Categorie archief: Dhimmitude
PA Minister beschuldigt Israël van het stelen van Palestijns erfgoed
Siham Barghouthi, minister van Cultuur in de Palestijnse Autoriteit, heeft dinsdag 2 november 2010 gezegd dat zijn ministerie onderzoekt voor wat hij noemt de diefstal van het “Palestijnse erfgoed” door Israël. De Palestijnse cultuur moet worden bewaard door het organiseren van tentoonstellingen en festivals om te laten zien dat erfgoed dat wordt opgeëist door Israël, in werkelijkheid eigendom is van de Palestijnen!” beweerde Barghouti in een interview op de radio van het Palestijnse Ma’an Nieuws Agentschap.
Barghouthi noemde specifiek de blauw en wit gekleurde “Israëlische keffiyeh” met een Davidsterren patroon dat zowel in Israël wordt gedragen als op de Amerikaanse universiteitscampussen door activisten van de Zionist Freedom Alliance (ZFA). De minister van de PA noemde de sjaal een “Palestijns nationaal symbool” en bekritiseerde de zionisten voor het kapen van de keffiyeh en het vervangen van het traditionele patroon door zionistische symbolen.

Joodse Hurvasynagoge hoger gelegen dan de islamitische Rotskoepel. Moslims vinden dat niet leuk (afb. Avi Cohen Stuart) KLIK op de afbeelding voor groter beeld
Islamistische razernij en frustratie om de inhuldiging op 15 maart 2010 j.l. van de Hurvasynagoge. Niét enkel omdat hij heropgebouwd werd of omdat hij in het zogenaamde ‘Oost’-Jeruzalem staat, maar vooral omdat de synagoge HOGER ligt dan de Rotskoepel van de moslims. Volgens de islamitische wetten mogen Joden en/of hun gebouwen niet uittorenen boven moslims en hun islamitisch equivalente eigendommen.
Tijd van de dhimmitude is voorbij
Terwijl Benny Katz van de ZFA zijn tevredenheid heeft geuit dat de Israëlische keffiyeh de woede heeft opgewekt van de door de Amerika gesteunde Palestijnse Autoriteit, beklemtoonde hij op Indy News Israel dat de hoofddoek van de ZFA een sterke zionistische boodschap bevat:
“In de oudheid was het gebruikelijk voor de Hebreeënom de keffiyeh te dragen, maar de opkomst van de islam bracht een reeks van wetten die aan niet-moslims een minderwaardige positie gaf in de samenleving [lees dhimmitude].
Synagogen mochten niet hoger worden gebouwd dan moskeeën en Joden mochten geen dieren berijden uit schrik dat ze boven moslims zou uittorenen [moslims reden paard, Joden mochten hooguit ezels berijden en moesten van hun rijdier afstijgen als ze een moslim passeerden]. Toen vanaf een bepaald ogenblik de keffiyeh werd gezien als de kroon van de Arabieren en de drager ervan een eervolle status werd toegeschreven, werd het niet-moslims verboden om dergelijke kleding te dragen.
Met de wedergeboorte van de Joodse natie in ons vaderland, zijn er stemmen die roepen dat Israël terug moet gaan naar onze authentieke nationale cultuur. De Israëlische keffiyeh maakt deel uit van die trend. De drager ervan geeft hiermee duidelijk te kennen dat – net zoals de Arabische, Koerden en de Druzen – dat de Jood een Midden-Oosterling is en inheems is in deze regio. De Israëlische keffiyeh is een trots symbool van het Joodse nationalisme, maar ook een verklaring van solidariteit met de andere volkeren van het Midden-Oosten.
Door het dragen ervan verkondigen wij het verlangen naar vrede met onze buren uit te drukken, in balans met een even sterke proclamatie dat onze mensen het legitieme recht hebben op soevereiniteit in ons hele land. In de huidige Joodse werkelijkheid van de na-ballingschap zullen wij niet langer toestaan dat buitenlandse antagonisten ons beroven van ons vaderland of van onze nationale cultuur.”
Shemspeed, een label van Joodse muziek en een promotioneel bedrijf in de Verenigde Staten, bracht onlangs hun eigen versie van de Israëlische keffiyeh van de ZFA, geborduurd met de Hebreeuwse woorden Am Yisrael Hai (De natie van Israël leeft.) Hun sjaals en andere producten kunnen hier http://thekef.com/ besteld worden. Volgens Erez Safar, de oprichter en directeur van Shemspeed, die ook muziek produceert onder het pseudoniem DJ Diwon, hebben Joden net zoveel recht als de Arabieren om de keffiyeh te dragen.
“Joden, van nature afkomstig van hier [het Midden-Oosten], hebben zoals mijn familie, duizenden jaren lang een variant gedragen op de kefyah [kap = kippa of keppeltje] en de keffiyeh… Het oorspronkelijke doel van de sjaals was om bescherming te bieden tegen de zon en het zand. Als het gaat om de religieuze beschouwing is de islamitische traditie van hoofdbedekking afkomstig uit de Joodse traditie.”
De Israëlische versie van de sjaal is bijzonder populair aan de politieke rechterzijde in Israël, en David Ha’ivri, een leider van de Joodse kolonisten op de Westoever, onderstreepte woensdag 3 november dat het Joodse volk “de oorspronkelijke bevolking is van Israël,” en vervolgde dat “doorheen de geschiedenis zijn tijdens onze verbanning uit ons vaderland buitenlanders gekomen die zich gevestigd hebben op onze grond en sommige van onze gewoonten hebben aangenomen. Sinds de heroprichting van de Joodse staat heeft dit proces een bepaalde dynamiek gekregen en zal in de toekomst zeker de interesse winnen van antropologen, die ons een verklaring kunnen geven en ons leren welk deel van de bevolking meer invloed heeft gehad bij het vormgeven van de cultuur van de ander.”
Eerder dit jaar op 13 mei 2010 lanceerde Salam Fayyad, de premier van de Palestijnse Autoriteit een campagne ter bescherming van de keffiyeh en de Palestijnse Dabka dans. Een Arabische hip-hop artiest maakte een volledig protestlied aan de zogenoemde diefstal van de PalArabische keffiyeh. De PA heeft thans een klacht neergelegd tegen het kleine bedrijf Am Yisrael Hai dat de hoofddoeken produceert en verkoopt via hun website http://thekef.com/, niettegenstaande de Israëlische keffiyeh met de blauwe Davidster op witte achtergrondal vele jaren wordt verkocht.
Bronnen: Shemspeed: PA doesn’t like The Kef van 7 november 2010; Ma’an News Agency: PA minister: Israel steals Palestinian heritage van 3 november 2010; South Capitol Street: Edifice of “Palestinian culture” crumbling in the face of a novelty item van 3 november 2010; Elder of Zyon: PalArabs: Keep away from our keffiyehs! van 1 juli 2008; Indy News Israel: PA Angered by ZFA’s Israeli Keffiyeh door Avi Yellin van 3 november 2010
Dhimmie in eigen land: Europees masochisme
Europa! We komen eraan!
“Er waart een spook door Europa – het is het spook van het islamisme.”
Zo zou de inleidende tekst van het wereldberoemde Communistisch Manifest van Karl Marx en Friedrich Engels die werd gepubliceerd in 1848, anno 2010 kunnen luiden, waarbij het begrip islamisme het oorspronkelijke communisme vervangt. Sinds het failliet van het communisme eind jaren 1980 begin jaren 1990 heeft een nieuw gevaar de kop opgestoken: de islamistische onverdraagzaamheid en georganiseerd moslimracisme. Intussen is dat al lang geen spook meer en dat merk je niet alleen in de Verenigde Staten of Groot-Brittannië, ook in andere landen zoals Nederland en België beginnen de incidenten zich op te stapelen waarbij islamitische onverdraagzaamheid zich manifesteert.
Wat België en meer bepaald Antwerpen betreft, herinnert iedereen zich nog het incident in de Antwerpse Universiteit van 31 maart 2010, toen Benno Barnard een debatavond wilde houden over het verschijnsel van de radicale islam en… prompt het zwijgen werd opgelegd. Dat gebeurde niét door in discussie te gaan en zoals het normaal past met woord en wederwoord, maar door brutaal en keihard te verhinderen dat Benno Barnard uberhaupt aan het woord kon komen. Ontnuchterend en bijzonder schokkend verschijnsel. Sindsdien durft niemand meer een openbaar debat te houden over de islam en wordt elke vorm van kritiek in de kiem gesmoord. Lees op deze blog: Moslimextremisten dreigen met geweld tegen België omwille boerkaverbod
Europees masochisme
door Mia Doornaert
‘Wij lijken alleen nog vreemde geloven en culturen als onze naasten te beschouwen’
Ban Ki-moon vond het vorige week nodig de landen van de Europese Unie te kapittelen wegens onverdraagzaamheid jegens immigranten, in het bijzonder moslims. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties deed dit dinsdag in een toespraak tot het Europees parlement. Bij het lezen van zijn woorden vraag je je af hoe het komt dat miljoenen moslims hun paradijzen ontvlucht zijn naar ons ongastvrij continent. Bij mijn weten is Ban Ki-moon nooit de Organisatie van de Islamitische Conferentie, met haar 57 aangesloten moslimlanden, de les gaan spellen, dus zou je denken dat het daar allemaal veel beter is.
Nochtans is de wijze waarop immigranten in een aantal moslimlanden behandeld worden berucht. De gastarbeiders die in de luxeparadijzen aan de Perzische Golf de schitterende nieuwe gebouwen optrekken, worden genadeloos uitgebuit. Veel geïmporteerd huispersoneel in Saudi-Arabië en andere olielanden leeft in een toestand die neerkomt op lijfeigenschap en seksuele slavernij. Godsdienst en gewetensvrijheid bestaan niet in de overgrote deel van de OIC-landen. Niet-moslims worden institutioneel gediscrimineerd. De media staan bol van hate speech tegen de ‘kruisvaarders’ (westerlingen/christenen), en de antisemitische haatpropaganda in een aantal moslimlanden herinnert aan die van de nazi’s.
Het verschil is dat Ban Ki-moon onmiddellijk de wraak van het grote moslimblok in de VN zou voelen als hij op de balk in hun oog zou wijzen. Terwijl Europa niets liever doet dan zichzelf kastijden en laten kastijden. Natuurlijk is de vaststelling dat het elders veel slechter is geen argument om blind te zijn voor de eigen tekortkomingen. Maar evenmin gaat het op juist een continent waar immigranten uit de moslimwereld jaarlijks en masse naartoe komen, op de vingers te komen tikken. Niet alleen is Ban Ki-moon eenzijdig in zijn vermaningen, hij is ook slecht op de hoogte van Europese toestanden.
Het zijn niet de Europeanen, het is de moslimwereld, het zijn de moslimimmigranten die van religie een zo dominerend thema van identiteit maken, die de andersgelovige als de Andere zien. Het is onder die mosliminvloed dat er hier nu een enorme druk ligt op de vrije meningsuiting, in de naam van ‘respect’ voor de religies – lees voor de islam, want het christendom kan niet genoeg bekritiseerd en bespot worden. Geert Wilders is een zeldzame uitzondering, niet de regel. Er is een enorme censuur en zelfcensuur aan de gang, op alle niveaus, juist om moslims niet voor het hoofd te stoten – of uit schrik voor moslimgeweld, waar Ban Ki-moon ook niet over sprak.
De Nederlandse liberale voorman Frits Bolkestein wijdde daar eind vorig jaar in de Volkskrant een opmerkelijk artikel aan. Hij gaf onder meer het voorbeeld van het Europees waarnemingscentrum tegen racisme en vreemdelingenhaat ‘dat in 2003 een onderzoek naar antisemitisme geheim hield omdat daaruit bleek dat het antisemitisme in Europa voornamelijk werd gevoed door moslims en pro-Palestijnse groeperingen’. De vaststelling van dat onderzoek klopt vandaag de dag nog altijd, maar blijft een even groot taboe.
De intellectuele goegemeente vindt pittige kritiek op de islam niet kunnen, ook al is die gegrond, want dat werkt ‘polariserend’. Alsof niet elk debat dat is, getuige onze aanslepende preformatie. In die context wordt het spannend te zien welk onthaal de indrukwekkende bundel De islam. Kritische essays over een politieke religie (ASP), van Vlaamse en Nederlandse auteurs, straks op de boekenbeurs te wachten staat.
In hetzelfde artikel stelde Bolkestein vast dat het Westen niet meer voor de eigen cultuur durft op te komen. ‘In confrontatie met de islamitische cultuur die zichzelf verabsoluteert en uitsluitend kritiek heeft op anderen, neemt dit soms zelfdestructieve vormen aan’, schreef hij over een Europa dat niet eens zijn eigen erfgoed in zijn grondwet durfde benoemen. Het gevolg is dat ‘wij niet opkomen voor de onzen en alleen vreemde geloven en culturen als onze naasten lijken te beschouwen’.
Dat masochisme levert Europa alvast weinig respect op, getuige onder meer de selectieve verontwaardiging van Ban Ki-moon ten aanzien van een Europese Unie die nota bene 40 procent betaalt van het budget van de VN. Zijn toespraak was veelzeggend over het gewicht in de VN van het moslimblok, dat zelf geen godsdienstvrijheid erkent (ook in het zogenaamd seculiere Turkije zijn godsdiensten niet gelijkwaardig) maar onze democratische landen constant aanvalt op hun zogenaamde islamofobie.
Bronnen: De Standaard: Mia Doornaert: Europees masochisme van 25 oktober 2010;
De islam kent geen godsdienstvrijheid
In alle moslimlanden worden christenen en andere religies onderdrukt en gediscrimineerd
De islam kent geen godsdienstvrijheid en geen enkele wederkerigheid
door WCT. Ayasofya

