1: Het vluchtelingenprobleem van 16 oktober 2009; Mahmoud Abbas over de Naqba: ‘Wij verlieten ons dorp in 1948 uit vrije wil’ van 9 juli 2009; Waarheid en mythe over de Naqba, de vlucht van de Arabieren uit Palestina van 9 juli 2009; Israël wil herdenken van Palestijnse ‘naqba’ bij wet verbieden van 25 mei 2009 en Joden van Jemen in het geheim naar Israël gesmokkeld van 22 februari 2009; De verzwegen exodus: de verdrijving van 850.000 Joden uit het M-O door de Arabieren van 24 maart 2009 en Joodse en Arabische vluchtelingen: het verschil tussen retoriek en realiteit van 28 februari 2009

4 gedachtes over “Het ware verhaal van de NAKBA, de vlucht van de Arabieren uit Palestina 1947-1949 – deel 1

  1. Fawzi al-Qawuqji was de 2de arabische leider uit Palestina die ook bij Hitler gast aan huize was zoals de mufti. In feite waren de twee belangrijkste arabische leiders uit Palestina beide gast aan huis bij de nazi’s. Het was dus zeer duidelijk wat hun bedoelingen waren met de Joden in Palestina toen de oorlog in 1947 uitbrak.

    Like

  2. There has never been a sovereign, independent and recognized country called Palestine nor any people with a distinct Palestinian identity or nationality for that matter. Before the 1960s. nobody ever spook of a Palestinian people. Not even such a recent meaningful documents like UN 242 doesn’t even mention them. The conflict was an Arab-Israeli conflict between the Arab world and Israel..why did it all of a sudden become a Palestinian-Israeli conflict? Why did the Arab refugees received a special, exclusive treatment from the international community out of the UN’s regular organization dealing with all world’s refugees? How come that the PLO a terrorist organization received a preferential and permanent status and representation at the UN with a whole PR infrastructure, communication etc.? Why not the Kurds, the Basques, the Catalans, Tibetans etc..? The Fakestinians pretend to be the original inhabitants (from time immemorial!) of what some by ignorance or by deceit call Palestine, why did the UN than fell the need to specify that any Arab refugee who arrived at least two years before the start of the hostilities could be considered to be an Arab refugee entitled to return or receive compensation? If that doesn’t stink what does?

    Like

Reacties zijn gesloten.