Categorie archief: Daniel Pipes

Het einde voor het Palestijnse “recht op terugkeer” [Daniel Pipes]

“Het demografische wapen van de Arabieren om Israël te verwoesten,” zo wordt dat Recht op Terugkeer gemeenzaam genoemd. Gaat het niet met de wapens, dan maar door een overtal in mensen. En deze Arabische antisemitische cartoon maakt ook duidelijk dat het niet enkel om terugkeren gaat. Op de sleutel in kwestie [symbool voor het Palestijnse Recht op Terugkeer] zit een gom waarmee op het plaatje een Joodse Davidster wordt weggegomd. Juist, dàt is het echte doel: de aankondiging van een genocide. De Joden moeten weg, de Joden moeten dood. Niet alleen Israël moet weg, maar alles wat ooit naar Joden of het Jodendom heeft verwezen, moet verdwijnen, worden weggegomd. Voorgoed en voor altijd. Weg. Foetsie.

Das Aus für das palästinensische “Rückkehrrecht”

door Daniel Pipes [http://europenews.dk]
vertaling E.J. Bron [http://ejbron.wordpress.com]

Van 1967 tot 1993 kregen slechts enkele honderden Palestijnen van de Westbank en de Gazastrook het recht om in Israël te leven door te trouwen met Israëlische Arabieren (die bijna 20% van de Israëlische bevolking uitmaken) en zodoende het Israëlische staatsburgerschap verwierven. Daarna boden de Akkoorden van Oslo een minder gebruikte mogelijkheid van familiehereniging, die van deze druppel een rivier maakte: van 1994 tot 2002 trokken 137.000 inwoners van de Palestijnse autonome gebieden naar Israël; enkelen van hen gingen schijnhuwelijken aan of deden aan polygamie.

Israël heeft twee redenen om bang te zijn voor deze ongecontroleerde immigratie: ten eerste vormt deze een veiligheidsrisico. Yuval Diskin, chef van de geheime dienst Shin Bet, merkte in het jaar 2005 op, dat van de 225 Israëlische Arabieren, die in terreur verwikkeld waren, 25 – dus 11% – via de mogelijkheid tot familiehereniging legaal naar Israël kwamen. Ze gingen in de aanval, vermoordden 19 Israëli´s en verwondden 83; de meest beruchte van hen is Shadi Tubasi, die als zelfmoordactivist in 2002 in het Matza restaurant in Haifa 15 mensen vermoordde voor Hamas.

Ten tweede dient deze als Stealthversie van het Palestijnse “recht op terugkeer”, waarmee het joodse karakter van Israël wordt uitgehold. Deze 137.000 nieuwe staatsburgers vormen ongeveer 2% van de bevolking van Israël – geen gering aantal. Yuval Steinitz, nu Minister van Financiën, herkende in 2003 in de aanmoediging van de Palestijnse Autoriteit (PA) tot familiehereniging een “weloverwogen strategie” ter verhoging van het aantal Palestijnen in Israël en van de ondermijning van diens joodse karakter. Ahmed Qurei, een Palestijnse toponderhandelaar, bevestigde deze angst later: “Als Israël onze voorstellen over de grenzen (van een Palestijnse staat) blijft afwijzen, zouden we het Israëlische staatsburgerschap kunnen eisen”.

Snel verder lezen KLIKKEN op–>> Lees de rest van dit bericht

De Rushdie-regels bereiken Florida

De reusachtige Boeddhabeelden van Bamiyan (Afghanistan) uit de 2de eeuw na Chr. bestaan niet meer. Zij werden door radicale islamisten van de Taliban gedynamiteerd op 12 maart 2001. De islam duldt geen andere religies naast zich

door Daniel Pipes

De plannen van priester Terry Jones om in zijn kerk in Gainesville (Florida) Korans te verbranden, laat dit duidelijk zijn, zijn onsmakelijk en passen in een lelijke traditie. Dit gezegd zijnde moeten twee andere zaken worden opgemerkt: het is in de VS helemaal legaal om boeken te kopen en ze vervolgens te verbranden. Ten tweede werd Jones door David Petraeus, Robert Gates, Eric Holder, Hillary Clinton en Barack Obama onder druk gezet enkel en alleen omdat ze bang waren voor moslimgeweld tegen Amerikanen. Ondanks het feit dat Jones afzag van de Koranverbranding, stierven tijdens protesten tegen zijn plannen vijf Afghanen en drie inwoners van Kasjmir.

In oktober 2000 ontheiligden Palestijnen het graf van Jozef

Dat geweld komt voort uit de islamitische wet, de sharia, die zegt dat de islam en in het bijzonder de Koran een bevoorrechte status genieten. De islam straft iedereen, moslim of niet-moslim, die de heiligheid van de islam bekladt. Dit komt doorgaanse tot uiting in staten met een moslimmeerderheid. De blasfemiewet van Pakistan bijvoorbeeld, die 295-C wordt genoemd, bestraft denigrerende opmerkingen over Mohammed met de doodstraf.

Niet minder belangrijk: de sharia kleineert de heiligdommen van andere religies, een traditie die de afgelopen jaren tot uiting kwam in de vernietiging van de boeddhistische Bamiyan-beelden en de ontheiliging van het Joodse graf van Jozef en de christelijke Church of the Nativity. Een wet van 2003 stelde de Bijbel geschikt voor gebruik door moslims, bij het zich schoonmaken na de stoelgang. Iraanse autoriteiten hebben in mei naar verluidt honderden Bijbels verbrand. Deze onevenwichtigheid, waarbij de islam immuniteit geniet en andere godsdiensten worden gekleineerd, heerst reeds lang in landen met een moslimmeerderheid.

In 1989 exporteerde Ayatollah Khomeini deze dubbele standaard abrupt naar het Westen, toen hij vastlegde dat de Britse schrijver Salman Rushdie zou worden geëxecuteerd op grond van godslasteringen in zijn boek De Duivelsverzen. Hiermee legde Khomeini de Rushdie-regels vast, die nog steeds gelden. Ze stellen dat wie zich tegen “de islam, de profeet en de Koran” verzet, ter dood kan worden gebracht; dat ook iedereen die met de godslasteraar is verbonden moet worden gedood; en dat alle moslims aan een informeel informatienetwerk moeten deelnemen om deze bedreiging uit te voeren.

Uiteraard zijn deze regels strijdig met een fundamenteel uitgangspunt van het westerse leven, de vrijheid van meningsuiting. Dit uitgangspunt wordt samengevat in de uitspraak, “Ik keur af wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen.” Die vrijheid waarborgt het recht om fouten te maken, te beledigen, het oneens te zijn, en om god te lasteren.

In eerste instantie was het Westen geschokt door de Rushdie-regels, vandaag zijn ze echter de nieuwe norm geworden. Immers, wanneer het onderwerp ‘islam’ is, wordt de vrijheid van meningsuiting slechts een herinnering van voor 1989. Schrijvers, kunstenaars en redacteuren erkennen gemakkelijk dat kritiek op de islam hun leven in gevaar kan brengen.

In januari 1989 verbrandden Britse moslims "De Duivelsverzen"

Westerse leiders staan af en toe aan de kant van degenen die de islam beledigen. De Britse premier Margaret Thatcher weerstond de druk van Teheran in 1989 en verklaarde dat “er geen redenen zijn op grond waarvan de overheid een verbod zou kunnen overwegen op” De Duivelsverzen. Andere regeringen versterkten deze stoere stellingname; de Amerikaanse Senaat, bijvoorbeeld, besloot unaniem “het recht te beschermen van eenieder om zonder angst voor geweld boeken te schrijven, te publiceren, te verkopen, te kopen en te lezen.”

