Dagelijks archief: 10 maart 2010
Merkwaardig toeval: Israëlische helden waren geen onbekenden voor elkaar
Videobeelden hoe een Arabische terrorist in de bulldozer werd uitgeschakeld door Israëliër. Beelden werden uit verschillende hoeken geschoten. Waarschuwing: niet voor gevoelige kijkers.
Merkwaardig toeval: Israëlische helden waren geen onbekenden voor elkaar
- David Shapira was een toevallige voorbijganger die samen met Yitzhak Dadon een terrorist van de Merkaz HaRav massacre neerschoot in Jeruzalem in de nacht van 6 maart 2008. Alaa Abu Dhein, een Arabische bouwvakker uit Jabel Mukaber – Oost-Jeruzalem, betrad met een geweer de Joodse school en vermoordde ter plaatse acht studenten en verwondde vijftien anderen.
- Moshe Plesser, de voorbijganger die de eerste bulldozer terrorist in Jerusalem op 2 juli 2008 doodschoot, is de schoonbroer van David Shapira. De aanval met een bulldozer in Jeruzalem van 2 juli 2008 werd veroorzaakt door een Arabische resident Hussam Taysir Duwait toen hij met zijn bulldozer een aanval deed op wagens op de de Jaffa Road en doodde daarbij drie mensen en verwondde nog eens een dertigtal voetgangers. De 19-jarige soldaat, Moshe Plesser, sprong bovenop de rijdende tractor, greep het pistool van een politieman in burger in shell-shock en schoot de terrorist ter plaatse dood. “Op zeker ogenblik riep hij uit, ‘Allahu Akbar,’ en trapte op het gaspedaal,” vertelde Moshe later aan de Jerusalem Post. “Ik trok het wapen van de burger die bij me was en schoot de terrorist drie keer door het hoofd. Ik denk dat iedereen dit verwacht van elke soldaat en burger.”
- Yakki Asa-el, een voorbijganger die de tweede bulldozer terrorist doodschoot in Jerusalem op 22 juli 2008, was de leraar van Moshe Plesser op de Jeshiva Hoge School. Op 22 juli ramde een Arabische inwoner uit het oostelijk deel van Jeruzalem, Ghassan Abu Tir, met zijn bulldozer in op wagens en een bus in de Koning Davidstraat van Jerzualem. Hij verwondde 24 mensen en vernietigde een autocar en vijf auto’s vooraleer hij werd doodgeschoten door een moto rijder (Yakki Asa-el) en een politieagent. De aanval werd gezien als een copycat aanval van de aanslag van 2 juli 2008. Beide Palestijnse ‘vrijheidstrijders’ waren afkomstig uit Oost-Jeruzalem en werkten in de bouw in West-Jeruzalem.
- En Elad Amar, die de terrorist neerschoot tijdens de terroristishe aanslag van 22 september 2008, diende als paracommando in de eenheid onder het bevel van David Shapira. Op 22 september 2008 beukte een Arabier uit oostelijk Jeruzalem in de stad met zijn zware BMW in een groep Israëlische soldaten die op dat ogenblik vrij van dienst waren. 19 van hen werden zwaar gewond.
- Donderdag 5 maart 2009: Voor de derde maal op een jaar tijd zaaide een Arabische bouwvakker, Marei Radaydeh, achter het stuur van een bulldozer, dood en vernieling in Israël. Gelukkig werden maar een klein aantal mensen verwond. Een tractor ramde eerst een politiewagen op de Menachem Begin Boulevard in Jeruzalem. Daarna trachtte de moordenaar nog een autobus te rammen maar miste die op een haar na. Twee politieofficieren werden gewond. Zowel een taxichauffeur die getuige was van de aanslag en enkele politieagenten, openden het vuur op de terrorist die later aan zijn verwondingen bezweek in het Hadassah Ein Kerem Hospitaal van Jerusalem. In de cabine van de tractor vonden de agenten een geopende Koran. Door jarenlange indoctrinatie, al van in de wieg en later verder van op de schoolbanken, worden jonge Palestijnen gebrainwashed met antisemitische propaganda, doorspekt met een flinke portie religieuze Jihad nonsens vanuit de radicale islam, waardoor de dood voor hen letterlijk ‘bevrijding’ betekent.

