Archief

Archief voor de ‘Dhimmitude’ Categorie

De vergeten onderdrukking van de Joden onder de islam en in het Land van Israël [2]

typische dhimmi houding

typische dhimmi houding

In deel 1 van dit artikel hebben we laten zien 1) de staat van onderdrukking, vernedering en economische uitbuiting – de dhimmitude – van Joden en christenen in de traditionele Arabische-islamitische samenleving, 2) dat de status van de Joden onder de Arabische Islam slechter was dan elders (volgens Maïmonides) en 3) de lagere status van de Joden zelfs ten aanzien van de christelijke dhimmi’s in de Arabisch-islamitische samenleving in het algemeen en in Jeruzalem in het bijzonder.

Deze geschiedenis is belangrijk omdat geschiedenis nooit verdwijnt. Wanneer er een leegte ontstaat in de algemene kennis van de geschiedenis in een situatie van nationaal conflict, zouden de vijanden die leegte kunnen opvullen met een valse geschiedenis en uitvinden wat het beste hun doelen en belangen dient. Daarom is het gevaarlijk de geschiedenis te vergeten.

In diezelfde geest onderscheidt zich hier het anti-Israël discours van de professoren Walt en Mearsheimer, dat instemmend geciteerd wordt door de vooraanstaande Britse journalist, Max Hastings: “… terwijl er geen twijfel over bestaat dat de Joden in Europa slachtoffers waren, werden zij in het Midden-Oosten vaak als daders voorgesteld, niet als slachtoffers dus, en hun belangrijkste slachtoffers waren en zijn nog steeds de Palestijnen.” [John J. Mearsheimer en Stephen M. Walt, De Israël Lobby - Uitgeverij Atlas, 2007: 'Niet wetenschappelijk, smakeloos, antisemitisch...']

Deze auteurs moraliseren. Zij ontwikkelen de thema’s van schuld en onschuld. Toch is het moeilijk om er zeker van welke die historische periode is die Walt en Mearsheimer bedoelen. Is het de gehele geschiedenis of het heden of een deel van het verleden? De onbepaalde tijd, de insinuatie en het suggestieve in plaats van het specifieke of het expliciete, zijn kenmerken van hun proza. In een andere passage blijkt echter dat ze de Palestijnse Arabieren onschuldig bevinden toen Israël een staat werd.

Een derde morele rechtvaardiging [voor Israël] is de geschiedenis van het Joodse lijden in het christelijke Westen, in het bijzonder … de Holocaust… de Joden hebben sterk geleden onder de afschuwelijke erfenis van het antisemitisme… en Israël’s creatie was een passend antwoord op een lange staat van misdaden. Maar in de rand van de oprichting van Israël werden bijkomende misdaden begaan tegen een grotendeels onschuldige derde partij: de Palestijnen.

Walt en Mearsheimer geven ontwapenend toe dat ‘het christelijke Westen’ de Joden heeft doen lijden. Maar ze pleiten impliciet het Arabisch-islamitische Oosten in het algemeen – en de Palestijnse Arabieren expliciet – vrij dat zij de Joden door de geschiedenis heen schade hebben berokkend, misschien insinuerend dat de Joden zelfs niet aanwezig waren in dat deel van de wereld tot aan de 20ste eeuw. Maar we hebben in het eerste deel aangetoond dat de traditionele Arabische-islamitische samenleving de Joden in Israël en elders hebben onderdrukt, uitgebuit en vernederd. Is het daarom dat de auteurs zich rechtvaardigen zeggend dat de Palestijnse Arabieren ‘grotendeels onschuldig’ zijn ten aanzien van de Joden nadat zij de moderne wereld betraden in het midden van de 19de eeuw?

Vanaf deze tijd – de late de Ottomaanse periode – trad er een verbetering op in de status van de dhimmi, grotendeels dankzij de interventie van de Europese mogendheden. Dit was zelfs meer het geval in Jeruzalem dan op vele andere plaatsen in het Rijk. Toch bestond tijdens de Eerste Wereldoorlog de reële vrees dat de Joden in Israël dezelfde lijdensweg stond te wachten zoals de Armeniërs. In dit verband bracht de Balfour-verklaring en de internationale erkenning van haar principes weer hoop. Echter, Groot-Brittannië – dat de Joden tijdens het einde van de Ottomaanse periode in het land had beschermd – pleegde verraad aan haar Mandaat dat de Joden een Joods Nationaal Tehuis beloofde en moedigde de Arabische pogroms op de Joden soms nog wat aan. Dat begon in 1920 in Jeruzalem en werd gevolgd door een reeks van Arabische pogroms in 1921, 1929, 1936-39. Het bloedbad en ‘etnische zuivering’ van de oude gemeenschap in Hebron (68 Joden werden gedood en honderden uitgedreven in augustus 1929) wordt nog steeds met bijzondere bitterheid herdacht door de Joden in Israël en in het buitenland. Deze pogroms vonden plaats jaren vooraleer er een staat Israël was.

Het was dan ook geen verrassing dat de Palestijnse Arabische vertegenwoordigers in 1939, dus nog lang vóór de onafhankelijkheid van Israël, van de Britten eisten dat zij een einde maakten aan de Joodse immigratie. Dit gebeurde aan de vooravond van de Holocaust toen nog maar weinig landen bereid bleken om zelfs maar een symbolisch aantal Joodse vluchtelingen in hun landen toe te laten. De Britten hebben aan deze eis fundamenteel voldaan in het Witboek van voor Palestina van 1939, waardoor zelfs de poort van het internationaal toegewezen Joods Nationaal Tehuis voor de Joodse vervolgden werd gesloten, behoudens dan een symbolisch handvol Joodse immigranten. Vervolgens hebben de Arabische nationalisten, en in het bijzonder dan Haj Amin el-Husseini – de Grootmoeftie van Jeruzalem en de belangrijkste Palestijnse Arabische leider – meer dan rechtstreeks meegewerkt aan de Holocaust. Husseini had er effectief de hand in dat de vrijlating van duizenden Joodse kinderen en andere Joden in het nazi-fascistische gebieden werd voorkomen en dat de Joden in plaats van naar Polen werden gedeporteerd, waar ze in zijn woorden ‘onder actief toezicht’ zouden staan, zijn eufemisme voor de vernietigingskampen.

Het is duidelijk dat wanneer de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties pleitte voor een ‘twee-staten-oplossing’, met name het Verdeelpan van 29 november 1947, dat de Palestijnse Arabieren nauwelijks nog onschuldig kunnen worden genoemd met betrekking tot de Joden. Noch bleken zij achteraf onschuldig. De Arabieren hebben onder leiding van Husseini, de Joden in het hele land aangevallen en vermoord als reactie op de VN-aanbeveling. Hoewel er sinds 1948 veel wordt gepraat over de Arabische vluchtelingen, is dat maar zelden het geval voor de Joodse vluchtelingen in die oorlog. De eerste vluchtelingen in de oorlog die niet konden terugkeren naar hun huizen, waren de Joden die gevlucht waren uit het Shim’on haTsadiq kwartier (in wat nu ‘Oost-Jeruzalem’ heet) op het einde van december 1947. Inderdaad konden duizenden Joden in het hele land niet terug naar huis na de oorlog.

Daarnaast verboden Jordanië en Egypte de Joden om te wonen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. In alle duidelijkheid: het bleek dat er uiteindelijk minder Arabische vluchtelingen waren dan Joodse vluchtelingen. Er waren aanzienlijk meer Joodse vluchtelingen afkomstig uit de Arabische landen dan Arabische vluchtelingen afkomstig uit Israël. Van het bijna een miljoen Joden in 1948 blijven er vandaag nauwelijks meer dan een paar duizend Joden over in de Arabische landen. De Arabische Liga hebben volgens hun plan hun Joodse bevolking uitgedreven nog voordat het VN-Verdeelplan was opgesteld. Zoveel valt er te zeggen over de zogenaamde Arabische of Palestijns-Arabische onschuld voor of na 1948.

Bestaande tunnel onder de Tempelberg uit de antieke periode

We slaan even de Arabische provocaties, oorlogen en terreur aanslagen uit de jaren 1950 tot de jaren 1980 over en komen we tot wat velen zagen als een nieuw begin van de Arabisch-Israëlische betrekkingen, met name de Oslo-akkoorden van 1993. In tegenstelling tot de hoge verwachtingen, werd de ondertekening van de akkoorden gevolgd door meer terrorisme, zelfmoordaanslagen, schietpartijen vanuit voorbijrijdende wagens enz., een golf van geweld die inging nog vóór Baruch Goldstein in februari 1994 29 Arabieren doodde in Hebron. Zij gaven de controle over de Arabische steden op de Westelijke Jordaanoever aan de Palestijnse Autoriteit eind 1995 – begin 1996, wat leidde tot een ongekende slachting onder de burgers in Israël. Nadat Netanjahoe minister-president werd, heeft Arafat gelogen over de Israëlische activiteiten naast de Tempelberg (september 1996), door valselijk te beweren dat de Israëliërs een tunnel groeven onder de berg, waardoor een vierdaagse mini-oorlog begon met links en rechts weer aantallen doden aan beide zijden.

