Maandelijks archief: oktober 2009
Voor het laatste nieuws uit niqab- en boerkaland: De gesluierde dreiging ontsluierd

Een Afghaanse soldaat staat bij een boerka die door een mannelijke zelfmoordenaar van de Taliban werd gebruikt om een aanslag te plegen op overheidsgebouwen in de provincie Paktia
Niqabs and Burqas – The Veiled Threat Continues
door Daniel Pipes
Ter herinnering: beide kledingstukken zijn ontworpen om de bescheidenheid van islamitische vrouwen te bewaren; de niqab bedekt alles behalve de ogen maar de boerka bedekt alles, ook het gehele gezicht en de ogen. In “Ban de boerka – en de niqab ook,” heb ik twee jaar geleden gedocumenteerd hoe deze twee kledingstukken een criminele en terroristische bedreiging vormen.
Is dat nu nog steeds het geval?
Criminaliteit
Jordanië biedt een kijkje in de mogelijkheden voor niqabs en boerkas als illegale accessoires: Een Jordaans nieuwsbericht verhaalt hoe de afgelopen twee jaren meer dan 50 mensen 170 misdaden begingen gehuld in islamitische kledingstukken, of ongeveer één incident om de vier dagen, een misdaadgolf die sommige Jordaniërs ertoe heeft aangezet op te roepen tot het beperken of zelfs een totaal verbod op te leggen op het dragen van deze islamitische hoofddoeken. Geen enkel ander land kent bijna zo veel hoofddoeken-gerelateerde misdrijven, maar ook in Philadelphia in Pennsylvania (VS) werden meerdere diefstallen gepleegd (op 3 banken en 1 leasing vastgoed kantoor) in een periode van zestien maanden tussen 2007 en 2008, waaronder de moord op een politieagent.

Sultaana Freeman wilde in Florida (VS) in niqab op haar rijbewijs staan maar de rechter in Orlando zei nee
Het Verenigd Koninkrijk heeft in het Westen het tweede slechtste record. Juwelierswinkels – sommige eigendom van moslims – werden het doelwit in de West Midlands, Glasgow en in Oxfordshire. Twee reisbureaus werden aangevallen in de aangrenzende steden van Luton en Dunstable, terwijl een chauffeur van een gepantserde vrachtwagen werd aangevallen in Birmingham. Diefstal is niet het enige motief; tieners in Londen gebruikten de niqab-stijl om hun gezicht af te dekken om een jongere jongen neer te steken.
Andere criminele feiten in het Westen werden gepleegd door Oost-Europese zakkenrollers die islamitische hoofddeksels droegen in Rotterdam en een gewapende overval op de People’s Bank in Hiddenite, North Carolina (VS) werd uitgevoerd met iemand met een bordeauxrode boerka. De man die Elizabeth Smart (14 jaar) in Salt Lake City ontvoerde, dwong haar een niqab-achtig kledingstuk te dragen dat haar gezicht negen maandenlang verborg zodat ze door niemand kon herkend worden. Als antwoord op deze ‘gesluierde misdaadgolf’ hebben banken, kredietkantoren, juwelierszaken, scholen en universiteiten de toegang beperkt aan personen met een hoofddoek. Zo verwijst bijvoorbeeld de Carolina Federal Credit Union bank van Cherryville (niet zo ver van Hiddenite) iedereen die een hoed, zonnebril of hoofddoek draagt, naar een aparte ingang waar speciale veiligheidsmaatregelen worden toegepast.
Terrorisme
Het terrorisme van de Taliban gerelateerd aan de boerka, vaak een variant op het zelfmoorden, heeft van Afghanistan in de huidige wereld het epicentrum van deze tactiek gemaakt. Bij twee gelegenheden konden de autoriteiten would-be zelfmoordenaars op tijd afstoppen voordat ze konden handelen: een Russische man die zich bekeerd had tot de Islam, werd in de Afghaanse provincie Paktia opgepakt met 500 kilo explosieven in zijn auto en een andere Afghaanse vrouw verborg een bom onder haar boerka in Jalalabad. Meestal echter worden de gewelddadige bedoelingen – die schuilgaan achter de boerka – pas duidelijk op het allerlaatste ogenblik wanneer de aanval begint:
- Een commandant van de Taliban, Haji Yakub, werd in boerkakledij gedood toen hij uit een huis in de provincie Ghazni trachtte te ontkomen tijdens een aanval op de Amerikaanse strijdkrachten.
- Een militant van de Taliban, Mullah Khalid, viel in boerka outfit een politiepatrouille aan in een druk bezochte openbare markt in de provincie Farah, waarbij minstens 12 mensen (7 politieagenten en 5 burgers) werden gedood.
- Een zelfmoordbommenlegger in de provincie Helmand vermoordde een Pashtu-sprekende Britse soldaat vooraleer hij konden worden uitgeschakeld met een schot in het voorhoofd.
- Ongeveer vijftien zelfmoordbommenleggers in boerka outfit, gewapend met zelfmoordjackets, Kalashnikov machinegeweren en granaatlanceerders, vielen regeringsgebouwen aan in de provincie Paktia en vermoordden 12 personen.

Pakistan: Een zelfmoordenaar die een riksja bestuurde en in boerka outfit vermoordde 15 mensen
Irak kreeg te maken met drie van dergelijke incidenten (een mannelijke terrorist vermomd als een zwangere vrouw, een poging tot moord op een gouverneur en twee zelfmoordaanslagen met 22 doden gepleegd door sjiitische pelgrims), terwijl Pakistan er twee mocht ondervinden (waarvan één terrorist die opereerde vanuit een riksja en daarbij 15 mensen doodde). De aanval op het hotel in Moembai (Bombay/Indië) kostte aan bijna 200 mensen het leven waaronder een mysterieuze vrouw in een boerka. Elders vonden incidenten plaats bij een aanval op Franse toeristen tijdens een picknick in Mauritanië en een aanslag met een molotovcocktail in Bahrein.
Oh, van de zonnige kant bekeken, wist Herve Jaubert, een Fransman die valselijk beschuldigd werd van het verduisteren van 3,8 miljoen dollar, Dubai te ontsnappen door een niqab over zich heen te trekken.