In Marokko staat in de grondwet ingeschreven dat het verboden is om zich tot een andere godsdienst te bekeren of om te verklaren dat men de islam heeft verlaten. Ruim een jaar geleden werden in Marrakech een aantal mensen in de gevangenis opgesloten omdat ze zich in het geheim hadden bekeerd tot het christendom. Een tijd geleden werd een zendeling opgepakt omdat hij jongeren probeerde te bekeren tot het christendom. Tot in 7de eeuw waren er in Noord-Afrika (ook in Marokko), waar de kerkvader Augustinus heeft geleefd en gewerkt, christelijke gemeenten. Maar vanaf de 7de eeuw bracht Bennafi er met het zwaard de islam binnen en was het afgelopen met het christendom in Noord-Afrika.
Terwijl hier in België ‘zendelingen’ zoals Sami Zemni van het Centrum voor de islam in Europa, verbonden aan de universiteit van Gent, betaald door onze overheid zich voltijds kan wijden aan islamitisch zendingswerk en proselitisme, is zendingswerk (van een andere godsdienst dan de islam) VERBODEN in elk islamitisch land. Zendeling Zemni stelt dat ‘Europa een aanpassing moet ondergaan’. Bovendien is het in landen zoals Marokko en zelfs het meer liberale en seculiere Tunesië, verboden voor niet-moslims om binnen te gaan in een moskee (wat voorheen in Tunesië wel kon). In Tunesië kan men de ruïnes bezoeken van eens bloeiende christengemeenten in onder meer Carthago en Sbeitla. Na de onafhankelijkheid van Frankrijk in 1956 werden alle kerken er gesloten. Over het hele land resten er nog slechts zes kerken (zonder kruis op de kleine kerktoren – want verboden – en volledig zelfbedruipend, terwijl moskeeën er wel worden betoelaagd) voor de vele toeristen en de Europeanen die er wonen en werken (ter vergelijking: in Antwerpen alleen al zijn er zowat 35 moskeeën…). Ook in het ‘liberale’ Tunesië kan, er geen sprake van zijn dat een moslim zich zou bekeren tot een andere godsdienst. Enkel een buitenlander kan in Noord-Afrika christen zijn.
Waar zijn de christenen gebleven in Turkije, waar de zeven gemeenten in Klein-Azië waren gelegen, waarin Paulus heeft gewerkt en waaraan de apostel Johannes op last van Christus de zeven brieven richtte. De verovering van Constantinopel door de Ottomaanse moslims in 1432 is genoeg bekend en in Efeze, Patmos, Antitochië, kan men de ruïnes bezoeken van kerken van de eerste christengemeenten. Assyrische christenen worden er nog steeds vervolgd. Hier woont een hele gemeenschap Assyrische christenen uit Turkije die halverwege de jaren ‘90 werd verdreven uit onder meer het dorp Yaramis. Assyrische christenen uit Turkije wonen nu overal verspreid in West-Europa. Van deze uitdrijving van christenen uit Turkije zijn door Amnesty International rapporten opgemaakt. Het laatste seminarie in Turkije werd enkele jaren geleden gesloten, zodat het christendom er op termijn wellicht volledig zal verdwijnen, zoals de patriarch vreest. De orthodoxe kerk, bezit geen rechtspersoonlijkheid. Armeense christenen en orthodoxe Grieken werden er verdreven en vermoord. Momenteel zitten er een paar Turken in Turkije in de gevangenis omdat ze zich hebben bekeerd tot het christendom.
Sinds het verdwijnen van Sadam Hoessein en de oorlog is de situatie van de christenen er veel slechter op geworden. Sinds 2003 zijn er al meer dan 300 000 van de resterende Iraakse christenen naar het buitenland gevlucht. Een religieuze zuivering zoals in Irak is in veel landen van het Midden-Oosten aan de gang, het is zelfs het doel van moslimextremisten. We zijn nu getuige van een historisch drama: de christelijke aanwezigheid in het Midden-Oosten dreigt te verdwijnen, ook in de landen waar het christendom is ontstaan. In het verleden waren christenen er tweederangsburgers, nu zijn ze er ongewenst. De druk op christenen om zich te bekeren tot de islam is groot, maar veel christenen vertrekken liever. In juni jl. werden in Irak een Chaldese priester en zijn assistenten brutaal vermoord, toen ze de kerk verlieten. Ze wilden hen dwingen om zich te bekeren tot de islam. Toen ze dit weigerden, schoten de mannen hen dood, gewoon één van de vele aanvallen van christenen in Irak. In Bagdad, Mosoel, Kirkoek of Bassora kloppen extremistische moslims op de deur bij christenen en beginnen geld te eisen voor ‘bescherming’. Daarbij dwingen ze familieleden meestal openlijk te verklaren tot de islam te zijn overgegaan. Ten slotte eisen ze dat de familie het huis en het laat verlaat, ‘omdat dit niet jullie geboorteland is‘. Honderden christenen ondergaan dit lot. Van de christenen die nog resten in het Midden-Oosten ontvluchten er velen de islamitische onderdrukking en emigreren naar Europa, Amerika, Canada en Australië.
In Iran wordt heden de slinkende minderheid van Assyrische christenen gediscrimineerd. De Assyrische christenen vormen er samen met Armeniërs en Zorostrianen (de oorspronkelijke godsdienst voor de komst van de islam) de christelijke minderheid van het land. In Iran is een christen een ongelovige die nooit baas mag zijn van een gelovige moslim in de werksfeer, daarom zijn er weinig of geen Assyriërs werkzaam bij de overheid . Ook onderwijs- en gezondheidsinstellingen zijn taboe voor christenen. Er werken geen christelijke Assyriërs bij de politie, in het leger, als rechter of als piloot. Het gevolg van de islamitische politiek is dat hoog opgeleide Assyriërs geen werk vinden en vaak genoegen moeten nemen met jobs onder hun niveau. De 33-jarige Assyrische econome Ishtar uit Urmina ziet voor zichzelf maar twee mogelijkheden: “We kunnen genoegen nemen met een onderbetaalde job of het land verlaten. Vaak worden we door werkgevers om onduidelijke reden afgewezen en in sommige gevallen wordt het hardop gezegd: ‘uw christelijke geloof is een probleem’.
Naast de discriminaties op het werk bestaan er nog tal van andere discriminaties, die het leven van christenen in Iran bijna onmogelijk maken. Zo moeten christenen die bij een auto-ongeval betrokken raken, meer betalen dan moslims. Ook de boeren in de provincie Urmira, waar een deel van de Assyrische christenen van oudsher woont, ondervinden veel last van discriminaties. Islamitische groothandels kopen hun producten niet, waardoor hun oogst kapot gaat. Met de komst van de nieuwe conservatieve president hebben de christenen hun laatste hoop verloren en de politie die de kledingvoorschriften controleert is nu veel actiever. De politie bezoekt winkels om niet-moslims te waarschuwen om de kledingvoorschriften (ook niet-moslim vrouwen moeten zich sluieren) streng na te leven. (Ook in sommige wijken in Brussel is reeds zo een mutawa actief, die erop toeziet dat vrouwen die in winkels werken wel strikt islamitisch zijn gekleed en erop toeziet dat er geen alcohol wordt verkocht.) Duizenden christenen hebben Iran reeds verlaten en weken uit naar VS, Canada of Australië.
Overal waar de islam werd verspreid, werden de andere toen bestaande godsdiensten vrijwel volledig uitgeroeid. In Centraal-Azië verdwenen het boeddhisme, het nestorianisme en zoroastrisme bij de komst van de Arabieren. Ook Afghanistan was voorheen boeddhistisch. In het Midden-Oosten (waar het christendom is ontstaan) zijn historisch christelijke gemeenschappen in hun voortbestaan bedreigd. De laatste 50 jaar zakte de christelijke populatie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever van 22 naar 2%. In Nazareth is de christelijke populatie gezakt van 60 % in 1946 tot minder dan 15% vandaag. Bethlehem telde vroeger 90 % christenen, maar sinds het onder Palestijns gezag kwam, nog slechts een derde. In Syrië (Damascus was erg belangrijk in het vroege christendom) was begin vorige eeuw nog één derde christen, nu nog minder dan 10%. In Egypte emigreren Kopten in grote getallen. Irak telde in 1987 nog 1,4 miljoen christenen, sindsdien is ruim 40% onder hen gevlucht. Deze emigratie van christenen is een gevolg van de terreur van radicale moslimbewegingen en de onderdrukking door de staat. In de hele islamwereld worden autochtone christenen (of andere niet-moslims) door de staat ernstig gediscrimineerd en bewust niet beschermd tegen islamitisch geïnspireerd geweld.
De reële onderdrukking ontgaat echter de meerderheid van de Europeanen. Voor Kopten is het bijvoorbeeld bijna onmogelijk om kerken te bouwen en te restaureren. De zondagsmissen worden soms verstoord door vandalisme en pesterijen van moslims en lokale overheden. Christenen worden systematisch geweigerd voor leidinggevende functies binnen de overheid, de politie, het leger, de politieke partijen en in het onderwijs, wegens de traditionele sharia-regel die stelt dat ‘er geen bevoegdheid van een niet-moslim over een moslim mag zijn’. Het zet sommigen ertoe aan om zich te bekeren om zo meer kansen te krijgen. Soms is een bekering een officieuze voorwaarde voor toegang tot goede jobs of huizen. De gewone christelijk leerboeken worden verboden of gecensureerd, terwijl allerlei islamitische literatuur, radio- en televisieprogramma’s en schoolboeken die christenen belasteren of aanvallen vrij verschijnen. Christenen worden duidelijk gemaakt geen klacht in te dienen uit ‘loyaliteit tegenover de natie’. Indien zij of hun verwanten dat wel doen, worden zij soms opgesloten in plaats van de daders. Er heerst ook een algemene rechtsonzekerheid in zaken waarbij moslims betrokken zijn. Een islamitische rechtsregel zegt dat een niet-moslim niet kan erven van een moslim. Het gebeurt zelden of nooit dat een rechtbank een uitspraak zal doen in het voordeel van christenen tegen moslims. In Indonesië werden alleen al tussen 1998 en 2003 minstens tienduizend christenen vermoord.
Bronnen: Weerstandsbeweging Christenen Turkije (WCT): In alle moslimlanden worden christenen en andere religies onderdrukt en gediscrimineerd van 2 september 2010; op Brabosh.com: Islam is niet verenigbaar met diversiteit van 22 mei 2010; Vervolging van christenen neemt wereldwijd toe [deel 1]: de moslimwereld van 22 januari 2010 en [deel 2]: de Palestijnse gebieden; Christenvervolging neemt wereldwijd toe door Franklin ter Horst van 14 oktober 2005 laatst bijgewerkt op 14 december 2009; Women in Green Media releases van 18 september 2005; Israel Heute van 5 september 2005; Honest Reporting van 6 september 2005; Shackled Freely: The Conquered: A History of the Non-Muslim in the Middle East deel 1 van 8 juli 2010 – deel 2 van 9 juli 2010 en deel 3 van 4 augustus 2010
De vergeten onderdrukking van de Joden onder de islam en in het Land van Israël [2]

