Maandelijks archief: november 2009

Brabosh aan de Klaagmuur

Voila, net weer terug! Fantastische reis, zeg maar blitzbezoek.

Het reisverslag “Israël in drie dagen” vind je hier.

Hieronder ikke gisteren namiddag aan de Klaagmuur (Westelijke Muur van de 2de Tempel / 516 v. Chr. tot 70 na Chr.). Na het einde van de Zesdaagse Oorlog in 1967 kwam de Klaagmuur (èn Oost-Jeruzalem) terug in Joodse-Israëlische handen. Voor een eerste korte impressie verwijs ik naar het decembernummer van Joods Actueel dat volgende week wordt verspreid.

Verklaring van premier Netanjahoe over de bouwstop van nieuwe nederzettingen

Verklaring van premier Netanjahoe over de regeringsbeslissing om nieuwbouw in Judea en Samaria uit te stellen

(Mede gedeeld door het kantoor van de Eerste Minister)

Vandaag heeft mijn kabinet haar goedkeuring gegeven voor een terughoudend beleid ten aanzien van de nederzettingen, waarin begrepen het opschorten van nieuwe bouwvergunningen en nieuwbouw in Judea en Samaria voor een periode van tien maanden.

Mijn kabinet heeft deze verregaande stap gemachtigd vanuit onze diepe verlangen naar vrede. Wij hopen dat dit besluit zal helpen tot het lanceren van zinvolle vredesonderhandelingen om een historisch vredesakkoord te bereiken dat uiteindelijk het conflict tussen de Palestijnen en Israël zal beëindigen.

Wij hebben er ons toe verbonden om nauw samen met te werken met de Verenigde Staten om vrede en veiligheid in de regio te bevorderen.

Vele van onze vrienden hebben ons verteld dat van zodra Israël de eerste stap op weg naar de vrede neemt, de Palestijnen en de Arabische wereld positief zouden reageren met het nemen van hun eigen stappen in het creëren van een opwaartse cyclus van goede wil. Aldus neemt de de regering van Israël vandaag een zeer grote en moeilijke stap naar vrede. Ik hoop dat de Palestijnen en de Arabische wereld de gelegenheid zullen aangrijpen om samen met ons te werken aan een nieuwe start en een nieuwe toekomst voor onze kinderen en voor hun kinderen.

Vanaf de eerste dag dat onze regering acht maanden geleden werd ingezworen, werden wij aangemaand om directe onderhandelingen te beginnen met de Palestijnen.

Sindsdien hebben wij vele concrete acties genomen om het dagelijks leven voor de Palestijnen te verbeteren en een klimaat te scheppen waarin politieke onderhandelingen de beste kans op slagen zouden kunnen hebben. We hebben honderden wegversperringen en controleposten ontmanteld, de uren dat de Allenby Bridge operationeel is aanzienlijk uitgebreid en bureaucratische hindernissen die de Palestijnse economische ontwikkeling in de weg stonden weg genomen. Al deze acties hebben een opwaartse golf veroorzaakt en een echte boom in de Palestijnse economie teweeg gebracht. Terzelfder tijd werd de veiligheidssituatie verbeterd dankzij zowel de inspanningen van de IDF [Israëlische leger] als de inspanningen van de beter opgeleide veiligheidstroepen van de Palestijnse Autoriteit. Nu wensen wij in dit klimaat van een verbeterde economie en veiligheid, zinvolle politieke onderhandelingen toe te voegen.

Ik heb eerder reeds gezegd dat we geen nieuwe nederzettingen meer gaan bouwen en dat we geen extra gronden voor bestaande nederzettingen zouden onteigenen. Ik heb ook gezegd dat we de uitbreiding van de nederzettingen aan banden zouden leggen en dat is precies wat we vandaag besloten hebben dat we zouden doen.

Ik heb beloofd dat het normale leven gewoon kan voortduren voor de driehonderd duizend Israëlische burgers, onze broeders en zusters, die wonen in Judea en Samaria. Dat is de reden waarom deze opschorting geen effect zal hebben op de bouwwerken die momenteel worden uitgevoerd. Het zal geen invloed hebben op de scholen, peuterspeelzalen, synagogen en openbare gebouwen, die nodig zijn voor de voortzetting van het normale leven voor de duur van de schorsing. Natuurlijk zal de werking van eender welke infrastructuur, die nodig zou kunnen zijn om onze nationale veiligheid te beschermen of om het leven van onze burgers te beschermen, gegarandeerd worden gedurende deze periode.

Wat Jeruzalem betreft, onze soevereine hoofdstad, is onze positie bekend. Wij leggen geen enkele beperking op het bouwen in onze soevereine hoofdstad. Zoals altijd, zetten wij ons in om de vrijheid van godsdienst te beschermen voor alle religies en om de gelijke en eerlijke behandeling voor de bewoners van de stad – zowel Joden als Arabieren – te waarborgen.

Wanneer de schorsing eindigt, zal mijn regering terugkeren naar het beleid van de vorige regeringen met betrekking tot de bouw.

Ik wil duidelijk zeggen aan de Palestijnen: Nu wordt het tijd om onderhandelingen te beginnen. Nu is het de tijd om het vredesproces vooruit te helpen. Er is geen tijd meer te verliezen. Israël heeft een verregaande stap naar de vrede gezet. Het wordt hoog tijd voor de Palestijnen om hetzelfde te doen.

Bron: Israëlisch Ministerie van Buitenlandse Zaken: Statement by PM Netanyahu on the Cabinet Decision to suspend new construction in Judea and Samaria van 25 november 2009

Het grootste gevaar voor de nationale veiligheid…

Katholieke non wordt op de luchthaven van Detroit (VS) gefouilleerd door een islamitische veiligheidsagente, september 2007. Beiden dragen een hoofddoek (foto: Dean Shaddock)

 

 

Hoe weer alle moslimextremisten op 1 lijn krijgen? [satire]

Yasser Arafat had op een keer een PLO probleempje…

“Palestijnse moslimextremisten worden te sterk!”

“Ik moet hun aanhang winnen! <zucht>”

“Ik heb het gevonden!!”

“Ik zal mezelf bewijzen dat ik een Man van God ben!!”

“Ik zal Rushdie doden”

In zijn cartoon van heden haalt Dry Bones, alias van de Israëli Yaakov Kirschen, een Gouden Ouwe cartoon uit zijn kast die hij deze maand 20 jaar geleden heeft gemaakt. Toen was het voor iedereen een teken aan de wand dat het islamofascisme aan een steile opgang bezig was, toen op 14 februari 1989 de Iraanse Ayatollah Ruhollah Khomeini een fatwa uitsprak over Salman Rushdie voor de publicatie van zijn boek ‘De Duivelsverzen‘.

