De blunder van Arafat: de afwijzing van het Barak-Clinton vredesvoorstel

Tussen de onderhandelingen door organiseerde Arafat de 2de Intifada (Al-Aqsa Intifada) om de onderhandelingen te doen mislukken
In volle onderhandelingen in Camp David en nadien in januari 2001 in Taba, organiseerde Arafat tussenin in sep. 2000 de 2de Intifada (Al-Aqsa Intifada) om de onderhandelingen te doen mislukken en tegelijk de publieke opinie aan zijn kant te krijgen, wat hem aardig lukte

Tijdens de vredesonderhandelingen in Camp David in de zomer van 2000 en na het falen ervan een hernieuwde poging om te onderhandelen in Taba in januari 2001 als de ‘onderhandeling van de laatste kans’, had de toenmalige Israëlische Eerste-minister Ehud Barak een enorm genereus aanbod gedaan aan Yasser Arafat, door President Bill Clinton ervan verzekerd dat Arafat dit niet zou weigeren. Het voorstel voorzag onder meer de terugtrekking uit 97 procent van de zogenaamde bezette gebieden, inclusief de terugtrekking uit Oost-Jeruzalem behoudens dan de Joodse en de Armeense wijken, alsook 30 miljard dollar als compensatie voor de vluchtelingen die wel moesten afzien van hun ‘recht op terugkeer’. Nooit voordien was een Israëlische regering zo ver gegaan met toegevingen. In januari 2001 weigerde Arafat nog langer deel te nemen aan de onderhandelingen  in Taba en sloeg de deur definitief achter zich dicht. Een blunder van formaat.

De pro-Palestijnse lobbyisten legden de schuld voor het falen in Camp David-Taba eenzijdig bij Israël of hooguit bij Arafat en Barak samen. In werkelijkheid stond een vredesakkoord met Israël niet op de agenda van Arafat en heeft er ook nooit in gestaan. Enkele maanden na het afspringen van de onderhandelingen in Camp David, greep Arafat een [slecht getimed] bezoek van Ariel Sharon – 28 september 2000 – aan de Tempelberg, als excuus aan om een Tweede Intifada te beginnen, de zogenaamde Al-Aqsa Intifada, die zal duren tot Arafat ziek werd en op 11 november 2004 overleed. Ongeveer 1000 Palestijnen zullen hierbij omkomen. In het volgende artikel legt Alan Dershowitz haarfijn uit wat er zich tijdens die onderhandelingen afspeelde, en belicht in het bijzonder de centrale rol van prins Bandar van Saoedi-Arabië, die hij achter de scène speelde tijdens die vredesonderhandelingen.

De blunder van Arafat: de afwijzing van het vredesvoorstel van Barak-Clinton

Was Arafat Right in Turning Down the Barak-Clinton Peace Proposal?

door Alan Dershowitz

Niet enkel de Amerikaanse presidenten Clinton en George W. Bush hebben alle schuld voor het falen van de vredesonderhandelingen van 2000-2001 op Arafat geladen, maar tegelijk ook vele naaste adviseurs van Arafat deden dat. Zelfs prins Bandar van Saoedi-Arabië, die achter de schermen een centrale rol speelde in de vredesonderhandelingen, noemde de verwerping van Arafat van het aanbod van Barak “een misdaad tegen de Palestijnen – en in feite tegen de hele regio.” De beoordeling door prins Bandar van Arafat’s afwijzing van het vredesplan en de daaruit voortvloeiende brede steun die de Palestijnen kregen, is een goed voorbeeld van hoe het gebruiken van het terrorisme door Arafat wordt aangemoedigd door de dubbele standaard die wordt gehanteerd en waardoor Israël achteraf altijd de schuld krijgt voor het aanbieden van de vrede en de Palestijnen worden beloond voor het afwijzen van de vrede.