typische dhimmi houding
In deel 1 van dit artikel hebben we laten zien 1) de staat van onderdrukking, vernedering en economische uitbuiting – de dhimmitude – van Joden en christenen in de traditionele Arabische-islamitische samenleving, 2) dat de status van de Joden onder de Arabische Islam slechter was dan elders (volgens Maïmonides) en 3) de lagere status van de Joden zelfs ten aanzien van de christelijke dhimmi’s in de Arabisch-islamitische samenleving in het algemeen en in Jeruzalem in het bijzonder.
Deze geschiedenis is belangrijk omdat geschiedenis nooit verdwijnt. Wanneer er een leegte ontstaat in de algemene kennis van de geschiedenis in een situatie van nationaal conflict, zouden de vijanden die leegte kunnen opvullen met een valse geschiedenis en uitvinden wat het beste hun doelen en belangen dient. Daarom is het gevaarlijk de geschiedenis te vergeten.
In diezelfde geest onderscheidt zich hier het anti-Israël discours van de professoren Walt en Mearsheimer, dat instemmend geciteerd wordt door de vooraanstaande Britse journalist, Max Hastings: “… terwijl er geen twijfel over bestaat dat de Joden in Europa slachtoffers waren, werden zij in het Midden-Oosten vaak als daders voorgesteld, niet als slachtoffers dus, en hun belangrijkste slachtoffers waren en zijn nog steeds de Palestijnen.” [John J. Mearsheimer en Stephen M. Walt, De Israël Lobby - Uitgeverij Atlas, 2007: 'Niet wetenschappelijk, smakeloos, antisemitisch...']
Deze auteurs moraliseren. Zij ontwikkelen de thema’s van schuld en onschuld. Toch is het moeilijk om er zeker van welke die historische periode is die Walt en Mearsheimer bedoelen. Is het de gehele geschiedenis of het heden of een deel van het verleden? De onbepaalde tijd, de insinuatie en het suggestieve in plaats van het specifieke of het expliciete, zijn kenmerken van hun proza. In een andere passage blijkt echter dat ze de Palestijnse Arabieren onschuldig bevinden toen Israël een staat werd.
Een derde morele rechtvaardiging [voor Israël] is de geschiedenis van het Joodse lijden in het christelijke Westen, in het bijzonder … de Holocaust… de Joden hebben sterk geleden onder de afschuwelijke erfenis van het antisemitisme… en Israël’s creatie was een passend antwoord op een lange staat van misdaden. Maar in de rand van de oprichting van Israël werden bijkomende misdaden begaan tegen een grotendeels onschuldige derde partij: de Palestijnen.
Walt en Mearsheimer geven ontwapenend toe dat ‘het christelijke Westen’ de Joden heeft doen lijden. Maar ze pleiten impliciet het Arabisch-islamitische Oosten in het algemeen – en de Palestijnse Arabieren expliciet – vrij dat zij de Joden door de geschiedenis heen schade hebben berokkend, misschien insinuerend dat de Joden zelfs niet aanwezig waren in dat deel van de wereld tot aan de 20ste eeuw. Maar we hebben in het eerste deel aangetoond dat de traditionele Arabische-islamitische samenleving de Joden in Israël en elders hebben onderdrukt, uitgebuit en vernederd. Is het daarom dat de auteurs zich rechtvaardigen zeggend dat de Palestijnse Arabieren ‘grotendeels onschuldig’ zijn ten aanzien van de Joden nadat zij de moderne wereld betraden in het midden van de 19de eeuw?
Vanaf deze tijd – de late de Ottomaanse periode – trad er een verbetering op in de status van de dhimmi, grotendeels dankzij de interventie van de Europese mogendheden. Dit was zelfs meer het geval in Jeruzalem dan op vele andere plaatsen in het Rijk. Toch bestond tijdens de Eerste Wereldoorlog de reële vrees dat de Joden in Israël dezelfde lijdensweg stond te wachten zoals de Armeniërs. In dit verband bracht de Balfour-verklaring en de internationale erkenning van haar principes weer hoop. Echter, Groot-Brittannië – dat de Joden tijdens het einde van de Ottomaanse periode in het land had beschermd – pleegde verraad aan haar Mandaat dat de Joden een Joods Nationaal Tehuis beloofde en moedigde de Arabische pogroms op de Joden soms nog wat aan. Dat begon in 1920 in Jeruzalem en werd gevolgd door een reeks van Arabische pogroms in 1921, 1929, 1936-39. Het bloedbad en ‘etnische zuivering’ van de oude gemeenschap in Hebron (68 Joden werden gedood en honderden uitgedreven in augustus 1929) wordt nog steeds met bijzondere bitterheid herdacht door de Joden in Israël en in het buitenland. Deze pogroms vonden plaats jaren vooraleer er een staat Israël was.
Het was dan ook geen verrassing dat de Palestijnse Arabische vertegenwoordigers in 1939, dus nog lang vóór de onafhankelijkheid van Israël, van de Britten eisten dat zij een einde maakten aan de Joodse immigratie. Dit gebeurde aan de vooravond van de Holocaust toen nog maar weinig landen bereid bleken om zelfs maar een symbolisch aantal Joodse vluchtelingen in hun landen toe te laten. De Britten hebben aan deze eis fundamenteel voldaan in het Witboek van voor Palestina van 1939, waardoor zelfs de poort van het internationaal toegewezen Joods Nationaal Tehuis voor de Joodse vervolgden werd gesloten, behoudens dan een symbolisch handvol Joodse immigranten. Vervolgens hebben de Arabische nationalisten, en in het bijzonder dan Haj Amin el-Husseini – de Grootmoeftie van Jeruzalem en de belangrijkste Palestijnse Arabische leider – meer dan rechtstreeks meegewerkt aan de Holocaust. Husseini had er effectief de hand in dat de vrijlating van duizenden Joodse kinderen en andere Joden in het nazi-fascistische gebieden werd voorkomen en dat de Joden in plaats van naar Polen werden gedeporteerd, waar ze in zijn woorden ‘onder actief toezicht’ zouden staan, zijn eufemisme voor de vernietigingskampen.
Het is duidelijk dat wanneer de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties pleitte voor een ‘twee-staten-oplossing’, met name het Verdeelpan van 29 november 1947, dat de Palestijnse Arabieren nauwelijks nog onschuldig kunnen worden genoemd met betrekking tot de Joden. Noch bleken zij achteraf onschuldig. De Arabieren hebben onder leiding van Husseini, de Joden in het hele land aangevallen en vermoord als reactie op de VN-aanbeveling. Hoewel er sinds 1948 veel wordt gepraat over de Arabische vluchtelingen, is dat maar zelden het geval voor de Joodse vluchtelingen in die oorlog. De eerste vluchtelingen in de oorlog die niet konden terugkeren naar hun huizen, waren de Joden die gevlucht waren uit het Shim’on haTsadiq kwartier (in wat nu ‘Oost-Jeruzalem’ heet) op het einde van december 1947. Inderdaad konden duizenden Joden in het hele land niet terug naar huis na de oorlog.
Daarnaast verboden Jordanië en Egypte de Joden om te wonen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. In alle duidelijkheid: het bleek dat er uiteindelijk minder Arabische vluchtelingen waren dan Joodse vluchtelingen. Er waren aanzienlijk meer Joodse vluchtelingen afkomstig uit de Arabische landen dan Arabische vluchtelingen afkomstig uit Israël. Van het bijna een miljoen Joden in 1948 blijven er vandaag nauwelijks meer dan een paar duizend Joden over in de Arabische landen. De Arabische Liga hebben volgens hun plan hun Joodse bevolking uitgedreven nog voordat het VN-Verdeelplan was opgesteld. Zoveel valt er te zeggen over de zogenaamde Arabische of Palestijns-Arabische onschuld voor of na 1948.