Afbeelding hierboven: Broedertwist in Gaza, voorjaar 2007. Hamaspolitie en militanten van al-Fatah in de clinch met elkaar. Beide terroristische groepen leggen de schuld voor deze broedertwist bij de ‘Zionistische Satan’ Israël. Toch iets waar deze nijvere discipelen van de islamistische geweldscultuur het over eens kunnen zijn. Intussen slaan ze maar wat op elkaar in, wellicht om in conditie te blijven en waarschijnlijker nog: bij gebrek aan Joden in de Gazastrook. Balans tot dusver: 616 doden, 1.500 gewonden en duizenden vluchtelingen… voor het juiste begrip: allemaal Palestijnen dus…

‘Als 2 honden vechten om een been….’

Nu, twintig jaar later, heeft Mahmoud Abbas – de leider van al-Fatah en de PLO  – te maken met dezelfde grimmige realiteit. Om zijn ‘wil’ (?) om een eigen staat geloofwaardig te maken voor de wereld moet hij Hamas, dat de Gazastrook in handen heeft sinds het de PLO in de zomer van 2007 met geweld de Gaza buiten schopte, terug voor zich  trachten te winnen. Alle moslimextremisten in ‘Palestina’ moeten weer op één lijn raken. Van de twee gewenste  soevereine ‘Palestina’s’ is er duidelijk eentje teveel. Maar over één zaak zijn ze het met zijn allen roerend over eens: Israël ooit vernietigen. Benieuwd welke aap hij uit zijn mouw zal toveren om die ‘Wiedereinmachung‘ tussen Palestijnen onderling weer voor elkaar te krijgen.  Is Abbas misschien ook een Man van God?…

Die Duivelse verzen toch…

Op 14 februari 2009 was het precies 20 jaar geleden dat in 1989 de Iraanse Ayatollah Ruhollah Khomeini een fatwa uitsprak over Salman Rushdie en hiermee meteen diens executie aankondigde. Khomeini, de leider van Iran, noemde het boek “godslasterlijk” en “een belediging van de islam”. Verder veroordeelde Khomeini Rushdie voor de “misdaad” van afvalligheid (het verlaten van de islam). Volgens Khomeini’s interpretatie van de islamitische wetten staat daar de doodstraf op.

Khomeini riep alle “vrome moslims” op de schrijver ter dood te brengen, alsmede de uitgevers van het boek. Khomeini zette een premie van drie miljoen Amerikaanse dollar op het hoofd van Rushdie. Sindsdien leeft Rushdie ondergedoken en boden de Britten hem bescherming.

Na de dood van Ajatollah Khomeini (3 juni 1989) verklaarde de Iraanse regering publiekelijk het doodvonnis tegen Rushdie niet uit te zullen voeren. Dit werd overeengekomen in de context van een bredere overeenkomst tussen Iran en het Verenigd Koninkrijk om de betrekkingen te normaliseren. De fatwa werd uiteindelijk in 1998 onder president Mohammad Khatami formeel ingetrokken, maar niet iedereen was het daarmee eens. In 1999 zette een Iraanse stichting nog een prijs van 2,8 miljoen dollar op het hoofd van Rushdie.

Irena Sendler, de loodgietster die 2500 Joodse kinderen redde tijdens WOII

Vorig jaar is, op 98 jarige leeftijd, Irena Sendler overleden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg zij van de Duitsers toestemming om in het getto van Warschau te werken als loodgietster. Zij had echter een heimelijk motief …

Ze wist als Duitse wat de Nazi’s van plan waren met de Joden. Irena smokkelde in haar gereedschapskist kinderen naar buiten. Voor grotere kinderen gebruikte ze een juten zak. Ze had een hond in haar auto die ze geleerd had om te blaffen als de Nazi’s haar in en uit het getto lieten gaan. De soldaten wilden uiteraard niets met de hond te maken hebben en daarbij overstemde het geblaf ook het geluid van de kinderen.

Op deze manier heeft Irena 2500 kinderen uit het getto weten te smokkelen.

In 1943 werd Irena gearresteerd door de Gestapo. Ze werd zwaar gemarteld en ter dood veroordeeld. De Poolse verzetsorganisatie Zegota (‘Raad voor hulp aan de Joden’) kochten haar Duitse bewakers om terwijl ze op transport was naar de executieplaats. Irena werd achtergelaten in het bos, haar armen en benen waren gebroken. Voor de rest van de oorlog moest zij onderduiken, maar zij ging door met haar werk om de Joodse kinderen te helpen.

Irena had de namen van alle kinderen die zij naar buiten had gesmokkeld bijgehouden en in een fles in haar achtertuin begraven. Na de oorlog probeerde zij de ouders van de kinderen te achterhalen. De meeste ouders waren vergast in Treblinka. De kinderen die ze uit het getto gesmokkeld had waren in pleeggezinnen geplaatst.

Vorig jaar, toen ze nog in leven was, werd Irena voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Vrede. Ze won de prijs niet. Al Gore won voor een Dia-presentatie over ‘Global Warming’ … en Barack Obama dit jaar voor goede ‘intenties’…

Nooit meer!

Terroristische aanslag in Moembai, 26 november een jaar geleden

Moembai, 26 november 2008. Tien Pakistaanse islamistische terroristen belegeren drie dagen de stad. Balans: 170 doden en 300 gewonden

Gavriel & Rivka Holtzberg

Op 26 november is het precies een jaar geleden dat in Moembai (Bombay/Indië) een bloedige terroristische aanslag werd gepleegd, en waar terroristen de stad belegerden waarbij 170 mensen werden vermoord en 300 andere werden gewond. Tien leden van Lashkar-e-Taiba (Leger der Rechtvaardigen) — een terreurgroep uit Pakistan – belegerden Moembai drie dagen lang, lieten bommen exploderen en beschoten twee luxe-hotels, een treinstation, een café en het Joodse Chabad Centrum. De terreur eindigde op 29 november 2008 toen een Indisch politie commando het hotel bestormde waar de overgebleven terroristen zich verschanst hadden.

In het Chabad centrum vermoordden de terroristen zes mensen: de directeur van het centrum rabbijn Gavriel Holtzberg (van Amerikaanse en Israëlische nationaliteit); zijn zwangere vrouw, Rivka Holtzberg (een Israëlische); rabbijn Leibish Teitelbaum (Amerikaanse nationaliteit); Bentzion Chroman (van Amerikaanse en Israëlische nationaliteit); Yocheved Orpaz (Israëlische nationaliteit) en Norma Shvarzblat Rabinovich van Mexicaanse nationaliteit.

Een stafmedewerker van het centrum ontsnapte op 27 november 2008 ternauwernood het gebouw en nam Moshe, het zoontje van de Holtzbergs, met zich mee die op het moment van de aanval twee jaar oud was. Sandra Samuel, 45 jaar, de kok van het centrum trok de jongen uit het gebouw en vertelde dat ze rabbijn Rabbi Holtzberg, zijn vrouw Rivka en twee andere gasten op de vloer zag liggen, blijkbaar buiten bewustzijn. Twee jaar eerder had de familie een ander kind begraven dat was overleden aan de ziekte van Tay-Sachs.