Ehud Barak werd premier na Netanyahu en boodt de Palestijns-Arabische zijde ongekende toegevingen aan. Nadat hij het aanbod verwierp, begon Arafat een nieuwe golf van terrorisme die nog steeds voortduurt die begon, nog vooraleer Ariel Sharon de Tempelberg bezocht, alsof al wat Sharon ooit heeft gedaan alles zou kunnen rechtvaardigen van massamoorden, bomaanslagen of de indoctrinatie van de Palestijnse Autoriteit bevolking en dan vooral de kinderen, een cultuur aanbidden van doden en gedood worden, doordrenkt van een dierlijke haat jegens de Joden die op zich al een schending is van het internationaal recht. Inderdaad is het opzettelijk gebruik van kinderen in de strijd een oorlogsmisdaad. Symbolisch voor de situatie is de toename van het afschieten van dodelijke raketten op willekeurige burgerdoelwitten in Israëlische steden en de boerengemeenschappen sinds de eenzijdige Israëlische terugtrekking uit Gaza in 2005 en nog vóór de gedeeltelijke blokkade van kracht werd nadat Hamas in 2007 de Gazastrook had overgenomen.

Toch houden velen vandaag – zoals Walt, Mearsheimer en ook Max Hastings – nog steeds vast aan de Arabische en de Palestijns-Arabische onschuld. Toch was de bewering van Arabische onschuld, prominent in de jaren 1940 en 1950, hoewel de Palestijnse Arabieren niet dezelfden waren als de ‘Palestijnen’ van vandaag, toen zij als volk apart leefden van de andere Arabieren. In die dagen werd expliciet geargumenteerd dat de Arabische-islamitische behandeling van de Joden in het algemeen goedaardig was, waardoor de vermeende wandaden van Israël in 1948 des te weerzinwekkender werden. Dat argument werd voor het eerst al lang geleden gebruikt. Het diende om het politieke beleid ten aanzien van Israël en de Arabieren aan te sporen. Het werd altijd als een instrument gebruikt, noch feitelijk, wetenschappelijk of historisch. Het drijft op de algemene publiek onwetendheid van de echte geschiedenis, met name op de onwetendheid onder Joden en zionisten.

Uit het in het eerste deel gepresenteerde bewijsmateriaal blijkt dat door de geschiedenis heen, deze bewering niet alleen vals is geweest maar zelfs het tegendeel van de waarheid is. Dit vals begrip van de geschiedenis van de betrekkingen tussen Joden en Arabieren in Israël door de eeuwen heen, is wijd verbreid in de academische wereld, in regeringskringen en in de media. De enige manier om leugens te weerleggen is door kennis van de geschiedenis te nemen, vanaf de instelling van de dhimma, van de Joodse geschiedenis, van de Arabische en islamitische geschiedenis, in het bijzonder de geschiedenis van de Joden in het Land van Israël, in alle perioden vanaf de oudheid tot de Middeleeuwen tot aan het begin van de moderne tijd en de laatste tijd, tot aan de laatste Qassam-raket die landde op de stad Sderot. Onwetendheid van die geschiedenis kan beschouwd worden als een belemmering voor de vrede tussen Israël en de Arabieren.

Terug naar deel 1: De vergeten onderdrukking van de Joden onder de islam en in het Land van Israël.

Bronnen: Middle East & Terrorism Blog: The forgotten oppression of Jews under Islam and in The Land of Israel deel 1 en deel 2 door Elliott A. Green van 14 augustus 2009; deel 2 vrij vertaald en bewerkt door Brabosh op 20 november 2009; Elliott A. Green is een onderzoeker, auteur en vertaler die in Jeruzalem woont. Zijn schrijfsels werden gepubliceerd in Midstream [New York], Nativ en in The Jerusalem Post [Israel] alsmede in andere publicaties. Hij was mede uitgever van Crossroads, een kwartaalblad over sociale wetenschappen dat nog steeds wordt uitgegeven in Jeruzalem.

Categories: Dhimmitude, Dossiers

De vergeten onderdrukking van de Joden onder de islam en in het Land van Israël [1]

15/11/2009 brabosh 2 reacties
hamascharter

Gaza, 31 januari 2006. Een Palestijn toont het Hamas Charter (foto Abid Katib/Getty Images)

Joden en zionisten zijn in het algemeen zeer slecht op de hoogte van de leefomstandigheden van de Joden in het Land van Israël na de Arabische verovering [634-640 na Chr.]. Velen geloven dat het Arabische-islamitische bestuur gunstig was voor de Joden en dat niet enkel vergeleken met de omstandigheden in de christelijke landen. Velen menen dat tot zelfs enkele decennia terug, dat het conflict met de Arabieren over het land van Israël een zuivere kwestie was van concurrerend nationalisme. Echter, sinds de relatief weinig succesvolle bomaanslag in 1993 op het World Trade Center in New York door jihad fanatici, is het geïnformeerde publiek in het Westen zich meer bewust geworden van de machtige islamitische religieuze dimensie in de Arabische politiek.

Dit inzicht wordt versterkt door de opkomst van Hamas bij de Palestijnse Arabieren. De Hamas is een tak van de Moslim Broederschap. Het charter is duidelijk een Judeofobisch document en is gebaseerd op middeleeuwse Judeofobische islamitische bronnen. Het is niet alleen anti-Israël. Artikel 7 van het handvest van Hamas (1988) herhaalt de middeleeuwse islamitische fabel over de Joden op het einde der dagen, die ik samenvat: “Op de Dag des Oordeels, zullen de moslims tegen de Joden vechten die zich zullen verbergen achter rotsen en bomen. De rotsen en bomen zullen roepen: O moslim, een Jood verbergt zich achter mij. Kom hier en doodt hem.”

In dit artikel wordt eerst de status van niet-moslims – dhimmi’s genoemd – geschetst in de islamitische samenleving, en proberen we de aard van de islamitische tolerantie te definiëren. Dan zullen we het verslag citeren van een middeleeuwse Jood over de leefomstandiheden van de Joden in de middeleeuwse islamitische samenleving. Wij brengen ook de mening van een beroemde middeleeuwse Jood die de status van de Joden in de islam vergelijkt met die in het christendom. Tot slot zullen we laten zien dat in het kader van de dhimmitude, de status van dhimmi die gedeeld wordt door Joden, christenen en andere niet-moslims, de Joden in feite aan de onderkant van de maatschappij leefden, de minste van allemaal op de totempaal genageld van de Arabisch-islamitische samenleving, zowel in Jeruzalem als overal elders.

Leven als dhimmies in de Arabische moslimwereld

Boeken, artikelen en verzamelingen documenten van Bat Ye’or, Norman Stillman en anderen, hebben veel gedaan sinds het begin van 1970 om de aard van de dhimmi-status aan te tonen, de dhimma – voor het intelligente lezerspubliek -, en hebben gewezen op de positie van de Joden onder de islam. Bovendien werd de afgelopen decennia een brede stroom van informatie over de islam beschikbaar voor het grote opgeleide publiek, hoewel islamitische apologeten eveneens floreerden, misschien zelfs nog beter. Christenen, Joden (met inbegrip van de Samaritanen) en aanhangers van het zoroastrisme waren in het Midden-Oosten gedoemd tot het dhimma leven en deze status werd later verder naar het oosten uitgebreid tot de Hindoes.

Getolereerde niet-moslims in het land dat veroverd werd door de islam – de dhimmis – moesten een bijzondere belasting betalen, de djizja, hetzij direct uit eigen zak of via hun religieus-etnische gemeenschap. De reden voor deze verplichte bijdrage is in de islamitische wetgeving te vinden in de koran [soera 9:29 i]. De djizja kan worden beschouwd als een licentie voor een extra levensjaar tot de tijd was gekomen voor de volgende aanbetaling. In de gebieden die door de islam werden veroverd, bekeerden vele Joden en christenen zich tot de islam om aan de djizja te ontsnappen en om zich maatschappelijk te verbeteren. Koran 9:29 en 2:61 eisen tevens dat niet-moslims, met name Joden en christenen – de mensen van het Boek – moeten ‘onderworpen’ worden, dat wil zeggen: vernederd worden.

typische dhimmi houding

typische dhimmi houding

De Islamitische samenleving heeft deze regels van de dhimma door de eeuwen heen ontwikkeld. Met het Pakt van Omar II (circa 717 na Chr.) werd een verdrag opgesteld dat volgens de traditie werd opgesteld door de tweede kalief, Umar ibn al-Khattab voor de ‘Mensen van het Boek’ die woonden in gebieden die kort daarvoor door de moslims waren veroverd. Deze niet-moslims, die dhimmi’s genoemd werden, moesten zich onderwerpen aan enkele discriminerende regels indien ze zich niet wilden bekeren tot de islam. Deze verordeningen bepaalden dat dhimmi geen wapens mochten dragen. Hun kleding moest afwijken van islamitische kleding. Ze moesten altijd respect en eerbied tonen voor moslims, zoals van hun ezels afstappen wanneer ze een moslim kruisten op de weg. Het getuigenis van een dhimmi in de rechtbank was maar half zoveel waard als het getuigenis van een moslim. Deze lijst is verre van volledig en natuurlijk varieerden de toepassing van de regels als naargelang de tijd en plaats. Later, wanneer de macht van de islamitische staten verzwakte, konden niet alle regels worden afgedwongen. Zo konden dhimmi bergbewoners vaak veel van de regels negeren zolang ze maar weg bleven uit de islamitische steden. Het is veelzeggend dat de status van dhimmi in de loop van de tijd verergerde naarmate hun aantal tot de bevolking daalde.