In 2006 verweerde ook de Deense premier Anders Fogh Rasmussen zich, toen respectloze Mohammedcartoons in een krant in Kopenhagen tot stormen van protest leidden: “Dit is een kwestie van principe,” verklaarde hij. “Als minister-president heb ik geen enkele macht om de media te beperken, noch zou ik dergelijke bevoegdheid wensen.”

Beide incidenten hebben geleid tot kostbare boycots en geweld, maar principe was belangrijker dan opportunisme. Andere westerse leiders lieten het afweten in de verdediging van vrije meningsuiting. De regeringen van Australië, Oostenrijk, Canada, Finland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Israël en Nederland, hebben al geprobeerd of zijn er al in geslaagd om overtreders van de Rushdie-regel gevangen te zetten.

Islam laat zich niet beledigen, maar andersom: wie de islam bekritiseert wordt een islamofoob genoemd en riskeert vervolging en zelfs dood door executie

De regering-Obama kan nu bij dit smadelijke lijstje worden gevoegd. De druk op Terry Jones heeft de vrijheid van meningsuiting over de islam verder uitgehold en impliciet de bevoorrechte status van de islam in de Verenigde Staten vastgelegd, waarbij moslims anderen mogen beledigen, maar zelf niet mogen worden beledigd. Dit heeft het land verder in de richting van de dhimmitude gebracht, een toestand waarbij niet-moslims de superioriteit van de islam erkennen. In wezen heeft Obama immers de islamitische wet bekrachtigd, een precedent dat kan leiden tot andere vormen van verplichte naleving van de sharia.

Obama had, in navolging van Rasmussen, het beginsel van vrije meningsuiting moeten beklemtonen. Het nalaten daarvan betekent dus dat Amerikanen zich verder moeten verzetten tegen de toepassing van de Rushdie-regels door de Amerikaanse overheid, of tegen andere aspecten van de sharia.

Europa! Opletten, we komen eraan!


The Washington Post: “Rushdie Rules” Reach Florida door Daniel Pipes van 21 september 2010 / in een vertaling van Sam van Rooy

De nieuwe vijand van links: “Macht”

The Left’s New Enemy: “Empire”

door Daniel Pipes; vertaald door Sam van Rooy

We weten allemaal wat Marx, Lenin, Stalin en Mao wilden (staatscontrole over alles) en hoe ze dit doel bereikten (brutaal totalitarisme), maar wat willen vandaag hun opvolgers en hoe hopen ze dit te bereiken? Vreemd genoeg is dat iets waarnaar nog geen onderzoek werd gedaan.

Ernest Sternberg van de Universiteit van Buffalo schrijft erover in een eye-opening artikel in een recente uitgave van Orbis, “Het doel van de nieuwe radicale ideologie: de wereld zuiveren.” Hij begint met te schetsen wat het hedendaagse extreemlinks (in tegenstelling tot “fatsoenlijk links“) wil en waar het zich tegen verzet.

"Macht", het belangrijkste begrip van fascistisch links

Waar links zich tegen verzet: De belangrijkste vijand is iets dat men Macht (geen lidwoord nodig) noemt, een mondiaal monoliet geheel dat de wereld domineert, exploiteert, en onderdrukt. Sternberg geeft een overzicht van de allesomvattende aanklacht van links tegen Macht: “mensen leven in armoede, voedsel is besmet, producten zijn artificieel, verspillende consumptie is verplicht, inheemse groepen worden onteigend en de natuur zelf wordt ondermijnd. Invasieve soorten tieren welig, gletsjers smelten en seizoenen verdwijnen, kortom: de wereld wordt bedreigd door een catastrofe.”

Macht doet dit door middel van “economisch liberalisme, militarisme, multinationals, corporate media en de daarmee verband houdende technologieën.” Omdat het kapitalisme miljoenen doden veroorzaakt daar waar een niet-kapitalistisch systeem dat zou vermijden, wordt het ook schuldig bevonden aan massamoord.

De Verenigde Staten worden als de Grote Satan uiteraard beschuldigd van het onevenredig gebruik van bronnen. Hun legermacht onderdrukt de armen zodat hun bedrijven hen kunnen uitbuiten. De overheid stimuleert het alsof-gevaar van het terrorisme om in het buitenland te kunnen vechten en thuis te kunnen onderdrukken.

En Israël is de Kleine Satan die als sinistere bondgenoot fungeert van Macht; of zou de Joodse staat eigenlijk de ware meester zijn? Van ontmoetingen van het World Social Forum in Brazilië tot de anti-racismeconferenties van de Verenigde Naties in Durban en van mainstream kerken tot NGO’s: zionisme wordt voorgesteld als het absolute kwaad. Waarom Israël? Naast het niet-zo-subtiele antisemitisme is de reden dat de westerse landen onder constante bedreigingen leven, die hen dwingen deel te nemen aan voortdurende oorlogen. “Ontdaan van alle context,” merkt Sternberg op, “passen Israëls acties in het gewenste plaatje van agressor.”

Om tegen de superieure middelen van Macht te vechten moet Links zich verbinden met eender wie zich er tegen verzet, met name islamisten. Het doel van islamisten is tegengesteld aan dat van links, maar dat is niet erg; zolang de islamisten helpen bij het bestrijden van Macht hebben zij een respectabele plaats in de coalitie.

Wat Links zoekt: Een van de sleutelwoorden is authenticiteit: de kunstmatigheid van Macht zorgt ervoor dat een inheemse cultuur zoiets wordt als bedreigde diersoorten. Cultuur moet inheems en organisch zijn, en het moet beschermd worden tegen de botte commercie van Macht (bijvoorbeeld Hollywood), zijn fake-rationalisme en zijn valse voorstellingen van vrijheid.

De geschiedenis is blijkbaar nog niet afgelopen

Een tweede trefwoord is democratie: Links verwerpt de afstandelijke en formalistische structuur van een volwassen republiek en is in plaats daarvan voorstander van een grassroot-, niet-hegemonistische democratie die een meer directe stem biedt. Sternberg laat zien dat het democratisch proces “verder zal gaan via bijeenkomsten die bevrijd zijn van het manipulatieve karakter van wetten, procedures, precedent en hiërarchie.” Deze grote woorden vermommen echter een recept voor despotisme, want die wetten, procedures, precedenten en hiërarchie dienen uiteraard een zeer belangrijk doel.

Een derde is duurzaamheid. Om economieën te integreren in het ecosysteem van de aarde zal de nieuwe orde “werken met alternatieve energie, biologische landbouw, lokale voedselmarkten en een gesloten recycleerbare industrie, als er tenminste industrie nodig is. Mensen zullen met het openbaar vervoer reizen of ze zullen met auto’s rijden die de aarde niet of weinig belasten, of beter nog: ze zullen fietsen. Ze zullen in groene gebouwen werken gemaakt van plaatselijke materialen, en ze zullen wonen in steden die organisch groeien binnen biogebieden. Het leven zal worden bevrijd van koolstof. Het zal een eeuwigdurende, rustige manier van leven zijn.”

Socialisme is zeker een onderdeel van dit wereldbeeld, maar de economie domineert niet meer zoals het ooit deed. Het nieuwe doel van links is complexer dan slechts anti-kapitalisme, het stelt een hele andere manier van leven voor. Sternberg noemt deze beweging een wereldzuiverende ideologie, maar ik prefereer links fascisme.

Vervolgens stelt hij de cruciale vraag: zal dit nieuwste doel van links opnieuw de totalitaire tour op gaan? Hij vindt het nog te vroeg om daarop te antwoorden, maar wijst op verschillende “totalitaire waarschuwingsborden,” zoals de ontmenselijking van vijanden en de beschuldigingen van massamoord. Hij waarschuwt voor een keerpunt als linkse fascisten “trouw zweren aan hun cataclysmische retoriek en bommengordels of wapens opnemen om martelaren te worden.” De gevaren zijn met andere woorden reëel en aanwezig.