Als bijkomend argument om de niqab en boerka te verbieden, zijn er recent nieuwe wetenschappelijke studies in Engeland en Ierland verschenen, die aantonen dat vrouwen (en ook hun kinderen via de borstvoeding) die hun lichaam helemaal bedekken, sneller de neiging hebben om rachitis ziekte te krijgen als gevolg van een tekort aan vitamine D die door de huid uit het zonlicht wordt geabsorbeerd.
Al eerder heb ik gepleit voor een verbod van deze “afschuwelijke, ongezonde, a-sociale, terrorisme- en crimineelvriendelijke kleding” op openbare plaatsen. Nu dat ik wordt bijgetreden door geërgerde Jordaniërs, herhaal ik die oproep. De Islam schrijft nergens voor dat vrouwen de niqab en/of de boerka moeten dragen, terwijl het publiek nadrukkelijk een verbod eist op het dragen ervan in het openbaar. Hoeveel gevallen van diefstal en terrorisme moeten er nog eerst gebeuren vooraleer deze vernauwing van het gezond verstand in Afghanistan en Jordanië wordt toegepast naar het Verenigd Koninkrijk en Philadelphia? (Voor meer details over al deze kwesties, zie mijn weblog item, “De niqab en boerka als bedreiging voor de veiligheid.”)
Bronnen: Jerusalem Post: Niqabs and Burqas – The Veiled Threat Continues door Daniel Pipes van 2 september 2009, vrij vertaald door Brabosh op 25 oktober 2009; The National: Crime wave by men wearing the khimar door Suha Philip Ma’ayeh van 3 augustus 2009; Het Nieuwsblad: Mannelijke agent mag vrouw in boerka niet meer controleren van 1 augustus 2009; De Standaard: Man mag vrouw in boerka niet controleren van 1 augustus 2009; lees meer op Brabosh: Senator Christine Defraigne wil boerka in België bij wet laten verbieden van 3 september 2009; CD&V wil nationaal verbod op de boerka in België van 1 augustus 2009; Hamas voert stapsgewijs de sharia in in de Gazastrook van 27 juli 2009; Lachen met de boerka van 16 juli 2009; ‘Schat, wat trek ik vandaag aan: een hijab, chador, niqab of een boerka?’ van 13 juli 2009; Gaza: vrouw beschuldigd van het lachen in het openbaar en zwemmen zonder hoofddoek van 7 juli 2009; Met de boerka op vakantie naar het Midden-Oosten van 6 juli 2009; Al-Qaeda bezweert Frankrijk een eventueel verbod op de boerka te zullen wreken van 1 juli 2009; De malaise van de multiculturaliteit van 29 juni 2009; Hoofddoekendebat laait opnieuw op in Antwerpen van 25 juni 2009; Franse president Sarkozy bindt de strijd aan tegen de boerka van 23 juni 2009; Het geloof als een uiting van angst van 17 juni 2009; Een ontnuchterend beeld over de geruisloze verspreiding van de islam in de wereld van 4 mei 2009; Het verschil tussen mannen en vrouwen, ‘uitgelegd’ door Sheik Jassem Al-Mutawa van 14 april 2009;
Waarom ze de Holocaust in de moslimwereld ontkennen
Ayaan Hirsi Ali schreef dit artikel enkele dagen na het einde van de Iraanse ‘Holocaust conferentie’, de zogeheten ‘Internationale Conferentie tot herziening van de globale visie van de holocaust’, dat een tweedaagse conferentie was die op 11 en 12 december 2006 plaatsvond in de Iraanse hoofdstad Teheran. De Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Manouchehr Mottaki beweerde dat de conferentie “noch de Holocaust wilde ontkennen, noch bewijzen… [maar] bedoeld was om een passende sfeer te bieden voor wetenschappelijke onderzoekers om in alle vrijheid hun mening te geven over een historisch onderwerp.”
Aan die conferentie namen 67 deelnemers afkomstig uit 30 landen aan deel. Onder meer de Amerikaanse Yisroel Dovid Weiss van Neturei Karta was aanwezig, de Amerikaan David Duke, voormalig Republikeins lid van het Huis van Afgevaardigden Louisiana en Imperial Wizard van de Ku Klux Klan; de Oostenrijkse jood Moshe Aryeh Friedman; Holocaust-ontkenner Robert Faurisson en Fredrick Toben en de Canadese hoogleraar politieke wetenschappen Shiraz Dossa.
De conferentie werd algemeen beschreven als een “conferentie voor ontkenning van de holocaust” of een “vergadering van de ontkenners van de Holocaust”, en veroorzaakte wereldwijde kritiek. Het Vaticaan veroordeelde de conferentie, het Witte Huis noemde het een “belediging van de hele beschaafde wereld” en Tony Blair beschreef het als “schokkend zonder voorgaande.” Historici van de Holocaust woonden een aparte conferentie bij in Berlijn uit protest tegen de conferentie in Teheran die zij een poging noemde ‘om antisemitisme te verhullen in wetenschappelijke taal’.
Why they deny the Holocaust
door Ayaan Hirsi Ali

Israël en de moslimwereld. Het rode vlekje in het midden is Israël...
Behalve de nauwelijks aflatende anti-Semitische propaganda, heeft een groot deel van de moslimwereld er zelfs nog nooit van gehoord.
Op een dag in 1994, toen ik in Ede woonde, kreeg ik bezoek van mijn halfzuster. Wij waren beiden immigranten uit Somalië en we hadden allebei asiel aangevraagd in Nederland. Mijn verzoek was gehonoreerd, het hare niet. Het feit dat aan mij een asielstatus was toegekend, stelde mij in de gelegenheid te studeren. Mijn halfzuster had die mogelijkheid niet. Om toegelaten te worden tot de universiteit van mijn keuze moest ik drie cursussen met goed gevolg afleggen: een talencursus, een inburgeringscursus en een cursus geschiedenis. In de voorbereidende cursus hoorde ik voor de eerste keer over de Holocaust. Ik was op dat moment 24 en mijn halfzuster was 21.