Bestaande tunnel onder de Tempelberg uit de antieke periode
We slaan even de Arabische provocaties, oorlogen en terreur aanslagen uit de jaren 1950 tot de jaren 1980 over en komen we tot wat velen zagen als een nieuw begin van de Arabisch-Israëlische betrekkingen, met name de Oslo-akkoorden van 1993. In tegenstelling tot de hoge verwachtingen, werd de ondertekening van de akkoorden gevolgd door meer terrorisme, zelfmoordaanslagen, schietpartijen vanuit voorbijrijdende wagens enz., een golf van geweld die inging nog vóór Baruch Goldstein in februari 1994 29 Arabieren doodde in Hebron. Zij gaven de controle over de Arabische steden op de Westelijke Jordaanoever aan de Palestijnse Autoriteit eind 1995 – begin 1996, wat leidde tot een ongekende slachting onder de burgers in Israël. Nadat Netanjahoe minister-president werd, heeft Arafat gelogen over de Israëlische activiteiten naast de Tempelberg (september 1996), door valselijk te beweren dat de Israëliërs een tunnel groeven onder de berg, waardoor een vierdaagse mini-oorlog begon met links en rechts weer aantallen doden aan beide zijden.
Ehud Barak werd premier na Netanyahu en boodt de Palestijns-Arabische zijde ongekende toegevingen aan. Nadat hij het aanbod verwierp, begon Arafat een nieuwe golf van terrorisme die nog steeds voortduurt die begon, nog vooraleer Ariel Sharon de Tempelberg bezocht, alsof al wat Sharon ooit heeft gedaan alles zou kunnen rechtvaardigen van massamoorden, bomaanslagen of de indoctrinatie van de Palestijnse Autoriteit bevolking en dan vooral de kinderen, een cultuur aanbidden van doden en gedood worden, doordrenkt van een dierlijke haat jegens de Joden die op zich al een schending is van het internationaal recht. Inderdaad is het opzettelijk gebruik van kinderen in de strijd een oorlogsmisdaad. Symbolisch voor de situatie is de toename van het afschieten van dodelijke raketten op willekeurige burgerdoelwitten in Israëlische steden en de boerengemeenschappen sinds de eenzijdige Israëlische terugtrekking uit Gaza in 2005 en nog vóór de gedeeltelijke blokkade van kracht werd nadat Hamas in 2007 de Gazastrook had overgenomen.
Toch houden velen vandaag – zoals Walt, Mearsheimer en ook Max Hastings – nog steeds vast aan de Arabische en de Palestijns-Arabische onschuld. Toch was de bewering van Arabische onschuld, prominent in de jaren 1940 en 1950, hoewel de Palestijnse Arabieren niet dezelfden waren als de ‘Palestijnen’ van vandaag, toen zij als volk apart leefden van de andere Arabieren. In die dagen werd expliciet geargumenteerd dat de Arabische-islamitische behandeling van de Joden in het algemeen goedaardig was, waardoor de vermeende wandaden van Israël in 1948 des te weerzinwekkender werden. Dat argument werd voor het eerst al lang geleden gebruikt. Het diende om het politieke beleid ten aanzien van Israël en de Arabieren aan te sporen. Het werd altijd als een instrument gebruikt, noch feitelijk, wetenschappelijk of historisch. Het drijft op de algemene publiek onwetendheid van de echte geschiedenis, met name op de onwetendheid onder Joden en zionisten.
Uit het in het eerste deel gepresenteerde bewijsmateriaal blijkt dat door de geschiedenis heen, deze bewering niet alleen vals is geweest maar zelfs het tegendeel van de waarheid is. Dit vals begrip van de geschiedenis van de betrekkingen tussen Joden en Arabieren in Israël door de eeuwen heen, is wijd verbreid in de academische wereld, in regeringskringen en in de media. De enige manier om leugens te weerleggen is door kennis van de geschiedenis te nemen, vanaf de instelling van de dhimma, van de Joodse geschiedenis, van de Arabische en islamitische geschiedenis, in het bijzonder de geschiedenis van de Joden in het Land van Israël, in alle perioden vanaf de oudheid tot de Middeleeuwen tot aan het begin van de moderne tijd en de laatste tijd, tot aan de laatste Qassam-raket die landde op de stad Sderot. Onwetendheid van die geschiedenis kan beschouwd worden als een belemmering voor de vrede tussen Israël en de Arabieren.
Terug naar deel 1: De vergeten onderdrukking van de Joden onder de islam en in het Land van Israël.
Bronnen: Middle East & Terrorism Blog: The forgotten oppression of Jews under Islam and in The Land of Israel deel 1 en deel 2 door Elliott A. Green van 14 augustus 2009; deel 2 vrij vertaald en bewerkt door Brabosh op 20 november 2009; Elliott A. Green is een onderzoeker, auteur en vertaler die in Jeruzalem woont. Zijn schrijfsels werden gepubliceerd in Midstream [New York], Nativ en in The Jerusalem Post [Israel] alsmede in andere publicaties. Hij was mede uitgever van Crossroads, een kwartaalblad over sociale wetenschappen dat nog steeds wordt uitgegeven in Jeruzalem.
De vergeten onderdrukking van de Joden onder de islam en in het Land van Israël [1]

Gaza, 31 januari 2006. Een Palestijn toont het Hamas Charter (foto Abid Katib/Getty Images)
Joden en zionisten zijn in het algemeen zeer slecht op de hoogte van de leefomstandigheden van de Joden in het Land van Israël na de Arabische verovering [634-640 na Chr.]. Velen geloven dat het Arabische-islamitische bestuur gunstig was voor de Joden en dat niet enkel vergeleken met de omstandigheden in de christelijke landen. Velen menen dat tot zelfs enkele decennia terug, dat het conflict met de Arabieren over het land van Israël een zuivere kwestie was van concurrerend nationalisme. Echter, sinds de relatief weinig succesvolle bomaanslag in 1993 op het World Trade Center in New York door jihad fanatici, is het geïnformeerde publiek in het Westen zich meer bewust geworden van de machtige islamitische religieuze dimensie in de Arabische politiek.
Dit inzicht wordt versterkt door de opkomst van Hamas bij de Palestijnse Arabieren. De Hamas is een tak van de Moslim Broederschap. Het charter is duidelijk een Judeofobisch document en is gebaseerd op middeleeuwse Judeofobische islamitische bronnen. Het is niet alleen anti-Israël. Artikel 7 van het handvest van Hamas (1988) herhaalt de middeleeuwse islamitische fabel over de Joden op het einde der dagen, die ik samenvat: “Op de Dag des Oordeels, zullen de moslims tegen de Joden vechten die zich zullen verbergen achter rotsen en bomen. De rotsen en bomen zullen roepen: O moslim, een Jood verbergt zich achter mij. Kom hier en doodt hem.”
In dit artikel wordt eerst de status van niet-moslims – dhimmi’s genoemd – geschetst in de islamitische samenleving, en proberen we de aard van de islamitische tolerantie te definiëren. Dan zullen we het verslag citeren van een middeleeuwse Jood over de leefomstandiheden van de Joden in de middeleeuwse islamitische samenleving. Wij brengen ook de mening van een beroemde middeleeuwse Jood die de status van de Joden in de islam vergelijkt met die in het christendom. Tot slot zullen we laten zien dat in het kader van de dhimmitude, de status van dhimmi die gedeeld wordt door Joden, christenen en andere niet-moslims, de Joden in feite aan de onderkant van de maatschappij leefden, de minste van allemaal op de totempaal genageld van de Arabisch-islamitische samenleving, zowel in Jeruzalem als overal elders.
Leven als dhimmies in de Arabische moslimwereld
Boeken, artikelen en verzamelingen documenten van Bat Ye’or, Norman Stillman en anderen, hebben veel gedaan sinds het begin van 1970 om de aard van de dhimmi-status aan te tonen, de dhimma – voor het intelligente lezerspubliek -, en hebben gewezen op de positie van de Joden onder de islam. Bovendien werd de afgelopen decennia een brede stroom van informatie over de islam beschikbaar voor het grote opgeleide publiek, hoewel islamitische apologeten eveneens floreerden, misschien zelfs nog beter. Christenen, Joden (met inbegrip van de Samaritanen) en aanhangers van het zoroastrisme waren in het Midden-Oosten gedoemd tot het dhimma leven en deze status werd later verder naar het oosten uitgebreid tot de Hindoes.
Getolereerde niet-moslims in het land dat veroverd werd door de islam – de dhimmis – moesten een bijzondere belasting betalen, de djizja, hetzij direct uit eigen zak of via hun religieus-etnische gemeenschap. De reden voor deze verplichte bijdrage is in de islamitische wetgeving te vinden in de koran [soera 9:29 i]. De djizja kan worden beschouwd als een licentie voor een extra levensjaar tot de tijd was gekomen voor de volgende aanbetaling. In de gebieden die door de islam werden veroverd, bekeerden vele Joden en christenen zich tot de islam om aan de djizja te ontsnappen en om zich maatschappelijk te verbeteren. Koran 9:29 en 2:61 eisen tevens dat niet-moslims, met name Joden en christenen – de mensen van het Boek – moeten ‘onderworpen’ worden, dat wil zeggen: vernederd worden.

