Dagelijks archief: 6 december 2009

Een goede reden waarom het herenigde Jeruzalem de hoofdstad van Israël is en dat zal blijven…

“Het is onvoorstelbaar om aan de Oude Stad te denken zonder één enkele Jood. Van wanneer was dat geleden? Bijna 800 jaar geleden trof Maïmonides er Joden aan. Van de oude ondergrondse synagoge van Yohanan ben Zakai is bekend dat ze er al bijna 2000 jaar staat: thans, net zoals de Hurvasynagoge, ligt alles in puin. De Joden woonden in de Oude Stad toen de Seljoeken haar veroverden, ze waren er in de tijd van de Kruistochten en toen de Turken ze veroverden. Allenby trof de Joden aan toen hij Jeruzalem veroverde op de Turken. Maar vandaag is geen enkele Jood overgebleven.”

(Harry Levin in ‘Jerusalem Embattled’, 29 mei 1948)

19 jaar lang achter prikkeldraad, van 1948 tot 1967, was Oost-Jeruzalem verboden gebied voor de Joden

In het Verdeelplan van 26 november 1947 [Resolutie 181] zoals dat met een ruime meerderheid werd goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en dat voorzag in een 2-statenoplossing, namelijk de oprichting van een soevereine Joodse staat naast een nieuwe onafhankelijke Arabische staat, werd de aloude Joodse hoofdstad Jeruzalem onder de speciale voogdij van de Verenigde Naties geplaatst.

'Midden'-synagoge in de Oude Stad - verboden gebied voor Joden - de synagoge werd tussen 1948-1967 door de Arabieren gebruikt als geiten- en schapenstal. Foto is van 29 juni 1967, kort na de hereniging van de stad

Het vervolg is bekend: de meeste landen van de Arabische wereld die tegen de 2-statenoplossing hadden gestemd, hadden nog voor Israël de onafhankelijkheid uitriep op 14 mei 1948, opgeroepen tot een oorlog en dreigden ermee de Joodse staat te vernietigen als die zou worden opgericht. De Arabische Opstand van 1936-1939 had er voordien reeds toe geleid dat de Britten gezwicht waren voor druk van de Arabieren en de deur voor Joodse immigratie naar Israël hadden gesloten aan de vooravond van de Holocaust. Slechts met mondjesmaat werden nog Joodse vluchtelingen toegelaten en illegale vluchtelingen werden in kampen opgesloten op het eiland Cyprus en aan de kusten van de Middellandse Zee.

Al in 1947 volgde de ene Palestijns-Arabische aanslag op Joodse doelwitten de andere op en kondigden aldus de bloedige start van de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog 1947-1949 aan. Direct na beëindiging van het Britse mandaat op 14 mei 1948, vallen de legers vallen van vijf Arabische staten Egypte, Jordanië, Irak, Syrië en Libanon, nog aangevuld met duizenden vrijwilligers uit Soedan, Irak, Saoedi-Arabië, Marokko enz. de kersverse staat Israël aan. Ei-zo-na ging de Joodse staat ten onder. Pas in de lente van 1949 keren de kansen in het voordeel van Israël wanneer het een aantal vliegtuigen kan verwerven van Tsjechische makelij en het luchtruim kan veroveren.

De Joodse legers rukten verder op, over de grenzen heen zoals die aanvankelijk in het VN-Verdeelplan waren voorzien, maar verworpen waren door de Arabieren. Het Joodse leger slaagde erin op te rukken tot in Jeruzalem en stopte pas aan de poorten van de Oude Stad, het oudste oorspronkelijke Jeruzalem zoals dat gekend is uit de oudheid en dat omringd wordt door een oude Arabische vestingmuur die nog dateert van voor de Ottomaanse periode, hersteld en versterkt werd door Sultan Suleiman tussen 1539 en 1542. De nieuwe grenzen van Israël begonnen zich af te tekenen en na het [voorlopige] einde van het conflict kende de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 11 mei 1949 met Resolutie 273 het lidmaatschap van de VN toe aan Israël: 1. Decides that Israel is a peace loving State which accepts the obligations contained in the Charter and is able and willing to carry out those obligations; 2. Decides to admit Israel to membership in the United Nations.