Sleutelfiguur tijdnes de onderhandelingen van 2000-2001: Prins Bandar Abdulaziz van Saoedi-Arabië
Sleutelfiguur tijdens de vredesonderhandelingen van 2000-2001: Prins Bandar Abdulaziz van Saoedi-Arabië

Vrijwel iedereen, die een rol speelde in het Camp David-Taba vredesproces, legt de schuld voor het falen van die onderhandelingen volledig bij de beslissing van Arafat om het aanbod van Barak af te wijzen. President Clinton, die woedend was op Arafat en hem een leugenaar noemde, legt het falen volledig bij Arafat. Dennis Ross, de belangrijkste Amerikaanse onderhandelaar in Camp David, heeft gezegd dat Arafat niet bereid was om het vredesvoorstel te aanvaarden, omdat voor Arafat het einde van het conflict tegelijk ook het einde van zichzelf zou betekenen. Het beste bewijs van het standpunt van Ross is het feit dat Arafat zelfs niet de moeite deed om Israël een tegenvoorstel aan te bieden. Hij verwierp het gewoon en deelde instructies uit voor de voorbereiding van hernieuwd terrorisme. Volgens The New Yorker legde ook President Bush “de volledige schuld voor de toename van het geweld bij Arafat”.

Zelfs enkele van Arafat’s meest vertrouwde adviseurs en belangrijkste medewerkers betreurden dat besluit en zelfs Arafat heeft later laten weten dat, indien hetzelfde aanbod hem opnieuw zou worden voorgesteld, hij het zou aanvaarden – maar dan waren er reeds 3.000 volkomen vermijdbare slachtoffers gevallen [tijdens de 2de Intifada]. Natuurlijk was er nadien niemand in Washington of in Israël die Arafat nog serieus nam, nadat hij zowel gelogen had tegen president Clinton in Camp David als tegen president George Bush toen hij tegenover hem ontkende dat hij op de hoogte was van een scheepslading met Iraanse wapens bestemd voor onmiddellijk gebruik door Palestijnse terroristen, ondanks de bekentenis van de gezagvoerder dat zijn orders rechtstreeks van Arafat’s kantoor kwamen. Evenmin wordt Arafat vertrouwd door de meeste duiven in het Israëlische vredeskamp, van wie velen zich verraden voelen door zijn afwijzing van het voorstel dat zij Barak had opgedrongen waarvan ze dachten dat Arafat dit wel zou aanvaarden. Ze verwijten Arafat het electorale verlies van Barak in het voordeel van Sharon na de afwijzing van wat veel Israëliërs nu beschouwen als een naïef en overgenereus aanbod. Als Arafat niet bereid was om dat aanbod te aanvaarden, geloven hij nooit en gelijk welk aanbod zal accepteren dat Israël laat voortbestaan.

In een opmerkelijke reeks interviews die door Elsa Walsh in opdracht van The New Yorker werden afgenomen met prins Bandar van Saoedi-Arabië, heeft hij zjn rol openbaar gemaakt die hij speelde achter de schermen in het vredesproces en wat hij Arafat heeft gezegd. Uit het getuigenis van Bandar blijkt dat hij veel verder is gegaan dan wat eerder werd geopenbaard door een anonieme bron die betrokken was bij de onderhandelingen en die het best beschikbare bewijs zijn van hoe Arafat de kaart van het terrorisme uitspeelde om de publieke opinie te manipuleren, niet enkel in de Arabische en de islamitische wereld, maar in de hele wereld.

Bandar, die al twintig jaar een Saoedische diplomaat in Washington was en een hooggeplaatst lid is van de koninklijke familie, speelde een cruciale rol als bemiddelaar tussen Arafat en de regering van Bill Clinton. Hij was zoals bijna iedereen, verbaasd over het ‘opmerkelijk’ aanbod van Barak dat aan de Palestijnse staat “ongeveer 97% van de bezette gebieden gaf,” samen met de Oude Stad van Jeruzalem, met uitzondering van de Joodse en Armeense kwartieren en een som van 30 miljard dollar ter compensatie van de vluchtelingen. Arafat had kroonprins Abdullah, de waarnemende koning van Saoedi-Arabië, om de hulp van Bandar verzocht bij de vredesonderhandelingen. Bandar stemde in maar vertelde Abdullah dat “er niet veel is wat ik kan doen, tenzij Arafat bereid is om te begrijpen dat dit nu hét moment van de waarheid is.” Geen beter voorstel van Israël was nog mogelijk.