Daar gaan die modieuze theorieën van twee decennia geleden over het einde van de ideologie, die luid werden geroepen toen de Berlijnse Muur viel. Links geraakte op de achtergrond na de val van het leninisme, maar bedreigt nu de mensheid met een nieuwe versie van zijn anti-westerse, anti-rationele, anti-vrijheids en anti-individualistische ideologie.


Bron: Daniel Pipes.org: De nieuwe vijand van links: “Macht” door Daniel Pipes van 22 Juni 2010; Oorspronkelijk Engels Item: The Left’s New Enemy: “Empire”; Vertaald door Sam van Rooy; Sam van Rooy vertaalde eerder War and Peace — and Deceit — in Islam van Raymond Ibrahim en ook op deze blog werd gepubliceerd (in 2 delen) onder de titel ‘Oorlog en vrede – en misleiding – in de Islam’ [deel 1] en [deel 2]. Sam schreef ook De essentie ontbreekt nog steeds in het Israëldebat, een recensie over het boek van Ludo Abicht en André Gantman; Sam is de zoon van Wim van Rooy die bekendheid verwierf met zijn boek De malaise van de multiculturaliteit, dat onlangs werd gepubliceerd; Het rapport Goldstone: vrijgeleide voor terroristen? door Sam van Rooy van 18 juni 2010

Israël aanvaarden als de Joodse Staat

Men dacht lang dat als een groot Arabisch land uiteindelijk een vredesverdrag met Israël zou ondertekenen, het Arabisch-Israëlische conflict zou eindigen. Het vredesverdrag van 1979 tussen Egypte en Israël heeft deze illusie echter doorprikt. Daarenboven had het een pervers effect: het heeft andere landen en ook de Egyptische bevolking nog meer anti-zionistisch gemaakt.

Ehud Olmert (r.) eiste (zonder succes) dat Mahmoud Abbas Israël zou erkennen als de Joodse staat

In de jaren tachtig had men dan weer de hoop dat de Palestijnse erkenning van Israël het conflict zou oplossen. De totale mislukking van de Declaration of Principles in 1993 (beter bekend als de Oslo-akkoorden) hebben ook die hoop begraven.

Wat nu? Vanaf ongeveer 2007 is men van strategie veranderd opdat Israël als soevereine joodse staat zou worden erkend. Voormalige premier van Israël Ehud Olmert heeft de toon gezet: “Ik ben niet van plan om op welke wijze ook een compromis te sluiten over de kwestie van de joodse staat. Dit zal een voorwaarde zijn voor onze erkenning van een Palestijnse staat.”

Olmert was de slechtste premier van Israël, maar hier had hij absoluut gelijk in. De Arabisch-Israëlische diplomatie heeft zich moeten beziggehouden met een groot aantal problemen, terwijl het steeds wazig bleef rond de kern van het conflict: “Moet er een joodse staat zijn?” Onenigheid over het antwoord op deze vraag is het kernprobleem, en niet zozeer Israëls grenzen, zijn zelfverdediging, zijn controle over de Tempelberg, het waterverbruik, de woningbouw op de Westelijke Jordaanoever, diplomatieke relaties met Egypte, of het bestaan van een Palestijnse staat.

Palestijnse leiders reageerden met kreten van verontwaardiging; ze verklaarden dat zij “absoluut weigeren” om Israël te aanvaarden als een joodse staat. Ze deden zelfs alsof ze geschokt waren door het concept van een religieuze staat, hoewel hun eigen “Grondwet van de staat Palestina” (derde ontwerp), stipuleert dat “het Arabisch en de islam de officiële Palestijnse taal en godsdienst zijn.” Olmerts inspanningen leidden nergens toe.

Bij de overname van het premierschap begin 2009 herhaalde Binyamin Netanyahu Olmerts stelling. Jammer genoeg nam de Obama-regering het Palestijnse standpunt over, waarmee men de Israëlische eisen opnieuw aan de kant zette. (In plaats daarvan richt men zich op de huisvesting voor de joden in Jeruzalem. Over de ‘kern van de zaak’ gesproken!)

Palestijnse politici wijzen dus het joodse karakter van Israël af, maar hoe zit het met het Palestijnse publiek en meer bepaald: de Arabische en islamitische bevolking? Enquêtes en andere bewijzen geven aan dat gemiddeld 20 procent Israël aanvaardt, zowel nu als tijdens de periode van het Britse mandaat, en zowel de moslims in Canada als de Palestijnen in Libanon.

Om meer te weten te komen over de huidige opinie van het Arabische volk, vroeg het Middle East Forum aan Pechter Middle East Polls om een simpele vraag te stellen aan telkens een duizendtal volwassenen in vier verschillende landen: “[Uw staat] is islamitisch; zou u, onder de juiste omstandigheden, Israël accepteren als joodse staat?” (In Libanon werd de vraag een beetje anders gesteld: “De meeste staten in het Midden-Oosten zijn islamitisch; zou u, onder de juiste omstandigheden, Israël accepteren als joodse staat?”)

De resultaten: 26 procent van de Egyptenaren en 9 procent van de ondervraagde Saoedi’s in stedelijke gebieden antwoordden (in november 2009) bevestigend, net als 9 procent van de Jordaniërs en 5 procent van de Libanezen (april 2010).

De opiniepeilingen toonden een brede consensus ongeacht beroep, sociaal-economische positie en leeftijd. Zonder duidelijke reden accepteerden in Egypte meer vrouwen en in Saoedi-Arabië en Jordanië meer mannen een joods Israël ten opzichte van het andere geslacht. In Libanon werd tussen mannen en vrouwen geen verschil opgetekend. Er zijn echter enkele andere belangrijke verschillen: zoals men in Libanon had kunnen verwachten accepteerde 16 procent van de (grotendeels christelijke) Noord-Libanezen een joods Israël, in tegenstelling tot slechts 1 procent in de (grotendeels sjiitische) Bekaa-vallei.

Maar belangrijker is het afzetten van deze resultaten tegen de bevolkingsgrootte (Egypte: 79 miljoen, Saoedi-Arabië: 29 miljoen, Jordanië: 6 miljoen en Libanon: 4 miljoen). Dat geeft een totaal gemiddelde van 20 procent dat een joods Israël accepteert en bevestigt dus de resultaten van eerdere enquêtes en bevragingen.

Hoewel 20 procent een kleine minderheid vormt, geeft de continuïteit in tijd en ruimte van dit resultaat enige hoop. Het feit dat een vijfde van de moslims, Arabieren en Palestijnen Israël als joodse staat accepteert, geeft aan dat ondanks bijna een eeuw van indoctrinatie en intimidatie, er nog steeds een basis aanwezig is voor de oplossing van het Arabisch-Israëlische conflict.

‘Would be-vredestichters’ moeten hun inspanningen richten op het vergroten van de omvang van deze gematigde minderheid. De toename van deze minderheid van 20 procent tot bijvoorbeeld 60 procent, zou een ingrijpende verandering van de politiek van het Midden-Oosten tot gevolg hebben, en het zou Israël wegtrekken uit de overdreven rol die het nu in de hoofden van menig moslim speelt. Het zou dus de volkeren van deze geplaagde regio bevrijden, zodat ze hun échte problemen kunnen aanpakken: niet het zionisme, maar die ‘andere kleine problemen’ zoals autocratie, wreedheid, wreedheid, samenzweerderigheid, religieuze onverdraagzaamheid, apocalyptiek, politiek extremisme, vrouwenhaat, slavernij, economische achterstand, braindrain, kapitaalvlucht, corruptie en droogte.