Op 12 november 2009 vervoegden de vaders van Rabbi Holtzberg en zijn vrouw de Chabad-leiders in Brooklyn om de voltooiing van een Torah-rol te vieren die gewijd is aan het echtpaar en de vier andere slachtoffers die gedood werden in het Mumbai Chabad centrum. Duizenden Chabad gezanten stopten een geschreven brief in de Torah-rol die zal worden gedoneerd aan het centrum in Mumbai. Verschillende Amerikaanse Chabad huizen sponsorden ook ‘Loaves of Love’ (Broden van Liefde), een evenement voor vrouwen ter ere van de eerste verjaardag van de dood Rivka Holtzberg. De deelnemers bakten Challah, het traditioneel Joods gevlochten brood en verdeelden het onder de aanwezigen om aldus de vrijgevigheid van Rivka Holtzberg te illustreren.

Het verwoeste interieur van het Chabad Centrum op 29 november 2008

Alhoewel de Pakistaanse regering zeven leden van Lashkar-e-Taiba heeft gearresteerd voor hulp aan het beramen van de aanslagen, heeft een Pakistaanse rechtbank in juni 2009 het vermeende meesterbrein achter de aanslagen, Hafiz Mohammed Saeed, vrijgelaten wegens gebrek aan voldoende bewijsmateriaal en een andere rechtbank liet in oktober 2009 de aanklachten tegen de verdachte vallen. Saeed is de oprichter van Lashkar-e-Taiba – die door de Pakistaanse regering werd verboden enkele maanden na de aanslagen in New York op de WTC torens (9/11) – en hij baat een islamitische liefdadigheidsinstelling uit, die door de Verenigde Naties als façade voor de terroristische groep wordt gezien.

Ajmal Kasab, de enige van de 10 terroristen die overleefde

Ajmal Kasab, de enige overlevende dader, wordt berecht in een Indiase rechtbank. Hij bekende in juli 2009 de planning en uitvoering van de aanslagen, na aanvankelijk niet-schuldig te pleiten. Kasab vertelde aan de politie dat de terroristen het bevel hadden gekregen om doelbewust Israëliërs in Moembai te viseren om – volgens The Times of India – ‘wreedheden op de Palestijnen te wreken’. Indiase troepen bestormden op 28 november het Joodse centrum en konden de terroristen overmeesteren. Kasab onthulde dat, volgens Indiase bronnen, de terroristen eerder in het Chabad Center in Mumbai verbleven hadden, een tijd vóór de aanslagen, ter voorbereiding en planning van de aanval.

Het Mumbai Chabad House is een populaire halte voor Israëlische toeristen. De Holtzbergs boden de bezoekers een aantal verschillende programma’s aan en voorzagen ook in koosjer voedsel. Chabad is een religieuze beweging die wereldwijd Joodse gemeenschappen bedient via een verscheidenheid van programma’s, diensten en instellingen. Meer dan 4.000 voltijdse zendelingen gezinnen zijn aan de slag in meer dan 3.300 Chabad instellingen verspreid over de hele wereld.

Het Chabad van Mumbai Relief Fund werd opgericht om het Chabad Center te herbouwen en om levenslange ondersteuning aan Moshe – het overlevende zoontje van de Holtzbergs – te voorzien. Wie wil doneren aan het Chabad Mumbai Relief Fund kan dat hier. Tijdens de crisis werkten de medewerkers van The Israel Project de klok rond om de internationale media te informeren over wat er gebeurde en de aandacht van de wereld gericht te houden op de tragedie en te wijzen op de noodzaak om het terrorisme te stoppen.

Bron: The Israel Project: Terrorists Attacked Mumbai One Year Ago Nov. 26 van 18 november 2009; Outlook India.com: The Faces Of Terror van 9 december 2008

Geschiedenisles aan de Universiteit van Gaza: Benjamin Franklin waarschuwde voor de Joden

Dat de Palestijnen het in Gaza (en op de Westelijke Jordaanoever) niet zo nauw nemen met de geschiedenis is algemeen bekend. Dat anti-zionisme en antisemitisme in het Midden-Oosten algemeen aanvaarde synoniemen zijn voor elkaar, zoals je een kat een poes heet en andersom, was ook al langer bekend. Dat zij oude gekende vervalste documenten onbeschaamd opnemen in hun anti-Israël discours weten we ook al lang, vooral sinds Hamas in haar Handvest van 1988 openlijk verwijst naar de Protocollen van de Wijzen van Zion. Nieuw voor mij, en wellicht ook voor de vele lezers van deze blog, is de Benjamin Franklin Profetie die mede in het lessenpakket geschiedenis zit vervat aan de Universiteit van Gaza. De Amerikaan Benjamin Franklin is één van de Founding Fathers van de stichting van de Verenigde Staten en wellicht het bekendst als medeopsteller van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring uit 1776.

Onvervalst antisemitisme verborgen achter het masker van anti-Zionisme / protestbetoging Barcelona 10 januari 2009

De fabel doet nog steeds de ronde in neonazi middens en de laatste decennia ook bij de Israëlbashers in het Midden-Oosten dat Franklin een toespraak zou gehouden hebben waarin hij waarschuwde voor de Joden, als luiaarden belust op wereldmacht en de absoute controle over de Verenigde Staten nastreven. Franklin zou ondermeer dit gezegd hebben over de Joden:

“For over 1700 hundred years, the Jews have been bewailing their sad fate in that they have been exiled from their homeland, as they call Palestine. But, gentlemen, did the world give it to them in fee simple, they would at once find some reason for not returning. Why? Because they are vampires, and vampires do not live on vampires. They cannot live only amongst themselves. They must subsist on Christians and other people not of their race.”

De vermeende haatspeech van Benjamin Franklin is een vervalsing die ik verder in de tekst toelicht.

Hoe Dr. Ibrahim Al-Sinwar geschiedenis ‘doceert’ in Gaza

Echter, zoals reeds gezegd, liggen ze in Gaza niet wakker van al dan niet vervalste documenten. De tekst van de vermeende toespraak circuleert doorheen het ganse Midden-Oosten, naast Hitlers Mein Kampf en de Protocollen van de Wijzen van Zion die als zoete broodjes op de marktkraampjes worden aangeprezen en verkocht, van Caïro tot in Bagdad en Teheran en… waarom dus ook niet aan de Universiteit van Gaza. Het volgende is een transcriptie van een interview met Dr. Ibrahim Al-Sinwar, een docent aan de Universiteit van Gaza in Islamitische Geschiedenis. Al-Sinwar is hier de ‘historicus’ van dienst en zijn interview werd uitgezonden op 31 juli 2009 op Al-Aqsa TV.