Hier is een illustratie van een van de dhimma vernederingen zoals ze tijdens zijn reis naar Egypte, Arabië en Syrië (1761-1762) beschreven werden door de Deense reiziger, Carsten Niebuhr (1733-1815): “In Cairo mogen christenen en Joden geen paard bereiden. Ze mogen alleen op ezels rijden en moeten afstappen van zodra ze een Egyptenaar op de weg tegenkomen, zelfs de minst belangrijke. De Egyptenaren gaan nooit naar buiten tenzij op een paard, voorafgegaan door een brutale dienaar die, gewapend met een grote knuppel, de man op de ezel waarschuwt respect te tonen voor zijn meester door uit te roepen: “Ongelovige, afstappen!…”

Niebuhr bezocht Egypte bijna vier decennia voor Napoleon, dat opmerkelijk is omdat de late Edward Said aanvoerde dat gelijkaardige verslagen die opgemaakt werden na de expeditie van Napoleon, ongeldig werden verklaard omdat zij besmet waren door het imperialisme.

Moshe Gil (° 1921) heeft rekeningen gevonden – in de Geniza documenten in Caïro – van Joden in Jeruzalem die werden uitgeperst om de djizja en andere belastingen in de pre-kruistochten periode bijeen te brengen. Zoals dit: “… en de levende mens werd garant gemaakt voor de doden en hij die bleef – moest voor degene die waren weggelopen, daarna een extra belasting te betalen. En als je zag wie al dat geld betaalde zou u geschrokken zijn, hen beklagen en over hen zeggen: “Hoe kan een dergelijk grote onesh [Hebreeuws woord hier in de zin van ongewone geldboete of afpersing] afkomstig zijn van die arme mensen?”

Jacob Barna’i heeft in de administratie van de Joodse gemeenschap van Jeruzalem van het einde van de 18de eeuw, verslagen gevonden die verrassend soortgelijke situatie onthullen zoals die door Gil werden gevonden van de tijd vóór de kruistochten. Niet alleen moesten Joden de djizja betalen aan de Ottomaanse staat, maar daarnaast ook een reeks van niet-officiële heffingen, belastingen, afpersingen en verplichte steekpenningen aan de plaatselijke islamitische notabelen en aan sterke mannen.

maimonides

Standbeeld van Maïmonides in Cordoba (Spanje)

Nu, in tegenstelling tot wat veel Joden en andere mensen tot nog toe geloven, waren de leefomstandigheden in de islamitische landen vaak slechter voor de Joden dan onder het Christendom. Tenminste dat was de mening van de grote Joodse filosoof Moses ben Maimon beter gekend als Maimonides (1135-1204), die uit Spanje was gevlucht als gevolg van de vervolging door een fanatieke moslim sekte en in Egypte strandde als een Joodse leider en arts onder de beroemde sultan Ṣalāḥ ad-Dīn Yūsuf ibn Ayyūb, in het westen bekend als sultan Saladin. Hij schreef in zijn beroemde Brief aan Jemen: “[als straf] heeft God ons in het midden van dit volk – de Arabieren – geslingerd, die ons zwaar vervolgden en een verderfelijke en discriminerende wetgeving tegen ons maakten… Nooit heeft een natie ons zo gemolesteerd, gedegradeerd en vernederd en ons meer gehaat dan zij.”

Maimonides was in correspondentie met veel Joden die uit Europa naar India waren gevlucht, en kende de leefomstandigheden in de verschillende plaatsen. Hier bedoelt hij dat in de islamitische samenleving in de regel Joden slechter behandeld werden dan in de christelijke samenleving. De volgende vraag die zich stelt is of de Joodse en christelijke dhimmi’s onderling gelijk waren in hun inferioriteit ten aanzien van de islamitische samenleving, en zo niet, wie waren dan in de superieure positie.

Dr. Prof. Moshe Sharon, een gerespecteerde Israëlische historicus van de islam, stelt dat het feit dat de Koran de Joden bestempeld als de vijanden van de moslims, in vele opzichten hun lagere status in vergelijking met de christenen institutionaliseerde.

De 9e eeuw islamitische schrijver al-Jahiz beweerde: “… de harten van de moslims zijn gehard in de richting van de Joden, maar geneigd in de richting van de christenen.” Hij wees erop dat “in zijn tijd de Christenen zowel sociaal als economisch beter af waren dan de Joden.” Hij verklaarde dit door het politieke verzet van de Joden van Medina tegen Mohammed. Carlo Panella concludeerde: “De Joden stonden op de laagste trede van de maatschappelijke ladder …” in de islamitische samenleving.

De Italiaanse historicus van de islam, Francesco Gabrieli, schreef dat wanneer “de naam ‘Yahudi‘ [= Jood] uit de mond van de moslims komt, dezelfde geur van vijandige minachting voor de Joden verspreidt zoals de term ‘Jood’ dat deed in de Westerse wereld, en vijandiger en smalender klonk dan dat van de bijnaam ‘Nasrani‘ [= christen].” Net zoals al-Jahiz, Gabrieli en Panella wordt dit in het geheugen van de moslims uitgelegd als gevolg van de politieke weerstand van de Joden van Medina tegen Mohammed.

Deze Joodse sociale minderwaardigheid werd niet enkel bevestigd door de middeleeuwse Arabier al-Jahiz uit Bagdad maar door een Turk geciteerd zoals werd aangehaald door Bernard Lewis. Die 19de eeuwse Turk verwees naar een aantal Grieks-orthodoxe onderdanen in het Ottomaanse Rijk die de Ottomaanse hervormingen voor meer gelijkwaardigheid in het midden van de 19de eeuw betreurde. Hieruit blijkt dat de status van de Ottomaanse Christenen superieur werd geacht aan die van de Joden: “… Terwijl in vroegere tijden, in het Ottomaanse Rijk, de gemeenschappen werden gerangschikt met eerst de moslims, dan de Grieken [Grieks-orthodoxen], dan de Armeniërs en dan de Joden, worden ze nu allen op hetzelfde niveau geplaatst. Sommige Grieken maakten bezwaar en zegden: “De overheid heeft ons samen met de Joden gezet. Wij waren best tevreden met de suprematie van de islam.”

Een Britse gezant bevestigde deze rangschikking. Sir John Bowring (1792-1972) was in 1830 in Libanon en Syrië (in de omgeving van Israël), kort voor de eerste van de Ottomaanse hervormingen van 1839 van kracht werden. Muhammad Ali (1769-1849) van Egypte, die op dat ogenblik met de Ottomaanse heersers in conflict lag over de heerschappij van de Levant, had al grotere gelijkheid tussen moslims en dhimmi’s ingevoerd in zijn gebieden. Bowring merkte op dat: “De Muzelmannen… betreuren ten zeerste het verlies van dat soort van superioriteit die ze allen en individueel uitoefenden over en tegen de andere sekten… een muzelman… gelooft en onderhoud dat een christen – en een Jood nog meer… minderwaardig zijn aan zichzelf.” Hoewel de situatie van de Joden zich enigszins zal verbeteren onder het bewind van Muhammad Ali in de Levant.

dhimmies

De leefomstandigheden van de Joden in Jeruzalem onder Islamitische heerschappij

De leefomstandigheden van de Joden vormen misschien een uitzondering [vergeleken met de algemene verbetering van niet-moslims] en er kan niet van worden gezegd dat ze verbeterd waren in vergelijking met die van de andere sekten. De hierboven aangehaalde citaten en de autoriteiten hebben voldoende aangetoonde dat in het algemeen de Joden op de bodem van het vat leefden in de Arabische-islamitische samenleving. Daaruit zou logischerwijze moeten volgen dat de Joden ook op de bodem van het vat leefden in het Jeruzalem onder islamitische heerschappij. Hoedanook moet en kan dit worden aangetoond door bronnenmateriaal.

Tegen het einde van de heerschappij van de Mamelukken – die duurde van de Mongoolse terugtrekking in 1260 tot aan de Ottomaanse verovering in 1517 – leefde er in het Franciscaner klooster in Jeruzalem een monnik genaamd Francesco Suriano (Venetië, 1450-1529) voor zowat vijfentwintig jaar lang. Gedurende zes jaar was hij in opdracht van zijn orde de Custos Terrae Sanctae of Voogd van het Heilige Land. Dat wil zeggen, dat hij de hoogste westerse christelijke ambtenaar was in het Land van Israël, die door de paus belast werd met het toezicht op rooms-katholieke belangen in de christelijke heilige plaatsen en kerkelijke zaken in het land en hulp te bieden aan katholieke pelgrims. Hij hield niet van moslims maar hij wist goed te waarderen hoe zij de Joden behandelden. Hij beschreef hoe ze de Joden in Jeruzalem behandelden als volgt:

“Als je wilt weten hoe deze honden van Joden worden gestampt, geslagen en mishandeld, zoals ze dat verdienen gelijk welk ander ongelovig volk, is dit gewoon het juiste gebod van God. Ze leven in dit land in een dergelijke staat van onderwerping dat die met geen woorden valt te beschrijven… daar in Jeruzalem, waar ze de zonde begaan hebben waardoor ze verspreid werden over de hele wereld [dwz, de Kruisiging van Christus], worden ze door God gestraft en lijden ze meer dan in enig ander deel van de wereld. En daar ben ik lange tijd getuige van geweest…. Geen ongelovige [= moslim] zou een Jood met zijn handen durven aanraken omdat hij onrein is, maar als ze zin hebben om hen te slaan, doen ze hun schoenen uit en slaan ze hen op hun baarden en snorren; de grootste fout en belediging voor een man is hem een Jood te noemen. En het is een achtenswaardige zaak dat de moslims geen Jood aanvaarden tot hun geloof, tenzij hij eerst christen is geworden… En als ze niet werden gesubsidieerd door de Joden van het christendom, zouden de Joden die in Judea wonen omkomen van de honger zoals honden.”