In die dagen stonden de kranten vol van de genocide in Rwanda en de etnische zuiveringen in het voormalige Joegoslavië. Op de dag dat mijn halfzuster me bezocht, duizelde het mij nog steeds omtrent het lot van 6 miljoen Joden in Duitsland, Nederland, Frankrijk en Oost-Europa. Ik wist nu dat onschuldige mannen, vrouwen en kinderen van elkaar waren gescheiden. De Jodenster werd op hun kleding vastgemaakt, ze werden per trein vervoerd naar de kampen waar ze werden vergast voor geen enkele andere reden dan dat ze Joods waren.
Ik zag foto’s van massa’s skeletten, zelfs van kinderen. Ik hoorde huiveringwekkende verhalen van sommige van diegenen die Auschwitz en Sobibor hadden overleefd. Ik vertelde dit aan mijn halfzuster en ik liet haar de foto’s in mijn boek zien. Haar reactie was net zo gruwelijk als de foto’s in mijn boek. Met grote overtuiging schreeuwde mijn halfzuster: “Het is een leugen! Joden weten altijd hoe ze de mensen zand in de ogen moeten strooien. Ze zijn niet vermoord, vergast of massaal afgeslacht. Maar ik bid tot Allah dat op een dag alle Joden in de wereld zullen worden vernietigd.”
Ze zei niets nieuws. Ik herinner me dat tijdens mijn jeugd in Saoedie-Arabië mijn onderwijzers, mijn moeder en onze buren ons bijna dagelijks vertelden dat Joden slecht waren, de gezworen vijanden van de moslims, en dat hun enige doel was de Islam te vernietigen. Ons werd nooit iets verteld over de Holocaust.
Later woonde ik als teenager in Kenia. Ik kan me nog goed herinneren hoe de filantropie ons bereikte uit Saoedie-Arabië en andere regio’s in de Perzische Golf. De bouw van moskeeën en donaties aan ziekenhuizen en de armen gingen daarbij hand in hand met het vervloeken van de Joden. Joden waren volgens de geruchten verantwoordelijk voor de dood van baby’s en voor epidemieën als AIDS. Ook geloofde men dat zij de oorzaak waren van oorlogen. Ze waren hebzuchtig en zouden er alles aan doen om ons Moslims te vermoorden. Als we ooit vrede en stabiliteit wilden kennen en als we niet uitgeroeid wilden worden, dan moesten we de Joden vernietigen. Voor diegenen onder ons die niet in staat waren de wapens tegen hen op te nemen, was het genoeg onze handen samen te voegen, de ogen hemelwaarts te richten en tot Allah te bidden opdat hij ze zou vernietigen.
Westerse leiders die vandaag de dag zeggen dat ze geschockeerd zijn door Ahmadinejad’s conferentie, met de ontkenning van de Holocaust als thema, moeten nodig hun ogen eens openen voor de realiteit. Voor de meerderheid van de moslims in de wereld is de Holocaust geen belangrijk historisch gegeven dat wordt ontkend. We weten eenvoudigweg niet dat het ooit plaatsvond omdat we er nooit over zijn geïnformeerd. Het totale aantal Joden in de wereld wordt tegenwoordig geschat op rond de 15 miljoen, zeker niet meer dan 20 miljoen. Aan de andere kant wordt de moslimbevolking werweldwijd geschat op tussen de 1.2 en 1.5 miljard. Niet alleen groeit deze bevolking razendsnel, ook is ze erg jong.
Wat Ahmadinejad’s conferentie zo schrikbarend maakt is de (stilzwijgende) instemming van mainstream moslims. Ik blijf mezelf voortdurend afvragen: Waarom is er geen tegenconferentie in Riyadh, Cairo, Lahore, Khartoum of Jakarta die Ahmadinejad veroordeelt? Waarom hullen de 57 leden van de Organisatie van de Islamitische Conferentie zich in stilzwijgen over dit onderwerp?
Wellicht is het antwoord op die vraag even simpel als gruwelijk: Generaties lang hebben de leiders van deze zogenaamde moslimlanden hun bevolking een voortdurend dieet van propaganda gevoerd dat gelijk is aan dat wat een generatie van Duitsers (en andere Europeanen) werd gevoerd – dat Joden ongedierte zijn en als zodanig dienen te worden behandeld? In Europa was de logische conclusie de Holocaust. Als het aan Ahmadinejad ligt, zal hij niet wachten op de toestemming van moslims om de daad bij het woord te voegen.
De wereld moet keer op keer worden geïnformeerd over de Holocaust – niet alleen in het belang van de overlevende Joden en hun nageslacht maar in het belang van de mensheid in zijn geheel.
Bron: Los Angeles Times: Why they deny the Holocaust door Ayaan Hirsi Ali van 16 december 2006, Ayaan Hirsi Ali is een vaste medewerker van AEI (American Enterprise Institute)
Slachtoffers van incest en misbruik in de Palestijnse gebieden
Op deze foto van 17 juli 2009, houden gesluierde Palestijnse vrouwen elkaars handen vast wanneer ze over het strand lopen van Gaza-stad, dat ijverig gecontroleerd wordt door de Hamas-politie. Hamas heeft een nieuwe campagne gestart om de inwoners van Gaza te dwingen in het keurslijf van de streng islamitische levensstijl, en een eerste duidelijke poging van de islamitische militanten om de controle van de politiek uit te breiden tot het privé-leven van de mensen, sinds zij de macht over Gazastrook twee jaar geleden met geweld hebben veroverd (foto AP)
Voor wie wil weten hoe ver het staat met de mate van beschaving in een bepaald land of gebied, doet er altijd goed aan om eerst te praten met de vrouwen van dat land en hoe het gesteld is met hun mensenrechten. De situatie van de vrouwen in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever, het gebied dat door de Arabische wereld ‘Palestina’ wordt genoemd, is ronduit een schande voor de mensenrechten. Voortdurend wordt er door de meute anti-Israël haters gezwaaid met rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch, wanneer het er omgaat de Israëlische staat te demoniseren en te veroordelen. Een rapport van Human Rights Watch, dat snel door elke Israëlbasher onder de mat werd geveegd is namelijk het HRW rapport van november 2006 A Question of Security Violence against Palestinian Women and Girls. Ik nodig iedereen uit om dat rapport eens grondig door te nemen, en na te denken over het feit wat de vrouwen in de Israëlische staat ooit te wachten zou staan, indien de Arabieren ooit hun één-staat-wens waarin het gebied en de bevolking van Israël, Gaza en de Westelijke Jordaanoever zouden samengevoegd worden en hun droom van een Palestijnse Islamitische Republiek ooit in vervulling zou raken.