Diezelfde 'Midden'-synagoge na de restauratie

Op 5 december 1949 verklaarde Israël West-Jeruzalem als haar hoofdstad. Tot dan was dat Tel Aviv geweest. Op 12 juli 1953 verplaatste het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken haar kantoor van Tel Aviv naar Jeruzalem, ondanks de eerdere protesten van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië, Turkije en Australië die allen weigerden hun ambassade over te brengen naar Jeruzalem. Tegen 1967 zullen nochtans 40 procent van alle diplomatieke missies (maar niet die van de VS, G-B en Rusland) hun locatie hebben in Jeruzalem. Voordien had Jordanië op 17 maart 1950 een burgerlijke administratie opgezet in Oost-Jeruzalem en op 24 april 1950 ratificeerde het Jordaanse parlement de feitelijke annexatie van Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever. Enkel Groot-Brittannië en Pakistan (toen een Brits kolonie) erkenden die annexatie. Op 23 juli 1953 verklaarde koning Hoessein van Jordanië Oost-Jeruzalem als de ‘alternatieve hoofdstad van het Hasjemitische Koninkrijk’ en als integraal en onafscheidelijk deel van Jordanië. Maar de regering werkte elke economische ontwikkeling van het geannexeerde deel in Oost-Jeruzalem tegen en weigerde zelfs om er een Arabische universiteit op te richten. Aldus werd Jeruzalem in 1949 verticaal – van noord naar zuid – in twee gedeeld voor de komende 19 jaren.

De Onafhankelijkheidsoorlog had zware repercussies voor de Joodse bevolking in de rest van het antieke Israël dat in handen was gebleven van de Arabische staten. Een massale exodus van Joden die eeuwenlang in de Arabische landen hadden gewoond, kwam op gang. Uiteindelijk zullen tussen 1949 en 1972 ruim 850.000 Joden uit hun oorspronkelijke landen worden gedreven, met achterlating van al hun bezittingen en gronden, om jarenlang in tentenkampen en barakken te overleven in de nieuwe Joodse staat, zonder hulp van het buitenland, en zal het tot op heden zonder één enkele VN-resolutie moeten stellen die zich bekommerde om het lot van de Joods-Arabische vluchtelingen. Enkel het Palestijns-Arabische vluchtelingenprobleem zal wereldaandacht krijgen en tot op vandaag elke poging tot vredesonderhandelingen blokkeren.

Grafstenen van de ontheiligde Joodse begraafplaats op de Olijfberg werden gebruikt als vloerstenen van een toilet in een Jordaanse legerbasis aan de weg naar Jericho, foto juni 1967 kort na de hereniging van Jeruzalem

Het lot van de Joden in Oost-Jeruzalem en in Samaria en Judea was nog kritischer. Het buurland Jordanië annexeerde eenzijdig de Westelijke Jordaanoever en joeg al haar Joodse burgers het land en Oost-Jeruzalem uit richting Israël. Joodse bezittingen in Oost-Jeruzalem en op de Westelijke Jordaanoever werden door de Jordaniërs geconfisceerd zonder compensatie. Vermits de Oude Stad, de Olijfberg, de Joodse begraafplaats en zovele andere Joodse en Christelijke heiligdommen voor de volgende negentien jaren [tot de Zesdaagse Oorlog van 1967] in de handen van de haatdragende Arabieren waren gebleven, werd het ergste gevreesd en terecht! De resultaten krijgen de Israëli’s pas te zien wanneer in 1967 Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever wordt ingenomen.

Joodse begraafplaats in Oost-Jeruzalem zoals de Joden ze aantroffen in juni 1967

Volgens Artikel VIII punt 2 van het Jordaans-Israëlische wapenstilstandsverdrag van 3 april 1949 werden de Joden ervan verzekerd dat zij het heiligste deel, met name de Klaagmuur, een deel van de westelijke muur van de 2de Tempel, mochten bezoeken: “[..] shall include the following, on which agreement in principle already exists: free movement of traffic on vital roads, including the Bethlehem and Latrun-Jerusalem roads; resumption of the normal functioning of the cultural and humanitarian institutions on Mount Scopus and free access thereto; free access to the Holy Places and cultural institutions and use of the cemetery on the Mount of Olives; resumption of operation of the Latrun pumping station; provision of electricity for the Old City; and resumption of operation of the railroad to Jerusalem“. Volgens diezelfde overeenkomst werd de Joden eveneens de toegang gegeven tot de begraafplaatsen op de Olijfberg, in de Kidronvallei en het Graf van Simon de Rechtvaardige. Dat artikel bleef in de praktijk dode letter en de toegang tot al die heiligdommen werd hun door de Arabieren 19 jaar lang geweigerd. Enkel op de Scopusberg werden beperkt Israëliërs toegelaten, maar de Universiteit, de Bibliotheek en het Hospitaal bleven gesloten.