Behandeling van dhimmi (niet-moslim)

Behandeling van dhimmi (niet-moslim)

Het Ottomaanse Rijk lijkt de status van de Joden in Jeruzalem zich te hebben verbeterd, maar dit gebeurde zeer tegen de zin van de lokale moslims. Niettemin, “Lagen de prijzen van de djizja, de bijzondere taks die de Joodse gemeenschap aan de moslims moesten betalen… gemiddeld iets hoger dan die van de [Grieks-] Orthodoxen.”

Ongeveer 300 jaar na Suriano, constateerde de grote Franse schrijver François-René de Chateaubriand (1768-1848) dat de Joden nog steeds op de bodem van het sociale vat leefden. Hij bezocht in 1806 Jeruzalem en schreef er later dit over: “De speciale doelgroep van alle minachting [dwz. van zowel moslims als christenen], zij buigen hun hoofden zonder morren; zij lijden onder alle beledigingen zonder dat zij opkomen voor hun rechten; zij laten zich verpletteren en omver blazen… dringt de woningen van deze mensen binnen, waar u ze zal aantreffen in de verschrikkelijkste armoede…”

Niets kan voorkomen dat ze hun blik naar Zion keren. Als men de Joden ziet die verspreid leven over de hele wereld,… is men waarschijnlijk verbaasd, maar wil men met bovennatuurlijke verstomming worden geslagen, moet men noodzakelijk eerst zien hoe ze in Jeruzalem leven… deze rechtmatige eigenaren van Judea, als slaven en vreemdelingen in hun eigen land. Men moet ze zien onder alle onderdrukking, in afwachting van een koning die ooit komen zal om hen te verlossen.

Toch stonden niet alle christenen in Jeruzalem te popelen om de Joden te haten. Neophytos was een Grieks-orthodoxe monnik die behoren tot de Broederschap van het Heilige Graf, die de belangen regelde van de Orthodoxe Kerk in Jeruzalem. Een inwoner van Cyprus die al vele jaren leefde in Jeruzalem, toonde een zekere sympathie of medelijden met de Joden, voor alle zekerheid niet te overdreven. Neophytos had zelf geleden onder de vervolging en bedreiging van zijn eigen gemeenschap tijdens de Griekse opstand tegen het keizerrijk, tot de Grieks-Orthodoxen in Jeruzalem grote sommen betaalde – inclusief gouden religieuze objecten – aan de lokale Arabisch-Islamitische notabelen om een bloedbad te vermijden uit wraak voor de Griekse opstand van de jaren 1820.

De relatieve grootmoedigheid van Muhammad Ali beschrijvende tegenover de dhimmi gemeenschappen, nadat hij de Islamitische opstand – door de Ottomanen gesteund – tegen hem in 1834 in Israël had neergeslagen, merkte Neophytos op dat deze grootmoedigheid zich ook naar de Joden uitstrekte. Onder de Ottomaanse heerschappij, zoals hij uitlegt, durfden zij niet eens de toestemming te vragen om hun synagogen te repareren:

“Als we op de kwestie van de reparaties aankomen, moeten we iets zeggen over de Joodse Synagoge. Amper een jaar geleden, en de liberale bepalingen van Mehemet Ali Pasha [Muhammad Ali] en Ibrahim Pasha [zijn zoon, generaal en afgevaardigde] in ogenschouw genomen, durven zij weer te spreken over hun synagoge. Ze vroegen dat hun Huis van Gebed, dat in een vervallen staat verkeert en op het punt staat ineen te storten, kan worden gerepareerd. Dus, diegenen die niet eens durfden om een tegel op het dak van de synagoge te vervangen, kregen daar nu de toestemming voor en een decreet om te bouwen.”

slavery

Vanaf de 10de eeuw schuimen moslim piraten voor hun lucratieve slavenhandel, de kusten van Afrika en van de Middellandse Zee af, op zoek naar jonge niet-moslim vrouwen voor hun harems

Neophytos’ woorden “degenen die niet eens durfden,” impliceren de minderwaardigheid van de Joden ten aanzien van de christenen. Dit toont de omvang van de Joodse degradatie aan in de Joodse Heilige stad Jeruzalem.

Het volgende getuigenis over de nederige status van de Joden in de stad komt van niemand minder dan Karl Marx (1818-1883), de grondlegger van het marxisme, en het is alleszins een verrassend getuigenis. In zijn rapport in de New York Daily Tribune van 15 april 1854 over het ontstaan van de Krimoorlog (1853-1856), beschrijft Marx de leefomstandigheden in Jeruzalem, waar religieuze rivaliteit gericht op de Kerk van het Heilige Graf, voor de grote mogendheden kon dienen als voorwendsel voor de oorlog:

“De Muzelmannen, die ongeveer een vierde deel van het geheel uitmaken, dat verder bestaat uit Turken, Arabieren en Moren, zijn natuurlijk de meesters in alle opzichten, omdat zij op geen enkele wijze beïnvloed worden door de zwakte van hun regering in Constantinopel. .. ‘Er is niets dat te vergelijken valt met de ellende en het lijden van de Joden in Jeruzalem, waar ze de meest smerige wijk van de stad bevolken, met name Hareth-el-yahoud. In het kwartier van het stortvuil, tussen de Zion en de Moriah waar hun synagogen zijn gelegen – zijn ze voortdurend het mikpunt van onderdrukking en intolerantie door de muzelmannen, beledigd door de Grieken en vervolgd door de Latijnen…”

Merk op dat Joden zowel door de christenen in de stad werden vernederd alsook door de moslims. Voor de volledigheid: Marx is nooit in Jeruzalem geweest. Zijn verslag van de datum hierboven is vrijwel volledig geciteerd of geparafraseerd uit een boek van de Franse diplomaat en historicus, César Famin. Famin zou Jeruzalem kunnen hebben bezocht, maar zo niet, dan was hij ongetwijfeld zeer goed geïnformeerd over de toestand in de Heilige Stad door collega-Franse diplomaten, verslagen van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Franse geestelijken en reizigers. Hij was gestationeerd in Yassi (Jassy) in Roemenië, dat toen deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk, waar hij een idee van de status van de Joden en christenen had kunnen krijgen in een islamitische staat. Het boek van Famin ‘Histoire de la rivalité et du protectorat des églises chrétiennes en Orient’, gepubliceerd in 1853, sprak van een absolute Joodse meerderheid van de bevolking van Jeruzalem en Marx reproduceerde zijn voorstel voor de splitsing van de bevolking van de stad.

We zullen met onze voorbeelden eindigen bij Gerardy Santine, een Fransman die drie jaren woonde in Jeruzalem in de jaren 1850 en met Felix Bovet, een Franstalige Zwitserse protestantse predikant die een bezoek bracht aan de stad in 1858. Santine benadrukte het gevoel van angst en intimidatie waaronder de inheemse Joden gebukt liepen: “… de zonen van Israël zijn hier het mikpunt van antipathie en minachting vanwege de andere gemeenschappen… kruiperig en overdreven angstig… Zij wakkeren – eerder dan te ontwapenen – de vijandige gevoelens van de christenen nog wat aan, die blij zijn wraak te nemen door hen [de Joden] te plagen voor hun eigen vrijwillige degradatie ten opzichte van de moslims … de Joden die schuilen onder de vlag van een Europese consul, zijn bijna allen mannen.”

Bovet schreef dat “de Joden nog steeds, tot op vandaag, het meest ellendige deel zijn van de bevolking van de Heilige Stad.” Bovet citeert een Franse bekeerling tot de Islam, die schreef: “de Jood van Jeruzalem leeft maar half, bang als hij is om nauwelijks adem te halen.”

We hebben hierboven laten zien 1) de staat van onderdrukking, vernedering en economische uitbuiting – de dhimmitude – van Joden en christenen in de traditionele Arabische-islamitische samenleving, 2) dat de status van de Joden onder de Arabische Islam slechter was dan elders (volgens Maïmonides) en 3) de lagere status van de Joden zelfs ten aanzien van de christelijke dhimmi’s in de Arabisch-islamitische samenleving in het algemeen en in Jeruzalem in het bijzonder.

Wordt vervolgd in deel 2 van De vergeten onderdrukking van de Joden onder de islam en in het Land van Israël.

Bronnen: Middle East & Terrorism Blog: The forgotten oppression of Jews under Islam and in The Land of Israel deel 1 en deel 2 door Elliott A. Green van 14 augustus 2009; deel 1 vrij vertaald en bewerkt door Brabosh op 15 november 2009; Elliott A. Green is een onderzoeker, auteur en vertaler die in Jeruzalem woont. Zijn schrijfsels werden gepubliceerd in Midstream [New York], Nativ en in The Jerusalem Post [Israel] alsmede in andere publicaties. Hij was mede uitgever van Crossroads, een kwartaalblad over sociale wetenschappen dat nog steeds wordt uitgegeven in Jeruzalem.