In die lezing heeft ‘historicus’ Al-Anwar het over de periode dat de Joden in ballingschap leefden en de Israëlieten (althans toch volgens de Bijbel in Exodus 1:8-12) door de Egyptenaren werden ingezet bij de bouw van de voorraadsteden Pithom en Raämses, korte tijd later gevolgd door het gekende Bijbelse verhaal van Mozes die het Joodse volk naar Het Beloofde Land zal leiden. De bijbel gebruiken als historisch referentiekader getuigt op zich al  niet erg van gezond verstand om daarmee een wetenschappelijk betoog te onderbouwen.  Maar los van dat is Al-Anwar echter niet op zoek naar gedegen historisch feitenmateriaal, maar misbruikt dit soort evangelische historiosofie van de Bijbel – voor de Joden de Thora, hun heiligste boek dat de vijf boeken van Mozes bevat – om de Joden te kwetsen en te slaan waar hij maar kan met als enige doel het latent aanwezige antisemitisme bij zijn studenten en kijkerspubliek te voeden en de Jodenhaat in de hoogste versnelling te duwen én te houden. Wat later citeert hij dan uit de vermeende toespraak van Benjamin Franklin en ja, dan is wat ons betreft zijn geloofwaardigheid helemaal zoek. Wie de geschiedenis bestudeert en gebruikt om eigen theorieën te bewijzen, eerder dan op zoek te gaan naar de waarheid, is niet goed bezig. Het gebrek aan kennis van de geschiedenis opvullen met een valse geschiedenis is een misdaad.

Dr. Ibrahim Al-Sinwar, 31 juli 2009 op Al-Aqsa-TV:

Voor de originele beelden, in het Arabisch gesproken en Engels ondertiteld klik hier

Dr. Ibrahim Al-Sinwar, docent en 'historicus' aan de Gazaanse Universiteit

“De bewering dat degenen die Pithom en Raamses gebouwd hebben, vervolgd werden is een leugen. De archeologische vondsten hebben bewezen dat ze rechten en voorrechten genoten, en dat hen op geen enkel ogenblik onrecht werd aangedaan. Daarom is al dat gepraat over vervolging onjuist. Dat zijn leugens van de Joden, die ze gebruiken als excuus om niet te moeten werken en anderen enkel tot last zijn. Het is een deel van hun psychologische make-up gedurende hun lange geschiedenis. Ze willen niet werken. Ze willen dat de mensen voor hen werken en zij [de Joden] de opbrengsten opstrijken.

In de moderne tijd heeft Benjamin Franklin, een Amerikaanse filosoof, een sterke waarschuwing gegeven aan de Amerikaanse regering in haar eerste dagen, over de aanwezigheid van Joden in de Verenigde Staten. Hij sprak tot hen: “Als de Joden in de VS blijven, zullen zij binnen 100 jaar – of ten laatse 200 jaar – de controle hebben over alle economische middelen van het land.” Dan zal de Jood in staat zijn om, gezeten in de schaduw van een fruitboom in zijn tuin, met de voeten omhoog genietend van een kopje koffie, wachtend op de Amerikanen die in de loop van de avond naar hem komen en hem de winsten van de dag afdragen die oorspronkelijk aan hen toebehoorden. Zij zullen de werknemers zijn geworden van de Joden.

Ik wil niet ingaan op alle details – waarvan sommige onjuist zijn, want dat land is niet het land van de Amerikanen, die zelf indringers en bezetters zijn – maar ik wil de waarschuwing over de mentaliteit van de Joden benadrukken gedurende hun lange geschiedenis. Dit is de mentaliteit van mensen die graag hebben dat anderen voor hen werken en hen met rijkdom overladen zonder dat het hen de minste inspanning kost. Het is daarom, toen zij werden gedwongen te werken in Pithom en Raamses, met het maken van bakstenen voor de twee steden, dat zij dit zien als vervolging. Dit is niet waar. Het was slechts constructiewerk, een actieve rol spelend in de maatschappij waarin ze leefden – en een samenleving die het recht had hen te dwingen deze werkzaamheden uit te voeren.”

De Franklin Profetie, geschiedenis van een vervalsing

Benjamin Franklin (1706-1790)

De frauduleuze aard van de Profetie – en het feit dat antisemitisme vreemd was aan het gedrag van Franklin – werd ingrijpend gedocumenteerd door vooraanstaande historici. De Amerikaanse historicus Charles A. Beard (1874-1948) schreef hierover: “Ik kan geen enkele originele bron vinden die de minste rechtvaardiging levert om aan te nemen dat de profetie niets meer is dan een onbeschaamde vervalsing. Geen woord heb ik ontdekt in de brieven en papieren van Franklin van het uiten van dergelijke gevoelens tegen de Joden zoals die worden toegeschreven aan hem door de nazi’s – zowel door Amerikaanse als Duitse nazi’s. Zijn bekende vrijzinnigheid op het gebied van religieuze zaken zou dit soort uitspraken die hem in de mond worden gelegd door deze tastbare vervalsing, compleet hebben uitgesloten van dit soort uitingen… In zijn geschriften over immigratie, heeft Franklin nooit melding gemaakt van discriminatie tegen Joden.”

Beard merkte ook op dat de formulering van de gestelde Profetie nooit uit de 18de eeuw kan stammen noch het specifieke taalgebruik is van Franklin. Het bevat bepaalde woorden die behoren tot het hedendaags taalgebruik – ten tijde van nazi-Duitsland – in plaats van Amerika in de periode van Franklin. Zo werd het woord ‘heimat’ (vaderland) nooit door de Joden gebruikt die leefden in de tijd van Franklin. Dat woord is ontstaan in het begin van het zionisme en werd gecreëerd in verband met het Britse Mandaat Palestina. Beard leverde ook een ‘positief bewijs’ met name dat Franklin veel respect en bewondering koesterde voor de Joden. Zo maakt hij bijvoorbeeld melding dat wanneer de Hebreeuwse Gemeenschap van Philadelphia gelden tracht in te zamelen voor de bouw van een synagoge in Philadelphia, Benjamin Franklin de petitie ondertekende die ‘burgers van gelijk welke religie’ opriep om bij te dragen en doneerde hij prompt 5 ponden uit eigen zak in de kassa van het bouwfonds.