Op 2 januari 2001, slechts enkele weken voor het einde van de ambtstermijn van Bill Clinton, werd Arafat opgehaald door Bandar op de Andrews Luchtmachtbasis en praatte met hem over Barak’s voorstel en vroeg Arafat of hij dacht dat hij ooit ‘een beter voorstel’ zou kunnen krijgen. Hij vroeg hem ook nadrukkelijk of hij de voorkeur gaf om te onderhandelen met Sharon in plaats van met Barak. Arafat gaf hem gelijk dat Barak de beste keuze was omdat ze Barak zagen als de ‘onderhandelaar van de duiven’ [binnen de Israëlische politieke scene.] Bandar had het dan vervolgens over de geschiedenis van de gemiste kansen van Arafat: “Sinds 1948, hebben we elke keer dat we iets op tafel hadden liggen nee gezegd. Dan kunnen we ook ja zeggen. Als we ja zeggen, ligt het niet meer op de tafel. Dan moeten we het met iets minder stellen. Wordt het geen tijd dat we ja zeggen?” Bandar benadrukte dat de Arabieren altijd de Amerikanen hadden gezegd “geef ons een goed akkoord dat we in Jeruzalem kunnen verdedigen en we gaan ervoor.” Bandar nam de opties door met Arafat: “Of u neemt dit voorstel aan, of we trekken ten oorlog. Als u dit voorstel aanneemt, gooien we al ons gewicht achter je. Als u deze overeenkomst niet aanneemt, denkt u dat er nog iemand voor u naar de oorlog zal trekken?”

Arafat en Barak dribbelen aan de deur van Clinton in Camp David over wie het eerst zal binnengaan
Arafat en Barak dribbelen aan de deur van Clinton in Camp David over wie het eerst zal binnengaan, het lot van miljoenen mensen lag even in de handen van dit 'kwajongens'-trio...

Kort daarna, gaf Bandar Arafat een strenge waarschuwing: “Ik hoop dat u zich zal herinneren wat ik u heb gezegd meneer. Als we deze kans verliezen, zal het geen drama zijn maar zal het hier om een misdaad gaan.” Ondanks de beloften van Arafat dat hij het voorstel zou aanvaarden op voorwaarde dat Saoedi-Arabië en Egypte hem zouden dekken, en ondanks de verzekering die hij kreeg van Egyptenaren en Saoedi’s en ondanks Bandar’s bedreigingen, verwierp Arafat het voorstel en vloog naar huis zonder dat hij ook maar één tegenvoorstel deed of wijzigingen suggereerde. Aangezien de onderhandelingen stagneerde, gaf Arafat zijn terroristische leiders het bevel zich voor te bereiden op een nieuwe golf van geweld. Hij had een plan in zijn hoofd hoe je een public relations-ramp kan omkeren in een misdaad tegen het Palestijnse volk door er een public relations-Bonanza van te bakken. Het was een veel beproefd en uitgetest plan; en het werkte nog beter dan het ooit in het verleden had gedaan.

Maar eerst terug naar prins Bandar, die persoonlijk bijzonder woedend was op Arafat, omdat die tegen hem had gelogen. Echter dat verbaasde hem niet, zoals Walsh rapporteerde: “Bandar vertelde aan zijn partners dat het binnen de Arabische wereld een publiek geheim was dat Arafat niet eerlijk was.” Binnenskamers legde Bandar de schuld volledig bij Arafat. “Clinton, de bastaard, deed eigenlijk zijn best,” vertelde Bandar aan Walsh tijdens het interview. De meest kritische van zijn opmerkingen met betrekking tot Arafat waren kennelijk off the record, zoals opnieuw gerapporteerd werd door Walsh: Bandar geloofde werkelijk dat het falen van Arafat om het voorstel te aanvaarden in januari van 2001 inderdaad een tragische fout en een misdaad was. Maar om dat in het openbaar te zeggen was er duidelijk teveel aan want dat zou de Palestijnse zaak beschadigen…

Bandar was vooral boos op Arafat omdat als hij het in het openbaar zou opnemen voor het voorstel van Barak, dit zou klinken alsof hij een apologeet van Barak en Israël was. “Ik was erbij. Ik was een getuige, ik kan niet liegen,” zei hij privé. Maar hij was bereid om de volgende vernietigende verklaring af te leggen: “Onder ons gezegd, om eerlijk te zijn met u, ben ik nog steeds niet goed van bekomen van de omvang van de gemiste kans die januarimaand,” vertelde Bandar me in zijn huis in McLean, Virginia. “Zestienhonderd Palestijnen en zevenhonderd Israëliërs vonden tot nog toe de dood. In mijn oordeel is geen enkele dode Israëli of Palestijn gerechtvaardigd.”