Wat een verademing wanneer je naar de vrouwen in Israël kijkt, ongeacht of ze nu Joods, moslim, christen, druus of bedoeïenen zijn, zij hebben tenminste nog de keuze om zelf te beslissen in welke mate ze over de rechten en vrijheden willen beschikken die hun door de democratische Joodse staat worden aangereikt. De Israëlische democratie bevat naar Westerse maatstaven inderdaad nog een aantal onvolkomenheden, maar wie zijn huiswerk goed wil doen moet Israël in de eerste plaats vergelijken met de landen van de Arabische wereld in dat werelddeel waar het zich bevind, met name in het Midden-Oosten. Het recht op terugkeer van 4 miljoen Arabische nazaten van vluchtelingen zoals dat door Palestijnen en Arabieren al meer dan zestig jaar wordt geëist, zou niet enkel het einde van de Joodse staat betekenen, doordat de Israëlische Joden wellicht hun numerieke meerderheid zouden verliezen, maar zou tegelijk ook het doodvonnis zijn van de enige democratie in dat deel van de wereld.
De volgende tekst is niet dat beruchte HRW-rapport (dat is voor een volgende keer), maar een recente situatiebeschrijving van de mensenrechten van vrouwen en kinderen in de Palestijnse gebieden Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Hierin klaagt Salam Kawther de zogenaamde ‘eermoorden’ aan waarvan Palestijnse meisjes en vrouwen regelmatig het slachtoffer van worden in Gaza en in de Palestijnse gebieden op de Westelijke Jordaanoever. Over hoe Palestijnse Arabieren omgaan met hun vrouwen, welke rechten ze hen ‘op papier’ toekennen en hoe het er in de praktijk aan toegaat. Een bijzonder verslag van een schrijnende situatie en elke democratie onwaardig.
De Palestijnse anti-Israëlische journaliste Salam Kawther
Salam Kawther is een Palestijnse anti-Israëlische journaliste uit Hebron. Zij heeft gewerkt voor verscheidene Palestijnse kranten, Al-Ittihad, al-Hayat al-Jadida en Al-Quds Al-Arabi. De Israëlische organisatie Gush Shalom, publiceert wekelijks op haar website uit haar dagboek over haar ervaringen in Hebron. Zij heeft ook meegewerkt aan drie films voor enkele Israëlische TV-stations.
Haar verslag is des te merkwaardiger omdat journaliste Kawther Salam door haar artikels nationaal en internationaal staat aangeschreven als één van de bekendste Israëlhaters in de Palestijnse media en graag geciteerd wordt door zowat elke Israëlbasher in de wereld. Zo vermoed zij in dit verslag een complot achter de ‘eermoorden’ door de Amerikaanse CIA, terwijl het er nochtans vingerdik op ligt dat zij de schuld van deze ellende beter kan zoeken en vinden bij de radicalisering van de Islam in haar geliefde Palestina, radicalisering die in het Midden-Oosten nog steeds toeneemt.
Lees bijvoorbeeld van Salam Kawther haar verslag over het recente tweede huwelijk van de president van Gaza, Ismail Haniyeh (Abu Al-Abed), de leider van de zo door haar genoemde ‘Islamitische Verzetsbeweging’ (=Hamas). In de Islam mag een man 1 tot 4 vrouwen huwen, wat duidelijk niet naar de zin is van Salam Kawther: “A woman like Amal must be shocked after her husband married a second wife. This Ismail Haniyeh is the normal feeling of a woman who has spent most of her life giving children to her husband, who had sacrificed in her study, beauty, youth and everything in order to give him, Ismail Haniyeh, the chance to attend university and to work on his career. I think that a woman like Amal will be dying of pain after the second marriage of her husband. This feeling is never understood by Muslim men, who just think and understand that they “have the right” to marry 1 to 4 women in Islam. Men who grow up in this culture think of women like shoes: he can wear them and take them off anytime it pleases them.“
Slachtoffers van incest en misbruik in Palestina
Victims of Incest and Abuse in Palestine
door Kawther Salam

Protest in Gaza tegen vrouwen vernedering en misbruik
Vandaag 11 juni 2009 werd een Palestijnse vrouw van 32 jaar en moeder van twee kinderen, vermoord door haar familie in het zuidelijke district van Hebron. Haar lichaam werd gevonden, terwijl de moordenaars hun misdaad wilden verbergen. Volgens welingelichte bronnen was de achtergrond voor de moord het zogenaamd doden “ter bescherming van de eer van haar familie.” In de Gazastrook werd in juni 2009 een meijse van 10 jaar oud uit Deir el-Balah vermoord door haar vader. De achtergrond voor deze moord was het zogenaamd doden “ter bescherming van de eer van haar familie.”
De zogenaamde “eerwraakmoorden” zijn een misdaad die in Palestina nog steeds toeneemt onder de bestudeerde onwetendheid van de Palestijnse Autoriteit, die bezig is met de uitvoering van de criminele plannen van de CIA en de echte regering van de crimineel Keith Dayton dewelke gebaseerd is op de opsluiting van Palestijnse politieke activisten en hun huizen vernietigen om het Vichy-regime te beschermen van met name de Palestijnse Autoriteit. Ook zijn de eermoorden in de Gazastrook gestegen sinds dat het gebied onder de controle staat van de religieuze radicale Hamas, die de eermoorden rechtvaardigt vanuit religieuze motieven.
Op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook zijn er geen wetten die verbieden vrouwen te vervolgen en te vermoorden. De Egyptische wetten die in de Gazastrook worden gevolgd [Gaza was een protectoraat van Egypte tussen 1948 en 1967] en de Jordaanse wetten die werden geïmplementeerd op de Westelijke Jordaanoever, maken een onderscheid tussen mannen en vrouwen en beschermen de moordenaars van vrouwen. ‘Eer’ is uitgegroeid tot de rechtvaardiging van het vermoorden van vrouwen en het beschermen van de moordenaars en geeft tegelijk ook aan de mannen het middel om de samenleving te leiden en de vrouwen beletten om de macht te bereiken. Dit is een duidelijke bedreiging voor alle vrouwen die op zoek zijn naar gelijke rechten met de mannen.