Diezelfde prachtig gerestaureerde Joodse begraafplaats op 29 november 2009 door mezelf gefotografeerd

De Joodse begraafplaatsen werden ontheiligd en zwaar beschadigd, grafstenen werden in stukken geslagen om wegen mee aan te leggen, huizen te bouwen of een urinoir te maken, ongeveer vijftig [!] Joodse synagoges werden leeggeroofd, ontheiligd en zwaar beschadigd en zullen twee decennia zonder zorg, kaal geroofd en worden bloot gesteld aan alle weersomstandigheden, het eens zo prachtige Joodse kwartier in de Oude Stad werd helemaal geruïneerd en moest haast vanaf de grond af helemaal opnieuw worden gereconstrueerd en opgebouwd worden. Van de 27 synagogen die het Joods Kwartier van de Oude stad telde, stonden er op 27 mei 1948 nog vijf recht. Zowel de beroemde Tifferet synagoge en de Hurva synagoge in het Joodse Kwartier, die met hun ronde koepels eeuwenlang het uitzicht van de Oude Stad hadden bepaald, werden in mei 1948 door het Jordaanse leger gedynamiteerd.

De Hurva synagoge werd in mei 1948 door het Jordaanse leger gedynamiteerd

Ook voor de Christelijke heiligdommen toonden de Arabische bezetters niet de minste eerbied en respect. Zo bijvoorbeeld de Hof van Olijven [Olijfberg], waar Jezus Christus regelmatig ging bidden en mediteren, werd door de Jordaniërs dwars doorheen een autoweg aangelegd. De christelijke bevolking van Jordaans Jeruzalem daalde van 25.000 naar 11.000 inwoners, als gevolg van de beperkte maatregelen die werden opgelegd aan christelijke instituties. Tussen 1949 en 1967 werden alle Christelijke en islamitische heiligdommen onder Jordaanse bestuur geopend voor alle Christenen en moslims, behalve voor inwoners van Israël. Aldus waren duizenden Israëlische Arabieren ervan verzekerd dat zij de al-Aqsa Moskee konden bezoeken of een voet zetten op de Haram al-Sharif. In de praktijk werden echter ook de Israëlische Arabieren de toegang tot Oost-Jeruzalem ontzegd, omdat zij door de Jordaniërs als collaborateurs met de ‘Zionistische Entiteit’ werden aanzien door het feit dat ze niet gevlucht waren. In november 1949 verwierpen de Verenigde Naties een voorstel van Israël om de Oude Stad te internationaliseren (6,5 procent van Jeruzalem). Op 5 januari 1951 duidde Jordanië een islamitische arabier aan als Oppertoezichter van de Heilige Plaatsen van de stad.

Tegenwoordig wonen binnen de huidige grenzen van het eengemaakte Jeruzalem 736.700 mensen [2007] waarvan 471.488 Israëlische Joden en 235.744 Palestijnse arabieren. Nog eens 375.000 Palestijnse Arabieren wonen wonen in de onmiddellijke omgeving van Jeruzalem en een 50.000 Israëlische Joden, waarvan een 30.000 in Ma’ale Adumim en 10.000 in Giv’at Ze’ev. Wie zoals ik ter plaatse is geweest in Jeruzalem en gezien heeft hoe het hele Jeruzalem werd gereconstrueerd en weder opgebouwd en uitgebreid werd met nieuwe wijken, opmerkelijk met het grootste respect voor alle religies en hun respectievelijke heiligdommen, weet één ding zeker: wat Jeruzalem betreft is terugkeer naar de grenzen van 4 juni 1967 een uitgesloten zaak, met of zonder de Verenigde Naties en met de zegen al dan niet van het Kwartet. Dit Jeruzalem van vandaag geven de Israëlische Joden nooit meer af.

Heropbouw van de Hurva synagoge in de Joodse wijk - juli 2009 - zal vermoedelijk klaar zijn in maart 2010. Dit was wat men ooit Oost-Jeruzalem noemde... en gelegen in het gebied dat de Palestijnen claimen en tot hun hoofdstad willen maken...

Waarom zoveel controversie over Resolutie 242 van de Verenigde Naties?

