Afbraak-wedstrijd in Oost-Jeruzalem opgediend met rugelachkoekjes

Arabische wijk  van Al-Boestan, Silwan in Oost-Jeruzalem
Arabische wijk van Al-Boestan, Silwan in Oost-Jeruzalem
Tuvia Tenenbom (Tel Aviv, stichter en artistiek directeur van het Jewish Theater in New York
Tuvia Tenenbom (°Tel Aviv), stichter en artistiek directeur van het Jewish Theater in New York

“Ik zat thuis,” vertelt me een jonge Duitse vrouw van midden in de twintig jaar oud, “en ik las wat de Joden die arme Palestijnen aandoen. Ik wist dat ik dit moest stoppen. Het zijn nazi’s !” Dat is waarom, zegt ze mij, dat ik Duitsland heb verlaten en naar hier ben gekomen: Al-Boestan, Silwan in Oost-Jeruzalem. De Palestijnen, legt ze me uit, hebben hun huizen in Silwan 200 jaar geleden gebouwd en de Joden zijn ze nu aan het afbreken. Uit curiositeit vroeg ik haar of ze ook zoveel sympathie voelt voor de Tsjetsjenen of de Tibetanen, en of ze haar gedachten met me wil delen over Ruwanda of Darfoer. “Ik weet niet veel over buitenlandse zaken,” luidt haar spontane antwoord.

Ik ontmoet haar tijdens een persconferentie gehouden door een departement van de Verenigde Naties, het Kantoor voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken [Office for the Coordination of Humanitarian Affairs], in de volksmond bekend als OCHA, en van de Britse ngo ‘Save The Children UK’. De persconferentie vindt plaats onder een luifel gemaakt van vuile lakens, die de lokale bevolking ‘De Tent’ noemt. Waarom in zo’n lelijke plaats? Ik ben er niet zeker van, maar misschien dachten de organisatoren dat dit de beste manier is om een beeld op te hangen van Palestijnen die in volslagen ellende leven. Het feit dat deze tent bovenop het dak van een eengezinswoning staat, lijkt geen van deze organisatoren, meestal blonde Europese ngo-mensen, te storen. Wat hen wèl stoort, wordt al snel duidelijk, is met name het gebrek aan zichtbare ‘Noodlijdende Palestijnen’ in het publiek.

rugelachkoekjes met Chanoeka
rugelachkoekjes met Chanoeka

De persconferentie is wat vertraagd tot even later hete Turkse koffie en de lekkerste rugelachkoekjes worden opgediend. [rugelach zijn een typisch Joodse lekkernijen, die worden geserveerd op het feest van Chanoeka, en gebakken worden in deeg, gevuld met amandelen, rozijnen, kaneel en veel suiker]. En dan een wonder, vooraleer je goed beseft wat er gebeurt, vormen mooie Arabische vrouwen in glanzende hijabs een lijn voor de gratis rugelachkoekjes. Nu de authenticiteit van de omgeving werd hersteld, kan de persconferentie beginnen. “300.000 Palestijnen dreigen hun huizen op de Westelijke Jordaanoever te verliezen,” worden we aldus geïnformeerd door de Britten. Een bedroefde Philippe Lazzarini, de directeur van OCHA, uit zijn diepe medeleven aan het publiek over deze ‘miserie en het ontkende onrecht’ en veroordeelt de ‘3.000 afbraakbevelen op de Westelijke Jordaanoever.” Hoe het cijfer van 300.000 naar 3.000 zo snel is kunnen dalen mag Joost weten, maar zeker is dat het cijfer ‘3’ in beide versies voorkomt.

Philippe, die afkomstig is uit Zwitserland, belooft vurig dat de Verenigde Naties al het mogelijke zullen doen om te helpen. Een locale rugelachsnoeper heeft een vraag. Hoe komt het dat de mensen die hun huizen hebben verloren geen hulp krijgen? De ngo’s hebben zo veel geld, zegt de rugelachsnoeper, waarom delen ze dat dan niet met de behoeftige gezinnen en hun kleine kinderen? Zijn dit dan niet de werkelijke doelstellingen van de ngo’s en de Verenigde Naties? De rugelachsnoeper wordt onmiddellijk teruggefloten. “Het onderwerp hier gaat over politiek, niet over individuen,” komt een scherp antwoord. “Individuen krijgen niets! Alleen vragen van de media, alstublieft!”