In veel gevallen worden vrouwen gedood als dekmantel voor incest binnen hun gezinnen, die seksueel misbruik en verkrachting moet verbergen gepleegd door hun broers, vaders, ooms … of gewoon omdat ze met een collega van de universiteit een kopje koffie gingen drinken, of omdat een bezoek aan de dokter niet gedaan werd in het gezelschap van haar echtgenoot of moeder, of wanneer ze ging winkelen zonder toestemming van haar echtgenoot, of omdat ze familieleden van haar man had geërgerd, omdat ze haar hoofddoek had afgenomen tegen de wil van de familie in, omdat ze een e-mail naar een vriend hadden geschreven, omdat ze foto’s had uitgewisseld, om eender welke vorm van verdenking, omdat ze haar familie had gevraagd naar haar erfenis, omdat ze verliefd was geworden op iemand, omdat ze het raam had geopend en naar de straat had gekeken, omdat ze een huwelijk had geweigerd… ontelbare kleine en verschrikkelijke redenen zijn de oorzaak waarom vrouwen het leven laten in Palestina. Zelden werden deze vrouwen gedood omdat ze schuldig waren of een echte seksuele relatie hadden.
Alleen een leugenaar durft te zeggen dat in Palestina nog nooit een vrouw fysiek werd lastig gevallen, verbaal beledigd of seksueel misbruikt werd binnen het gezin. Het is een leugenaar die zegt dat in de kantoren van de Palestijnse Autoriteit.de vrouwen niet seksueel geïntimideerd worden. Seksueel misbruik komt vaak voor op het werk, en beledigingen, pesterijen, vernederingen en spot, komen vaak voor binnen het gezin. Deze kwesties worden goed verborgen gehouden en geen enkele vrouw die erover durft te praten. In veel gevallen zijn het de vader en de broer die hun dochter en zuster seksueel misbruiken en dan het slachtoffer vermoorden onder het mom van een zogenaamde “eremoord”, omdat ze dan niet gestraft worden en het helpt om de onverdiende ‘eer’ van de moordenaars te handhaven”. Meer dan 50 procent van de slachtoffers die werden onderzocht en waarvan werd vastgesteld dat ze geen maagd meer waren, konden hun maagdelijkheid alleen hebben verloren wegens seksueel misbruik door hun eigen familieleden, die hen vervolgens vermoorden om hun schandelijke misdaden te verbergen. De lokale media heeft deze misdaden nooit geopenbaard en verzwijgt de problemen die veroorzaakt worden door de verborgen incest epidemie. Dit onderwerp is nog altijd taboe en wordt gecensureerd door criminelen, die meestal mannen zijn die aan het hoofd staan van invloedrijke organisaties. Zelfs aan de politie, in de weinige zaken die hen bereiken, vertellen de moordenaars dat zij ‘een grote daad, iets eervols’ hebben gedaan.
Sinds mijn jeugd herinner ik me de moord op de meisjes. Ik zal nooit de moord vergeten op Haifa’a uit mijn klas, die amper 9 jaar oud was toen zij door haar ouders werd vermoord. Een andere vriendin, Wafa, werd gedwongen om te trouwen toen ze 12 jaar was en werd vermoord door haar man omdat ze met hem weigerde naar bed te gaan. Een ander meisje van mijn school, Najah, werd vermoord door haar broer, terwijl ik in de derde klas van de middelbare school zat. In onze buurt werden twee tweelingzusjes van 13 jaar vermoord door hun vader en moeder. Een ander meisje werd in 2002 vermoord door haar vader, slechts enkele maanden voordat ik een vluchteling werd. En er zijn nog veel meer moorden bekend die ik nooit zal kunnen vergeten. Eenmaal werd in Jeruzalem voor mijn ogen een vrouw door haar broer vermoord. Later kwam ik erachter waarom ze vermoord werd. Zij had ruzie gehad met haar echtgenoot en was naar haar broer gegaan om er te wachten tot de zaken wat gekalmeerd waren; haar echtgenoot kwam langs om de omheining te herstellen en ze ging opnieuw naar huis met hem, maar omdat ze vergeten was om haar broer toestemming vragen om te mogen vertrekken, volgde hij haar en doodde haar op straat.

Hanan Ashrawi: 'Spreken is zilver, zwijgen is goud'
De Palestijnse Autoriteit onderhoudt zwakke wetten in haar wetboeken, wetten die criminelen beschermen die vrouwen lastigvallen en vermoorden. Ze handhaven deze wetten die discrimineren tussen mannen en vrouwen omdat alle mannen, of althans de meesten onder hen, zelf betrokken zijn bij deze misdaden en ze zichzelf aldus beschermen tegen vervolging en straf.
