Palestijnse kwestie: ‘Doos van Pandora’ voor Arabische landen in het M-O

Palestijnse 'Doos van Pandora'
Palestijnse 'Doos van Pandora'

De lauwe reactie van de Arabische landen op de voorbije door Hamas gedicteerde Palestijnse conflictsituatie in Gaza, spreekt de veronderstelling tegen dat de Palestijnse kwestie een Arabische prioriteit zou zijn en dat de Palestijnse kwestie de belangrijkste oorzaak is van de Arabische vijandigheid ten opzichte van het Westen, de Verenigde Staten en Israël. In feite is de Arabische houding tegenover de Palestijnse zaak onveranderd gebleven sinds 1948, doorheen de Israël-PLO-oorlog in Libanon van 1982 alsook tijdens de 1ste en 2de Intifada, en dat ongeacht wie er op dat ogenblik aan het Palestijnse roer stonden: Haj Amin al-Hoesseini, Shoekeiri, Hammoeda, Yasser Arafat, Aboe Mazen of Haniya.

Arabische landen hebben de Palestijnen altijd bedolven onder hun retoriek, maar zagen verder af van aanzienlijke steun. Tijdens het voorbije 22-dagen durende Gazaconflict van januari 2009, hebben de leiders van de Arabische landen een spoedbijeenkomst over Gaza verworpen. Zij hebben hun steun tot de deelname van hun Arabische ministers aan een spoedbijeenkomst van de Verenigde Naties vrijwillig ingeperkt. Saoedi-Arabië verwierp de suggestie om olie als wapen te gebruiken. Riad verbood pro-Palestijnse manifestaties en haar religieuze etablissement gaf een zeer gematigde verklaring uit omtrent de Palestijnse strijd. Om lippendienst te bewijzen aan de Gazanen, focusten de Samenwerkings Raad voor de Golf in haar bijeenkomst van 30 december 2008 eerder naar economische en monetaire maatregelen.

Palestijnen lossen vreugdeschoten wanneer zij over de aanslag op de WTC-torens (9/11) horen
Palestijnen lossen vreugdeschoten wanneer zij over de aanslag op de WTC-torens (9/11) horen

Een gelijkaardige situatie deed zich voor tijdens de Israëlische oorlog tegen de PLO in Libanon die uitbrak op 4 juni 1982. De Arabische olieproducerende landen kwamen in augustus 1982 samen om de olieprijs te bespreken, maar verwierpen het voorstel om olie als wapen te gebruiken in het voordeel van de PLO. De bijeenkomst van de Arabische leiders werd toen bewust verdaagd naar september. Intussen werd de PLO uit Beiroet verdreven.

Arabische leiders hebben systematisch aangetoond hoe secundair de Palestijnse kwestie is in verhouding tot hun eigen nationale prioriteiten. Arabische financiële steun aan de PLO bijvoorbeeld bedroeg minder dan 10 % van de Arabische financiële steun die ze aan de anti-Sovjet moslims gaven in Afghanistan. Toen in 1988 de 1ste Intifada uitbrak beloofden de Arabische Liga aan de Palestijnen 128 miloen euro directe steun en daarnaast gevolgd door een maandelijkse toezegging van 43 miljoen euro. In werkelijkheid werd de PLO alles samen ‘slechts’ 100 miljoen euro toegeschoven.

Peanuts dus in vergelijking met de 1 miljard euro die de Moehajedien in Afghanistan jaarlijks kregen van de Arabische Liga in hun strijd tegen de Sovjet-Unie (1978-1988). In 2002 tijdens de 2de Intifada beloofde Saoedi-Arabië andermaal 600 miljoen euro, maar tot nog toe werd daarvan enkel 100 miljoen euro overgeboekt. Andere Arabische landen engageerden zich tot een maandelijkse bijdrage van 55 miljoen euro, maar hebben – zoals verwacht – tot op heden geen enkele euro overgeschreven.

Recente voorvallen brachten de Arabieren ertoe om de Palestijnse kwestie als een potentiële duivelse, explosieve en subversieve ‘Doos van Pandora’ te beschouwen, die hun voortbestaan zou kunnen ondermijnen. Anderzijds verwijten de Palestijnen de Arabische leiders het “debâcle van 1948” tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog van Israël. In 1948/9, maakte de Arabische Liga aan iedereen duidelijk dat de oorlog tegen de Joodse staat niet gestart werd omwille van – of voor – de Palestijnen. De Liga verklaarde de toenmalige voorlopige Palestijnse regering nietig, terwijl ondertussen Egypte en Jordanië de Palestijnse leiders uit Gaza, Judea en Samaria verdreven. Eind jaren ‘ 50, en nog eens in 1966, werden Arafat, Aboe Mazen en hun collega’s van Al Fatah verwijderd uit Egypte en Syrië omwille van hun ondermijnende activiteiten. In 1970, kwamen ze gedecimeerd terug uit Jordanië, na een mislukte poging om het Hasjemitische regime te kelderen (‘Zwarte September‘).