Bronnen: Daniel Pipes.org: Israël aanvaarden als de joodse Staat door Daniel Pipes; National Review Online van 11 Mei 2010; Oorspronkelijk Engels Item: Accepting Israel as the Jewish State; Vertaald door Sam van Rooy

Palestina verraden – waarheid en mythe over de NAKBA

Arabieren verlaten het voormalige Britse Mandaat Palestina 1948

Palestina verraden

Een recensie van Palestine Betrayed van Efraim Karsh door Daniel Pipes

Nakba, het Arabische woord voor ‘ramp’ is tot onze taal doorgedrongen als verwijzing naar het Israëlisch-Arabische conflict. Volgens de definitie van de anti-Israëlische website The Electronic Intifada, betekent Nakba “de uitzetting en verdrijving van honderdduizenden Palestijnen uit hun huizen en hun land in 1948.”

Degenen die Israël graag zien verdwijnen, doen hun best om het verhaal van de Nakba zoveel mogelijk te verspreiden. Zo dient bijvoorbeeld de Nakbaherdenking als een sombere Palestijnse tegenhanger van Israëls met festiviteiten omgeven Onafhankelijkheidsdag, waarop elk jaar weer Israëls vermeende zonden worden gepubliceerd. Deze dag is inmiddels zo ingeburgerd, dat Ban Ki-moon, de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties – uitgerekend het instituut dat de staat Israël heeft gecreëerd – zijn steun gaf aan “het Palestijnse volk op de Nakbaherdenking.” Zelfs Neve Shalom, een Joods-Palestijnse gemeenschap in Israël die beweert “zich bezig te houden met voorlichting en onderwijs ten behoeve van vrede, gelijkheid en begrip tussen de twee volken”, herdenkt eerbiedig de Nakba.

De Nakba-ideologie stelt de Palestijnen als slachtoffers voor die geen keus hadden en daarom geen verantwoordelijkheid dragen voor de beproevingen die zij moesten ondergaan. Zij legt de schuld voor het Palestijnse vluchtelingenprobleem volledig bij Israël. Deze zienswijze is intuïtief aantrekkelijk, want islamitische en christelijke Palestijnen vormden lange tijd een meerderheid in het land dat later Israël werd, terwijl de meeste Joden relatief kort geleden immigreerden.

Maar intuïtie biedt nog lang geen historisch nauwkeurige weergave van de feiten. In zijn nieuwe tour de force, Palestine Betrayed, biedt Efraim Karsh van de University of London deze nauwkeurigheid wel. Met het voor hem kenmerkende uitvoerige onderzoek van de archieven – in dit geval steunend op een grote hoeveelheid aan onlangs vrijgegeven documenten uit de periode van de Britse heerschappij en de eerste Arabisch-Israëlische oorlog, 1917-1949 – een heldere presentatie en een zeer nauwgezette omgang met het historische feitenmateriaal, betoogt Karsh het tegenovergestelde: dat de Palestijnen hun eigen lot beschikten en vrijwel uitsluitend zelf verantwoordelijk zijn voor het feit dat zij vluchtelingen werden.

In Karsh’ woorden: “Alles behalve hulpeloze slachtoffers van een roofzuchtige zionistische aanval zijnde, waren het de Palestijns-Arabische leiders die, vanaf begin jaren twintig en zeer tegen de wens van hun eigen achterban, een niet-aflatende campagne inzetten om de Joodse nationale wedergeboorte uit te wissen die uitmondde in een gewelddadige poging om de VN-verdelingsresolutie te doen mislukken.” Meer in het algemeen, zo merkt hij op, “was er niets onvermijdelijks aan de Joods-Palestijnse confrontatie, laat staan het Israëlisch-Arabische conflict.”

Nog meer in tegenspraak met onze intuïtie, laat Karsh zien dat zijn interpretatie aan het eind van de jaren veertig de algemeen aanvaarde, ja zelfs de onweersproken interpretatie was. Pas met het verstrijken der jaren “herschreven Palestijnen en hun westerse medestanders stap voor stap hun nationale vertelling”, waarbij Israël tot de enige schuldige werd gemaakt, degene die in de Verenigde Naties, de collegezalen van onze universiteiten en hoofdredactionele commentaren werd gehekeld.

Karsh staaft met succes zijn gelijk door twee belangrijke punten aan te tonen: dat (1) het Joods-zionistische-Israëlische kamp voortdurend probeerde om tot een compromis te komen terwijl het Palestijns-Arabisch-islamitische kamp bijna alle overeenkomsten afwees; en (2) dat Arabische onbuigzaamheid en geweld tot de door eigen toedoen veroorzaakte ‘ramp’ leidde.”

Het eerste punt is het bekendst, vooral sinds de Oslo-akkoorden van 1993, want tot op de dag van vandaag blijft dit patroon gehandhaafd. Karsh laat zien dat sinds de Balfour-verklaring de Joden voortdurend goede wil hebben getoond en de Arabieren aanhoudend alles bleven afwijzen en dat dit patroon gehandhaafd bleef tijdens de periode van de Britse heerschappij. (Ter herinnering, de Balfour-verklaring van 1917 drukte Londens intentie uit om in Palestina een “nationaal thuis voor het Joodse volk” te vestigen, en de Britse verovering van Palestina slechts 37 dagen later gaf de Britten de macht over Palestina tot 1948).

De eerste jaren na 1917 was de Arabische reactie gematigd, aangezien zowel de leiders als het grote publiek de voordelen erkenden van de dynamische zionistische onderneming die een achtergebleven, arm en dun bevolkt Palestina nieuw leven hielp in te blazen. Toen verscheen, met Britse steun, de verderfelijke persoon ten tonele die de Palestijnse politiek gedurende de volgende drie decennia zou domineren, Amin al-Husseini. Vanaf 1921, zo onderbouwt Karsh met bewijsstukken, werden de zionisten en Palestijnen voor vele keuzes gesteld; terwijl de eersten steevast kozen voor het compromis, kozen de laatsten telkens weer voor uitroeiing.

In verscheidene hoedanigheden – moefti, hoofd van islamitische en politieke organisaties, bondgenoot van Hitler, held van het Arabische volk – bracht Husseini zijn achterban tot wat Karsh noemt “een meedogenloze ramkoers met de zionistische beweging.” De Joden zo maniakaal hatend dat hij zich aansloot bij de genocidemachine van de nazi’s, weigerde Husseini om hun aanwezigheid in Palestina in welke aantallen dan ook te accepteren, laat staan enige vorm van zionistische soevereiniteit.

Vanaf begin jaren twintig was men getuige van een patroon dat tot op de dag van vandaag bekend voorkomt en van toepassing is: zionistische inschikkelijkheid, ‘pijnlijke concessies’ en constructieve pogingen om verschillen te overbruggen, beantwoord door Palestijns antisemitisme, halsstarrige afwijzing en geweld.

In aanvulling op deze dramatis personae en de grimmige tegenstellingen ingewikkelder makend, waren daar ook nog het in het algemeen meer tot compromissen bereide Palestijnse gewone volk, de schandalig antisemitische Britse mandaatautoriteit, een Jordaanse koning die maar wat graag over de Joden als zijn onderdanen wilde regeren, lamlendige Arabische staatshoofden en een wispelturige Amerikaanse regering.

Ondanks de radicalisering van de Palestijnse publieke opinie door de moefti en ondanks het aan de macht komen van de nazi’s, probeerden de zionisten nog steeds tot een vergelijk te komen. Het duurde enkele jaren, maar het nulsom-beleid en eliminatiestreven van de moefti overtuigde aarzelende leiders van de Arbeidspartij, met inbegrip van David Ben-Gurion, er uiteindelijk van dat goede werken hun droom van acceptatie niet dichterbij zou brengen. Niettemin, ondanks herhaalde mislukkingen, bleven zij zoeken naar een gematigde Arabische partner met wie zij tot een overeenkomst konden komen.