typische dhimmi houding
De Islamitische samenleving heeft deze regels van de dhimma door de eeuwen heen ontwikkeld. Met het Pakt van Omar II (circa 717 na Chr.) werd een verdrag opgesteld dat volgens de traditie werd opgesteld door de tweede kalief, Umar ibn al-Khattab voor de ‘Mensen van het Boek’ die woonden in gebieden die kort daarvoor door de moslims waren veroverd. Deze niet-moslims, die dhimmi’s genoemd werden, moesten zich onderwerpen aan enkele discriminerende regels indien ze zich niet wilden bekeren tot de islam. Deze verordeningen bepaalden dat dhimmi geen wapens mochten dragen. Hun kleding moest afwijken van islamitische kleding. Ze moesten altijd respect en eerbied tonen voor moslims, zoals van hun ezels afstappen wanneer ze een moslim kruisten op de weg. Het getuigenis van een dhimmi in de rechtbank was maar half zoveel waard als het getuigenis van een moslim. Deze lijst is verre van volledig en natuurlijk varieerden de toepassing van de regels als naargelang de tijd en plaats. Later, wanneer de macht van de islamitische staten verzwakte, konden niet alle regels worden afgedwongen. Zo konden dhimmi bergbewoners vaak veel van de regels negeren zolang ze maar weg bleven uit de islamitische steden. Het is veelzeggend dat de status van dhimmi in de loop van de tijd verergerde naarmate hun aantal tot de bevolking daalde.
Hier is een illustratie van een van de dhimma vernederingen zoals ze tijdens zijn reis naar Egypte, Arabië en Syrië (1761-1762) beschreven werden door de Deense reiziger, Carsten Niebuhr (1733-1815): “In Cairo mogen christenen en Joden geen paard bereiden. Ze mogen alleen op ezels rijden en moeten afstappen van zodra ze een Egyptenaar op de weg tegenkomen, zelfs de minst belangrijke. De Egyptenaren gaan nooit naar buiten tenzij op een paard, voorafgegaan door een brutale dienaar die, gewapend met een grote knuppel, de man op de ezel waarschuwt respect te tonen voor zijn meester door uit te roepen: “Ongelovige, afstappen!…”
Niebuhr bezocht Egypte bijna vier decennia voor Napoleon, dat opmerkelijk is omdat de late Edward Said aanvoerde dat gelijkaardige verslagen die opgemaakt werden na de expeditie van Napoleon, ongeldig werden verklaard omdat zij besmet waren door het imperialisme.
Moshe Gil (° 1921) heeft rekeningen gevonden – in de Geniza documenten in Caïro – van Joden in Jeruzalem die werden uitgeperst om de djizja en andere belastingen in de pre-kruistochten periode bijeen te brengen. Zoals dit: “… en de levende mens werd garant gemaakt voor de doden en hij die bleef – moest voor degene die waren weggelopen, daarna een extra belasting te betalen. En als je zag wie al dat geld betaalde zou u geschrokken zijn, hen beklagen en over hen zeggen: “Hoe kan een dergelijk grote onesh [Hebreeuws woord hier in de zin van ongewone geldboete of afpersing] afkomstig zijn van die arme mensen?”
Jacob Barna’i heeft in de administratie van de Joodse gemeenschap van Jeruzalem van het einde van de 18de eeuw, verslagen gevonden die verrassend soortgelijke situatie onthullen zoals die door Gil werden gevonden van de tijd vóór de kruistochten. Niet alleen moesten Joden de djizja betalen aan de Ottomaanse staat, maar daarnaast ook een reeks van niet-officiële heffingen, belastingen, afpersingen en verplichte steekpenningen aan de plaatselijke islamitische notabelen en aan sterke mannen.

Standbeeld van Maïmonides in Cordoba (Spanje)
Nu, in tegenstelling tot wat veel Joden en andere mensen tot nog toe geloven, waren de leefomstandigheden in de islamitische landen vaak slechter voor de Joden dan onder het Christendom. Tenminste dat was de mening van de grote Joodse filosoof Moses ben Maimon beter gekend als Maimonides (1135-1204), die uit Spanje was gevlucht als gevolg van de vervolging door een fanatieke moslim sekte en in Egypte strandde als een Joodse leider en arts onder de beroemde sultan Ṣalāḥ ad-Dīn Yūsuf ibn Ayyūb, in het westen bekend als sultan Saladin. Hij schreef in zijn beroemde Brief aan Jemen: “[als straf] heeft God ons in het midden van dit volk – de Arabieren – geslingerd, die ons zwaar vervolgden en een verderfelijke en discriminerende wetgeving tegen ons maakten… Nooit heeft een natie ons zo gemolesteerd, gedegradeerd en vernederd en ons meer gehaat dan zij.”
Maimonides was in correspondentie met veel Joden die uit Europa naar India waren gevlucht, en kende de leefomstandigheden in de verschillende plaatsen. Hier bedoelt hij dat in de islamitische samenleving in de regel Joden slechter behandeld werden dan in de christelijke samenleving. De volgende vraag die zich stelt is of de Joodse en christelijke dhimmi’s onderling gelijk waren in hun inferioriteit ten aanzien van de islamitische samenleving, en zo niet, wie waren dan in de superieure positie.
Dr. Prof. Moshe Sharon, een gerespecteerde Israëlische historicus van de islam, stelt dat het feit dat de Koran de Joden bestempeld als de vijanden van de moslims, in vele opzichten hun lagere status in vergelijking met de christenen institutionaliseerde.
De 9e eeuw islamitische schrijver al-Jahiz beweerde: “… de harten van de moslims zijn gehard in de richting van de Joden, maar geneigd in de richting van de christenen.” Hij wees erop dat “in zijn tijd de Christenen zowel sociaal als economisch beter af waren dan de Joden.” Hij verklaarde dit door het politieke verzet van de Joden van Medina tegen Mohammed. Carlo Panella concludeerde: “De Joden stonden op de laagste trede van de maatschappelijke ladder …” in de islamitische samenleving.
De Italiaanse historicus van de islam, Francesco Gabrieli, schreef dat wanneer “de naam ‘Yahudi‘ [= Jood] uit de mond van de moslims komt, dezelfde geur van vijandige minachting voor de Joden verspreidt zoals de term ‘Jood’ dat deed in de Westerse wereld, en vijandiger en smalender klonk dan dat van de bijnaam ‘Nasrani‘ [= christen].” Net zoals al-Jahiz, Gabrieli en Panella wordt dit in het geheugen van de moslims uitgelegd als gevolg van de politieke weerstand van de Joden van Medina tegen Mohammed.
Deze Joodse sociale minderwaardigheid werd niet enkel bevestigd door de middeleeuwse Arabier al-Jahiz uit Bagdad maar door een Turk geciteerd zoals werd aangehaald door Bernard Lewis. Die 19de eeuwse Turk verwees naar een aantal Grieks-orthodoxe onderdanen in het Ottomaanse Rijk die de Ottomaanse hervormingen voor meer gelijkwaardigheid in het midden van de 19de eeuw betreurde. Hieruit blijkt dat de status van de Ottomaanse Christenen superieur werd geacht aan die van de Joden: “… Terwijl in vroegere tijden, in het Ottomaanse Rijk, de gemeenschappen werden gerangschikt met eerst de moslims, dan de Grieken [Grieks-orthodoxen], dan de Armeniërs en dan de Joden, worden ze nu allen op hetzelfde niveau geplaatst. Sommige Grieken maakten bezwaar en zegden: “De overheid heeft ons samen met de Joden gezet. Wij waren best tevreden met de suprematie van de islam.”
Een Britse gezant bevestigde deze rangschikking. Sir John Bowring (1792-1972) was in 1830 in Libanon en Syrië (in de omgeving van Israël), kort voor de eerste van de Ottomaanse hervormingen van 1839 van kracht werden. Muhammad Ali (1769-1849) van Egypte, die op dat ogenblik met de Ottomaanse heersers in conflict lag over de heerschappij van de Levant, had al grotere gelijkheid tussen moslims en dhimmi’s ingevoerd in zijn gebieden. Bowring merkte op dat: “De Muzelmannen… betreuren ten zeerste het verlies van dat soort van superioriteit die ze allen en individueel uitoefenden over en tegen de andere sekten… een muzelman… gelooft en onderhoud dat een christen – en een Jood nog meer… minderwaardig zijn aan zichzelf.” Hoewel de situatie van de Joden zich enigszins zal verbeteren onder het bewind van Muhammad Ali in de Levant.