Zelfs Hanan Ashrawi, die zichzelf uitgeeft als een soort vrouwelijke hoop in de Palestijnse politiek, blijft angstvallig zwijgzaam en vermijd de kwestie van incest en eerwraak in Palestina te berde te brengen, omdat ze veel te goed wordt betaald door de kliek die deze misdaden door de vingers ziet. Als christen met een Israëlisch paspoort zou ze teveel kunnen verliezen als ze dit onderwerp ter sprake zou brengen en ik weet van een geval waarin zij weigerde om zich uit te spreken over een zaak waarin een christelijke vrouw door haar familieleden werd vermoord. [letterlijk dus: ‘Spreken is zilver, zwijgen is goud’]
Bron : Victims of Incest and Abuse in Palestine door Kawther Salam van 11 juni 2009, vrij vertaald en bewerkt door Brabosh op 29 oktober 2009; Human Rights Watch Report – November 2006 Volume 18, No. 7(E) : A Question of Security Violence against Palestinian Women and Girls; Daniel Pipes Org: Strange Sex Stories from the Muslim World door Daniel Pipes van 9 april 2009, updated 7 oktober 2009; AINA: Palestinian ‘Honor’ Killings on the Rise van 19 januari 2006
Egyptische soldaten herstellen hun ‘Veiligheidsmuur’ tussen Gaza en Egypte

Nee, dit is niét de Israëlische Veiligheidsmuur op de Westelijke Jordaanoever, maar een muur opgetrokken tussen Egypte en de Gazastrook, bestaande deels uit ijzeren platen en deels uit betonnen panelen gemiddeld 13 meter hoog. Een echte ‘Apartheidsmuur‘ die een volk – het Arabische volk – van elkaar gescheiden houdt tussen Gaza en Egypte. In tegenstelling tot de Israëlische Veiligheidsmuur, werd deze ‘muur van de schande’ nooit het onderwerp voor discussie binnen de VN-Veiligheidsraad, noch werd er ooit een resolutie aangenomen waarin Egypte werd veroordeeld voor het bouwen en onderhouden van deze muur. De vraag waarom de ene muur wel mag en de andere niet, kan alleen de Arabische moslimwereld beantwoorden, die het Palestijnse volk al meer dan zestig jaar gegijzeld houdt en – zoals te zien is op de foto’s zélf opsluit in een ‘getto’ dat ze zelf gecreëerd hebben en al die jaren overeind houden met miljoenen dollars en euro’s steun van het Kwartet (VS, VN, Rusland en de EU) – als ultieme middel dat ooit moet leiden tot de vernietiging van de Joodse staat van Israël.

31 maart 2009: Ron Paul signeert de Apartheidsmuur tussen Gaza en Egypte
“Mister Moebarak, tear down this wall!”


Hieronder heeft in juni 2009 een Palestijn met een bulldozer een gat door de muur gemaakt. Die zal dra hersteld worden door Egyptische soldaten…

23 januari 2008: Gazanen stromen naar Egyptisch gebied doorheen een gat in de 13-meter hoge ‘Apartheidsmuur’ die Egypte heeft opgetrokken. Gaza was Egyptisch protectoraat van 1948 tot 1967


Egyptische soldaten herstellen een vernield deel van de grensmuur tussen de Gazastrook en Egypte, 27 januari 2008. [...] (foto’s: Suhaib Salem/Reuters)



lees ook op Brabosh: Veroordeling van de ‘Veiligheidsmuur’ door Internationale Gerechtshof was FOUT van 5 augustus 2009; ‘Apartheid’ bestaat niet in Israël van 16 mei 2009; Veiligheidsmuur of Apartheidsmuur? [satire] van 19 juni 2009; Waarom de ene muur de andere niet is (Veiligheidsmuur van Israël) van 7 maart 2009; Graftombe van Rachel (Bethlehem) politiek hangijzer in de geschiedenis van de Joodse staat van 5 maart 2009
Het ware verhaal van de NAKBA, de vlucht van de Arabieren uit Palestina 1947-1949 – deel 2
Het museum van de I.Z.L. (1947-1948) ter ere van Amihai Paglin (“Gidi”), de commandant van de I.Z.L., werd opgedragen aan de 41 strijders die sneuvelden tijdens de gevechten in de slag om Jaffa april/mei 1948
Over de zogeheten ‘nakba’, de vlucht van de Arabieren uit Palestina tussen 1947 en 1949, circuleren nogal wat Wild-West verhalen, nagenoeg allemaal van Arabische en Palestijnse origine en gestoffeerd en al dan niet ‘intellectueel’ geschraagd door westerse journalisten, auteurs, historici tot en met de Israëlische ‘nieuwe historici’. De hierna volgende vlijmscherpe en recente analyse van Efraïm Karsh van de vlucht van de Arabieren uit Palestina rond 1948 is er een die niemand kan negeren.
In de oorspronkelijke engelstalige versie werd elke passage voorzien van een bron en voetnoot. Gezien de lengte heb ik die niet opgenomen in deze vertaling. Dus, voor wie de bronnen wil traceren die Efraïm Karsh heeft gebruikt voor zijn analyse, moet ik helaas naar die engelstalige versie verwijzen (zie onderaan bij bronnen). De oorspronkelijke titel ‘1948, Israel, and the Palestinians—The True Story‘ heb ik gewijzigd naar ‘Het ware verhaal van de NAKBA’ omdat die titel imho nederlandstalige lezers in België en Nederland wellicht meer zal aanspreken. Het ware verhaal van de Nakba verschijnt noodgedwongen – omwille van de lengte van de tekst – in twee afleveringen op deze blog.
Het ware verhaal van de NAKBA – deel 2
1948, Israel, and the Palestinians—The True Story
door Efraïm Karsh
Laatste passage uit deel 1: De Palestijns-Arabische leiders beloofden dat “indien het verdeelplan moet worden uitgevoerd, dit alleen zal bereikt worden over de dode lichamen van de Arabieren van Palestina, hun zonen en hun vrouwen.” De Irakese commandant Qawuqji van het Arabische Bevrijdingsleger (ALA) zwoor “om alle Joden in de zee te drijven.” Abdel Qader Hoesseini verklaarde dat “het Palestijnse probleem alleen door het zwaard zal worden opgelost; alle Joden moeten Palestina verlaten.”
Zij en hun Arabische medestanders deden hun uiterste best om deze bedreigingen te doen uitkomen met alle middelen waarover ze beschikten. Naast de reguliere troepen zoals de ALA, richtten guerrilla- en terreur groepen enorme ravage aan, zowel onder de niet-strijders als onder de Joodse gevechtseenheden. Vuurgevechten, sluipschutters, hinderlagen, bomaanslagen, die in de wereld van vandaag zouden veroordeeld worden als oorlogsmisdaden, waren dagelijkse kost in het leven van burgers. “Onschuldige en weerloze mensen, die hun dagdagelijkse ding deden”, schreef de Amerikaanse consul-generaal in Jeruzalem Robert Macatee in december 1947, worden getroffen tijdens het rijden in bussen of wanneer ze in de straten lopen en verdwaalde schoten treffen zelfs mensen tijdens hun slaap in bed. Een Joodse vrouw, moeder van vijf kinderen, werd neergeschoten in Jeruzalem terwijl ze wasgoed te drogen hing op haar dak. De ambulance die haar in allerijl naar het ziekenhuis voerde werd met machinegeweren onder vuur genomen en tenslotte werden op haar begrafenis de rouwenden aangevallen en werd een van hen doodgestoken.