Ze’ev Jabotinsky, de voorvader van de huidige Likoedpartij, begreep daarentegen in 1923 al dat “er niet de geringste hoop bestaat dat de Arabieren in het land Israël er ooit mee akkoord zouden gaan dat ‘Palestina’ een land wordt met een Joodse meerderheid.” Maar zelfs hij verwierp het idee om Arabieren te verdrijven en hield vast aan een volwaardige rechtspositie voor hen in een toekomstige Joodse staat.

Deze dialectiek bereikte zijn hoogtepunt in november 1947, toen de Verenigde Naties een verdelingsplan aannamen dat vandaag de dag een tweestatenoplossing zou worden genoemd. Met andere woorden, het reikte de Palestijnen een staat op een zilveren dienblad aan. Zionisten verheugden zich maar Palestijnse leiders, de kwaadaardige Husseini voorop, wezen elke oplossing die een Joodse autonomie goedkeurde zurig af. Zij hielden vol alles te willen en dus kregen zij niets. Als zij het VN-plan hadden geaccepteerd, zou Palestina in mei zijn 62-jarige bestaan hebben gevierd. En er zou nooit een Nakba zijn geweest.

Het meest oorspronkelijke deel van Palestine Betrayed  is de helft die een gedetailleerd overzicht bevat van de vlucht van moslims en christenen uit Palestina in de jaren 1947-1949. Hier dwingt Karsh’ onderzoek van de archieven echt respect af en stelt hem in staat om een ongeëvenaard uitgebreid beeld te schetsen van de specifieke omstandigheden van de vlucht van de Arabieren. Een voor een werkt hij de Arabische bevolkingscentra af – Qastel, Deir Yassin, Tiberias, Haifa, Jaffa, Jeruzalem, Safad – waarna hij uitgebreid stil staat bij de dorpen.

Israëls onafhankelijkheidsoorlog is te verdelen in twee delen. Op 29 november 1947 braken binnen enkele uren na de stemming in de Verenigde Naties over de verdeling van Palestina hevige gevechten uit en duurden voort tot aan de vooravond van de Britse evacuatie op 14 mei 1948. Het internationale conflict begon op 15 mei (de dag nadat Israël tot stand kwam), toen de legers van vijf Arabische landen binnenvielen, waarna de vijandigheden aanhielden tot januari 1949. De eerste fase bestond grotendeels uit een guerrillaoorlog, de tweede hoofdzakelijk uit conventionele oorlogvoering. Meer dan de helft (tussen de 300.000 en 340.000) van de 600.000 Arabische vluchtelingen vluchtte voor de Britse evacuatie, en de meesten van hen in de laatste maand.

Palestijnen verlieten onder de meest uiteenlopende omstandigheden en om verschillende redenen het land. Arabische commandanten gaven het bevel dat niet-strijders de weg vrij moesten maken voor militaire manoeuvres; of zij bedreigden treuzelaars te behandelen als verraders als zij bleven; of zij eisten dat dorpen werden geëvacueerd om beter stelling te kunnen nemen op het slagveld; of zij beloofden een veilige terugkeer binnen enkele dagen. Sommige gemeenschappen vluchtten liever dan een vrede te tekenen met de zionisten; in de woorden van Jaffa’s burgemeester: “Ik heb geen bezwaar tegen de verwoesting van Jaffa, als dat ons verzekert van de verwoesting van Tel Aviv.” Handlangers van de moefti vielen Joden aan om vijandigheden uit te lokken. Gezinnen die het zich konden veroorloven ontvluchtten het gevaar. Toen landpachters hoorden dat hun landheren zouden worden gestraft, waren zij bang te worden uitgewezen en lieten uit voorzorg het land achter. Bittere onderlinge vijandschap belemmerde de planning. Tekorten aan voedsel en andere levensbehoeften verbreidden zich. Voorzieningen als waterpompstations werden onbeheerd achtergelaten. Angst voor Arabische schutters verspreidde zich, net als geruchten over zionistische wreedheden.

In slechts één geval (Lydda) verdreven Israëlische troepen Arabieren. De uitzonderlijkheid van deze gebeurtenis dient te worden benadrukt. Karsh licht de gehele eerste fase van de gevechten toe: “Geen van de 170.000-180.000 Arabieren die de stadscentra ontvluchtten, en slechts een handjevol van de 130.000-160.000 dorpelingen die hun huizen verlieten werden door de Joden gedwongen te vertrekken.”

Het Palestijnse leiderschap keurde het terugkeren van de bevolking af, want zij beschouwden dit als een impliciete erkenning van de Israëlische staat in wording. De Israëliërs waren aanvankelijk bereid om de geëvacueerden terug te nemen, maar hun standpunt verhardde daarna toen de oorlog verhevigde. Premier Ben-Gurion lichtte hun standpunt toe op 16 juni 1948: “Dit wordt een oorlog op leven en dood en [de geëvacueerden] mogen niet in staat worden gesteld om terug te keren naar de plaatsen die zij achterlieten… Wij zijn deze oorlog niet begonnen. Zij hebben de oorlog ontketend. Jaffa voerde oorlog tegen ons, Haifa voerde oorlog tegen ons, Beisan voerde oorlog tegen ons. En ik wil niet dat zij nog eens oorlog voeren.”

Alles bij elkaar optellend, licht Karsh toe, “waren het de handelingen van de Arabische leiders die honderdduizenden Palestijnen tot ballingschap veroordeelden.”

In dit boek toont Karsh twee zeer belangrijke feiten aan: dat de Arabieren de Palestijnse staat lieten mislukken en dat zij de Nakba hebben veroorzaakt. Terwijl hij dit doet, bevestigt hij zijn status als een van de meest uitmuntende historici van het moderne Midden-Oosten die tegenwoordig publiceert en bouwt hij voort op de argumenten uit drie van zijn eerdere boeken. Zijn magnum opus, Empires of the Sand: The Struggle for Mastery in the Middle East, 1789-1923 (samen met Inari Karsh, 1999), betoogt dat Midden-Oosterlingen niet, zoals vaak gedacht wordt, “ongelukkige slachtoffers van roofzuchtige imperiale machten waren, maar actieve participanten in de herstructurering van hun regio”, een omwenteling met enorme politieke implicaties. Palestine Betrayed past de stelling van dat boek toe op het Israëlisch-Arabische conflict, waarbij Palestijnen de mogelijkheid wordt ontnomen zich te verschuilen achter uitvluchten en slachtofferschap, terwijl juist wordt aangetoond dat zij metterdaad, zij het mogelijk op grond van dwalingen, zelf hun lot hebben gekozen.

In Fabricating Israeli History: The New Historians (1997) ontmaskert Karsh het broddelwerk, en zelfs het bedrog, van de school van Israëlische historici die de Joodse staat de schuld geven van het Palestijnse vluchtelingenproblemen van 1948-1949. Palestine Betrayed  biedt de keerzijde van het verhaal; waar het eerdere boek fouten weerlegt, toont dit boek waarheden aan. Ten slotte, in Islamic Imperialism: A History (2006) laat hij de expansionistische kern van het islamitische geloof zien zoals die zich door de eeuwen heen heeft gemanifesteerd; hier verkent hij die veroveringsdrift onder Palestijnen tot in de kleinste details, waarbij hij een verband legt tussen de islamitische mentaliteit en superioriteitswaan en de onwil om praktische compromissen te sluiten aangaande de Joodse soevereiniteit.