De leefomstandigheden van de Joden in Jeruzalem onder Islamitische heerschappij
De leefomstandigheden van de Joden vormen misschien een uitzondering [vergeleken met de algemene verbetering van niet-moslims] en er kan niet van worden gezegd dat ze verbeterd waren in vergelijking met die van de andere sekten. De hierboven aangehaalde citaten en de autoriteiten hebben voldoende aangetoonde dat in het algemeen de Joden op de bodem van het vat leefden in de Arabische-islamitische samenleving. Daaruit zou logischerwijze moeten volgen dat de Joden ook op de bodem van het vat leefden in het Jeruzalem onder islamitische heerschappij. Hoedanook moet en kan dit worden aangetoond door bronnenmateriaal.
Tegen het einde van de heerschappij van de Mamelukken – die duurde van de Mongoolse terugtrekking in 1260 tot aan de Ottomaanse verovering in 1517 – leefde er in het Franciscaner klooster in Jeruzalem een monnik genaamd Francesco Suriano (Venetië, 1450-1529) voor zowat vijfentwintig jaar lang. Gedurende zes jaar was hij in opdracht van zijn orde de Custos Terrae Sanctae of Voogd van het Heilige Land. Dat wil zeggen, dat hij de hoogste westerse christelijke ambtenaar was in het Land van Israël, die door de paus belast werd met het toezicht op rooms-katholieke belangen in de christelijke heilige plaatsen en kerkelijke zaken in het land en hulp te bieden aan katholieke pelgrims. Hij hield niet van moslims maar hij wist goed te waarderen hoe zij de Joden behandelden. Hij beschreef hoe ze de Joden in Jeruzalem behandelden als volgt:
“Als je wilt weten hoe deze honden van Joden worden gestampt, geslagen en mishandeld, zoals ze dat verdienen gelijk welk ander ongelovig volk, is dit gewoon het juiste gebod van God. Ze leven in dit land in een dergelijke staat van onderwerping dat die met geen woorden valt te beschrijven… daar in Jeruzalem, waar ze de zonde begaan hebben waardoor ze verspreid werden over de hele wereld [dwz, de Kruisiging van Christus], worden ze door God gestraft en lijden ze meer dan in enig ander deel van de wereld. En daar ben ik lange tijd getuige van geweest…. Geen ongelovige [= moslim] zou een Jood met zijn handen durven aanraken omdat hij onrein is, maar als ze zin hebben om hen te slaan, doen ze hun schoenen uit en slaan ze hen op hun baarden en snorren; de grootste fout en belediging voor een man is hem een Jood te noemen. En het is een achtenswaardige zaak dat de moslims geen Jood aanvaarden tot hun geloof, tenzij hij eerst christen is geworden… En als ze niet werden gesubsidieerd door de Joden van het christendom, zouden de Joden die in Judea wonen omkomen van de honger zoals honden.”

Behandeling van dhimmi (niet-moslim)
Het Ottomaanse Rijk lijkt de status van de Joden in Jeruzalem zich te hebben verbeterd, maar dit gebeurde zeer tegen de zin van de lokale moslims. Niettemin, “Lagen de prijzen van de djizja, de bijzondere taks die de Joodse gemeenschap aan de moslims moesten betalen… gemiddeld iets hoger dan die van de [Grieks-] Orthodoxen.”
Ongeveer 300 jaar na Suriano, constateerde de grote Franse schrijver François-René de Chateaubriand (1768-1848) dat de Joden nog steeds op de bodem van het sociale vat leefden. Hij bezocht in 1806 Jeruzalem en schreef er later dit over: “De speciale doelgroep van alle minachting [dwz. van zowel moslims als christenen], zij buigen hun hoofden zonder morren; zij lijden onder alle beledigingen zonder dat zij opkomen voor hun rechten; zij laten zich verpletteren en omver blazen… dringt de woningen van deze mensen binnen, waar u ze zal aantreffen in de verschrikkelijkste armoede…”
Niets kan voorkomen dat ze hun blik naar Zion keren. Als men de Joden ziet die verspreid leven over de hele wereld,… is men waarschijnlijk verbaasd, maar wil men met bovennatuurlijke verstomming worden geslagen, moet men noodzakelijk eerst zien hoe ze in Jeruzalem leven… deze rechtmatige eigenaren van Judea, als slaven en vreemdelingen in hun eigen land. Men moet ze zien onder alle onderdrukking, in afwachting van een koning die ooit komen zal om hen te verlossen.
Toch stonden niet alle christenen in Jeruzalem te popelen om de Joden te haten. Neophytos was een Grieks-orthodoxe monnik die behoren tot de Broederschap van het Heilige Graf, die de belangen regelde van de Orthodoxe Kerk in Jeruzalem. Een inwoner van Cyprus die al vele jaren leefde in Jeruzalem, toonde een zekere sympathie of medelijden met de Joden, voor alle zekerheid niet te overdreven. Neophytos had zelf geleden onder de vervolging en bedreiging van zijn eigen gemeenschap tijdens de Griekse opstand tegen het keizerrijk, tot de Grieks-Orthodoxen in Jeruzalem grote sommen betaalde – inclusief gouden religieuze objecten – aan de lokale Arabisch-Islamitische notabelen om een bloedbad te vermijden uit wraak voor de Griekse opstand van de jaren 1820.
De relatieve grootmoedigheid van Muhammad Ali beschrijvende tegenover de dhimmi gemeenschappen, nadat hij de Islamitische opstand – door de Ottomanen gesteund – tegen hem in 1834 in Israël had neergeslagen, merkte Neophytos op dat deze grootmoedigheid zich ook naar de Joden uitstrekte. Onder de Ottomaanse heerschappij, zoals hij uitlegt, durfden zij niet eens de toestemming te vragen om hun synagogen te repareren:
“Als we op de kwestie van de reparaties aankomen, moeten we iets zeggen over de Joodse Synagoge. Amper een jaar geleden, en de liberale bepalingen van Mehemet Ali Pasha [Muhammad Ali] en Ibrahim Pasha [zijn zoon, generaal en afgevaardigde] in ogenschouw genomen, durven zij weer te spreken over hun synagoge. Ze vroegen dat hun Huis van Gebed, dat in een vervallen staat verkeert en op het punt staat ineen te storten, kan worden gerepareerd. Dus, diegenen die niet eens durfden om een tegel op het dak van de synagoge te vervangen, kregen daar nu de toestemming voor en een decreet om te bouwen.”

Vanaf de 10de eeuw schuimen moslim piraten voor hun lucratieve slavenhandel, de kusten van Afrika en van de Middellandse Zee af, op zoek naar jonge niet-moslim vrouwen voor hun harems
Neophytos’ woorden “degenen die niet eens durfden,” impliceren de minderwaardigheid van de Joden ten aanzien van de christenen. Dit toont de omvang van de Joodse degradatie aan in de Joodse Heilige stad Jeruzalem.
Het volgende getuigenis over de nederige status van de Joden in de stad komt van niemand minder dan Karl Marx (1818-1883), de grondlegger van het marxisme, en het is alleszins een verrassend getuigenis. In zijn rapport in de New York Daily Tribune van 15 april 1854 over het ontstaan van de Krimoorlog (1853-1856), beschrijft Marx de leefomstandigheden in Jeruzalem, waar religieuze rivaliteit gericht op de Kerk van het Heilige Graf, voor de grote mogendheden kon dienen als voorwendsel voor de oorlog:
“De Muzelmannen, die ongeveer een vierde deel van het geheel uitmaken, dat verder bestaat uit Turken, Arabieren en Moren, zijn natuurlijk de meesters in alle opzichten, omdat zij op geen enkele wijze beïnvloed worden door de zwakte van hun regering in Constantinopel. .. ‘Er is niets dat te vergelijken valt met de ellende en het lijden van de Joden in Jeruzalem, waar ze de meest smerige wijk van de stad bevolken, met name Hareth-el-yahoud. In het kwartier van het stortvuil, tussen de Zion en de Moriah waar hun synagogen zijn gelegen – zijn ze voortdurend het mikpunt van onderdrukking en intolerantie door de muzelmannen, beledigd door de Grieken en vervolgd door de Latijnen…”
Merk op dat Joden zowel door de christenen in de stad werden vernederd alsook door de moslims. Voor de volledigheid: Marx is nooit in Jeruzalem geweest. Zijn verslag van de datum hierboven is vrijwel volledig geciteerd of geparafraseerd uit een boek van de Franse diplomaat en historicus, César Famin. Famin zou Jeruzalem kunnen hebben bezocht, maar zo niet, dan was hij ongetwijfeld zeer goed geïnformeerd over de toestand in de Heilige Stad door collega-Franse diplomaten, verslagen van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Franse geestelijken en reizigers. Hij was gestationeerd in Yassi (Jassy) in Roemenië, dat toen deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk, waar hij een idee van de status van de Joden en christenen had kunnen krijgen in een islamitische staat. Het boek van Famin ‘Histoire de la rivalité et du protectorat des églises chrétiennes en Orient’, gepubliceerd in 1853, sprak van een absolute Joodse meerderheid van de bevolking van Jeruzalem en Marx reproduceerde zijn voorstel voor de splitsing van de bevolking van de stad.
We zullen met onze voorbeelden eindigen bij Gerardy Santine, een Fransman die drie jaren woonde in Jeruzalem in de jaren 1850 en met Felix Bovet, een Franstalige Zwitserse protestantse predikant die een bezoek bracht aan de stad in 1858. Santine benadrukte het gevoel van angst en intimidatie waaronder de inheemse Joden gebukt liepen: “… de zonen van Israël zijn hier het mikpunt van antipathie en minachting vanwege de andere gemeenschappen… kruiperig en overdreven angstig… Zij wakkeren – eerder dan te ontwapenen – de vijandige gevoelens van de christenen nog wat aan, die blij zijn wraak te nemen door hen [de Joden] te plagen voor hun eigen vrijwillige degradatie ten opzichte van de moslims … de Joden die schuilen onder de vlag van een Europese consul, zijn bijna allen mannen.”
Bovet schreef dat “de Joden nog steeds, tot op vandaag, het meest ellendige deel zijn van de bevolking van de Heilige Stad.” Bovet citeert een Franse bekeerling tot de Islam, die schreef: “de Jood van Jeruzalem leeft maar half, bang als hij is om nauwelijks adem te halen.”
We hebben hierboven laten zien 1) de staat van onderdrukking, vernedering en economische uitbuiting – de dhimmitude – van Joden en christenen in de traditionele Arabische-islamitische samenleving, 2) dat de status van de Joden onder de Arabische Islam slechter was dan elders (volgens Maïmonides) en 3) de lagere status van de Joden zelfs ten aanzien van de christelijke dhimmi’s in de Arabisch-islamitische samenleving in het algemeen en in Jeruzalem in het bijzonder.
Wordt vervolgd in deel 2 van De vergeten onderdrukking van de Joden onder de islam en in het Land van Israël.
Bronnen: Middle East & Terrorism Blog: The forgotten oppression of Jews under Islam and in The Land of Israel deel 1 en deel 2 door Elliott A. Green van 14 augustus 2009; deel 1 vrij vertaald en bewerkt door Brabosh op 15 november 2009; Elliott A. Green is een onderzoeker, auteur en vertaler die in Jeruzalem woont. Zijn schrijfsels werden gepubliceerd in Midstream [New York], Nativ en in The Jerusalem Post [Israel] alsmede in andere publicaties. Hij was mede uitgever van Crossroads, een kwartaalblad over sociale wetenschappen dat nog steeds wordt uitgegeven in Jeruzalem.
Dhimmitude: de status van niet-moslim minderheden onder Islamitisch bestuur
Heden voeg ik een nieuw begrip toe aan mijn dagelijks gebezigde woordenarsenaal: dhimmitude. Over dhimmi’s en dhimmitude zal nog veel verschijnen op deze blog en elders. De Joden, christenen en andere niet-moslims die ergens in de arabische wereld hun stek hebben (of ooit hebben gehad) zijn erg goed bekend met dit woord, dat voor hen alleen maar narigheid, vernedering, rechteloosheid, slavernij, tot moord en doodslag betekent. Het bestaat in die landen namelijk al eeuwenlang. De betekenis en het gebruik toelichten van dhimmi en haar afgeleid naamwoord dhimmitude (in feite een samentrekking van ‘dhimmi’ en ‘attitude’), kan ons helpen de soms voor ons onbegrijpelijk vijandige houding van moslims ten aanzien van niet-moslims en dan in het bijzonder tav de Joden m.b.t. het onoplosbare conflict in het M-O beter te begrijpen.