Door de toename van de gevechten, deelden ook de Arabische burgers de klappen en af en toe leidde een gruweldaad tot een cyclus van grootschalig geweld. Zo werd de moord op zes Arabische arbeiders in december 1947 in een olieraffinaderij de buurt van de Haifa gepleegd door de kleine Joodse ondergrondse groep IZL (Irgun Zvai Leumi/Irgoen), onmiddellijk gevolgd door de slachting van 39 Joden door hun Arabische collega’s, net zoals de dood van zo’n 100 Arabieren tijdens de strijd om het dorp Deir Yasin in april 1948 binnen enkele dagen werd ‘gewroken’ door de moord op 77 Joodse verpleegkundigen en artsen die op weg waren naar het Hadassah ziekenhuis op de Scopus Berg.

Het bloedbad in Deir Yassin op 8/9 april 1948, balans: 106 doden. Dit cijfer werd door de Arabische propaganda spoedig opgeblazen tot 246 en later zelfs tot 500 en meer doden en veroorzaakte een golf van paniek op het Arabische platteland. Dat er op 13 april 1948 als vergelding 77 Joodse dokters en verplegers worden afgeslacht tijdens een medisch konvooi naar de Scopusberg, wordt dra door iedereen 'vergeten' maar Deir Yassin daarentegen staat tot vandaag symbool voor 'zionistische wreedheid'
Maar terwijl de Joodse leiders en de media deze gruwelijke gebeurtenissen beschreven voor wat ze waren, soms informatie achter hielden om paniek te voorkomen en aldus de deur open hielden voor Arabisch-Joodse verzoening, werd door hun Arabische tegenhangers de tol niet alleen opgeblazen tot gigantische proporties, maar bedachten ze talrijke onbestaande wreedheden. De val van Haifa bijvoorbeeld (21-22 april), gaf aanleiding tot volstrekt valse beweringen over een grootschalige slachting, die verspreid werd in het Midden-Oosten en de westerse hoofdsteden bereikten. Ook valse geruchten werden verspreid na de val van Tiberias (18 april), tijdens de strijd om Safed (begin mei) en in Jaffa, waar eind april de burgemeester een bloedbad fabriceerde van “honderden Arabische mannen en vrouwen.” De verslagen in de Arabische media over het bloedbad in Deir Yasin waren extreem huiveringwekkend, met IZL-strijders die op hun armen hamer en sikkel tatoeages zouden gehad hebben en vals beschuldigd werden van vernielingen en verkrachtingen.
Het doel van deze paniekzaaierij was ongetwijfeld gericht op het winnen van een zo breed mogelijke sympathie voor de Palestijnse situatie door de Joden voor te stellen als wrede roofdieren. Maar oogste het tegenovergestelde effect en draaide uit op een ramp doordat de paniek zich begon te verspreiden binnen de toch al gedesoriënteerde Palestijnse samenleving. Dat verklaart op haar beurt waarom in april 1948, na vier maanden van ogenschijnlijke vooruitgang, de Arabische oorlog in deze fase in elkaar stortte. (Dat gebeurde allemaal aan de vooravond van een tweede, bredere en meer langdurige fase waarin de legers van vijf Arabische landen half mei Palestina zullen binnen vallen.) Want niet alleen namen steeds minder Palestijnen deel aan de vijandelijkheden, steeds grotere aantallen pakten hun hebben en houden bij elkaar, verlieten hun huizen en vluchten weg naar plaatsen elders in het land of naar naburige Arabische landen.
Inderdaad, waren velen gevlucht nog voor de vijandelijkheden waren uitgebroken, en nog grotere aantallen trokken er vandoor voordat de oorlog hun eigen voordeur bereikte. “Arabieren met hun families verlaten in grote aantallen het land en er is een uittocht van de gemengde steden tot in de landelijke Arabische centra,” meldde Alan Cunningham, de Britse Hoge Commissaris, in december 1947, en hij zal er een maand later nog aan toevoegen dat de “paniek bij de middenklasse blijft voortduren en er een gestage uittocht plaatsvind van diegenen die het zich kunnen veroorloven om het land te verlaten.”
In navolging van deze verslagen, vertelden medio december inlichtingenbronnen bij de Haganah dat een “een uitzinnige evacuatiegolf bezit heeft genomen van hele Arabische dorpen.” De toestand werd dra onhoudbaar en nog vóór de maand voorbij was, kloegen veel Palestijnse Arabische steden over de ernstige problemen die ontstonden door de enorme toestroom van dorpelingen en smeekten de AHC (Arab Higher Comitee, het politiek orgaan van de Arabische gemeenschap in het Mandaat Palestina) dringend om hulp om een oplossing voor die toestand te vinden. Zelfs de Syrische en Libanese regeringen waren verontrust door deze vroege uittocht, en eisten van de AHC dat het de Palestijnse Arabieren zou aanmoedigen om te blijven en de strijd verder te zetten.
Maar er kwamen geen dergelijke aanmoedigingen, noch van het AHC noch van elders. In feite was elke nationale samenhang zoek, laat staan dat er een gevoel bestond van gedeelde lotsbestemming. Steden en dorpen handelden alsof zij op zichzelf staande eenheden waren, enkel om hun eigen behoeften gaven en het kleinste offer schuwden dat naar andere plaatsen [waar de nood dikwijls veel groter was] zou gaan. Veel “nationale comité’s” (dwz, de lokale leiders) verboden de uitvoer van voedsel en drank uit de goed gevulde voorraadkamers van de steden naar behoeftige afgelegen dorpen en steden. De Arabische kooplieden van Haifa weigerden een ernstig tekort aan meel in Jenin te verlichten, terwijl de Gazastrook weigerde eieren en pluimvee naar Jeruzalem uit te voeren; in Hebron controleerden gewapende bewakers alle vertrekkende auto’s. Tegelijkertijd was er een uitgebreide smokkel ontstaan, met name in de gemengde bevolking van de steden, van Arabische levensmiddelen naar Joodse wijken en andersom.