Palestine Betrayed plaatst het Israëlisch-Arabische debat in een nieuw kader door dit in de juiste historische context te plaatsen. Terwijl hij aantoont dat de Palestijnse politieke elite al 90 jaar ervoor kiest om “de Joodse nationale wedergeboorte af te wijzen en [vast te houden aan] de noodzaak van de gewelddadige vernietiging daarvan”, trekt Karsh terecht te conclusie dat het conflict alleen zal eindigen indien de Palestijnen hun “genocidale hoop” opgeven.

Bronnen: Palestine Betrayed door Efraim Karsh Reviewed by Daniel Pipes National Review van 11-17 mei 2010, vertaald door Clark Kent; eveneens verschenen in Het Vrije Volk:: Palestina verraden DANIEL PIPES – 11 MEI 2010

Amerikaans-Israëlische betrekkingen, de ergste crisis in 35 jaar?

“En de naties van de wereld stonden op tegen Jeruzalem. En bedreigden de kinderen van Israël.”

“Ben je weer hardop uit de Bijbel aan het citeren?!”

“Nee schatje.”

“Ik las gewoon het nieuws voor uit de krant!”

Dry Bones Golden Oldie van 20 jaar geleden: ‘Latest News‘ laat zien dat er enkele millennia later nog nog altijd niks is veranderd. De soevereiniteit van Jeruzalem als de hoofdstad van de Joodse staat, loopt nog altijd gebukt onder mondiale bedreiging. Van de Amerikanen mogen de Joden niet eens meer Joodse huizen bouwen in Jeruzalem, de 3000 jaar oude hoofdstad van het Joodse volk.

Moet het Joodse Kwartier in de Oude Stad gelegen in wat Israëlbashers tegen beter weten in 'Oost-Jeruzalem' blijven noemen, terugkomen onder de islamistische sloophamer van de Arabieren?

Zowel Amerikanen als Europeanen willen Jeruzalem’s Oude Stad, inclusief het Joodse Kwartier, de Klaagmuur, de Joodse Begraafplaats, de Hof van Olijven,  de Scopusberg en zoveel andere beroemde Joodse en Christelijke heiligdommen wegschenken aan de Arabische islamisten van Hamas en al-Fatah in ruil voor wat? Na negentien jaar [1948-1967] van verwaarlozing, plundering, ontwijding en vernieling van alles wat niet tot de islam behoorde in het oostelijke stadsdeel van Jeruzalem, willen zij de Oude Stad van Jeruzalem – de navel van de wereld – terug aan de barbaren geven. Of hoe noem je anders iemand die de  grafzerken van een ander volk negentien jaar lang gebruikt als urinoir? Als dat maar goed afloopt…

De ergste crisis in 35 jaar?

door Daniel Pipes

Oppervlakkig bekeken lijkt het erop alsof de regering van Barack Obama op een mooie dag besloot om de strijd aan te gaan met de regering van Israël en dat dit lijkt uit te draaien op een regelrechte ramp voor de Joodse staat. Kan er iets nog erger zijn dan dat haar belangrijkste bondgenoot de ergste crisis uitlokt (toch volgens de Israëlische ambassadeur te Washington) sinds 1975?

Echter, bij nader inzien lijkt het erop dat deze kleine gratuite smet [op de Amerikaans-Israëlische betrekkingen] uiteindelijk beter voor Jeruzalem zal uitdraaien dan voor het Witte Huis.

  • (1) Het gaat hier niet om een kwestie van leven of dood, zoals de opbouw van de nucleaire dreiging vanuit Iran of het recht van Israël om zich te verdedigen tegen het roofzuchtige Hamas, maar omtrent de trivialiteit van het tijdstip waarop het besluit bekend raakte tot het bouwen van nieuwe woningen in de hoofdstad van Israël. Verstandiger mensen zullen er bij de amateurs in het Witte Huis wel op aandringen dat aan deze storm in een glas water spoedig een einde komt en wordt teruggekeerd naar normale verhoudingen.
  • (2) Als Obama en zijn getrouwen hopen de regering van premier Benjamin Netanjahoe [op deze wijze] ten val te brengen [en een nieuw kabinet te vormen met de Kadimapartij van Tzipi Livni en Ehud Olmert], kunnen zij de zetels niet tellen in de Knesset. Als zij de Arbeidspartij wegdenken uit het kabinet, zal dat enkel leiden tot vervanging ervan door rechtse partijen.
  • (3) Een Israëlische consensus bestaat erin om de soevereiniteit over Oost-Jeruzalem te handhaven dus, een crisis uitlokken over deze kwestie zal de positie van Netanjahoe alleen maar versterken.
  • (4) En integendeel, het slechte acteerwerk van de Amerikanen zorgt ervoor dat president Mahmoud Abbas van de Palestijnse Autoriteit steeds meer geneigd is om mee te gaan in de contraproductieve onderhandelingen van Washington.
  • (5) Een recente opiniepeiling onder de Amerikaanse kiezers laat een verbazingwekkende score zien van 8 tegen 1 in sympathie voor Israël ten nadele van de Palestijnen.  Dus het kiezen van ruzie maken met Israël schaadt de politiek van Obama – precies wat een president wiens populariteit in de peilingen in vrije val is kan missen als kiespijn net op het ogenblik dat hij een zesde van de Amerikaanse economie wil hervormen.

Bronnen: Daniel Pipes: The Worst Crisis in 35 Years? door Daniel Pipes van 17 maart 2010; The Atlantic: What Obama is Actually Trying to Do in Israel van 16 maart 2010

Voor het laatste nieuws uit niqab- en boerkaland: De gesluierde dreiging ontsluierd

Een Afghaanse soldaat staat bij een boerka die door een zelfmoordenaar van de Taliban werd gebruikt om een aanslag te plegen op overheidsgebouwen in de provincie Paktia

Een Afghaanse soldaat staat bij een boerka die door een mannelijke zelfmoordenaar van de Taliban werd gebruikt om een aanslag te plegen op overheidsgebouwen in de provincie Paktia

Niqabs and Burqas – The Veiled Threat Continues

door Daniel Pipes

Ter herinnering: beide kledingstukken zijn ontworpen om de bescheidenheid van islamitische vrouwen te bewaren; de niqab bedekt alles behalve de ogen maar de boerka bedekt alles, ook het gehele gezicht en de ogen. In “Ban de boerka – en de niqab ook,” heb ik twee jaar geleden gedocumenteerd hoe deze twee kledingstukken een criminele en terroristische bedreiging vormen.

Is dat nu nog steeds het geval?

Criminaliteit

Jordanië biedt een kijkje in de mogelijkheden voor niqabs en boerkas als illegale accessoires: Een Jordaans nieuwsbericht verhaalt hoe de afgelopen twee jaren meer dan 50 mensen 170 misdaden begingen gehuld in islamitische kledingstukken, of ongeveer één incident om de vier dagen, een misdaadgolf die sommige Jordaniërs ertoe heeft aangezet op te roepen tot het beperken of zelfs een totaal verbod op te leggen op het dragen van deze islamitische hoofddoeken. Geen enkel ander land kent bijna zo veel hoofddoeken-gerelateerde misdrijven, maar ook in Philadelphia in Pennsylvania (VS) werden meerdere diefstallen gepleegd (op 3 banken en 1 leasing vastgoed kantoor) in een periode van zestien maanden tussen 2007 en 2008, waaronder de moord op een politieagent.

Sultaana Freeman wilde in Florida (VS) in niqab op haar rijbewijs staan maar de rechter in Orlando zei nee

Sultaana Freeman wilde in Florida (VS) in niqab op haar rijbewijs staan maar de rechter in Orlando zei nee

Het Verenigd Koninkrijk heeft in het Westen het tweede slechtste record. Juwelierswinkels – sommige eigendom van moslims – werden het doelwit in de West Midlands, Glasgow en in Oxfordshire. Twee reisbureaus werden aangevallen in de aangrenzende steden van Luton en Dunstable, terwijl een chauffeur van een gepantserde vrachtwagen werd aangevallen in Birmingham. Diefstal is niet het enige motief; tieners in Londen gebruikten de niqab-stijl om hun gezicht af te dekken om een jongere jongen neer te steken.