Categories: Dhimmitude, Dossiers

Dhimmitude: de status van niet-moslim minderheden onder Islamitisch bestuur

23/04/2009 brabosh 4 reacties

Heden voeg ik een nieuw begrip toe aan mijn dagelijks gebezigde woordenarsenaal: dhimmitude. Over dhimmi’s en dhimmitude zal nog veel verschijnen op deze blog en elders. De Joden, christenen en andere niet-moslims die ergens in de arabische wereld hun stek hebben (of ooit hebben gehad) zijn erg goed bekend met dit woord, dat voor hen alleen maar narigheid, vernedering, rechteloosheid, slavernij, tot moord en doodslag betekent. Het bestaat in die landen namelijk al eeuwenlang. De betekenis en het gebruik toelichten van dhimmi en haar afgeleid naamwoord dhimmitude (in feite een samentrekking van ‘dhimmi’ en ‘attitude’), kan ons helpen de soms voor ons onbegrijpelijk vijandige houding van moslims ten aanzien van niet-moslims en dan in het bijzonder tav de Joden m.b.t.  het onoplosbare conflict in het M-O beter te begrijpen.

Wordt onthoofd zij die de islam te beledigen

Wordt onthoofd zij die de islam te beledigen

Tevens wordt het mogelijk om de diep verankerde haat en minachting van moslims jegens niet-moslims meer bepaald in die landen en gebieden die onder de sharia leven (islamitische wetgeving gebaseerd op de koran en bijboeken) of een variant op de sharia, in haar juiste historische context te plaatsen. Wie de geschiedenis niet kent begrijpt niks van het heden, of anders gezegd in de context en het doel van deze blog: wie het conflict in het Midden-Oosten wil begrijpen, moet beseffen dat het grenzenconflict slechts een fractie uitmaakt van de echte oorzaken van dit conflict, maar dat de feitelijke bron van deze problemen, de facto van zuiver religieus-culturele aard zijn.

Een paar jaar geleden legde Mr. Sheikh van Al Jazeera in een gesprek met reporter Heumann uit, hoe wanhopig de huidige situatie in het Midden-Oosten is en dat alles veel beter zou marcheren als Israël – de dhimmistaat staat bij uitstek in een Arabische moslimwereld – niet [meer] zou bestaan. Dhimmi ’s mogen nu eenmaal geen eigen autonoom bestuurde staat hebben binnen de moslimwereld.

Heumann: “Kunt u mij misschien uitleggen wat het Palestijns-Israëlische vraagstuk met deze problemen te maken heeft?”

Sheikh: “De zaak van de Palestijnen staat nu eenmaal centraal in het Arabische denken.”

Heumann: “Gaat het uiteindelijk over een gevoel van eigenwaarde?”

Sheikh: “Precies. Het gaat erom dat we het altijd tegen Israël afleggen. Het knaagt aan de inwoners van het Midden-Oosten dat zo’n klein landje als Israël, met maar 7 miljoen mensen, de Arabische natie, waar 350 miljoen mensen wonen, kan verslaan. Dat kwetst ons collectieve ego. Het Palestijnse probleem zit in de genen van elke Arabier. Het probleem van het Westen is dat ze dat niet begrijpt.”

Jessica Durlacher in haar voorwoord bij Oorlog op Afstand van Aaldert van Soest: “Hij heeft een beetje gelijk. Het Westen snapt dit niet. Hoe zou het Westen dit kunnen snappen? Voor het westen, althans, het deel dat ik ken, is het onbegrijpelijk dat er naties bestaan die zo onvolwassen, kinderachtig, jaloers en kleingeestig zijn, dat ze de klaarblijkelijke superioriteit van een piepklein landje verantwoordelijk blijven stellen voor hun eigen moedeloosheid en onvermogen: hun gebrekkige organisatie, infrastructuur, economie, onderwijs, medische zorg.

Get over it, denkt het Westen. Een landje zo groot als de achtertuin van een willekeurige Saoedische prins: Israël. Een gehaat landje. De president van Iran verkondigt dat hij het van de kaart wil vegen, laten verdwijnen, nuken, zoals dat heet. Hij maakt geen grapjes. Het is hem bittere ernst, maar het Westen begrijpt dit nog niet helemaal. De haat tegen Israël is zo geïnstitutionaliseerd dat er op de Iraanse (door het regime gecontroleerde zender) tv een sciencefiction serie draait waarin de slechte buitenaardse koningin Joods is.”

jihad2

Dhimmitude

De Islam is ontstaan in Arabië, in de twee steden Mekka en Medina, waar haar stichter, de profeet Mohammed, leefde tussen 570 en 632 n.C. en zijn openbaring ontving. Na zijn dood, kreeg zijn prediking haar uiteindelijke vorm in een boek, de Koran genoemd. De volgende drie eeuwen hebben moslim theologen en juristen het lichaam van de Islamitische jurisprudentie verder uitgebreid met twee belangrijke pilaren, de Koran en de hadiths, de daden en uitspraken (sunna) die worden toegedicht aan Mohammed. Juristen hanteerden verschillende principiële interpretaties om de Sharia in te stellen, de Islamitische wetgeving conform te maken aan de wil van Allah zoals die door Mohammed werd uitgedrukt in de Koran en de hadiths. Tegelijk met het ontstaan en de verspreiding van de islam doorheen het Midden-Oosten, Afrika, Azië en Europa werd ook het begrip dhimmi geboren, zoals de niet-moslim door moslims werd aangeduid en nog veel later het begrip dhimmitude, dat hierna verder wordt toegelicht.

Dhimmitude betekent het Islamitisch systeem van het besturen van volkeren die werden veroverd tijdens Jihad-oorlogen en die alle demografische, ethnisch en religieuze aspecten van dit politieke systeem omsluiten. Het woord ‘dhimmitude’ is een historisch concept, dat in 1983 vastgepind werd in door Bat Ye’or, die hiermee de wettelijke en sociale leefomstandigheden van Joden en Christenen beschrijft die leefden (en nog leven) onder Islamitisch bestuur.

Het woord dhimmitude werd afgeleid van dhimmi, een arabisch woord dat ‘beschermd’ betekent. Dhimmi was de naam die werd gegeven door islamitisch-arabisch veroveraars aan de inheemse niet-moslim bevolking die hun onderwerping aan de moslimoverheersing hadden bezegeld met een verdrag, in het arabisch dhimma.

moslimwereld1

Islamitische veroveringen voltrokken zich over meer dan duizend jaren (638-1683) over grote gebieden van Afrika, Europa en Azië. In het grote islamitische rijk waren talrijke uiteenlopende volkeren opgenomen, allen met hun eigen religie, cultuur, taal en beschaving. Eeuwenlang vormden deze inheemse, pre-islamitische volkeren de grote meerderheid van de bevolking in deze islamitische landen. Niettegenstaande de grote verschillen onder al deze populaties, werden zij allen zonder onderscheid geregeerd door dezelfde soort wetten, gebaseerd op de sharia, de islamitische wetgeving.

Gelijktijdig werd door de eeuwen heen een uniforme beschaving ontwikkeld (die varieërde  van streek tot streek) door de niet-islamitische inheemse volkeren die tijdens een jihad-oorlog werden overwonnen en beheerst werden (of nog worden) door de sharia wet. Het is deze beschaving die dhimmitude wordt genoemd. Die wordt gekenmerkt door de verschillende strategieën die door elke dhimmi groep ontwikkeld werden om te trachten overleven als niet-islamitische entiteit binnen de geïslamiseerde landen.

jihad11

Dhimmitude kan enkel worden begrepen in de context van de jihad, omdat die ontsproten is aan deze ideologie. Ongelovigen die in de islamitische legers dienen zonder te vechten, kregen de belofte dat over hun veiligheid werd gewaakt. Ze werden beschermd tegen de wetten van de jihad tegen de ongelovigen die het bevel gaven om hun vijanden te doden, in slavernij te brengen, deportatie of losgeld vroegen. Vrede en veiligheid voor niet-moslims werden pas erkend na aanvraag. De beschermingsstatus werd hen verstrekt tijdens de Islamisering van de veroverde gebieden.

De overwonnen niet-moslim volkeren werd bescherming geboden voor leven en bezittingen, evenals een relatief zelfstandige autonome administratie en beperkte religieuze rechten volgens de regels van de verovering. Deze rechten zijn onderworpen aan twee voorwaarden: de betaling van speciale belastingen (de jizya) en de onderwerping aan de bepalingen van het islamitische recht. Het begrip tolerantie is gekoppeld aan een aantal discriminerende verplichtingen op economisch, religieus en sociaal gebied, opgelegd door de sharia aan de dhimmis (=onderworpen niet-moslims).

In het geval wanneer dhimmis tekort schoten in sommige van deze verplichtingen, werd hun bescherming afgeschaft, en werden ze bedreigd met de dood of slavernij. Dhimmi’s werden vele legale rechten ontzegd met de bedoeling hen terug te brengen in een toestand van vernedering, verdeeldheid en discriminatie. Deze regels, gevormd door de stichters van de vier scholen van de Islamitische wet in de volgende acht à negen eeuwen, zetten het gedragspatroon uit voor de moslims ten opzichte van de dhimmis.

Naar Joden en Christenen wordt verwezen als de Mensen van het Boek, en zij deelden dezelfde juridische status, terwijl andere religieuze groepen – zoals bijvoorbeeld de Zoroastrians – meer veracht en strenger werden behandeld. Dhimmitude bestrijkt meer dan duizend jaar van de Christelijke en Joodse geschiedenis, evenals die van andere groepen. Het is een complete beschaving van gebruiken, wetgeving, en sociaal gedrag. Tal van wetten werden door de eeuwen heen uitgevaardigd door de islamitische autoriteiten, om de uitvoering van haar principes te implementeren. De dhimmitude werd tijdens de 19e-20e eeuw onder Europese druk en kolonisatie van de Arabische landen opgeheven. Vandaag beleven wij de heropleving van de traditionele islam die de geest van de jihad tegen de Dar al-Harb nieuw leven inblaast en de dhimmitude voor de niet-islamitische minderheden opnieuw wil invoeren of dat al heeft gedaan.

