Islamitisch antisemitisme, de wortel van het Midden-Oosten conflict?

Hezbollah hertekent de kaart van het M-O
Hezbollah hertekent de kaart van het M-O

Is het conflict in het Midden-Oosten een puur territoriaal dispuut ? Of ligt aan de basis ervan nog een probleem dat slechts na zorgvuldige bestudering van de houding van de Islam ten opzichte van de Joden, een ander licht kan werpen op het conflict en de onoplosbaarheid ervan ?

De gebruikelijke gedachtegang in de academische en journalistieke wereld is dat Islamitische Jodenhaat pas is ontstaan in de 19de en 20ste eeuw, met de geboorte van het moderne Zionisme en het daaropvolgende Arabisch-Israëlische land dispuut over het Britse mandaatgebied voor Palestina. Zijn de problemen werkelijk met de opkomst van het Zionisme begonnen?

Wijdverbreid is ook de veronderstelling dat de Joodse gemeenschappen in de Moslim-landen” gouden eeuwen” beleefden en Joden daar alom met respect en tolerantie werden behandeld, in tegenstelling tot hun geloofsgenoten in het Christelijke Europa. Echter, door de eeuwen heen zijn ook de Joden in de Arabische wereld als tweederangs burgers behandeld, vervolgd, en vermoord.

Het Alhambra Decreet van 31 maart 1492 door de katolieke monarchie dat de uitdrijving van de Joden uit Spanje gebood
Het Alhambra Decreet van 31 maart 1492 door de katolieke monarchie dat de uitdrijving van de Joden uit Spanje gebood

Bittere voorbeelden hiervan zijn onder andere de uitroeiing van de Joodse stam Banu Qurayza; de leden van deze stam leefden in Medina en werden op bevel van Mohammed vermoord.[1] De moord op meer dan 6000 Joden in de Marokkaanse Stad Fez in 1033. De bijna algehele vernietiging van de Joodse gemeente in Granada gedurende de Moslim opstanden van 1066 . De Progroms in Palestina in de late twintiger en vroege dertiger jaren van de 19e eeuw in Jeruzalem, Safed en Hebron tijdens het bewind van Ibrahim Pasha.

De expulsie van bijna alle Joden uit de Arabische wereld in de jaren na de oprichting van de staat Israël, geeft ook aan dat de bovengenoemde veronderstelling niet juist is en dat de leefomstandigheden van de Joden in de Arabische wereld misschien wel vergelijkbaar waren aan die in Christelijk Europa in de Middeleeuwen.

Een van de hoofdredenen van de inferieure status van Joden en andere niet-Moslims in de Islamitische wereld is het principe van dhimma; dit is de overeenkomst tussen de Moslim heerser en zijn, onder de Islamitische wet (Shari’a) getolereerde, niet-Islamitische onderdanen (dhimmis). Deze groep van getolereerde onderdanen bestond voornamelijk uit Joden, Christenen, Zoroastrianen en later ook Hindoes. De dhimma was een soort contract waarbij van de dhimmis werden verwacht om de superioriteit van de Islam te erkennen en om hun eigen inferieure positie te accepteren.

Zij werden geacht om een hoofdelijke belasting te betalen, de jizya, en in ruil daarvoor moest hun leven en hun materiële bezittingen worden beschermd door de Moslim heersers. Vrijheid van godsdienst was ook een onderdeel van de dhimma en Joden en Christenen werd toegestaan om hun eigen synagoges respectievelijk kerken te behouden; er mochten echter geen nieuwe gebedshuizen worden bijgebouwd of reparaties worden aangebracht aan de bestaande niet-Islamitsche gebedsruimten. De dhimmis waren over het algemeen gebonden aan bepaalde kledingscodes en moesten bepaalde kenmerken op hun kleding dragen waardoor ze te onderscheiden waren van de Moslims, ze mochten niet in rechtzaken getuigen en ook mochten ze niet op paarden rijden, maar alleen op ezels en andere muildieren. De dhimmis hadden dus een veel betere positie dan de slaven in de Arabische wereld, maar ze waren toch wel ver achtergesteld bij hun Islamitische landgenoten.

Behandeling van dhimmi (niet-moslim)
Behandeling van dhimmi (niet-moslim)

De Egyptisch-Joodse schrijfster Bat Ye’or stelt dat de dhimma afkomstig is van de jihad, de heilige oorlog van de Moslims tegen de niet-Moslims. Islamitische theologen en juristen die leefden ten tijde van de grote Islamitische veroveringen in de 7e eeuw, probeerden om een religieus en wettelijk kader te scheppen voor de jihad, zich baserend op de Koran en de hadith (de uitspraken en daden van de Profeet Mohammed). Vandaar dat zij de doctrine van de jihad met betrekking tot de relaties tussen de Moslims en niet-Moslims interpreteerden in termen van overheersing, submissie en vijandigheid. Volgens deze doctrine behoort het recht tot wereldheerschappij alleen aan de umma, de Islamitische gemeenschap van Allah, die verheven is boven alle andere volkeren, zoals wordt verduidelijkt in de Koran (3:17): “ Jullie zijn de beste natie die de mensheid ooit heeft voortgebracht.”