Mijn keel schrapend, vraag ik de geachte Europeanen om een exacte datum van de meest recente afbraak in het gebied. Als antwoord, krijg ik vier verschillende data: “10 maart 2009.” “10 juni 2009. “November 2008.” “28 januari 2009.” Mevrouw Asgeirsdottir Elin, een blonde vrouw uit IJsland, vreest dat ik een verkeerde indruk zou krijgen [van de tegenstrijdige informatie] en stopt me snel een papiertje toe waarop ze haastig neerschrijft dat ze mij de gewenste informatie kan leveren. Zij heeft de statistieken; zij is tenslotte Ambtenaar voor Mensenrechten Zaken bij het OCHA.

Al-Boestan, 21 nov. 2008. Fakhri abu-Diav poserend voor een huis dat op 5 november 2008 werd gesloopt
Al-Boestan, 21 nov. 2008. Fakhri abu-Diav poserend voor een huis dat op 5 november 2008 werd gesloopt

Ik vraag of het mogelijk is om een familie te ontmoeten wiens huis onlangs werd vernietigd. Ik zou het echt op prijs stellen wanneer ik mensen kon interviewen die hun 200 jaar oude huis hadden vernield zien worden door Israëlische bulldozers. Ik wordt voorgesteld aan meneer Fakhri, een man die de titel voert van Hoofd van het Silwan Comité. “Hij zal u meenemen naar de mensen,” wordt mij verteld. Maar meneer Fakhri, een bewoner van de Al-Boestanwijk, wiens eigen huis zelf bedreigd wordt met een afbraakbevel, is niet echt in een goeie bui. Hij bekijkt me even, kijkt dan naar het Duitse meisje naast me, en besluit te gaan voor het meisje. “Ik zal je een knappe Duitse man geven die u alles zal laten zien,” zegt hij tegen haar. Ik maak de meneer Fakhri heel duidelijk dat hij mij niet kan scheiden van het Duitse meisje. Vandaag horen wij bij elkaar. Omdat hij niet te kiezen heeft, neemt meneer Fakhri ons beiden mee voor een rondleiding in Al-Boestan, een verbazingwekkende mooie wijk met kleurrijke steegjes en pittoreske achtertuinen. “Hoe oud is uw huis,” vraag ik hem? “Ik bouwde het in 1992,” antwoordt hij. Of hij een vergunning heeft gekregen om het te bouwen? “Nee, nee, geen toelating. Kom naar mijn huis, ik geef je koude dranken.”

Uiteindelijk keren we terug naar ‘De Tent’ zonder dat ik ook maar één ontheemde heb ontmoet. Ik werp nog een laatste blik op mijn omgeving: “Stop de Afbraak,” zegt een slogan op een bord in het Engels. “Neen aan de Judaïsering!” zegt een slogan in het Arabisch. Beide borden worden betaald door, dankuwel, de Europeanen. Ik vraag aan meneer Fakri of ik nog een foto van hem mag nemen. Hij toont me zijn breedste glimlach. Het Duitse meisje tikt hem vermanend op de vingers: “Je wordt niet verondersteld te lachen. Je lijdt nu!”

De waarheid mag gezegd worden, het is meneer Fakhri die gelijk heeft. Hij kan gewoon niet meer ophouden met lachen wanneer hij naar die buitenlandse ambtenaren luistert, waaronder ook regeringsleden van Barack Obama, die de baarlijke nonsens bedachten in ‘De Tent’. Waarom is het zo dat de Amerikanen alles geloven wat de Europese ngo’s en de Verenigde Naties hen ook maar trachten wijs te maken? Misschien dat Kafka in staat zou zijn om dit uit te leggen; ik kan het niet. Lang leve Europa. Het is goed om blond te zijn. Hillary Clinton is dat ook.

Bronnen: Middle East and Terrorism: Demolition Derby door Tuvia Tenenbom van 23 augustus 2009, vrij bewerkt en vertaald door Brabosh