Bron: ondermeer Dhimmitude.org: History of Dhimmitude

Volgende keer: Dhimmitude: de houding van niet-moslim meerderheden tegenover Islamitische minderheden in eigen land

Categories: Dhimmitude, Dossiers

Israël, de Jood onder de staten van de wereld, mishandeld door de media

Londen 23 maart 2008: holocaust retoriek

Londen 15 maart 2008: holocaust retoriek = uitbuiting van de holocaust door anti-Zionisten

Sinds de jaren ‘80 van de vorige eeuw hebben diverse hoge Europese politici radicale antisemitische verklaringen afgelegd die overeenkomen met de Arabische en islamitische standpunten. In een openbare verklaring in 1982, vergeleek de Griekse socialistische eerste-minister Andreas Papandreou de Israëliërs met nazi’s. Echter, geen enkele gewone Europese leider ging zo ver als de christen-democraat Giulio Andreotti, die vele malen premier was en later president van Italië. Hij verklaarde in Genève, tijdens een interparlementaire conferentie in 1984, zijn steun te geven voor de Iraakse motie van Saddam Hoessein, die zionisme gelijk stelde met racisme. Andreotti steunde de boycot tegen Israël en verdedigde het recht van de gewapende strijd voor de bevrijding van Palestina [dat is terrorisme].

Italië was toen het enige westerse land dat samen met het Sovjetblok voor deze motie stemde. Later kwam dit soort situaties steeds vaker voor. In april 2002, sprak Franco Cavalli tijdens een demonstratie van de Zwitsers-Palestijnse gemeenschap te Bern. Hij werd vervolgens de parlementaire leider van de Sociaal-Democratische Partij (SP), die deel uitmaakte van de Zwitserse regeringscoalitie. Hij beweerde dat Israël “zeer doelgericht massamoorden pleegde op een heel volk” en de “systematische uitroeiing van de Palestijnen” uitvoerde. Was hij dan niet op de hoogte van het relatief hogere aantal Palestijnen dat werd afgeslacht door  Syriërs, Libanezen, Jordaniërs en hun bloedige gevechten onderling, of was het door zijn antisemitisme dat hij die aantallen negeerde? Evenmin kon hij uitleggen waarom de Israëliërs zo onbekwaam en machteloos bleken in die zogenaamde  ‘uitroeiing’ van de Palestijnen, sinds die steeds maar sterker en talrijker worden als nooit tevoren.

Hooggeplaatste leden van de Griekse Socialistische Partij gebruiken routinematig holocaust retoriek om de Israëlische militaire acties tegen Arabieren te beschrijven, zelfs wanneer zij van nature een defensief karakter dragen. In maart verwees de parlementaire woordvoerder in Athene, Apostolos Kaklamanis, andermaal naar de ‘genocide’ op de Palestijnen, vergetende dat geen enkel volk zoveel genociden kan ondergaan en toch overleven. Jenny Tonge, een liberaal-democratisch parlementslid in het Verenigd Koninkrijk, verklaarde tijdens een meeting van de Campagne 2004 Solidariteit met Palestina, dat ze zou overwegen om  ‘zelfmoord terrorist’ te worden, moest zij in de Palestijnse gebieden wonen. Maar in tegenstelling tot in andere gevallen, die meestal genegeerd werden, distantieerde haar partij zich deze keer van haar verklaring, en maakte duidelijk dat zij terrorisme niet wensen te vergoelijken.

typische dhimmi houding

typische dhimmi houding

Wat opnieuw de kwestie van de legitimiteit van Israël opwerpt, of zelfs van de ‘erkenning van haar bestaansrecht,’ dat in zich reeds de connotatie meedraagt van wantrouwen, onzekerheid, aarzeling, tijdelijkheid en remonstrantie, als ware het nog onder proeftijd, als een crimineel op erewoord, die nog constant heeft te bewijzen dat hij zijn vrijheid verdient. Als Israël toegeeft, zich terugtrekt, in elkaar krimpt tot haar ‘natuurlijke grootte’ (zoals de Egyptenaren het zouden willen), gehoorzaamt, zichzelf wegvaagt, haar ‘schuld’ toegeeft, of zich meer zou wensen te gedragen  als een oude dhimmi [=rechteloze niet-moslim in een land onder de sharia, vgl bv. met paria in Indië, nvdv], dan zou het beter voldoen aan de eisen der volkeren, dat dan misschien tijdelijk het lasteren zal opschorten  en door de wereldopinie zal worden verwelkomd als vreedzaam, redelijk, gematigd en verzoenend.

Maar wanneer het tegen haar vijanden opstaat, haar rechten opeist, grondgebied, erfgoed, veiligheid, volk, manier van leven, en dat haar soevereiniteit zou worden gewaarborgd en gerespecteerd, dan steigert de wereld zich over haar arrogantie, aanmatigend gedrag, agressie, egoïsme, geest van rebellie, fanatisme, extremisme en veronachtzaming van anderen. Wanneer diplomaten en wereldleiders het bestaansrecht van Israël erkennen (dank u), wordt dit dikwijls gezien als een speciale gunst en maakt sommige Joden gelukkig met de dagelijkse bevestiging van die gunst, die zij nooit beschouwd hebben als een zaak van natuurlijk recht. De dhimmi geest die ze aldus bestendigen, bepaalt dat ze een dankbaar gedrag hebben aangenomen ten aanzien van zij die neerbuigend bevestigen wat anders een vanzelfsprekendheid zou zijn geweest. Dat is de reden waarom zestig jaar na de onafhankelijkheid de Joden in hun nationale volkslied de ‘hoop’ blijven bezingen op de verwezenlijking van de vrijheid in hun land. Ze kunnen eenvoudigweg nog altijd niet geloven dat ze dat doel al bereikt hebben.

Bekijk het even anders: een wereldleider of een van zijn ondergeschikten vertelt Israël dat het recht heeft om te bestaan, maar dat ze eerst het grondgebied moeten evacueren, zodat de Palestijnse vluchtelingen kunnen terugkeren naar hun vroegere woningen, dat zij een bepaald aantal van haar verdedigingsprincipes moeten opgeven, en aldus totaal afhankelijk worden van internationale garanties. Dit betekent dat haar bestaansrecht afhankelijk zou worden van bepaalde voorwaarden, die in strijd zouden zijn met haar eigen belangen of haar overlevingskansen in een haar vijandige omgeving aanzienlijk zouden verminderen. Zo wordt enkel Israël, als enige tussen alle naties, gedwongen om de nodige voorbereidingen te nemen ten aanzien van haar eigen ondergang, als voorwaarde voor haar voorwaardelijke erkenning door anderen. Dit houdt tegelijk ook in dat, als het land niet aan die voorwaarden zou voldoen, de toelating tot de grote familie der volkeren van de wereld op gelijk welk ogenblik opnieuw kan worden ingetrokken. Stel je voor dat iemand aan de Britten zou vertellen dat hun bestaansrecht enkel zou worden erkend op voorwaarde dat zij de Falkland Eilanden zouden teruggeven aan hun eigenaars, of aan de Amerikanen, de Canadezen en de Australiërs dat hun soevereiniteit slechts zou worden erkend, maar dan enkel op voorwaarde dat zij alle rechten die ze ontnomen hebben aan de oorspronkelijke bewoners van het land dat ze veroverd hebben? Of dat de Japanners, Syriërs, Irakezen en Soedanezen slechts worden aanvaard wanneer zij hun minderheden zouden erkennen en op te houden met hen te vervolgen? Of dat het bestaansrecht van Iran, China en Egypte enkel zou erkend worden wanneer zij de democratie aanvaarden en/of ophouden met hun buren te bedreigen? Ondenkbaar?

het Al Aqsa complex bouwden de moslims bewust bovenop de heiligste plaats van de Joden; als de Tempel ooit moet herbouwd worden zou de moskee moeten afgebroken worden

Het Al Aqsa complex bouwden de moslims bewust bovenop de heiligste plaats van de Joden; als de Tempel al ooit kan heropgebouwd worden zou eerst de moskee moeten worden afgebroken

Niet in het geval van Israël, hoewel het niet kan betrapt worden op overtredingen of onregelmatigheden. Neem als voorbeeld de kwestie Jeruzalem, de hoofdstad van Israël en het Joodse volk van de laatste 3.000 jaar. In december 1995 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met een overweldigende meerderheid een resolutie aan die, zoals ook de voorgaande jaren steeds het geval was, de geldigheid van de Israëlische wetten ontkent die  bepalen dat het verenigd Jeruzalem de  hoofdstad is van het moderne Israël.  Die resolutie veroordeelde ook de ‘ver-Joodsing’ van Jeruzalem, net alsof iemand de Chinezen beschuldigt van het ‘ver-Chinezen’ van Peking of de Fransen van het ‘verfransen’ van Parijs, of Saoedi Arabië voor het islamiseren van Mekka.