J. Henry Smythe Jr, samensteller van The Amazing Benjamin Franklin, heeft de Franklin’s Profetie als ‘een vervalsing’ bestempeld, eraan toevoegend dat het “smaad is aan het Joodse ras, onrechtvaardig voor zowel de Joden als voor de naam en faam van Benjamin Franklin. Ik heb deze calamiteit onderzocht en geen historische basis gevonden.” Julian P. Boyd, bibliothecaris van de Historische Vereniging van Pennsylvania, kwam tot eenzelfde evaluatie en John Clyde Oswald van de International Society Benjamin Franklin merkte op dat “het proces van de opstelling van het Constitutioneel Verdrag van 1787 geheim was. Geen enkel officieel verslag werd erover bijgehouden, maar veel informatie werd verzameld en gereconstrueerd, waardoor een redelijk goed beeld ontstaat van de gebeurtenissen. Franklin was toen 81 jaar oud en verkeerde in slechte gezondheid. Hij nam actief deel aan de procedure maar maakte zijn bijdragen aan de beraadslagingen niet mondeling over maar via handgeschreven nota’s, die hij overhandigde aan zijn vriend James Wilson, een ander lid van de Philadelphia delegatie, die bij hem zat en hem het verdrag voorlas. Ze zijn bewaard gebleven en de collectie wordt verondersteld volledig te zijn … “

Carl Van Doren (1885-1950), die in 1939 de prestigieuze Pulitzer prijs in de wacht sleepte met zijn biografie over Benjamin Franklin (1938), maakte dit verslag:

De speech tegen de Joden die aan Benjamin Franklin werd toegeschreven – een van de Founding Fathers en medeopsteller van het grondwettelijk verdrag van 1787 – die hij zou afgelegd hebben, is een vervalsing die geproduceerd werd in de afgelopen vijf jaar [1933-38]. De vervalser, wie hij ook mag zijn, beweert dat de toespraak werd neer geschreven door Charles Pinckney van Zuid-Carolina en bewaard wordt in zijn Journaal. De vervalser wist waarschijnlijk, uit een brief gericht aan John Quincy Adams gedateerd op 30 december 1818, dat Pinckney had gezegd dat hij een dagboek bijhield van de procedure van het verdrag. Maar dit dagboek, als het al ooit heeft bestaan, werd nooit gevonden. De vervalser beweert dat Pinckney zijn dagboek ‘gepubliceerd’ heeft bestemd ‘voor particuliere distributie onder zijn vrienden’ onder de titel ‘Chit-Chat Around the Table During Intermissions.’ Geen enkele kopie van een dergelijke gedrukt dagboek is ooit aan het licht komen. Niet tevreden met deze twee beweringen, heeft de vervalser verder beweerd dat het originele manuscript van de toespraak van Franklin, blijkbaar afkomstig uit Pinckney’s dagboek, in het Franklin Instituut in Philadelphia wordt bewaard. Het Franklin Instituut echter beschikt niet over dergelijk manuscript.

De autoriteit van de vervalser voor zijn document is bijna net zo mythisch als men zich maar kan inbeelden. Hij citeert een manuscript dat niet bestaat, refereert naar een gedrukt boek of brochure dat niemand ooit heeft gezien en een dagboek dat meer dan honderd jaar spoorloos is. Er bestaat geen enkel bewijs van de geringste waarde dat Franklin ooit de vermeende toespraak heeft gebracht of ooit iets gezegd of gedacht van die aard over de Joden.

Bronnen: Israel in de media: Interview Palestijnse ‘historicus’: Joden zijn profiteurs en uit op wereldmacht van 21 november 2009; Memri-TV: Palestinian Historian Dr. Ibrahim Al-Sinwar van 6 november 2009 en de transcriptie van de toespraak op de Palestijnse TV van 31 juli 2009; Christelijk Informatie Platform (CIP): Historicus: luie Joden legden werk in Egypte uit als slavernij van 21 januari 2010; ADL:The Franklin “Prophecy” Documenting a Fraud; Benjamin Franklin Warned Against the Jews; Bible History.net: Historical Evidence for Moses en Pahraoh

Grote Leugens deel 4: De kwestie van de nederzettingen

David_MeirLeviDavid Meir-Levi heeft een tekst geschreven die het geheugen herstelt van de feiten die de kern vormen van het conflict in het Midden-Oosten. Deze feiten zijn van cruciaal belang, niet alleen om de geschiedenis te restaureren die door de politiek werd verduisterd, maar om een volk te helpen overleven dat leeft in de schaduw van haar eigen vernietiging. Iedereen die geïnteresseerd is in rechtvaardigheid moet deze tekst hebben gelezen.

Door Brabosh werd deze omvangrijke tekst (toch voor een weblog) vertaald en in vijf delen gepubliceerd als:

Grote Leugens deel 4: De kwestie van de nederzettingen

BIG LIES 4. The Settlements – Part 1

door David Meir-Levi

Er zijn vijf soorten nederzettingen: A. Agrarische nederzettingen voor militaire doeleinden, meestal bemand door soldaten; B. Nederzettingen van Joden die terugkeerden naar gebieden die zij vóór 1948 in bezit hadden (Hebron, Gush Etzion, Joodse wijk van Oost-Jeruzalem); C. Uitbreidende voorsteden van Israëlische steden op of nabij de ‘Groene Lijn’; D. Nederzettingen los van de voorgaande drie soorten; E. Illegale wilde nederzettingen.

A. Nederzettingen voor militaire doeleinden

Het Allon Plan 1968-1987

Agrarische nederzettingen bemand door Israëlische soldaten, werden al snel werd ingesteld na de oorlog in gebieden waarvan het IDF (Israëlische Leger) oordeelde dat ze cruciale corridors voor de defensie waren, vooral langs de rivier de Jordaan, nabij de ‘Groene Lijn’, in de Golanhoogte en in de omgeving van de Gazastrook. De term Groene Lijn wordt gebruikt om te verwijzen naar de grenzen tussen Israël en haar buurlanden (Egypte, Jordanië, Libanon en Syrië) die na de Wapenstilstand van 1949 ontstonden na het einde van de Onafhankelijkheidsoorlog van 1947-1949.

Omdat Egypte, Syrië en Jordanië ook na het einde van de oorlog decennialang oorlogvoerende staten bleven en omdat de PLO actief probeerde basissen voor terrorisme in de nieuw veroverde gebieden te ontwikkelen en omdat Israël eerder was binnengevallen in deze gebieden, werden deze nederzettingen in de eerste plaats bestemd om strategisch militaire defensieve doeleinden te dienen.

Het Allon Plan, ontwikkeld door generaal Yigal Allon kort na de Zesdaagse Oorlog van 1967, voorzag een aantal van deze militair-agrarische nederzettingen (in het Hebreeuws als ‘nahal’ genoemd) als bescherming van de strategische gebieden langsheen de rivier de Jordaan (het is belangrijk eraan te herinneren dat het Hasjemitische Koninkrijk van Jordanië de jure in staat van oorlog verkeerde met Israël tot 1994) en in delen van de Westelijke Jordaanoever waar de bewaking en de mogelijkheden voor een snelle militaire inzet, van essentieel belang werden geacht in het kader van de beveiliging [van de staat en haar inwoners].

In een aantal gevallen maakten Palestijnse boeren gebruik van het Israëlische rechtsysteem om klacht neer te leggen tegen het leger dat het onnodig terrein innam zonder de juiste militaire doeleinden en deed het Israëlische Hooggerechtshof van Justitie uitspraak in het voordeel van de eisers. De legerbasis Beth El (in de buurt van Ramallah) is het meest bekende geval en waarschijnlijk een van de weinige gevallen in de geschiedenis van de wereld waarin het rechtssysteem van het zegevierende land besluiten nam in het voordeel van de overwonnenen en in strijd met de veiligheidseisen van het leger. Het IDF werd gedwongen om haar basis tien kilometer verder naar het westen te verplaatsen om te voldoen aan aan de land aanspraken van de lokale Palestijnen.