Andere criminele feiten in het Westen werden gepleegd door Oost-Europese zakkenrollers die islamitische hoofddeksels droegen in Rotterdam en een gewapende overval op de People’s Bank in Hiddenite, North Carolina (VS) werd uitgevoerd met iemand met een bordeauxrode boerka. De man die Elizabeth Smart (14 jaar) in Salt Lake City ontvoerde, dwong haar een niqab-achtig kledingstuk te dragen dat haar gezicht negen maandenlang verborg zodat ze door niemand kon herkend worden. Als antwoord op deze ‘gesluierde misdaadgolf’ hebben banken, kredietkantoren, juwelierszaken, scholen en universiteiten de toegang beperkt aan personen met een hoofddoek. Zo verwijst bijvoorbeeld de Carolina Federal Credit Union bank van Cherryville (niet zo ver van Hiddenite) iedereen die een hoed, zonnebril of hoofddoek draagt, naar een aparte ingang waar speciale veiligheidsmaatregelen worden toegepast.

Terrorisme

Het terrorisme van de Taliban gerelateerd aan de boerka, vaak een variant op het zelfmoorden, heeft van Afghanistan in de huidige wereld het epicentrum van deze tactiek gemaakt. Bij twee gelegenheden konden de autoriteiten would-be zelfmoordenaars op tijd afstoppen voordat ze konden handelen: een Russische man die zich bekeerd had tot de Islam, werd in de Afghaanse provincie Paktia opgepakt met 500 kilo explosieven in zijn auto en een andere Afghaanse vrouw verborg een bom onder haar boerka in Jalalabad. Meestal echter worden de gewelddadige bedoelingen – die schuilgaan achter de boerka – pas duidelijk op het allerlaatste ogenblik wanneer de aanval begint:

  • Een commandant van de Taliban, Haji Yakub, werd in boerkakledij gedood toen hij uit een huis in de provincie Ghazni trachtte te ontkomen tijdens een aanval op de Amerikaanse strijdkrachten.
  • Een militant van de Taliban, Mullah Khalid, viel in boerka outfit een politiepatrouille aan in een druk bezochte openbare markt in de provincie Farah, waarbij minstens 12 mensen (7 politieagenten en 5 burgers) werden gedood.
  • Een zelfmoordbommenlegger in de provincie Helmand vermoordde een Pashtu-sprekende Britse soldaat vooraleer hij konden worden uitgeschakeld met een schot in het voorhoofd.
  • Ongeveer vijftien zelfmoordbommenleggers in boerka outfit, gewapend met zelfmoordjackets, Kalashnikov machinegeweren en granaatlanceerders, vielen regeringsgebouwen aan in de provincie Paktia en vermoordden 12 personen.
Pakistan: Een zelfmoordenaar die een riksja bestuurde en in boerka outfit vermoordde 15 mensen

Pakistan: Een zelfmoordenaar die een riksja bestuurde en in boerka outfit vermoordde 15 mensen

Irak kreeg te maken met drie van dergelijke incidenten (een mannelijke terrorist vermomd als een zwangere vrouw, een poging tot moord op een gouverneur en twee zelfmoordaanslagen met 22 doden gepleegd door sjiitische pelgrims), terwijl Pakistan er twee mocht ondervinden (waarvan één terrorist die opereerde vanuit een riksja en daarbij 15 mensen doodde). De aanval op het hotel in Moembai (Bombay/Indië) kostte aan bijna 200 mensen het leven waaronder een mysterieuze vrouw in een boerka. Elders vonden incidenten plaats bij een aanval op Franse toeristen tijdens een picknick in Mauritanië en een aanslag met een molotovcocktail in Bahrein.

Oh, van de zonnige kant bekeken, wist Herve Jaubert, een Fransman die valselijk beschuldigd werd van het verduisteren van 3,8 miljoen dollar, Dubai te ontsnappen door een niqab over zich heen te trekken.

Als bijkomend argument om de niqab en boerka te verbieden, zijn er recent nieuwe wetenschappelijke studies in Engeland en Ierland verschenen, die aantonen dat vrouwen (en ook hun kinderen via de borstvoeding) die hun lichaam helemaal bedekken, sneller de neiging hebben om rachitis ziekte te krijgen als gevolg van een tekort aan vitamine D die door de huid uit het zonlicht wordt geabsorbeerd.

Al eerder heb ik gepleit voor een verbod van deze “afschuwelijke, ongezonde, a-sociale, terrorisme- en crimineelvriendelijke kleding” op openbare plaatsen. Nu dat ik wordt bijgetreden door geërgerde Jordaniërs, herhaal ik die oproep. De Islam schrijft nergens voor dat vrouwen de niqab en/of de boerka moeten dragen, terwijl het publiek nadrukkelijk een verbod eist op het dragen ervan in het openbaar. Hoeveel gevallen van diefstal en terrorisme moeten er nog eerst gebeuren vooraleer deze vernauwing van het gezond verstand in Afghanistan en Jordanië wordt toegepast naar het Verenigd Koninkrijk en Philadelphia? (Voor meer details over al deze kwesties, zie mijn weblog item, “De niqab en boerka als bedreiging voor de veiligheid.”)

Bronnen: Jerusalem Post: Niqabs and Burqas – The Veiled Threat Continues door Daniel Pipes van 2 september 2009, vrij vertaald door Brabosh op 25 oktober 2009; The National: Crime wave by men wearing the khimar door Suha Philip Ma’ayeh van 3 augustus 2009; Het Nieuwsblad: Mannelijke agent mag vrouw in boerka niet meer controleren van 1 augustus 2009; De Standaard: Man mag vrouw in boerka niet controleren van 1 augustus 2009; lees meer op Brabosh: Senator Christine Defraigne wil boerka in België bij wet laten verbieden van 3 september 2009; CD&V wil nationaal verbod op de boerka in België van 1 augustus 2009; Hamas voert stapsgewijs de sharia in in de Gazastrook van 27 juli 2009; Lachen met de boerka van 16 juli 2009; ‘Schat, wat trek ik vandaag aan: een hijab, chador, niqab of een boerka?’ van 13 juli 2009; Gaza: vrouw beschuldigd van het lachen in het openbaar en zwemmen zonder hoofddoek van 7 juli 2009; Met de boerka op vakantie naar het Midden-Oosten van 6 juli 2009; Al-Qaeda bezweert Frankrijk een eventueel verbod op de boerka te zullen wreken van 1 juli 2009; De malaise van de multiculturaliteit van 29 juni 2009; Hoofddoekendebat laait opnieuw op in Antwerpen van 25 juni 2009; Franse president Sarkozy bindt de strijd aan tegen de boerka van 23 juni 2009; Het geloof als een uiting van angst van 17 juni 2009; Een ontnuchterend beeld over de geruisloze verspreiding van de islam in de wereld van 4 mei 2009; Het verschil tussen mannen en vrouwen, ‘uitgelegd’ door Sheik Jassem Al-Mutawa van 14 april 2009;

Army of Shadows: Hoe Palestijnen de Joden hielpen bij de stichting van de Israëlische staat

army

De Palestijnen hebben zo luid en bijna een eeuw lang het Zionisme afgewezen dat de meeste waarnemers ervan overtuigd zijn dat de Grootmoefti van Jeruzalem Haj Amin al-Hoesseini, Yasser Arafat en Hamas voluit gesteund werden door het ganse Palestijnse volk. Nee, integendeel: regelmatige gehouden opiniepeilingen tonen aan dat een substantiële minderheid van de Palestijnen, ongeveer 20 procent, bereid is om samen zij-aan-zij te leven binnen de Joodse staat. Hoewel deze minderheid het nooit voor het zeggen had en haar stem altijd begraven werd onder afwijzend getier, heeft Hillel Cohen van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem haar verrassend cruciale rol in de geschiedenis blootgelegd.