Het bizarre ‘erfrecht’ op terugkeer voor Palestijnse vluchtelingen, obstakel voor de vrede
Volgens de ideologische vijanden van de Joodse staat verdreven Joodse/Israelische strijdkrachten tijdens de oorlog van 1948 op rücksichtsloze wijze en volgens een vooropgezet plan vele honderdduizenden Palestijnse Arabieren uit hun woonplaatsen in de landstrook tussen de Middellandse Zee en de Jordaanrivier. Maar er klinken steeds vaker Palestijns-Arabische stemmen die het tegendeel beweren.
Hebron, april 2009. Palestijnse Arabier wordt opgehangen als straf voor het verkopen van grond aan een Israëlische onderneming
In de redenering van Israëls ideologische vijanden, ook die hier in Nederland, werd het Palestijns-Arabische vluchtelingenvraagstuk willens en wetens door Israël veroorzaakt en zou het (dus) ook door Israël moeten worden ‘opgelost’. De schattingen van het aantal Palestijns-Arabische vluchtelingen van 1948 lopen uiteen van 600 duizend tot 720 duizend. Al hun nakomelingen kregen en krijgen door de Verenigde Naties automatisch het vluchtelingenschap ‘toebedeeld’.
Op basis van dit bizarre ‘erfrecht’, dat voor geen enkele andere vluchtelingenpopulatie op deze wereld geldt, werd het Palestijns-Arabische vluchtelingenvraagstuk door de decennia heen kunstmatig in stand gehouden. Zodoende kon het dienen als obstructiemiddel tegen een vreedzame oplossing van het Arabisch-Israëlisch conflict en als (recruterings) basis voor politieke agitatie en terroristisch geweld tegen Israël.
De instandhouding van het vraagstuk vernietigde bovendien het toekomstperspectief van honderdduizenden Palestijnse Arabieren, die zonder ontsnappingskans tot een eindeloos vluchtelingschap werden veroordeeld en die in ellendige omstandigheden als kansloze uitkeringstrekkers werden gehospitaliseerd. Dat lot treft niet alleen de Palestijnse Arabieren die in vluchtelingenkampen (in de praktijk uitgegroeid tot – meestal armoedige – woonwijken) in Libanon, Syrië en Jordanië verblijven, maar ook hen die in ‘kampen’ onder het regime van Hamas en de Palestijnse Autoriteit verblijven.
Inmiddels wordt door miljoenen ‘Palestijnse Arabieren in den vreemde’ aanspraak gemaakt op een ‘recht op terugkeer’: naar de sinds 1948 Israëlische gebieden waar hun voorouders vroeger gewoond hebben. Toekenning van dat ‘recht’ zou echter neerkomen op de vernietiging van de Joodse staat langs demografische weg. Kennelijk om die reden worden de kansloze Palestijns-Arabische aanspraken op collectieve ‘terugkeer’ nog steeds in woord en daad gesteund door de ideologische vijanden van Israël, waaronder die in Nederland. Daardoor blijven valse dromen gekoesterd en worden de kansen op een duurzame vrede verder ondermijnd.
Etnische zuiveringen
Afbeelding rechts: ‘Wij zullen terugkeren’ – Israël als doelwit van een niet bestaand ‘recht op terugkeer’. De foto werd gemaakt bij de ingang van een Palestijns-Arabisch vluchtelingen’kamp’ nabij de Jordaanse hoofdstad Amman. Jordanië maakte tot 1946 onderdeel uit van het mandaatgebied Palestina. Palestijns-Arabische vluchtelingen die in en na 1948 in Jordanië terechtkwamen, of die in de door Jordanië bezette gebieden ten westen van de Jordaan woonden, ontvingen het Jordaanse staatsburgerschap. Desondanks kunnen de Palestijns-Arabische vluchtelingen en ontheemden van 1948 en al hun nakomelingen aanspraak maken op de vluchtelingenstatus.