B. Nederzettingen van Joden die terugkeerden naar hun pre-1948 huizen

Het bouwen van nederzettingen door Israëlische burgers op de Westelijke Jordaanoever, begon kort na het einde van de Zesdaagse Oorlog toen een kleine groep orthodoxe Joden een aantal huishoudens opzetten in de voormalige Joodse sectie van Hebron, gevolgd door een grotere herkolonisering door Joden in de snel gereconstrueerde Joodse wijk van Oost-Jeruzalem.

Voorpagina van The Baltimore News krant over de massamoord door Arabieren van 1929 in Hebron

Joden hadden Hebron bijna doorlopend bewoond sinds de dagen van Jozua – 3100 jaar geleden – en werden enkel verdreven tijdens de verschrikkelijke Arabische pogroms van 23 en 24 augustus 1929 toen 67 Joden, mannen vrouwen en kinderen, meedogenloos werden afgeslacht. Een andere bloedige gebeurtenis staat eveneens bekend als de Massacre van Hebron, toen op 25 februari 1994 – op de Joodse Poerimfeestdag – de Joods-orthodoxe extremistische kolonist Baruch Goldstein het vuur opende op biddende moslims in de Ibrahimi Moskee van Hebron waarbij 39 Palestijnen werden gedood en 150 anderen werden gewond. Goldstein, die lid was van de Jewish Defense League (JDL), een militante Joodse organisatie die in 1968 in New York opgericht was door de extremistische rabbijn Meir Kahane, werd ter plaatse doodgeslagen door Arabieren.

De Joodse bewoning van Jeruzalem heeft een soortgelijke millennia-lange geschiedenis, tot de oorlog van 1948 en de massamoord op bijna de helft van de bevolking van de Joodse wijk deze Joodse aanwezigheid in bloed beëindigde. Later hervestigden Joden zich in de dorpen van het Kfar Etzion gebied (alias Gush Etzion) ten zuidwesten van Bethlehem. Aangezien dit gebied uitgebreid door zionistische pioniers werd gekoloniseerd en ontwikkeld in het begin van de 20ste eeuw en bendes ongeregelde Arabieren de meeste Joden van deze dorpen hadden uitgemoord tijdens de oorlog van 1948 [de Massamoord van Kfar Etzion van 13 mei 1948, precies één dag voor Israël de onafhankelijkheid zal uitroepen], wordt de terugkeer van de Israëli’s naar deze gebieden aangeduid als Type B nederzettingen.

C. Uitbreidende voorsteden van Israëlische steden op of nabij de ‘Groene Lijn’

Onbezette gebieden rondom Jeruzalem en ten oosten van Kfar Saba en Netanya (nabij Tel Aviv) en ten noordoosten van Petah Tikva, werden gebruikt als locaties voor grote bouwprojecten die goedkope huisvesting realiseerden voor de groeiende bevolking van Jeruzalem en de gebieden rondom Tel Aviv. In de meeste gevallen werd de gronden van het voormalige Jordaanse ‘kroongebied’ in gebruik genomen omdat geen enkel individu aanspraken kon laten gelden van particulier eigendom. Ook omdat Jordanië dit ‘betwist gebied’ op 24 april 1950 illegaal had geannexeerd bij haar koninkrijk, annexatie die enkel door Groot-Brittannië en Pakistan (toen nog een Britse kolonie) werd erkend maar afgekeurd werd door de meeste landen van de Arabische Liga.

Hebron, april 2009. Palestijnse Arabier wordt opgehangen als straf voor het verkopen van grond aan een Israëlische onderneming

Jordanië zal pas op 31 juli 1988 afzien van haar aanspraken op de Westelijke Jordaanoever door het wegschenken van dit ‘betwist gebied’ aan Yasser Arafat en zijn PLO (Palestijnse Bevrijding Organisatie). Bij het ontbreken van de bereidheid van Jordanië om na het einde van de Zesdaagse Oorlog vredesonderhandelingen aan te vatten met het soevereine Israël, begonnen de Israëli’s deze onbezette gebieden in beslag te nemen en te ontwikkelen, wat juridisch volkomen legaal en conform was met Israël’s soevereiniteit en die het gevolg waren van haar defensieve acties tegen een aanvallende mogendheid (Jordanië) dat haar aanvalsoorlog (in 1967) tegen een soevereine staat [Israël] had verloren.

In die gevallen waarin Arabieren legaal gronden bezaten op de Westelijke Jordaanoever en die Israël wilde bezitten bestemd voor de uitbreiding van haar projecten, kocht Israël deze gronden op aan eerlijke marktprijzen. Gronden verkopen door Arabieren aan Israël was in de decennia na de Zesdaagse oorlog de gewoonste zaak van de wereld en bleek voor veel Arabieren een erg winstgevende handel. Zozeer zelfs dat toen de Palestijnse Autoriteit in 1994 werd opgericht, Arafat verklaarde dat de verkoop van grond aan de Joden voortaan een kapitaal vergrijp was en kondigde tegelijk de doodstraf door ophanging af voor grondverkoop aan de Joden, met het onmiddellijke gevolg dat vele Palestijnse families die goed hadden geprofiteerd van deze grondverkoop, plotseling in acuut levensgevaar verkeerden en sommigen gedwongen werden de Westelijke Jordaanoever te ontvluchten.

De snelle aangroei van de Joodse bevolking van Jeruzalem na de oorlog confronteerde de Israëlische regering met zowel het probleem als met de oplossing met een verstrekkende politieke valentie. Wijken in een nederzetting met een dichte Joodse bevolking, werden ontwikkeld om aan deze groei tegemoet te komen en die nederzettingen werden gebruikt om Jeruzalem te omringen, zodat het fenomeen tussen 1948 en 1967 van een ‘Jeruzalem corridor’ (toen Jeruzalem aan drie en een halve zijde werd omringd door vijandige Arabische steden en dorpen en haar bewoners enkel toegang hadden tot de andere Israëlische gebieden via een smalle weg) niet opnieuw zou worden gecreëerd in het kader van een toekomstig vredesakkoord met de Arabieren. De perifere gebieden (onder meer French Hill, Ammunition Hill, Gilo, Ma’aleh Adumim en Har Homah) werden omgezet in snel groeiende voorsteden die de stad een grotere omtrek gaven en onderdak boden aan de snel opkomende bevolking. Hiervan werd enkel Gilo gebouwd op particulier bezit. Een Palestijns christelijk gezin in Beit Jalla verkocht dit gebied op de heuveltop in 1974 aan de gemeente van Jeruzalem. [Gilo kwam op 17 november 2009 in het nieuws toen het gemeentebestuur van Jeruzalem haar fiat gaf voor de bouw van 900 nieuwe woningen.]