Sinds de goedkeuring door de VN-Veiligheidsraad op 22 november 1967, heeft Resolutie 242 de context geleverd voor inspanningen om te trachten vrede te bereiken tussen Arabieren en Israëli’s. Het legde de basis voor het eerste vredesverdrag ooit dat tussen Israël en een Arabisch land werd getekend, met name met Egypte in 1979, en het latere vredesverdrag dat met Jordanië werd getekend in 1994. Dat jaar werd als gevolg van de Oslo-akkoorden de Palestijnse Nationale Autoriteit [P.A.] opgericht met Yasser Arafat als eerste president – een vorm van Palestijns zelfbestuur – afgesloten tussen Israël en de PLO (Palestijnse Bevrijdings Organisatie), die vanaf dan de Arabische bevolking in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever zal besturen. Na de dood van Arafat op 11 november 2004 werd hij opgevolgd door Mahmoud Abbas.

De Palestijnse Autoriteit beweert dat Israël de eisen heeft geschonden om zich terug te trekken uit alle gebieden die het tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 bezette, zoals vereist werd in de VN-resolutie 242, terwijl Israël beweert te hebben voldaan aan deze eisen en op haar beurt de PA beschuldigt van het schenden van de bepalingen van de resolutie. De tegenstanders [van het bestaansrecht] van de Joodse staat van Israël blijven hameren op de uitvoering van Resolutie 242 door Israël. Er zijn weinig resoluties die zoveel controversie hebben teweeg gebracht als deze. Wat is dan de betekenis van resolutie 242?

Resolutie 242 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties
22 november 1967

The Security Council,

Expressing its continuing concern with the grave situation in the Middle East,

Emphasizing the inadmissibility of the acquisition of territory by war and the need to work for a just and lasting peace in which every State in the area can live in security,

Emphasizing further that all Member States in their acceptance of the Charter of the United Nations have undertaken a commitment to act in accordance with Article 2 of the Charter,

Affirms that the fulfillment of Charter principles requires the establishment of a just and lasting peace in the Middle East which should include the application of both the following principles:

Withdrawal of Israeli armed forces from territories occupied in the recent conflict;

Termination of all claims or states of belligerency and respect for and acknowledgement of the sovereignty, territorial integrity and political independence of every State in the area and their right to live in peace within secure and recognized boundaries free from threats or acts of force;

Affirms further the necessity

For guaranteeing freedom of navigation through international waterways in the area;

For achieving a just settlement of the refugee problem;

For guaranteeing the territorial inviolability and political independence of every State in the area, through measures including the establishment of demilitarized zones;

Requests the Secretary General to designate a Special Representative to proceed to the Middle East to establish and maintain contacts with the States concerned in order to promote agreement and assist efforts to achieve a peaceful and accepted settlement in accordance with the provisions and principles in this resolution;

Requests the Secretary-General to report to the Security Council on the progress of the efforts of the Special Representative as soon as possible.

De VN-Veiligheidsraad keurt op 22 november 1967 resolutie 242 goed, die vrede moet brengen in het M-O

De resolutie, die met algemene stemmen werd aangenomen door de VN-Veiligheidsraad op 22 november 1967, vormen de beginselen die de onderhandelingen moeten leiden naar ‘een vreedzame oplossing en aanvaardbare regeling’ (een Arabisch-Israëlisch vredesakkoord). Het vereist de instelling van ‘een rechtvaardige en duurzame vrede in het Midden-Oosten’ en riep op tot het volgende: 1) De ‘terugtrekking van de Israëlische strijdkrachten uit de gebieden die het bezette in het recente conflict (1967),’ en 2) de ‘stopzetting van alle vorderingen van de oorlogvoerende staten’ en de erkenning dat ‘elke staat in het gebied het recht heeft om in vrede te leven binnen veilige en erkende grenzen, vrij van bedreigingen of daden van geweld:’ Het uiteindelijke taalgebruik van de resolutie was het resultaat van de onderhandelingen tussen de twee partijen, zodat ze later niet verschillend zou worden geïnterpreteerd door elke betrokken partij.