Palestijnse zelfmoordaanslagen tijdens de 2de Intifada eind 2001
Palestijnse zelfmoordaanslagen tijdens de 2de Intifada in de herfst van 2000 waardoor Israël vanaf juli 2002 zal gedwongen worden om een Veiligheidshekken (deels muur) op te trekken op de Westelijke Jordaanoever

Maar dit is nog niet het einde van het verhaal. Nu gaan we terug naar het grote plan van Arafat om Bandar, de Arabische landen en het grootste deel van de wereld weer op zijn hand te krijgen. Het plan was eenvoudig: begin met Joden te vermoorden tijdens het gebed, of Israëlische tieners in pizzabars of in disco’s, zwangere vrouwen, in winkelcentra, werknemers die snel een falafel gaan eten tijdens hun middagpauze, universitaire studenten die aan een frisdrank nippen in de zitkamer van een studentenhuis. U zal kunnen rekenen op een Israëlische overreactie, vooral nadat u een havikachtige generaal [Ariel Sharon] als premier hebt verkozen die beloofde om het terrorisme hard aan te pakken. Zelfs als er geen overdreven reactie komt, zal er altijd wel reactie zijn die je kunt typeren als een overreactie. Zelfs als er nauwelijks tegen het terrorisme wordt gereageerd zullen er altijd een aantal burgerslachtoffers vallen, vooral als je erg voorzichtig bommenfabrieken tussen kleuterscholen probeert te localiseren en vrouwen (inbegrepen zwangere vrouwen) en kinderen gebruikt als menselijk schild, alsmede de bommen– en raketten werpers en de eeuwige zelfmoordaanslagers moet trotseren.

Het plan werkte, zelfs voor Bandar, die precies wist wat Arafat aan het doen was. Walsh beschrijft hoe de kroonprins naar de televisie keek en hoe een Israëlische soldaat een Palestijnse vrouw vooruit duwde. Prins Abdullah telefoneerde Bandar: “Zo is’t genoeg geweest! Die klootzakken! Ze richten zich zelfs tegen de vrouwen – ze lopen er gewoon over heen!” Bandar beschreef de woede van de prins, met name de Israëlische praktijk van het vernietigen van de huizen van familieleden van terroristen: “Wij vragen ons af of het Amerikaanse volk zijn instemming zou geven moest de president van de Verenigde Staten het bevel geven om alle woningen van familieleden van McVeigh te vernietigen of hun boerderijen plat te branden,” zei hij, verwijzend naar de Ohlahoma City bommenlegger Timothy McVeigh [McVeigh liet op 19 april 1995 een auto vol explosieven ontploffen, 168 mensen kwamen om het leven, waaronder 19 kinderen]. Abdullah ‘vergat’ er wel bij te vertellen dat de familie van McVeigh zijn daden in het publiek hebben afgekeurd. Evenmin hebben zij hem geholpen en hem aangemoedigd om een martelaar te worden. Bovendien, maakte hij geen deel uit van een voortdurende inspanning om onderbroken burgers te blijven terroriseren.

Als gevolg van de reactie van Israël op het berekende Palestijnse terrorisme, beval kroonprins Abdullah dat Bandar een ontmoeting zou arrangeren met president Bush. Tijdens één van die ontmoetingen, toonde Bandar aan president Bush een aantal foto’s van dode Palestijnse kinderen. Hij toonde Bush geen foto’s van veel meer Joodse kinderen die met opzet werden vermoord door Palestijnse terroristen in verhouding tot Palestijnse kinderen (een aantal van hen waren zelfmoordterroristen) die per ongeluk door Israëlische soldaten werden gedood. Maar met een foto van een dood kind wek je altijd veel sympathie op en zoals Walsh wist te vertellen, “rolden de ogen van Bush bijna uit hun kassen.”