D. Nederzettingen los van de voorgaande drie soorten

Arabieren besturen bulldozers en leggen een weg aan in de Joodse nederzetting Maaleh Adumim, nabij Jeruzalem (22 juni 2009)

22 juni 2009. Arabieren besturen bulldozers en leggen een weg aan in de Joodse nederzetting Maaleh Adumim, nabij Jeruzalem op de Westelijke Jordaanoever

Na verloop van tijd moedigden religieuze en rechtse politieke drukkingsgroepen de oprichting aan van nieuwe nederzettingen elders op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza. Onder de premiers Menachem Begin en Yitschak Rabin, rukten deze nederzettingen snel op. Vaak werden zij gesticht in de buurt van oude heilige Joodse plaatsen, zoals het Graf van Jozef in de buurt van Nabloes (= het bijbelse Sichem/Shechem).

Arabische woordvoerders beweren dat deze nederzettingen, waarvan een aantal gebouwd werden diep in de gebieden op de Westelijke Jordaanoever of in de Gazastrook, gestolen land was van Arabische boeren. Israël beweert dat de meeste grond die worden gebruikt voor ontwikkeling, onbezet waren en niemands eigendom, en dat aldus de kwalificatie als ‘Kroongebied’ Israël het volledige wettelijke recht verleende om op die gronden te bouwen en in ontwikkeling te brengen. In die gevallen waar de verwerving van particulier bezit noodzakelijk was voor de uitbreiding van de nederzettingen, beweert Israël dat het die gronden van haar juridische eigenaars heeft aangekocht tegen de reële marktwaarde.

Er was veel discussie in de Israëlische regering en binnen de samenleving over de vraag of het toelaten van dit soort nederzettingen van Type D wel productief bijdroegen in de context van het doel van Israël om op lange termijn vrede met de Arabieren te bereiken. Uiteindelijk was de Israëlische regering van mening dat het creëren van de ‘uvdot bashetah’ [als een fait accompli in het gebied – met name nederzettingen die de facto bestonden, letterlijk in beton, compleet met gebouwen, bevolkt waren, agrarische en industriële activiteiten ontwikkelden en onderling verbonden waren door een efficiënte infrastructuur met de voor-1967 Israëlische gebieden] nuttig zou kunnen zijn als onderpand tijdens toekomstige onderhandelingen voor vrede met de Arabieren.

E: Illegale wilde nederzettingen

outpost

De Joodse illegale nederzetting Hilltop 18 (Mitzpe Avichai), werd op bevel van premier Netanjahoe in de nacht van 26 op 27 mei 2009 weer afgebroken

Illegale ‘in het wilde’ opgezette nederzettingen werden opgericht door break-away kolonisten, vaak in strijd met de instructies van het IDF en/of de overheid, soms op particuliere Palestijnse gronden. Palestijnse klachten over dergelijke illegale landroof werden behandeld voor de Israëlische rechtbank met besluiten die niet zelden in het voordeel van de Palestijnen werden beslecht. Deze nederzettingen, of ze nu wel dan niet op illegale grond werden opgericht, worden door velen in Israël als illegaal beschouwd. Sommigen werden onder dwang weer afgebroken of plat gewalst door Israëlische legerbulldozers.

Deze kwestie ligt zeer gevoelig in Israël, met voornamelijk orthodoxe Joden die eisen dat het aan alle Joden wordt toegestaan om zich overal in het Beloofde Land te vestigen (vooral dan overal in de regio waar Abraham woonde: dwz, van Sichem / Nabloes naar Hebron op de Westelijke Jordaanoever). Anti-nederzettingen sentiment onder de Israëli’s (vooral de niet-religieuze) wordt voor een groot deel gestimuleerd door deze malafide wilde ‘outposts’ (zie afbeelding hierboven Hilltop 18/Mitzpe Avichai), en het is bijna uitsluitend te wijten aan dit soort nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, dat premier Sharon besloot deze te ontmantelen nog vooraleer de vredesonderhandelingen met de Palestijnse Autoriteit moesten beginnen.

De legaliteit van de nederzettingen

Woordvoerders van de organisaties die tegen de nederzettingen zijn gekant (zowel Arabische, Israëlische en anderen), hebben herhaaldelijk de nederzettingen gebrandmerkt als illegaal in overeenstemming met de Vierde Conventie van Genève (van 12 augustus 1949) en het internationale recht. Maar zelfs een oppervlakkig overzicht van de relevante elementen van het internationale recht, tonen aan dat deze interpretatie van het Verdrag van Genève een typisch voorbeeld is van Orwelliaanse ‘gespletenheid’. Het is integendeel precies het internationale recht, het Verdrag van Genève alsmede de relevante resoluties van de Verenigde Naties, die het bestaan en de oprichting van de nederzettingen als juridisch volkomen legaal bestempelen.

Hamasleider Ismael Haniyeh (links naast Iraans president Ahmadinejad) werd samen met 415 terroristen in 1992 door Israël het land uitgezet

Volgens de Vierde Conventie van Genève van 12 augustus 1949 is het verbod op het verbannen van overwonnen bevolkingsgroepen en het overbrengen van de bevolking vanuit het grondgebied van de overwinnaar naar de door haar veroverde gebieden, enkel van toepassing op grondgebied dat veroverd werd gedurende een offensieve oorlog. Deze secties van het verdrag werden geschreven om toekomstige acties – zoals bijvoorbeeld de aanvalsoorlog door de nazi’s op Oost-Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog – af te schrikken. Sinds Israël haar soevereiniteit over het grondgebied heeft verworven in een defensieve oorlog, is het zeer de vraag of deze verbodsbepalingen hier wel van toepassing zijn.

Het feit dat de oorlogvoerende tegenstander (Jordanië) tot 1994 permanent in staat van oorlog verkeerde met het soevereine Israël, betekent dit dat de veroverde bevolking potentieel en expliciet vijandig stond tegenover de Joodse staat. Bovendien heeft Israël nooit geen enkele Arabier verbannen uit de door haar heroverde gebieden (behalve dan op 17 december 1992, toen Israël 415 terroristen deporteerde van Hamas (waaronder ook huidig Hamasleider Ismail Haniyeh) en Islamic Jihad van op de Westelijke Jordaanoever en Gaza naar het zuiden van Libanon in een poging om de terreuracties te stoppen).

Integendeel, als gevolg van Israël’s beleid van ‘open bruggen’ langsheen de Jordaanrivier (alhoewel Jordanië op dat ogenblik nog steeds op voet van oorlog stond met Israël), weken grote aantallen Arabieren uit naar Israël en kon de Arabische bevolking op de Westelijke Jordaanoever zich verdrievoudigen – van ongeveer 650.000 in 1967 tot meer dan 2.000.000 in 1994 – die gelijktijdig gepaard liep met een evenredige toename van Arabische nederzettingen (volgens sommige schattingen blijkt dat maar liefst 260 nieuwe Arabische dorpen werden gesticht of uitbreidingen van bestaande locaties hebben plaatsgevonden gedurende deze periode). Het is dus duidelijk dat het Israëlische nederzettingenbeleid niet alleen niets deed dat een inbreuk kon zijn op het wel en wee van de inheemse bevolking, maar integendeel juist door haar activiteiten daadwerkelijk een gunstige economische omgeving creëerde waardoor honderdduizenden Arabieren konden integreren.