Toen de Arabieren Oost-Jeruzalem domineerden, die zij nooit tot hun hoofdstad hebben gemaakt, hebben zij niet alleen getracht om de stad volledig te arabiseren, maar deden  dat ook in het nadeel van de Joodse sites zoals de Tempelberg, de Olijfberg, de Joodse wijk,  niemand die toen klaagde (behalve dan de Israëli’s, maar die tellen toch niet mee).  Echter, van zodra de Joden hun soevereiniteit weer hersteld hadden op de oude sites, zonder daarbij nauwelijks te raken aan het Al Aqsa complex dat de moslims bewust gebouwd hebben op de heiligste plaats van de Joden, dan begonnen  luidop de kreten ‘ver-Joodsing’ en ‘bedreiging voor de wereldvrede’ te klinken. Dus, wanneer de Verenigde Naties verklaren dat de Israëlische maatregelen wat hen betreft ‘van nul en generlei waarde’ zijn, kan men zich afvragen of de gerestaureerde Joodse wijk die door de Arabieren werd verwoest, in puin zou zijn gebleven of weer zou afgebroken worden nadat die was hersteld, of dat de herstellingen die gedaan werden op de begraafplaats van de Olijfberg, begraafplaats die  nota bene door de Jordaniërs werd vernield en de grafstenen gebruikt om er een weg mee te plaveien, weer ongedaan moeten gemaakt worden en terug gebracht worden naar de situatie voor de ontheiliging had plaatsgevonden, om pas nadien weer in aanmerking te kunnen komen voor de bepalingen van deze resolutie.

tunnel onder de westelijke muur

tunnel onder de westelijke muur

In oktober 1996 heeft de Europese gemeenschap geëist dat Israël alle genomen maatregelen van restauratie en reconstructie moet herroepen en de dingen terugbrengen naar hun oorspronkelijke staat. Oorspronkelijk sinds wanneer? Als de grootsheid van Jeruzalem zou hersteld zijn naar de tijd toen de koningen David en Salomon nog leefden, dan had de Al Aqsa moskee onverbiddelijk moeten  worden afgebroken om plaats te maken voor de heropbouw van de oorspronkelijke Joodse Tempel. Of bedoelen zij misschien ‘met het terugbrengen naar de oorspronkelijke staat’ wel de latrines die de Jordaniërs hadden gebouwd op de plaatsen van de synagogen in het Oude Joodse Kwartier, die door hen werden verwoest en dat die terug moeten hersteld worden op de ruïnes van deze zorgvuldig gerestaureerde plaatsen? De aanleiding van deze Europese eisen was de heropening van een oude tunnel (afbeelding links), die 2.400 jaar teruggaat in de geschiedenis naar de tijd van de Joodse Hasmonietische Dynastie, lang voordat er sprake was van Europa, Christendom, Islam, Arabieren of Palestijnen. En omdat de moslim Palestijnen die de heilige Joodse Tempelberg hadden opgeslokt, beweerden dat de tunnel hun heilige plaatsen bedreigden, die eeuwen geleden gebouwd werden op de ruïnes van de Joodse Tempel uit de oudheid, eisten de Europeanen dat Israël deze tunnel terug zou sluiten.  Dat alles vond plaats onder de voortdurende Palestijnse dreiging met geweld als Israël niet zou voldoen aan hun eisen. Wie van deze nieuwe Europese naties zou ooit hebben gedoogd dat een situatie die betrekking heeft op het recht tot het hebben van een erfgoed in het verleden,  ooit in twijfel zou worden getrokken?

Jeruzalem is slechts een voorbeeld. Wat op het spel staat is het zelf toegeëigende recht van de westerse landen aan welke gedragsnorm Israël zich heeft te houden en zich aanmatigt op te treden als zelf-benoemde opperste scheidsrechter over dat gedrag. Precies zoals de gemiddelde Joden worden verdacht en beschuldigd totdat hun onschuld bewezen wordt, hetzelfde geldt dus voor de Joodse staat. Het is in die zin dat de Joodse staat geworden is tot de Jood tussen de staten. Decennia lang namen de meeste landen het recht om Israël ‘de Joodse staat’ of de ‘Tel Aviv-regering’ te noemen; waarbij het haar in de geest een gelijkaardige legitimiteit toekende zoals aan de ‘Vichy Regering’; zij formuleerden hun aanmerkingen en stuurden hun vertegenwoordigers naar dat niet-bestaande adres; de internationale media verzonden hun verslagen vanuit Tel Aviv, terwijl de foto’s die ze toonden vaak afkomstig waren uit Jeruzalem, de feitelijke zetel van de regering van Israël. Dat alles om te voorkomen dat Jeruzalem zou worden erkend als de werkelijke hoofdstad van Israël, die ouder is dan hun eigen respectievelijke hoofdsteden, zoals het gereconstitueerde centrum van het hedendaagse moderne Israël. Zo algemeen verspreid is die fictie dat veel mensen nog altijd denken  dat Tel Aviv de hoofdstad is van Israël en niet Jeruzalem. Welke andere landen in de wereld zouden aan dergelijke behandeling toegeven of  de legitimiteit van de keuze van hun hoofdstad die stelselmatig wordt  betwist of ontkend, willen of kunnen aanvaarden?

Israëlische politieagent met matrak

Israëlische politieagent met matrak

Deze overdreven kritische blik op de Joden in de geschiedenis heeft zich op de een of andere manier ook afgezet op Israël en de Arabieren en moslims direct geholpen in hun verwerping van Israël, alles als het ware op één hoop gegooid. De overdreven drang en dwangmatige abnormale behoefte om verslag uit te brengen over ‘de fouten van Israël’, voert al decennialang regimenten verslaggevers en correspondenten naar Tel Aviv (en naar Jeruzalem), meer dan naar gelijk welke andere hoofdstad ter wereld, behoudens dan Washington, DC. En al deze journalisten willen perse hun aanwezigheid in Jeruzalem verrechtvaardigen (zogezegd Tel Aviv) en hunkeren naar nieuws om hun gretige media te voederen. Aldus kan de meest absurde onzin het nieuws halen en het onbenulligste voorval plots ‘geschiedenis’ worden. Zo werden er als voorbeeld omtrent de verslaggeving over de Intifada, artikelen geschreven over het soort hout dat werd gebruikt voor de vervaardiging van de wapenstokken (matrakken) die door de politie bij de ordehandhaving worden gebruikt, alsook de ateliers waar ze werden gemaakt. Ook zien we dat saaie en repetitieve details, waar elders nooit aandacht wordt aan besteed, hun weg vinden naar de internationale media.

De natuur van de ‘Joodse’ matrak, die het leed veroorzaakte voor de Palestijnen en ook de Joodse reputatie heeft aangetast, was slechts een symptoom. Niemand heeft ooit de matrakken gecontroleerd die de Britse politie gebruikte in Noord-Ierland, noch de matrakken die de Franse politie gebruikte bij het bedwingen van gewelddadige rellen in de sloppenwijken van Parijs. Maar een Joodse matrak verdient aan een nauwkeurig onderzoek te worden onderworpen. Palestijnse kinderen en adolescenten kunnen molotov cocktails gooien naar de Israëlische politie, waarbij regelmatig doden en gewonden vallen of agenten verminkt worden, maar dat zijn ‘slechts kinderen’ die moedig opstaan tegen hun onderdrukkers; maar onderdrukt worden door de politie die de geduchte Joodse matrak hanteren, dat is een andere zaak, want de Joden hebben zich te onderwerpen aan een speciale gedragsnorm, in tegenstelling tot alle anderen. Een Palestijnse woordvoerder maakte eens de volgende opmerking: “Wij zij zo fortuinlijk dat onze vijanden de Israëlis zijn. Als het Senegalezen waren geweest, wie zou er dan nog aandacht aan ons hebben besteed?” Wijlen Pater Marcel Dubois, hoofd van de Dominicanen orde in Jeruzalem, maakte een gelijkaardige opmerking: “Moesten de bezette gebieden onder Margaret Thatcher’s verantwoordelijkheid zijn gevallen, zou de Intifada hooguit drie dagen hebben geduurd en zou er nooit nog iemand over gesproken hebben.” Beide verklaringen werden bevestigd door Thomas Friedman van de New York Times, een voormalig lid van de buitenlandse pers in Jeruzalem, die dezelfde waarneming in bijna identieke bewoordingen herhaalde: “De Palestijnen hebben het geluk dat het met de Israëlische Joden is met wie  ze in conflict zijn.” (“the great luck of the Palestinians is that they are in a state of conflict with Israeli Jews…“)

Artikel van Raphael Israeli oorspronkelijk getiteld als ‘Anti-Zionism as Anti-Semitism in Europe: The Mistreatment of Israel by the Media‘, verschenen op 15 maart 2009 op de weblog Middle East and Terrorism. Vertaald en voorzien van plaatjes  door Brabosh.

Islamitisch antisemitisme, de wortel van het Midden-Oosten conflict?

Hezbollah hertekent de kaart van het M-O

Hezbollah hertekent de kaart van het M-O

Is het conflict in het Midden-Oosten een puur territoriaal dispuut ? Of ligt aan de basis ervan nog een probleem dat slechts na zorgvuldige bestudering van de houding van de Islam ten opzichte van de Joden, een ander licht kan werpen op het conflict en de onoplosbaarheid ervan ?

De gebruikelijke gedachtegang in de academische en journalistieke wereld is dat Islamitische Jodenhaat pas is ontstaan in de 19de en 20ste eeuw, met de geboorte van het moderne Zionisme en het daaropvolgende Arabisch-Israëlische land dispuut over het Britse mandaatgebied voor Palestina. Zijn de problemen werkelijk met de opkomst van het Zionisme begonnen?