'Jong geleerd is oud gedaan'
'Jong geleerd is oud gedaan'

Soortgelijke eenzijdige foto’s werden via de televisie uitgezonden gericht aan de gemiddelde Arabier en moslim in de straat, en creëerden een enorme sympathie voor de Palestijnen en haat tegen de Israëli’s, en dat was precies het doel van de Arafat plan [dergelijk scenario zal zich opnieuw afrollen tijdens de Gaza oorlog januari 2009, nvv] Terrorisme werkt nog altijd beter in op de Arabische straat dan onderhandelingen dat ooit zullen kunnen, vooral als het leidt tot het dubbel beoogde voordeel: de “moedige” martelaarschap acties van zelfmoordterroristen die gehate Israëli’s vermoorden, gevolgd door een Israëlische reactie, waardoor ze nieuwe Palestijnse martelaren krijgen aangeboden. Het effect op de Arabische straat vertaalde zich al snel in druk op de Arabische regeringen, die op hun beurt druk uitoefenden op de Verenigde Staten. In dit geval, eiste Bandar van de Amerikanen dat zij de Israëli’s onder controle zouden houden, “zelfs als geen vertrouwen in Arafat hadden.”

Het hielp Bush geen stap vooruit in de Arabische wereld, dat hij alle schuld [voor het afspringen van de onderhandelingen] bij Arafat legde. In mei werd kroonprins Abdullah publiekelijk uitgenodigd in het Witte Huis. “We willen dat ze naar de realiteit kijken en hun geweten onderzoeken,” zei hij tegen een verslaggever van de Financial Times. “Zien ze dan niet wat er gebeurt met Palestijnse kinderen, vrouwen en de bejaarden – de vernedering, de honger?”

Het resultaat van al deze druk werd een verklaring van president Bush in het voordeel van een Palestijnse staat, de eerste keer ooit dat een Amerikaanse president officieel zijn goedkeuring hechtte aan dergelijke uitkomst. Persoonlijk ben ik voorstander van de oprichting van een Palestijnse staat als een oplossing om een einde te stellen aan het terrorisme, maar niet als een beloning voor de toename van het terrorisme als een zorgvuldig berekende tactiek om die autonomie te bereiken. Het werkelijke punt is hoe Arafat de publieke opinie manipuleerde door de knop van het terrorisme aan en uit te draaien. Zelfs degenen die intellectueel beseffen waar Arafat mee bezig is – zoals prins Bandar – en dat hij de volledige verantwoordelijkheid draagt voor het afspringen van het vredesproces, worden nu emotioneel gedwongen om als gevolg van de gemaakte “slachtoffers” van de Israëlische ‘overreactie’, hun steun te geven aan het terrorisme, ook al was dat terrorisme erop berekend om deze reactie te veroorzaken alsmede de ingecalculeerde emotionele reactie van de wereld. Terrorisme werkt en Arafat exploiteert deze realiteit handig uit.

De Palestijnse leiders maakten een tragische vergissing in de afwijzing van het vredesaanbod van Barak en Clinton in 2001-2002. Toch, leggen de meeste Palestijnen de schuld voor de fouten van hun eigen leider eenzijdig en volledig bij Israël. Dit maakt deel uit van een lang patroon, zoals beschreven werd door de historicus Benny Morris in een artikel in april 2003: “Een van de kenmerken van de Palestijnse nationale beweging is de mening van de Palestijnen dat zij zichzelf zien als eeuwige slachtoffers van anderen, van Ottomaanse Turken, Britse ambtenaren, zionisten en Amerikanen – en nooit willen inzien dat zij, althans toch voor een groot deel, slachtoffers zijn van hun eigen fouten en misdaden. In de Palestijnse Weltanschauung, zetten zij nooit een voet verkeerd, hun tegenslagen zijn altijd de schuld van anderen. Het onvermijdelijke resultaat van deze weigering om de draad van hun eigen geschiedenis te herkennen is een voortdurend Palestijns janken geweest naar de buitenwereld om hen te redden van dat wat meestal hun eigen schuld is.”

Bron: uit het boek The Case for Israel: Was Arafat Right in Turning Down the Barak-Clinton Peace Proposal? door Alan Dershowitz uit 2003, vrij bewerkt en vertaald door Brabosh op 14 oktober 2009