Met betrekking tot grondgebied dat veroverd werd in een defensieve actie, toont het Handvest van de Volkerenbond (van december 1924) duidelijk aan (tegelijk ook dezelfde wereldorganisatie die aan Groot-Brittannië het recht gaf om een Mandaat Regering in te stellen over Palestina en die verklaarde dat het Britse Mandaat Palestina het thuisland moest worden van het Joodse volk), dat de dispositie van dergelijk grondgebied deel zal uitmaken van een vredesovereenkomst tussen de strijdende partijen. Bij gebrek aan een dergelijke overeenkomst, zal de dispositie van deze gebieden in geschil blijven. Dergelijke gebieden worden algemeen aangeduid als ‘betwiste gebieden’ en niet als ‘bezette gebieden’. Hun voortdurende bezetting door de verdedigende partij is bijgevolg legaal.

Omdat de oorlogen van 1948 en 1967 van defensieve aard waren, is de Israëlische bezetting van gebieden buiten de grenzen van het Verdeelplan van 1947 (VN-resolutie 181) en de grenzen na de wapenstilstand van 1949, volledig legaal. Het Charter van de Verenigde Naties (van 26 juni en van kracht op 24 oktober 1945) aanvaardt – en met geen enkele autoriteit die dat kan veranderen – aldus het Handvest van de Volkerenbond. Dus is het Handvest van de Volkerenbond nog steeds internationaal rechtsgeldig en biedt het een congruent en rationeel evenwicht aan de Vierde Conventie van Genève (dat wil zeggen, het Charter beschrijft de rechten van een land dat grondgebied bezet in een defensieve actie en de Conventie beschrijft de beperkingen die op een natie worden gelegd die grondgebied bezet in een offensieve actie). Beide zijn internationaal rechtsgeldig.

Het is ook wettelijk voor de verdedigende partij dat zij, bij het ontbreken van een vredesverdrag, de nodige maatregelen mag treffen om de veiligheid van haar onderdanen te handhaven. Zo zijn nahal-nederzettingen (om militaire redenen) juridisch conform volgens het internationale recht. Het internationale recht is ook duidelijk met betrekking tot populaties die werden verdreven uit hun voorouderlijke huizen, die door hun offensieve actie het recht hebben om zich opnieuw te vestigen in hun voormalige huizen, wanneer zij door een succesvolle defensieve actie het land heroverden waaruit ze werden verdreven. Dus de terugkeer van de Joden naar Hebron, Gush Etzion en de Joodse wijk (in Oost-Jeruzalem) is eveneens juridisch conform aan het internationale recht.

Resolutie 242 van 22 november 1967 van de Verenigde Naties maakt duidelijk dat het doel van de resolutie is, de creatie van een rechtvaardige en duurzame vrede met garanties voor de territoriale onschendbaarheid, wederzijds erkende grenzen en politieke onafhankelijkheid van elke staat in het gebied. Volgens Eugene Rostow, één van de opstellers van VN-Resolutie 242, betekent de resolutie – in haar volle omvang – dat het Israëlische bestuur over de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook volkomen legaal handelt, tot op het ogenblik dat een rechtvaardige en duurzame vrede is bereikt. Dergelijk bestuur mag, bij het ontbreken van een vredesverdrag en in het gezicht van de aanhoudende vijandigheid van de Arabische staten en terroristische groeperingen, leegstaande segmenten verder ontwikkelen voor de huisvesting van een groeiende bevolking. Deze activiteit is niet hetzelfde als het verplaatsen van de bevolking naar het grondgebied voor hervestiging. Dus is ook het derde type van nederzettingen (Type C) bijgevolg eveneens legaal.

Ontruiming van Joodse nederzetting Gush Katif in de Gazastrook, augustus 2005. De 8.000 Joodse kolonisten worden door het Israëlische leger verdreven

De kwestie van de nederzettingen Type D ligt ingewikkelder. Niets in het Verdrag van Genève verbiedt de vrijwillige ontwikkeling van ‘betwiste gebieden’. Wat wel verboden is, is de gedwongen deportatie en georganiseerde verplaatsing van de originele bevolking als gevolg van de opgedrongen kolonisering door de veroverende bevolkingsgroep. Dus, in de mate dat de nederzettingen van het type D in functie zijn van Israëliërs die zich vrijwillig vestigen in de gebieden op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook zonder dat zij beslag leggen op Palestijnse grond en de Palestijnse bevolking niet verwijderd werd, zijn deze nederzettingen van het Type D legaal.

Aangezien de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook juridisch gezien nooit onderdeel waren van een soevereine natie (ze maakten t/m 29 november 1947 deel uit van het Britse Mandaat Palestina en waren door de Verenigde Naties oorspronkelijk voorbestemd om er een Palestijns-Arabische staat op te richten; zij werden in de oorlog van 1948 veroverd en illegaal bezet door Jordanië en Egypte, een schril contrast en een uitdagende schending van het VN-verdelingsplan – VN-resolutie 181 en VN-resolutie 194 – alsmede het internationaal recht), is de Israëlische bezetting van deze gebieden na de oorlog van 1967 geen schending van de wettelijke aanspraken van eender welke natie .

Echter, aangezien sommige Palestijnse grond in particuliere handen in beslag werd genomen met instemming van de overheid, kan worden aangevoerd dat hetzij door medeplichtigheid of naar het ontwerp van de Israëlische regering die deze nederzettingen sponsorde (waardoor deze actie van de overheid meer weg heeft van een plan dan van een vrijwillige kolonisatie), is het meer dan billijk om te stellen dat de nederzettingen van het Type D, hoewel juridisch geheel conform volgens de Vierde Conventie van Genève en de relevante VN resoluties, in een grijze morele zone vertoeven. ‘Wilde’ nederzettingen van het Type E zijn manifest onwettig. Ambtenaren van de Israëlische overheid verwijzen naar die outposts als ‘piraterij’ nederzettingen, het Israëlische leger heeft verscheidene van die nederzettingen ontmanteld en premier Sharon heeft een aantal andere soortgelijke nederzettingen hetzelfde lot toe bedacht. Hetzelfde beleid wordt overigens onder de huidige regering van premier Netanjahoe verder gezet.

Lees het vervolg in het 5de en laatste deel van: Grote Leugens deel 5: De nederzettingen en het Vredesproces

Bron: Free Republic.com: BIG LIES: Demolishing The Myths of the Propaganda War Against Israel door David Meir-Levi met een voorwoord van David Horowitz; een publicatie van het Center for the Study of Popular Culture; Los Angeles, Californië (VS) 7 oktober 2005; website: Students For Academic Freedom; vrij bewerkt en vertaald door Brabosh op 21 november 2009

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 225 other followers