Maar toch is dat wat er precies is gebeurd. De Arabieren lezen de zin ‘terugtrekking uit de gebieden die [Israël] bezette in het recente conflict’ als dat dit op ‘alle’ gebieden zou slaan. Maar Arthur Goldberg (1908-1990), de Amerikaanse ambassadeur die de Amerikaanse delegatie leidde bij de Verenigde Naties in 1967, zei hierover: “De opmerkelijke weglatingen met betrekking tot de terugtrekking uit bezette gebieden, ‘de’ of ‘alle’ en de ‘5 juni 1967’ grenzen, zijn niet per ongeluk gebeurd. De resolutie spreekt van terugtrekking [uit bezette gebieden] zonder dat wordt gesproken over de omvang van die terugtrekking.” De Arabische staten hadden er nochtans op aangedrongen dat het woord ‘alle’ zou worden opgenomen, maar dit werd afgewezen. Desondanks benadrukten zij dat zij de resolutie zouden lezen alsof het woord ‘alle’ er toch in was opgenomen. Om deze reden heeft de Britse ambassadeur Lord Hugh Caradon, die de goedgekeurde resolutie had opgesteld, na de stemming verklaard: “Het is enkel de resolutie die ons zal binden en wij beschouwen de tekst als duidelijk.”

Meer nog, hoewel in de resolutie wordt gepleit voor de ‘niet-ontvankelijkheid van het verwerven van grondgebied door oorlog,’ wordt hiermee een offensieve oorlog bedoeld waarbij grondgebied wordt bezet door een invasie, en niet een defensieve oorlog waarbij grondgebied bezet werd als gevolg van agressie door een andere partij. Als dat niet het geval was, zou de resolutie een stimulans zijn voor agressie. Als een land een ander land aanvalt en de verdediger de aanval afweert en grondgebied verwerft in dat proces, zou de vorige interpretatie vereisen dat de verdediger het land zou teruggeven dat het in bezit nam. Hierdoor zouden de agressors maar weinig te verliezen hebben, omdat ze zich beschermd zouden weten van de belangrijkste gevolgen van de nederlaag. Hoewel het klopt dat Israël een preventieve aanval lanceerde in 1967, was het een defensieve reactie op een duidelijke opbouw van vijandelijke troepen aan haar grenzen en de openlijke aankondigingen in de landen van de agressors waarin werd opgeroepen tot een invasie om Israël te vernietigen. Dat scenario in aanmerking genomen, hing het voortbestaan van Israël af van preventieve actie.

Ariel Sharon beval in augustus 2005 de volledige ontmanteling van alle Israëlische nederzettingen in de Gazastrook. 'Land voor Vrede' leverde voor Israël uiteindelijk alleen nog meer geweld op met het Gazaconflict van januari 2009 als voorlopig orgelpunt...

Het is ook belangrijk op te merken dat de resolutie niet aangeeft hoeveel grondgebied Israël verplicht werd op te geven. En eveneens dat de terugtrekking, zoals ze wordt genoemd in de resolutie, niet kan begrepen worden als een terugtrekking van voor de grenzen van 1967. Gevraagd om het Britse standpunt hieromtrent uit te leggen, zei Lord Caradon: “Het zou verkeerd zijn geweest om van Israël te vragen terug te keren naar de grenzen van 4 juni 1967, omdat die posities ongewenst en kunstmatig waren.” Sinds Israël zich al heeft teruggetrokken uit 91 procent van de gebieden als gevolg van het opgeven van de Sinaï, zich in augustus 2005 terugtrok uit de Gazastrook [conform het Disengagement Plan van 6 juni 2004] en het zich ook terugtrok uit gedeelten van de ‘betwiste’ gebieden op de Westelijke Jordaanoever in het kader van de Oslo-akkoorden [1993], heeft het reeds gedeeltelijk – zo niet geheel – voldaan aan haar verplichting uit hoofde van Resolutie 242. Israël heeft ook vredesakkoorden ondertekend met Egypte (1979) en met Jordanië (1994), en blijven aldus de enige overgebleven territoriale geschillen met Libanon en Syrië. Of de resolutie bepaalt dat Israël zich moet terugtrekken uit de Golanhoogte als ‘overeenkomstige aanvulling’ op de passage over de terugtrekking, zal nog moeten geregeld worden.