Wijdverbreid is ook de veronderstelling dat de Joodse gemeenschappen in de Moslim-landen” gouden eeuwen” beleefden en Joden daar alom met respect en tolerantie werden behandeld, in tegenstelling tot hun geloofsgenoten in het Christelijke Europa. Echter, door de eeuwen heen zijn ook de Joden in de Arabische wereld als tweederangs burgers behandeld, vervolgd, en vermoord.

Het Alhambra Decreet van 31 maart 1492 door de katolieke monarchie dat de uitdrijving van de Joden uit Spanje gebood

Het Alhambra Decreet van 31 maart 1492 door de katolieke monarchie dat de uitdrijving van de Joden uit Spanje gebood

Bittere voorbeelden hiervan zijn onder andere de uitroeiing van de Joodse stam Banu Qurayza; de leden van deze stam leefden in Medina en werden op bevel van Mohammed vermoord.[1] De moord op meer dan 6000 Joden in de Marokkaanse Stad Fez in 1033. De bijna algehele vernietiging van de Joodse gemeente in Granada gedurende de Moslim opstanden van 1066 . De Progroms in Palestina in de late twintiger en vroege dertiger jaren van de 19e eeuw in Jeruzalem, Safed en Hebron tijdens het bewind van Ibrahim Pasha.

De expulsie van bijna alle Joden uit de Arabische wereld in de jaren na de oprichting van de staat Israël, geeft ook aan dat de bovengenoemde veronderstelling niet juist is en dat de leefomstandigheden van de Joden in de Arabische wereld misschien wel vergelijkbaar waren aan die in Christelijk Europa in de Middeleeuwen.

Een van de hoofdredenen van de inferieure status van Joden en andere niet-Moslims in de Islamitische wereld is het principe van dhimma; dit is de overeenkomst tussen de Moslim heerser en zijn, onder de Islamitische wet (Shari’a) getolereerde, niet-Islamitische onderdanen (dhimmis). Deze groep van getolereerde onderdanen bestond voornamelijk uit Joden, Christenen, Zoroastrianen en later ook Hindoes. De dhimma was een soort contract waarbij van de dhimmis werden verwacht om de superioriteit van de Islam te erkennen en om hun eigen inferieure positie te accepteren.

Zij werden geacht om een hoofdelijke belasting te betalen, de jizya, en in ruil daarvoor moest hun leven en hun materiële bezittingen worden beschermd door de Moslim heersers. Vrijheid van godsdienst was ook een onderdeel van de dhimma en Joden en Christenen werd toegestaan om hun eigen synagoges respectievelijk kerken te behouden; er mochten echter geen nieuwe gebedshuizen worden bijgebouwd of reparaties worden aangebracht aan de bestaande niet-Islamitsche gebedsruimten. De dhimmis waren over het algemeen gebonden aan bepaalde kledingscodes en moesten bepaalde kenmerken op hun kleding dragen waardoor ze te onderscheiden waren van de Moslims, ze mochten niet in rechtzaken getuigen en ook mochten ze niet op paarden rijden, maar alleen op ezels en andere muildieren. De dhimmis hadden dus een veel betere positie dan de slaven in de Arabische wereld, maar ze waren toch wel ver achtergesteld bij hun Islamitische landgenoten.

Behandeling van dhimmi (niet-moslim)

Behandeling van dhimmi (niet-moslim)

De Egyptisch-Joodse schrijfster Bat Ye’or stelt dat de dhimma afkomstig is van de jihad, de heilige oorlog van de Moslims tegen de niet-Moslims. Islamitische theologen en juristen die leefden ten tijde van de grote Islamitische veroveringen in de 7e eeuw, probeerden om een religieus en wettelijk kader te scheppen voor de jihad, zich baserend op de Koran en de hadith (de uitspraken en daden van de Profeet Mohammed). Vandaar dat zij de doctrine van de jihad met betrekking tot de relaties tussen de Moslims en niet-Moslims interpreteerden in termen van overheersing, submissie en vijandigheid. Volgens deze doctrine behoort het recht tot wereldheerschappij alleen aan de umma, de Islamitische gemeenschap van Allah, die verheven is boven alle andere volkeren, zoals wordt verduidelijkt in de Koran (3:17): “ Jullie zijn de beste natie die de mensheid ooit heeft voortgebracht.”

Uit het bovenstaande kan dus worden opgemaakt dat het Islamitische antisemitisme al is ontstaan aan het begin van de Islam. Er zijn vele voorbeelden van anti-Joodse sentimenten in de Islamitische religieuze bronteksten te vinden. De Islam kan in deze context in drieën worden verdeeld: 1. de Islam van de teksten zoals de Koran, the hadith en de sira (de biografieën van de Profeet Mohammed, die overlappend zijn aan de hadith), 2. de Islam die is ontwikkeld uit deze teksten door Koran-commentatoren en -rechtsgeleerden, 3. de Islamitische samenleving en de daden van de Moslims door de eeuwen heen. Een van de oudste biografieën over Mohammed (sira), die is geschreven door Ibn Ishaq en overgeleverd door Ibn Hisham, staat vol van de haat van de profeet tegen Joden; bijvoorbeeld: “Vermoord elke Jood die in je bezit komt”. Ook in de Koran komen veel verzen voor die refereren aan de haat tegen Joden, de meest bekende waarschijnlijk de verzen die Joden met apen en zwijnen vergelijken; Koran 5:60, 5:61.

De term “Islamitisch antisemitisme” wordt vaak als problematisch voorgesteld omdat het woord antisemitisme afstamt van de groep verwante Semitische talen zoals; Hebreeuws, Aramees en Arabisch. Daardoor zou het dus niet mogelijk zijn dat Arabieren antisemitische sympathieën hebben. Robert Wistrich weerlegt deze claim door te zeggen dat de term antisemitisme eigenlijk nooit “haat tegen Semieten” (zoals bijvoorbeeld Arabieren) heeft betekend maar eigenlijk alleen is gebruikt voor haat tegen Joden. Deze term, stelt Wistrich, is algemeen aanvaard als aanduiding voor alle vormen van Jodenhaat.

En het ultieme bewijs voor de stelling dat antisemitisme nooit gericht was tegen de Arabieren (of Moslims of andere niet-Joden), is te vinden in de nazi-doctrine. Tijdens een persconferentie in november 1942 in Berlijn, werd door een woordvoerder van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het naziregime benadrukt, dat de nazistische antisemitische politiek exclusief was gericht tegen de Joden. Het Arabisch-Palestijnse leiderschap tijdens de Tweede Wereldoorlog hielp en steunde de nazis in hun campagnes tegen Joden, dit vaak met goedkeuring van het overgrote deel van de Arabisch-Palestijnse bevolking.

Groot-Moefti van Jeruzalem op bezoek bij Adolf Hitler

Groot-Moefti van Jeruzalem op bezoek bij Adolf Hitler

Kort nadat Hitler aan de macht kwam stuurde de moefti van Jeruzalem hem een bericht met de volgende inhoud: “Moslims binnen en buiten Palestina verwelkomen het nieuwe regime van Duitsland en hopen op een uitbreiding van het fascistische, anti-democratische regeringssysteem naar andere landen” Niet alleen uit deze historische feiten, maar ook uit de aktuele feiten over het Moslimleiderschap in de Palestijnse gebieden wordt duidelijk dat anti-semitisme een bepalende faktor is in dat leiderschap. Zo heet de militaire tak van Hamas “Izzidin Al Kassam”, vernoemd naar de virulent anti-semitische sheik Izzidin Al Kassam, die in de tijd van het Britse mandaat voortdurend moordpartijen tegen de Joden organiseerde.

Uit de bestudering van de geschiedenis en de actualiteit, kan worden geconcludeerd dat het Arabisch-Israëlische conflict niet slechts een territoriaal dispuut is in de klassieke betekenis. Indien het een dispuut is over grondgebied, dan is dat ook gerelateerd aan het Islamitische principe van Dar Al Islam, het grondgebied van de Islam waar geen “vreemde” entiteit wordt geaccepteerd. Het conflict wordt echter in de eerste plaats gevoed door een honderden jaren-oude Arabische haat jegens Joden, een haat die al bestaat vanaf het begin van de Islam, voornamelijk omdat Joden Mohammed niet als hun profeet wilden accepteren. De vraag komt dan ook op, of een Joodse staat in het midden van de Moslim-wereld ooit legitimatie zal verkrijgen van haar buren.

Professor Bernard Lewis schreef in The Wall Street Journal van 26 november 2007, drie dagen voor de vredesconferentie in Annapolis, het volgende: “ Waar gaat dit conflict over? Er zijn eigenlijk twee mogelijkheden: het gaat of over de grootte van Israël, of over haar bestaan. (…) Als het echter gaat over het bestaan van Israël, dan kan het conflict zeer zeker niet opgelost worden door middel van onderhandelingen. Er is geen compromis mogelijk tussen bestaan en niet bestaan, en er is geen enkele Israëlische regering denkbaar die zal gaan onderhandelen over of het land wel of niet zou moeten bestaan.

Deze historische context laat zien dat onderhandelingen gebaseerd op de huidige principes zoals “land voor vrede”, niet snel tot een oplossing van het conflict zullen leiden, maar dat een fundamentele en historische verandering aan Islamitische zijde een van de voornaamste voorwaarden zal moeten zijn voor het bereiken van een duurzame vrede in het Midden-Oosten.

Sharon Visser
Midden -Oosten en Islam studies
Hebreeuwse Universiteit
Jeruzalem
Bron: Israël Facts