Uit het bovenstaande kan dus worden opgemaakt dat het Islamitische antisemitisme al is ontstaan aan het begin van de Islam. Er zijn vele voorbeelden van anti-Joodse sentimenten in de Islamitische religieuze bronteksten te vinden. De Islam kan in deze context in drieën worden verdeeld: 1. de Islam van de teksten zoals de Koran, the hadith en de sira (de biografieën van de Profeet Mohammed, die overlappend zijn aan de hadith), 2. de Islam die is ontwikkeld uit deze teksten door Koran-commentatoren en -rechtsgeleerden, 3. de Islamitische samenleving en de daden van de Moslims door de eeuwen heen. Een van de oudste biografieën over Mohammed (sira), die is geschreven door Ibn Ishaq en overgeleverd door Ibn Hisham, staat vol van de haat van de profeet tegen Joden; bijvoorbeeld: “Vermoord elke Jood die in je bezit komt”. Ook in de Koran komen veel verzen voor die refereren aan de haat tegen Joden, de meest bekende waarschijnlijk de verzen die Joden met apen en zwijnen vergelijken; Koran 5:60, 5:61.

De term “Islamitisch antisemitisme” wordt vaak als problematisch voorgesteld omdat het woord antisemitisme afstamt van de groep verwante Semitische talen zoals; Hebreeuws, Aramees en Arabisch. Daardoor zou het dus niet mogelijk zijn dat Arabieren antisemitische sympathieën hebben. Robert Wistrich weerlegt deze claim door te zeggen dat de term antisemitisme eigenlijk nooit “haat tegen Semieten” (zoals bijvoorbeeld Arabieren) heeft betekend maar eigenlijk alleen is gebruikt voor haat tegen Joden. Deze term, stelt Wistrich, is algemeen aanvaard als aanduiding voor alle vormen van Jodenhaat.

En het ultieme bewijs voor de stelling dat antisemitisme nooit gericht was tegen de Arabieren (of Moslims of andere niet-Joden), is te vinden in de nazi-doctrine. Tijdens een persconferentie in november 1942 in Berlijn, werd door een woordvoerder van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het naziregime benadrukt, dat de nazistische antisemitische politiek exclusief was gericht tegen de Joden. Het Arabisch-Palestijnse leiderschap tijdens de Tweede Wereldoorlog hielp en steunde de nazis in hun campagnes tegen Joden, dit vaak met goedkeuring van het overgrote deel van de Arabisch-Palestijnse bevolking.

Groot-Moefti van Jeruzalem op bezoek bij Adolf Hitler
Groot-Moefti van Jeruzalem op bezoek bij Adolf Hitler

Kort nadat Hitler aan de macht kwam stuurde de moefti van Jeruzalem hem een bericht met de volgende inhoud: “Moslims binnen en buiten Palestina verwelkomen het nieuwe regime van Duitsland en hopen op een uitbreiding van het fascistische, anti-democratische regeringssysteem naar andere landen” Niet alleen uit deze historische feiten, maar ook uit de aktuele feiten over het Moslimleiderschap in de Palestijnse gebieden wordt duidelijk dat anti-semitisme een bepalende faktor is in dat leiderschap. Zo heet de militaire tak van Hamas “Izzidin Al Kassam”, vernoemd naar de virulent anti-semitische sheik Izzidin Al Kassam, die in de tijd van het Britse mandaat voortdurend moordpartijen tegen de Joden organiseerde.

Uit de bestudering van de geschiedenis en de actualiteit, kan worden geconcludeerd dat het Arabisch-Israëlische conflict niet slechts een territoriaal dispuut is in de klassieke betekenis. Indien het een dispuut is over grondgebied, dan is dat ook gerelateerd aan het Islamitische principe van Dar Al Islam, het grondgebied van de Islam waar geen “vreemde” entiteit wordt geaccepteerd. Het conflict wordt echter in de eerste plaats gevoed door een honderden jaren-oude Arabische haat jegens Joden, een haat die al bestaat vanaf het begin van de Islam, voornamelijk omdat Joden Mohammed niet als hun profeet wilden accepteren. De vraag komt dan ook op, of een Joodse staat in het midden van de Moslim-wereld ooit legitimatie zal verkrijgen van haar buren.

Professor Bernard Lewis schreef in The Wall Street Journal van 26 november 2007, drie dagen voor de vredesconferentie in Annapolis, het volgende: “ Waar gaat dit conflict over? Er zijn eigenlijk twee mogelijkheden: het gaat of over de grootte van Israël, of over haar bestaan. (…) Als het echter gaat over het bestaan van Israël, dan kan het conflict zeer zeker niet opgelost worden door middel van onderhandelingen. Er is geen compromis mogelijk tussen bestaan en niet bestaan, en er is geen enkele Israëlische regering denkbaar die zal gaan onderhandelen over of het land wel of niet zou moeten bestaan.

Deze historische context laat zien dat onderhandelingen gebaseerd op de huidige principes zoals “land voor vrede”, niet snel tot een oplossing van het conflict zullen leiden, maar dat een fundamentele en historische verandering aan Islamitische zijde een van de voornaamste voorwaarden zal moeten zijn voor het bereiken van een duurzame vrede in het Midden-Oosten.

Sharon Visser
Midden -Oosten en Islam studies
Hebreeuwse Universiteit
Jeruzalem
Bron: Israël Facts