Het Palestijns-Arabische vluchtelingenvraagstuk heeft in aanleg een duidelijke oorzaak-en-gevolg-structuur. De ideologische vijanden van Israel laten echter liever ongenoemd dat de piepjonge Joodse staat zich in de oorlog van 1948-49 moest verdedigen tegen de binnenvallende legers van vijf Arabische landen plus een groot aantal achter de frontlijnen opererende Palestijns-Arabische milities. De verklaarde intentie van deze agressie was de vernietiging van de Joodse staat. Niets meer en niets minder.
De secretaris-generaal van de Arabische Liga, Azzam Pasha, verklaarde in een radiouitzending: “Dit wordt een uitroeiingsoorlog en een gedenkwaardige slachtpartij, waarover zal worden gesproken als over de Mongoolse slachtpartij en de kruistochten”.
Tijdens de vijandelijkheden ontvluchtten zowel Palestijns-Arabische als Palestijns-Joodse burgers het conflictgebied en werden zowel groepen Palestijnse Arabieren als Palestijnse Joden door de tegenpartij uit hun woonplaatsen verdreven. Zo werden bijvoorbeeld de Joodse wijk van de Oude Stad van Jeruzalem en de Joodse dorpen in het nabij Jeruzalem gelegen zogenoemde Etzion-blok etnisch gezuiverd door het Jordaanse Legioen.

Omstreden boek van Ilan Pappé
Een belangrijk deel van de Palestijns-Arabische vluchtelingen vluchtte echter niet voor het oorlogsgeweld of als gevolg van gerichte Israëlische acties, maar pakte de biezen omdat Arabische leiders daartoe oproepen deden. Bewijzen daarvan circuleren al sinds de oorlog zelf, maar werden en worden door de ideologische vijanden van de Joodse staat steevast afgedaan als zionistische en/of Israëlische propaganda.
Een belangrijke bron voor hen was de afgelopen jaren het boek ‘De etnische zuivering van Palestina’ (2007), van de omstreden en in academisch opzicht in diskrediet gebrachte Israëlische historicus Ilan Pappé. Ook Palestijns-Arabische organisaties, waaronder de Palestijnse Autoriteit, hebben naar buiten toe steeds de valse beschuldiging uitgedragen dat de jonge staat Israel in 1948 ten aanzien van de Arabieren in het conflictgebied een misdadige verdrijvingspolitiek heeft gevoerd.
Maar kennelijk kan men in eigen kring het deksel niet eindeloos op de doos met de waarheid houden. In de afgelopen jaren hebben in Palestijns-Arabische media regelmatig stemmen geklonken die niet alleen verklaren dat Arabische leiders de Palestijns-Arabische bevolking destijds hebben aangespoord tot vertrek, maar ook dat op grote schaal aan die oproepen gehoor werd gegeven.
Ilan Pappé (Hebreeuws: אילן פפה) (1954) is professor voor Geschiedenis aan de Britse Universiteit van Exeter. Hij is geboren in Israël en was lector in de politieke wetenschappen aan de Universiteit van Haifa van 1984 tot 2007. Pappé wordt gezien als een van de Nieuwe Historici, die kritisch kijken naar Zionistische verhalen en Israël’s geschiedenis. Hij verdedigt het Palestijnse verhaal en de analyse van de gebeurtenissen na de oorlog van 1948. In het bijzonder hangt hij de these aan dat de Palestijnen bewust verdreven werden door Jisjoev en later de Israëlische troepen, als onderdeel van een zelfs al voor de oorlog opgestelde plan.