Palestijnen in Libanon vieren de moord op 8 Joodse studenten in Jeruzalem, 6 maart 2006
Palestijnen in Libanon vieren de moord op 8 Joodse studenten in Jeruzalem, 6 maart 2006

In 1975/76, kregen ze er van langs door Syrië (in Libanon, ten gevolge van hun aanval op de centrale regering in Beiroet – ‘Zwarte Juni‘). Zij verloren in 1983 hun basis in Tripoli (Libanon) nadat zij het onderspit moesten delven tegen de dominante lokale milities. In 1987 werden tientallen Palestijnen door Egypte gedood, toen zij ten tijde van de 1ste Intifada demonstreerden in het vluchtelingenkamp van Rafah in Gaza in de Sinaïwoestijn. In 1991 werden ruim 300.000 Palestijnen verbannen uit Koeweit voor hun aandeel in de plundering van het land toen het Iraakse leger, geleid door de intussen terechtgestelde dictator Sadam Hoessein, de oliestaat bezette. Sinds 2003 moesten duizenden Palestijnen Irak ontvluchten vanwege hun collaboratie met het regime van de ‘Slager van Bagdad’. De Rode Loper, waarmee de Palestijnen werden binnengehaald in de Verenigde Naties en in de belangrijkste hoofdsteden van het Westen, veranderde in een glibberige roetsjbaan waardoor de Palestijnen op hun rug de hoofdsteden van de Arabische landen van het M-O binnen gleden.

Wat weten de Arabische leiders over de Palestijnen die tot nog toe ontsnapten aan de Westerse en Israëlische beleidsmakers?

Arabische leiders blijken zelf de Palestijnse zaak niet erg toegewijd te zijn. Zij beschouwen de Palestijnse kwestie niet als een eersterangs koppeling in de formulering van hun beleid. Nationale, regionale en mondiale factoren beïnvloeden de inter-Arabische, Arabisch-Westerse en de Arabisch-Israëlische betrekkingen veel meer dan de Palestijnse kwestie. Palestijnen beschikken ook niet over een vetorecht in de Arabische beleidsvorming.

Hamasleden demonstreren met gordels explosieven en Qassamraketten
Hamasleden demonstreren met gordels explosieven en Qassamraketten

Sinds de Oslo-akkoorden van 1993, heeft Israël haar nationale veiligheidsbeleid ondergeschikt gemaakt aan de oplossing van de Palestijnse kwestie en haar Israëlisch-Arabisch discours omgeschakeld naar een Israëlisch-Palestijns discours. Tientallen initiatieven, conferenties, topconferenties, overeenkomsten en wapenstilstandsverdragen – en bestanden, hebben een reeks van kortlevende illusies van vrede en veiligheid gecreëerd, die snel werden gebruikt om een ongekende golf van Palestijns haat-onderwijs in de scholen te introduceren, en enkel schending van eerder of net aangegane overeenkomsten uitlokten en enkel nog meer terrorisme hebben opgeleverd. In feite gaat de route kaart van de resolutie aangaande het Arabisch-Israëlisch conflict niet door Ramallah of Gaza, maar veeleer door Kaïro, Amman en andere Arabische hoofdsteden, zoals blijkt uit de Israëlische vredesverdragen met Egypte en Jordanië, die mede daardoor de Palestijnse oppositie en de doorlopende Israëlische oorlog tegen het Palestijnse terrorisme hebben gepareerd.

Een beleid dat gebaseerd wordt op de verkeerde veronderstelling – namelijk dat de Palestijnse kwestie het zogenaamde kroonjuweel van het Arabische beleid is – is een verkeerd beleid. Het verergert integendeel de regionale instabiliteit, voedt het terrorisme, bevordert tevens de oorlogszucht en vermindert de vooruitzichten voor de vrede. Israël moet haar beleid ten opzichte van de Palestijnen, baseren op de de Palestijnse reputatie van de afgelopen honderd jaar, en dan in het bijzonder die van de afgelopen vijftien jaar, die het Israëlische voorstel van land-voor-vrede als oplossing voor de Palestijnse kwestie, telkens hebben doen mislukken. De recente geschiedenis heeft aangetoond, dat Israël ’s minimale nood aan beveiliging en haar behoefte om het Arabische terrorisme te minimaliseren, de noodzaak van Israël bevestigt de controle over Judea en Samaria te behouden en te verstevigen.

(Analyse van Yoram Ettinger, vrij vertaald en bewerkt door Brabosh; bron: Middle East and Terrorism Blog)