Hij verkent dit onderwerp in de pre-staat periode in Army of Shadows: Palestinian Collaboration with Zionism (Het Schaduwleger: Palestijnse Samenwerking met zionisme, 1917-1948), vertaald door Haim Watzman, Universiteit van California Press. Dezelfde schrijver, vertaler en uitgeverij zijn momenteel druk bezig met een vervolgdeel: Good Arabs: The Israeli Security Agencies and the Israeli Arabs, 1948–1967 (Goede Arabieren: De Israëlische veiligheidsdiensten en de Israëlische Arabieren, 1948-1967), dat in 2010 zal verschijnen.

In Army of Shadows, beschrijft Cohen de vele rollen die inschikkelijke Palestijnen speelden voor de Yishoef, de naam van de Joodse gemeenschap in het Heilige Land voor de onafhankelijkheid. Zij verschaften arbeid, bedreven handel, verkochten land, handelden in wapens, overhandigden staats activa, voorzagen de veiligheidsdienst van inlichtingen over vijandelijke troepenbewegingen, verspreiden geruchten en zaaiden onenigheid, overtuigden mede-Palestijnen om zich over te geven, vochten tegen de vijanden van de Yishoef en opereerden zelfs achter de vijandelijke linies. Zo groot was hun alsmaar groeiende hulp, dat men zich kan afvragen of de staat Israël wel had kunnen ontstaan zonder hun bijdrage.

De absolute afwijzing van het Zionisme door Groot-Moeftie Al Hoesseini was bedoeld om de Palestijnse bevolking in haar geheel sterker te maken maar oogste het tegenovergestelde effect. De zelfzuchtige kliek rond Hoesseini, het extremisme en het voortdurende geweld, ondermijnde de onderlinge solidariteit: het gebruik van opruiende giftige taal en moorddadige tactiek waarbij onder meer de jihad werd uitgesproken tegen iemand die de moefti weigerde te gehoorzamen en aldus meer dan de helft van de Palestijnse bevolking als ‘verraders’ demoniseerde, duwde vele gematigde Palestijnen en zelfs ganse gemeenschappen (onder andere de Druzen) naar het kamp van de Zionisten.

Berlijn, 25 november 1941. Groot-Moefti van Palestina Amin Al-Hoesseini op bezoek bij Adolf Hitler. Al-Hoesseini over die alliance met de Führer: "Onze belangrijkste voorwaarde om samen te werken met Duitsland was vrij spel te verkrijgen zodat we in Palestina en de Arabische wereld tot de laatste Jood konden uitroeien."

Berlijn, 25 november 1941. Groot-Moefti van Jeruzalem Amin Al-Hoesseini op bezoek bij Adolf Hitler. Al-Hoesseini over die alliance met de Führer: "Onze belangrijkste voorwaarde om samen te werken met Duitsland was vrij spel te verkrijgen zodat we in Palestina en de Arabische wereld tot de laatste Jood konden uitroeien."

Als gevolg daarvan, schrijft Cohen,  dat “naarmate de tijd verstreek,  een groeiend aantal Arabieren de ‘rejectionisten’ de rug toekeerden en directe hulp boden aan de Britten of zionisten.” Hij noemt de samenwerking met het zionisme “niet alleen alledaags maar een centraal gegeven binnen de Palestijnse samenleving en politiek.” Niemand voor Cohen heeft dit deel van de geschiedenis ooit op deze wijze begrepen.

Hij onderscheidt een breed scala van motieven aan de kant de Palestijnse bondgenoten van de Yishoef: economisch gewin, klasse of stammen belangen, nationalistische ambities, angst of haat voor de Hoesseini factie, persoonlijke ethiek, nabuurschap of individuele vriendschapsbanden. Tegenover iedereen die deze individuelen ‘collaborateurs’ of zelfs ‘verraders’ zou willen noemen, voert hij aan dat zij de situatie beter begrepen dan de sluwe Hoesseini en de rejectionisten: meegaanders en opportunisten beseften al vroeg dat het zionistische project te sterk was om weerstand te bieden en dat pogingen daartoe zouden leiden tot vernietiging en ballingschap, zodat ze er vrede mee namen.

Tegen 1941 had de inlichtingendienst geavanceerde methoden ontwikkeld, die elk contact met de Palestijnen gebruikten om voor dat doel informatie te vergaren. In Army of Shadows benadrukt Cohen de voortschrijdende sociale ontwikkeling binnen de Yishoef die, door Cohen aangeduid als de “diep doorgedrongen intelligentia van de Palestijns-Arabische samenleving,” een eenrichtingsverkeer was – de Palestijnen vonden namelijk geen antwoord om anders te reageren en drongen de Joodse samenleving binnen.

Vrouwelijke soldaat, militielid van de Haganah - de directe voorloper van het huidige Israëlische leger - hier tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog in 1948

Vrouwelijke soldaat, militielid van de Haganah - de directe voorloper van het huidige Israëlische leger - hier tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog in 1948

Samen met de ontwikkeling van een militaire macht (de Haganah), een moderne economische infrastructuur en een democratisch staatsbestel, behoort de infiltratie van de Palestijnse levenswijze [in de Yishoef] tot een van de belangrijkste verwezenlijkingen van het zionisme. Het betekende dat, terwijl zionisten zich verenigden en in het offensief gingen, “de Palestijnse gemeenschap meer bezig was met interne strijd en aldus niet in staat bleek te mobiliseren en zich te verenigen achter een leiderschap.”

Cohen blijft bescheiden over de implicaties van zijn onderzoek, meer in het bijzonder m.b.t. het argument dat de Palestijnse bijstand niet ‘de belangrijkste oorzaak’ was van de Arabische nederlaag in 1948-49. Cohen blijft over de ganse lijn eerlijk, maar toch kan niemand naast de bewijzen kijken die hij aanbrengt en de cruciale rol aan het licht brengt die deze [Palestijns-Arabische] bijdrage heeft gespeeld, die onmiskenbaar mede aan de basis lag tot het succes van de zionistische onderneming tijdens de moeilijke beginjaren van haar bestaan.

Allemaal zeer interessant, terwijl die Palestijns-Arabische bijstand tot op vandaag erg belangrijk blijft voor het Israëlische leger (hoe anders zou het IDF zoveel terroristische pogingen kunnen verijdelen op de Westelijke Jordaanoever?), zet de staat Israël veel meer middelen in dan de Yishoef, waardoor de Palestijnse bijstand tegenwoordig veel minder dan vroeger een centrale rol speelt.

Cohen bevestigt ook het belangrijkste feit, namelijk dat niet alle Palestijnen de vijanden van Israël zijn- iets wat we moeten blijven onthouden en opslagen voor meer recente tijden. Dit feit geeft reden tot hoop; inderdaad, indien de 20 procent van de Palestijnen die Israël accepteren, kunnen worden uitgebreid tot 60 procent, zou het Arabisch-Israëlisch kunnen opdrogen. Een dergelijke Palestijnse verandering vanuit het hart – en zonder herhaalde ‘pijnlijke concessies’ door Israël – zou het doel moeten zijn van elke kandidaat-vredestichter.

v r e d e

v r e d e


Bron: Daniel Pipes org: Palestinians Who Helped Create Israel door Daniel Pipes van 26 maart 2009; vrij vertaald door Brabosh op 28 maart 2009