Vanuit diverse hoeken is er scherpe kritiek op Pappé en zijn manier van werken. Zelf stelt hij dat ideologie belangrijker is dan feiten en dat zijn doel is zoveel mogelijk mensen te overtuigen dat zijn visie de juiste is ongeacht wat de feitelijkheden zijn. Pappé heeft hierop geantwoord dat zowel zijn boek als het boek van Morris fouten bevat en hij beticht op zijn beurt Morris van leugens. In april 2009 verscheen voor het eerst ook een kritisch artikel over Ilan Pappé in Joods Actueel. Daarbij werden nieuwe feiten aan het licht gebracht die de ongeloofwaardigheid van Ilan Pappé ook reeds door verscheidene andere nieuwe historici zoals Benny Morris aangekaart, bevestigen [bron]
Hieronder volgt een kleine bloemlezing, die is ontleend aan research van Palestinian Media Watch. Op de website van deze organisatie zijn ook gefilmde interviews te zien met Palestijnse Arabieren die impliciet verklaren dat de ideologische vijanden van Israël zich aan geschiedvervalsing schuldig maken.
Achterblijvers werden als verraders gezien
Een vluchteling getuigt 1:
Arabische vluchtelingen vertrokken omdat de leiders tijdens de oorlog in 1948 beloofden: “Over een week of twee kunnen jullie terugkeren naar Palestina.”
Deze foto werd een week voor ons vertrek uit Ein Kerem [nabij Jeruzalem] gemaakt, in juni 1948, voor ons huis. De radiozenders van de Arabische regimes bleven herhalen: ‘Ga weg uit de gevechtszones. Het duurt maar tien dagen of maximaal twee weken en dan brengen wij jullie terug naar Ein-Kerem’. En wij zeiden tegen elkaar: ‘Dat is een erg lange tijd […] En nu zijn er vijftig jaar voorbijgegaan’.
(Uit een gefilmd interview met een bejaarde inwoner van een vluchtelingenkamp, Palestijnse tv [onder controle van Fatah], 7 juli 2009.)
De eerste oorlog tussen de Arabieren en Israel was begonnen en het ‘Arabische Reddingsleger’ vertelde de Palestijnen: ‘Wij zijn gekomen om de zionisten en hun staat te liquideren. Verlaat jullie huizen en dorpen, jullie zullen in enkele dagen veilig naar ze kunnen terugkeren. Verlaat ze, omdat wij onze missie zo goed mogelijk kunnen uitvoeren en zodat jullie niet gewond raken.’ Het werd al snel duidelijk, toen het al te laat was, dat de steun van de Arabische staten [tegen Israel] een grote illusie was. Het leek erop of de Arabieren vochten alsof zij de ‘Palestijnse catastrofe’ wilden veroorzaken.
(de Palestijnse journalist Jawad Al-Bashiti in de Palestijnse krant Al-Ayyam van 13 mei 2008.)
In het begin van het jaar van de catastrofe [1948] hoorden wij het geluid van explosies en geweervuur. Zij [de Arabische leiders] vertelden ons dat de Joden onze regio hadden aangevallen en dat het beter was om het dorp te evacueren en na het aflopen van de veldslag terug te keren. En dus waren er onder ons die vertrokken, die een vuur onder de pot lieten branden, die hun [schaaps]kudde achterlieten en die hun geld en goud achterlieten, op basis van de veronderstelling dat wij binnen enkele uren zouden terugkeren.
(Vluchteling Asmaa Jabir Balasimah in de Palestijnse krant Al-Ayyam van 16 mei 2006.)
Vraag van een vluchtelingenzoon aan de Arabische moslimleider Ibrahim Sarsur:
Meneer Ibrahim [Sarsur]: Ik spreek u aan als moslim. Mijn vader en grootvader vertelden mij dat, tijdens de catastrofe [1948], ons districtshoofd een order uitvaardigde dat eenieder die in Palestina en Majdel [het huidige zuiden van Israel] zou achterblijven een verrader is. Hij is een verrader.
Sarsur (toen nog de leider van de islamitische beweging in Israël en thans lid van de Israëlische Knesset):
Degene die hen verbood om daar te blijven draagt daarvoor schuld, in dit leven en in het hiernamaals, tot aan de Dag der Opstanding.
(Discussie op de Palestijnse tv [gecontroleerd door Fatah], 30 april 1999.)