Wordt onthoofd zij die de islam te beledigen
Tevens wordt het mogelijk om de diep verankerde haat en minachting van moslims jegens niet-moslims meer bepaald in die landen en gebieden die onder de sharia leven (islamitische wetgeving gebaseerd op de koran en bijboeken) of een variant op de sharia, in haar juiste historische context te plaatsen. Wie de geschiedenis niet kent begrijpt niks van het heden, of anders gezegd in de context en het doel van deze blog: wie het conflict in het Midden-Oosten wil begrijpen, moet beseffen dat het grenzenconflict slechts een fractie uitmaakt van de echte oorzaken van dit conflict, maar dat de feitelijke bron van deze problemen, de facto van zuiver religieus-culturele aard zijn.
Een paar jaar geleden legde Mr. Sheikh van Al Jazeera in een gesprek met reporter Heumann uit, hoe wanhopig de huidige situatie in het Midden-Oosten is en dat alles veel beter zou marcheren als Israël – de dhimmistaat staat bij uitstek in een Arabische moslimwereld – niet [meer] zou bestaan. Dhimmi ‘s mogen nu eenmaal geen eigen autonoom bestuurde staat hebben binnen de moslimwereld.
Heumann: “Kunt u mij misschien uitleggen wat het Palestijns-Israëlische vraagstuk met deze problemen te maken heeft?”
Sheikh: “De zaak van de Palestijnen staat nu eenmaal centraal in het Arabische denken.”
Heumann: “Gaat het uiteindelijk over een gevoel van eigenwaarde?”
Sheikh: “Precies. Het gaat erom dat we het altijd tegen Israël afleggen. Het knaagt aan de inwoners van het Midden-Oosten dat zo’n klein landje als Israël, met maar 7 miljoen mensen, de Arabische natie, waar 350 miljoen mensen wonen, kan verslaan. Dat kwetst ons collectieve ego. Het Palestijnse probleem zit in de genen van elke Arabier. Het probleem van het Westen is dat ze dat niet begrijpt.”
Jessica Durlacher in haar voorwoord bij Oorlog op Afstand van Aaldert van Soest: “Hij heeft een beetje gelijk. Het Westen snapt dit niet. Hoe zou het Westen dit kunnen snappen? Voor het westen, althans, het deel dat ik ken, is het onbegrijpelijk dat er naties bestaan die zo onvolwassen, kinderachtig, jaloers en kleingeestig zijn, dat ze de klaarblijkelijke superioriteit van een piepklein landje verantwoordelijk blijven stellen voor hun eigen moedeloosheid en onvermogen: hun gebrekkige organisatie, infrastructuur, economie, onderwijs, medische zorg.
Get over it, denkt het Westen. Een landje zo groot als de achtertuin van een willekeurige Saoedische prins: Israël. Een gehaat landje. De president van Iran verkondigt dat hij het van de kaart wil vegen, laten verdwijnen, nuken, zoals dat heet. Hij maakt geen grapjes. Het is hem bittere ernst, maar het Westen begrijpt dit nog niet helemaal. De haat tegen Israël is zo geïnstitutionaliseerd dat er op de Iraanse (door het regime gecontroleerde zender) tv een sciencefiction serie draait waarin de slechte buitenaardse koningin Joods is.”

Dhimmitude
De Islam is ontstaan in Arabië, in de twee steden Mekka en Medina, waar haar stichter, de profeet Mohammed, leefde tussen 570 en 632 n.C. en zijn openbaring ontving. Na zijn dood, kreeg zijn prediking haar uiteindelijke vorm in een boek, de Koran genoemd. De volgende drie eeuwen hebben moslim theologen en juristen het lichaam van de Islamitische jurisprudentie verder uitgebreid met twee belangrijke pilaren, de Koran en de hadiths, de daden en uitspraken (sunna) die worden toegedicht aan Mohammed. Juristen hanteerden verschillende principiële interpretaties om de Sharia in te stellen, de Islamitische wetgeving conform te maken aan de wil van Allah zoals die door Mohammed werd uitgedrukt in de Koran en de hadiths. Tegelijk met het ontstaan en de verspreiding van de islam doorheen het Midden-Oosten, Afrika, Azië en Europa werd ook het begrip dhimmi geboren, zoals de niet-moslim door moslims werd aangeduid en nog veel later het begrip dhimmitude, dat hierna verder wordt toegelicht.
Dhimmitude betekent het Islamitisch systeem van het besturen van volkeren die werden veroverd tijdens Jihad-oorlogen en die alle demografische, ethnisch en religieuze aspecten van dit politieke systeem omsluiten. Het woord ‘dhimmitude’ is een historisch concept, dat in 1983 vastgepind werd in door Bat Ye’or, die hiermee de wettelijke en sociale leefomstandigheden van Joden en Christenen beschrijft die leefden (en nog leven) onder Islamitisch bestuur.
Het woord dhimmitude werd afgeleid van dhimmi, een arabisch woord dat ‘beschermd’ betekent. Dhimmi was de naam die werd gegeven door islamitisch-arabisch veroveraars aan de inheemse niet-moslim bevolking die hun onderwerping aan de moslimoverheersing hadden bezegeld met een verdrag, in het arabisch dhimma.

Islamitische veroveringen voltrokken zich over meer dan duizend jaren (638-1683) over grote gebieden van Afrika, Europa en Azië. In het grote islamitische rijk waren talrijke uiteenlopende volkeren opgenomen, allen met hun eigen religie, cultuur, taal en beschaving. Eeuwenlang vormden deze inheemse, pre-islamitische volkeren de grote meerderheid van de bevolking in deze islamitische landen. Niettegenstaande de grote verschillen onder al deze populaties, werden zij allen zonder onderscheid geregeerd door dezelfde soort wetten, gebaseerd op de sharia, de islamitische wetgeving.
Gelijktijdig werd door de eeuwen heen een uniforme beschaving ontwikkeld (die varieërde van streek tot streek) door de niet-islamitische inheemse volkeren die tijdens een jihad-oorlog werden overwonnen en beheerst werden (of nog worden) door de sharia wet. Het is deze beschaving die dhimmitude wordt genoemd. Die wordt gekenmerkt door de verschillende strategieën die door elke dhimmi groep ontwikkeld werden om te trachten overleven als niet-islamitische entiteit binnen de geïslamiseerde landen.

Dhimmitude kan enkel worden begrepen in de context van de jihad, omdat die ontsproten is aan deze ideologie. Ongelovigen die in de islamitische legers dienen zonder te vechten, kregen de belofte dat over hun veiligheid werd gewaakt. Ze werden beschermd tegen de wetten van de jihad tegen de ongelovigen die het bevel gaven om hun vijanden te doden, in slavernij te brengen, deportatie of losgeld vroegen. Vrede en veiligheid voor niet-moslims werden pas erkend na aanvraag. De beschermingsstatus werd hen verstrekt tijdens de Islamisering van de veroverde gebieden.
De overwonnen niet-moslim volkeren werd bescherming geboden voor leven en bezittingen, evenals een relatief zelfstandige autonome administratie en beperkte religieuze rechten volgens de regels van de verovering. Deze rechten zijn onderworpen aan twee voorwaarden: de betaling van speciale belastingen (de jizya) en de onderwerping aan de bepalingen van het islamitische recht. Het begrip tolerantie is gekoppeld aan een aantal discriminerende verplichtingen op economisch, religieus en sociaal gebied, opgelegd door de sharia aan de dhimmis (=onderworpen niet-moslims).
In het geval wanneer dhimmis tekort schoten in sommige van deze verplichtingen, werd hun bescherming afgeschaft, en werden ze bedreigd met de dood of slavernij. Dhimmi’s werden vele legale rechten ontzegd met de bedoeling hen terug te brengen in een toestand van vernedering, verdeeldheid en discriminatie. Deze regels, gevormd door de stichters van de vier scholen van de Islamitische wet in de volgende acht à negen eeuwen, zetten het gedragspatroon uit voor de moslims ten opzichte van de dhimmis.
Naar Joden en Christenen wordt verwezen als de Mensen van het Boek, en zij deelden dezelfde juridische status, terwijl andere religieuze groepen – zoals bijvoorbeeld de Zoroastrians – meer veracht en strenger werden behandeld. Dhimmitude bestrijkt meer dan duizend jaar van de Christelijke en Joodse geschiedenis, evenals die van andere groepen. Het is een complete beschaving van gebruiken, wetgeving, en sociaal gedrag. Tal van wetten werden door de eeuwen heen uitgevaardigd door de islamitische autoriteiten, om de uitvoering van haar principes te implementeren. De dhimmitude werd tijdens de 19e-20e eeuw onder Europese druk en kolonisatie van de Arabische landen opgeheven. Vandaag beleven wij de heropleving van de traditionele islam die de geest van de jihad tegen de Dar al-Harb nieuw leven inblaast en de dhimmitude voor de niet-islamitische minderheden opnieuw wil invoeren of dat al heeft gedaan.
Bron: ondermeer Dhimmitude.org: History of Dhimmitude
Volgende keer: Dhimmitude: de houding van niet-moslim meerderheden tegenover Islamitische minderheden in eigen land
Islamitisch antisemitisme, de wortel van het Midden-Oosten conflict?