De passage over de terugtrekking is ook gekoppeld aan de tweede ondubbelzinnige passage, waarin gepleit wordt voor ‘het beëindigen van alle vorderingen van de oorlogvoerende staten’ en de erkenning dat ‘elke staat in het gebied’ het recht heeft ‘om in vrede te leven binnen veilige en erkende grenzen, vrij van bedreigingen of daden van geweld’. De Amerikaanse ambassadeur Goldberg legde uit dat deze zinsnede in de resolutie werd opgenomen omdat van de in het conflict betrokken partijen werd verwacht dat zij territoriale aanpassingen zouden maken tijdens hun onderlinge vredesovereenkomst die minder dan een volledige terugtrekking van Israëlische troepen uit de bezette gebieden zou omvatten, in zoverre dat de voormalige grenzen van Israël onveilig bleken te zijn.” Van daar ook dat, terwijl de resolutie niet de Israëlische terugtrekking eiste als een voorafgaande voorwaarde voor Arabische actie, vraagt zij wel dat de Arabische staten hun vijandelijkheden in de richting van Israël zouden staken, echter een eis die nooit is vervuld. De meeste Arabische landen onderhouden nog steeds de staat van oorlog met Israël, en zelfs Arabische staten die geen territoriale geschillen hebben met Israël (onder meer Saoedi-Arabië, Irak en Libië) hebben altijd geweigerd om Israël diplomatieke erkenning te verlenen en zijn hun relatie tot het Saoedische Vredesvoorstel dat handelt over een Israëlische terugtrekking tot de grenzen van vóór 1967, aldoor zijn blijven conditioneren.

Wijlen premier Golda Meir (1898-1978): “Het meest van al wil ik dat de wereld weet wat er met ons zou gebeurd zijn als we ons voor de oorlog [van 1973 – Jom Kippoeroorlog] hadden terug getrokken vóór de grenzen van de Zesdaagse Oorlog [4 juni 1967] – de werkelijke grenzen die, toevallig, het uitbreken van de Zesdaagse Oorlog niet konden voorkomen, alhoewel dat niemand zich blijkbaar nog herinnert. Ik twijfel er geen ogenblik aan dat het echte doel van de Arabische staten altijd is geweest, en dat nog steeds is, dat zelfs indien we ons ver achter de grenzen van 1967 hadden teruggetrokken naar een soort van miniatuur enclave, zij het met wortel en al zouden uitrukken, ons inbegrepen.”

Het Saoedische Vredesplan, voorgesteld op 28 maart 2002 tijdens de samenkomst van de Arabische Liga in Beiroet (Libanon) en opnieuw op tafel werd gelegd in maart 2007 in Ryad, is gebaseerd op het principe van landruil voor vrede en ‘gesteund door de overtuiging van de Arabische landen dat een militaire oplossing nooit vrede en veiligheid kan brengen voor de betrokken partijen’. In het Saoedische voorstel wordt Israël erkenning voorgespiegeld door de Arabische landen en een normalisering van de betrekkingen met Israël, wel op voorwaarde dat: Israël zich volledig zal terugtrekken uit alle gebieden die het tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 heeft ingenomen; een rechtvaardige regeling aanvaardt voor het Palestijnse vluchtelingenprobleem conform sectie 11 van Resolutie 194 van de Algemene Vergadering van de VN; de erkenning van een soevereine en onafhankelijke Palestijnse staat in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. En ze eisen tevens de implementatie van Resolutie 242 en Resolutie 338 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Van groter belang is het feit dat de Palestijnen nergens in Resolutie 242 worden genoemd. Er wordt op hen enkel gezinspeeld in de tweede zin van het tweede artikel, waarin wordt opgeroepen tot ‘een rechtvaardige oplossing van het vluchtelingenprobleem.’ Echter, er staat geen enkele bepaling in die eist dat aan de Palestijnen politieke rechten of grondgebied wordt gegeven. Zelfs dan geeft de term “vluchtelingen” generiek aan de erkenning van het feit dat het Joodse volk vluchtelingen waren geworden als gevolg van het Arabische conflict. Bijna net zo veel Joden vluchtten de Arabische landen uit als Palestijnen Israël verlieten. Ondanks de afwezigheid van enige verwijzing naar de Palestijnen, aanvaarde de PLO resolutie 242 (en 338) als basis voor de onderhandelingen met Israël bij de ondertekening van de beginselverklaring in september 1993. Sindsdien zijn de verschillende interpretaties van de belangrijke bepalingen van de resolutie een voortdurende bron van conflicten.

Bronnen: Fast Facts on the Middle East Conflict door Randall Price; 2003; Harvest House Publishers; The Case for Israel uit 2003 en The Case for Peace uit 2005 door Alan Dershowitz uitgebracht door uitgevrij John Wiley & Sons, Inc.