Echo’s van eerdere gedocumenteerde verklaringen
Deze via de Palestijnse media naar buiten gebrachte verhalen sluiten aan op oudere en goed gedocumenteerde verklaringen ter zake, zoals bijvoorbeeld de volgende:
Sinds 1948 hebben wij geëist dat de [Palestijns-Arabische] vluchtelingen naar hun huizen moeten kunnen terugkeren. Maar wijzelf zijn het die hen hebben aangemoedigd te vertrekken.
Een vluchteling getuigt 2
“De Arabische staten vertelden aan de Arabieren dat ze moesten vertrekken en dat het een kwestie is van tien dagen, hooguit twee weken en we brengen jullie terug naar Ein-Kerem.”
(De voormalige Syrische premier Haled al-Azm in zijn memoires).
De vluchtelingen waren ervan overtuigd dat hun afwezigheid niet lang zou duren en dat zij binnen een week of twee zouden kunnen terugkeren. Hun leiders hadden beloofd dat de Arabische legers de ‘zionistische bendes’ snel zouden verpletteren en dat er geen reden was voor paniek of voor angst voor een langdurige ballingschap.
(De Grieks-Orthodoxe bisschop van Galilea, George Hakim, in een interview met de Libanese krant Sada al-Janub van 16 augustus 1948.)

Palestijnen die terug 'naar huis' willen
Niet moet worden vergeten dat het Hoge Arabische Comité de vluchtelingen heeft aangemoedigd hun woningen in Jaffa, Haifa en Jeruzalem te verlaten.
(Uit een radiouitzending van 3 april 1949 van het op Cyprus gevestigde Near East Broadcasting Station.)
De Arabische staten moedigden de Palestijnse Arabieren aan om hun woningen tijdelijk te verlaten teneinde de Arabische invasielegers niet voor de voeten te lopen.
(Uit een artikel in de Jordaanse krant Filistin van 19 februari 1949.)
De Arabische regering zei tegen ons: ‘Ga weg, zodat wij naar binnen kunnen komen. Dus vertrokken wij, maar zij kwamen niet naar binnen.
(Verklaring van een Palestijns-Arabische vluchteling in de Jordaanse krant Ad Difaa van 6 september 1954.)
De secretaris-generaal van de Arabische Liga, Azzam Pasha, verzekerde de Arabische bevolkingen dat de bezetting van Palestina net zo eenvoudig zou zijn als een militaire parade. Hij wees op het feit dat zij [de Arabische legers] al aan de grenzen stonden en dat al de miljoenen die de Joden hadden besteed aan grond en economische ontwikkeling eenvoudig buitgemaakt zouden kunnen worden. Omdat het gemakkelijk zou zijn de Joden in de Middellandse Zee te drijven. Aan de Arabieren van Palestina werd het broederlijke advies gegeven om hun grond, woningen en bezittingen achter te laten en tijdelijk in de aangrenzende broederstaten toevlucht te zoeken, opdat de geweren van de binnenvallende Arabische legers hen niet zouden neermaaien.
(Habib Issa in de in New York verschijnende Libanese krant Al Hoda van 8 juni 1951.)
Bronnen: Cidi.nl: Arabische stemmen over de Palestijnse vluchtelingen door Wim Kortenoeven van 24 februari 2010


Ilan Pappé (Hebreeuws: אילן פפה) (1954) is professor voor Geschiedenis aan de Britse Universiteit van Exeter. Hij is geboren in Israël en was lector in de politieke wetenschappen aan de Universiteit van Haifa van 1984 tot 2007. Pappé wordt gezien als een van de Nieuwe Historici, die kritisch kijken naar Zionistische verhalen en Israël’s geschiedenis. Hij verdedigt het Palestijnse verhaal en de analyse van de gebeurtenissen na de oorlog van 1948. In het bijzonder hangt hij de these aan dat de Palestijnen bewust verdreven werden door Jisjoev en later de Israëlische troepen, als onderdeel van een zelfs al voor de oorlog opgestelde plan. 
