Hezbollah hertekent de kaart van het M-O
Is het conflict in het Midden-Oosten een puur territoriaal dispuut ? Of ligt aan de basis ervan nog een probleem dat slechts na zorgvuldige bestudering van de houding van de Islam ten opzichte van de Joden, een ander licht kan werpen op het conflict en de onoplosbaarheid ervan ?
De gebruikelijke gedachtegang in de academische en journalistieke wereld is dat Islamitische Jodenhaat pas is ontstaan in de 19de en 20ste eeuw, met de geboorte van het moderne Zionisme en het daaropvolgende Arabisch-Israëlische land dispuut over het Britse mandaatgebied voor Palestina. Zijn de problemen werkelijk met de opkomst van het Zionisme begonnen?
Wijdverbreid is ook de veronderstelling dat de Joodse gemeenschappen in de Moslim-landen” gouden eeuwen” beleefden en Joden daar alom met respect en tolerantie werden behandeld, in tegenstelling tot hun geloofsgenoten in het Christelijke Europa. Echter, door de eeuwen heen zijn ook de Joden in de Arabische wereld als tweederangs burgers behandeld, vervolgd, en vermoord.

Het Alhambra Decreet van 31 maart 1492 door de katolieke monarchie dat de uitdrijving van de Joden uit Spanje gebood
Bittere voorbeelden hiervan zijn onder andere de uitroeiing van de Joodse stam Banu Qurayza; de leden van deze stam leefden in Medina en werden op bevel van Mohammed vermoord.[1] De moord op meer dan 6000 Joden in de Marokkaanse Stad Fez in 1033. De bijna algehele vernietiging van de Joodse gemeente in Granada gedurende de Moslim opstanden van 1066 . De Progroms in Palestina in de late twintiger en vroege dertiger jaren van de 19e eeuw in Jeruzalem, Safed en Hebron tijdens het bewind van Ibrahim Pasha.
De expulsie van bijna alle Joden uit de Arabische wereld in de jaren na de oprichting van de staat Israël, geeft ook aan dat de bovengenoemde veronderstelling niet juist is en dat de leefomstandigheden van de Joden in de Arabische wereld misschien wel vergelijkbaar waren aan die in Christelijk Europa in de Middeleeuwen.
Een van de hoofdredenen van de inferieure status van Joden en andere niet-Moslims in de Islamitische wereld is het principe van dhimma; dit is de overeenkomst tussen de Moslim heerser en zijn, onder de Islamitische wet (Shari’a) getolereerde, niet-Islamitische onderdanen (dhimmis). Deze groep van getolereerde onderdanen bestond voornamelijk uit Joden, Christenen, Zoroastrianen en later ook Hindoes. De dhimma was een soort contract waarbij van de dhimmis werden verwacht om de superioriteit van de Islam te erkennen en om hun eigen inferieure positie te accepteren.
Zij werden geacht om een hoofdelijke belasting te betalen, de jizya, en in ruil daarvoor moest hun leven en hun materiële bezittingen worden beschermd door de Moslim heersers. Vrijheid van godsdienst was ook een onderdeel van de dhimma en Joden en Christenen werd toegestaan om hun eigen synagoges respectievelijk kerken te behouden; er mochten echter geen nieuwe gebedshuizen worden bijgebouwd of reparaties worden aangebracht aan de bestaande niet-Islamitsche gebedsruimten. De dhimmis waren over het algemeen gebonden aan bepaalde kledingscodes en moesten bepaalde kenmerken op hun kleding dragen waardoor ze te onderscheiden waren van de Moslims, ze mochten niet in rechtzaken getuigen en ook mochten ze niet op paarden rijden, maar alleen op ezels en andere muildieren. De dhimmis hadden dus een veel betere positie dan de slaven in de Arabische wereld, maar ze waren toch wel ver achtergesteld bij hun Islamitische landgenoten.

Behandeling van dhimmi (niet-moslim)
De Egyptisch-Joodse schrijfster Bat Ye’or stelt dat de dhimma afkomstig is van de jihad, de heilige oorlog van de Moslims tegen de niet-Moslims. Islamitische theologen en juristen die leefden ten tijde van de grote Islamitische veroveringen in de 7e eeuw, probeerden om een religieus en wettelijk kader te scheppen voor de jihad, zich baserend op de Koran en de hadith (de uitspraken en daden van de Profeet Mohammed). Vandaar dat zij de doctrine van de jihad met betrekking tot de relaties tussen de Moslims en niet-Moslims interpreteerden in termen van overheersing, submissie en vijandigheid. Volgens deze doctrine behoort het recht tot wereldheerschappij alleen aan de umma, de Islamitische gemeenschap van Allah, die verheven is boven alle andere volkeren, zoals wordt verduidelijkt in de Koran (3:17): “ Jullie zijn de beste natie die de mensheid ooit heeft voortgebracht.”
Uit het bovenstaande kan dus worden opgemaakt dat het Islamitische antisemitisme al is ontstaan aan het begin van de Islam. Er zijn vele voorbeelden van anti-Joodse sentimenten in de Islamitische religieuze bronteksten te vinden. De Islam kan in deze context in drieën worden verdeeld: 1. de Islam van de teksten zoals de Koran, the hadith en de sira (de biografieën van de Profeet Mohammed, die overlappend zijn aan de hadith), 2. de Islam die is ontwikkeld uit deze teksten door Koran-commentatoren en -rechtsgeleerden, 3. de Islamitische samenleving en de daden van de Moslims door de eeuwen heen. Een van de oudste biografieën over Mohammed (sira), die is geschreven door Ibn Ishaq en overgeleverd door Ibn Hisham, staat vol van de haat van de profeet tegen Joden; bijvoorbeeld: “Vermoord elke Jood die in je bezit komt”. Ook in de Koran komen veel verzen voor die refereren aan de haat tegen Joden, de meest bekende waarschijnlijk de verzen die Joden met apen en zwijnen vergelijken; Koran 5:60, 5:61.
De term “Islamitisch antisemitisme” wordt vaak als problematisch voorgesteld omdat het woord antisemitisme afstamt van de groep verwante Semitische talen zoals; Hebreeuws, Aramees en Arabisch. Daardoor zou het dus niet mogelijk zijn dat Arabieren antisemitische sympathieën hebben. Robert Wistrich weerlegt deze claim door te zeggen dat de term antisemitisme eigenlijk nooit “haat tegen Semieten” (zoals bijvoorbeeld Arabieren) heeft betekend maar eigenlijk alleen is gebruikt voor haat tegen Joden. Deze term, stelt Wistrich, is algemeen aanvaard als aanduiding voor alle vormen van Jodenhaat.
En het ultieme bewijs voor de stelling dat antisemitisme nooit gericht was tegen de Arabieren (of Moslims of andere niet-Joden), is te vinden in de nazi-doctrine. Tijdens een persconferentie in november 1942 in Berlijn, werd door een woordvoerder van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het naziregime benadrukt, dat de nazistische antisemitische politiek exclusief was gericht tegen de Joden. Het Arabisch-Palestijnse leiderschap tijdens de Tweede Wereldoorlog hielp en steunde de nazis in hun campagnes tegen Joden, dit vaak met goedkeuring van het overgrote deel van de Arabisch-Palestijnse bevolking.

Groot-Moefti van Jeruzalem op bezoek bij Adolf Hitler
Kort nadat Hitler aan de macht kwam stuurde de moefti van Jeruzalem hem een bericht met de volgende inhoud: “Moslims binnen en buiten Palestina verwelkomen het nieuwe regime van Duitsland en hopen op een uitbreiding van het fascistische, anti-democratische regeringssysteem naar andere landen” Niet alleen uit deze historische feiten, maar ook uit de aktuele feiten over het Moslimleiderschap in de Palestijnse gebieden wordt duidelijk dat anti-semitisme een bepalende faktor is in dat leiderschap. Zo heet de militaire tak van Hamas “Izzidin Al Kassam”, vernoemd naar de virulent anti-semitische sheik Izzidin Al Kassam, die in de tijd van het Britse mandaat voortdurend moordpartijen tegen de Joden organiseerde.
Uit de bestudering van de geschiedenis en de actualiteit, kan worden geconcludeerd dat het Arabisch-Israëlische conflict niet slechts een territoriaal dispuut is in de klassieke betekenis. Indien het een dispuut is over grondgebied, dan is dat ook gerelateerd aan het Islamitische principe van Dar Al Islam, het grondgebied van de Islam waar geen “vreemde” entiteit wordt geaccepteerd. Het conflict wordt echter in de eerste plaats gevoed door een honderden jaren-oude Arabische haat jegens Joden, een haat die al bestaat vanaf het begin van de Islam, voornamelijk omdat Joden Mohammed niet als hun profeet wilden accepteren. De vraag komt dan ook op, of een Joodse staat in het midden van de Moslim-wereld ooit legitimatie zal verkrijgen van haar buren.
Professor Bernard Lewis schreef in The Wall Street Journal van 26 november 2007, drie dagen voor de vredesconferentie in Annapolis, het volgende: “ Waar gaat dit conflict over? Er zijn eigenlijk twee mogelijkheden: het gaat of over de grootte van Israël, of over haar bestaan. (…) Als het echter gaat over het bestaan van Israël, dan kan het conflict zeer zeker niet opgelost worden door middel van onderhandelingen. Er is geen compromis mogelijk tussen bestaan en niet bestaan, en er is geen enkele Israëlische regering denkbaar die zal gaan onderhandelen over of het land wel of niet zou moeten bestaan.”
Deze historische context laat zien dat onderhandelingen gebaseerd op de huidige principes zoals “land voor vrede”, niet snel tot een oplossing van het conflict zullen leiden, maar dat een fundamentele en historische verandering aan Islamitische zijde een van de voornaamste voorwaarden zal moeten zijn voor het bereiken van een duurzame vrede in het Midden-Oosten.
Sharon Visser
Midden -Oosten en Islam studies
Hebreeuwse Universiteit
Jeruzalem
Bron: Israël Facts





