Het totaal gebrek aan gemeenschappelijke solidariteit bleek eveneens uit de erbarmelijke behandeling, die de honderdduizenden vluchtelingen die verspreid waren over het hele land, werd aangedaan. Niet alleen was er geen collectieve poging om hun lot te verlichten, of zelfs geen breder inlevingsvermogen in de directe omgeving te bespeuren, maar veel vluchtelingen werden mishandeld door hun tijdelijke gastheren en onderworpen aan spot en beledigingen voor hun vermeende lafheid. In de woorden van een Joods intelligentie rapport: “De vluchtelingen worden gehaat waar ze ook maar toekomen.”
Zelfs de uitverkoren oorlogsslachtoffers – de overlevenden van het bloedbad in Deir Yasin –ontliepen hun aandeel in de vernederingen niet. Velen vonden een toevlucht in het naburige dorp Silwan, maar leefden al snel op gespannen voet met de lokale bevolking, tot het punt waar op 14 april, slechts vijf dagen na de tragedie, een Silwan delegatie naar het AHC kantoor in Jeruzalem trok om te eisen dat de overlevenden elders zouden worden overgebracht. Geen hulp voor hun verhuis zou er nog ooit aankomen.
In sommige plaatsen weigerden men botweg vluchtelingen op te nemen, uit vrees om de eigen bestaansmiddelen uit te putten. In Acre (Akko), verhinderden de autoriteiten dat vluchtende Arabieren in Haifa zouden ontschepen en in Ramallah organiseerde de overwegend christelijke bevolking haar eigen privé militie, niet zozeer om de Joden te bestrijden maar om te verhinderen dat nieuwe moslims zouden neerstrijken. Velen maakten ongegeneerd misbruik van de penibele situatie waarin de vluchtelingen verkeerden, met name door hen compleet kaal te plukken voor primaire zaken zoals transport en huisvesting.
Toch bleven de Palestijnen nog steeds hun huizen ontvluchten en in een nog steeds toenemend tempo. Begin april 1948 waren er reeds zo’n 100.000 vertrokken, hoewel de Joden op dat ogenblik nog steeds in het defensief waren en helemaal niet in de positie stonden om hen te verdrijven. (Op 23 maart, een volle vier maanden na het uitbreken van de vijandelijkheden, noteerde Safwat, chef-commandant van de ALA, met enige verbazing dat de Joden “tot nog toe geen enkel Arabisch dorp hebben aangevallen behalve wanneer het daartoe werd uitgedaagd.”) Tegen de tijd van de onafhankelijkheidsverklaring van Israël op 14 mei, was het aantal Arabische vluchtelingen meer dan verdrievoudigd. Zelfs dan, werden geen van de 170,000-180,000 Arabieren die de stedelijke centra waren ontvlucht en slechts een handvol van de 130,000-160,000 dorpelingen die hun huizen hadden verlaten, daartoe gedwongen door de Joden.
De uitzonderingen die voorkwamen in het hevigste van de strijd, werden op uniforme wijze bepaald door ad-hoc-militaire overwegingen om het aantal burgerslachtoffers te reduceren, door Arabische strijders uit bepaalde plaatsen weg te houden wanneer er geen Joodse strijdkrachten beschikbaar waren om hen af te weren eerder dan uit politieke overwegingen. Ze gingen bovendien gepaard met inspanningen om het vluchten te voorkomen en/of de terugkeer te bevorderen van mensen die gevlucht waren. Om maar een voorbeeld te noemen, begin april trok een Joodse delegatie, die was samengesteld uit topadviseurs in Arabische zaken, lokale notabelen en gemeentelijke chefs die nauwe contacten hadden met naburige Arabische gemeenten, doorheen de Arabische dorpen in de kustvlakte die in een duizelingwekkende tempo leegliepen, in een poging hen te overtuigen dat hun inwoners zouden blijven.
Wat al deze Joodse alle inspanningen nog indrukwekkender maakt is dat ze plaatsvonden in een tijd waarin grote aantallen Palestijnse Arabieren actief uit hun huizen werden gedreven, hetzij door hun eigen leiders en/of door Arabische strijdkrachten, of uit militaire overwegingen of om te voorkomen dat ze burgers zouden worden van de toekomstige Joodse staat. In het grootste en bekendste voorbeeld, werden tienduizenden Arabieren op bevel van de AHC gesommeerd of gedwongen de stad Haïfa te verlaten, ondanks intensieve pogingen van de Joden om hen te overtuigen om te blijven. Slechts enkele dagen eerder, werd de 6000 sterke Arabische gemeenschap van Tiberias op soortgelijke wijze door haar eigen leiders gedwongen te vluchten, tegen de lokale Joodse wensen in. In Jaffa, Palestina’s grootste Arabische stad, organiseerde het gemeentebestuur de vlucht van duizenden bewoners over land en zee; in Jeruzalem beval de AHC vrouwen en kinderen te vertrekken en lokale bendeleiders jaagden de bewoners weg uit verschillende buurten.
Tienduizenden dorpelingen op het platteland werden op soortgelijke wijze gedwongen hun biezen te pakken in opdracht van de AHC, van lokale Arabische milities of door de ALA. Binnen enkele weken na de aankomst van de laatstgenoemde in Palestina in januari 1948, begonnen geruchten te circuleren over geheime instructies voor de Arabieren in de overwegend Joodse gebieden om hun dorpen te verlaten, zodat ze konden gebruikt worden voor militaire doeleinden en om het risico dat ze zouden worden gegijzeld door de Joden te verminderen.
Tegen februari was dit verschijnsel uitgewaaid tot in de meeste delen van het land. Het kreeg aanzienlijk meer dynamiek in april en mei wanneer ALA en AHC troepen zich in Palestina volledig hadden ontplooid. Op 18 april signaleerde de geheime dienst van het filiaal van de Haganah in Jeruzalem, een nieuwe algemeen bevel om vrouwen en kinderen te verwijderen uit alle dorpen die grensden aan Joodse gemeenten. Twaalf dagen later maakte haar medestander in Haifa melding dat een ALA-commando het bevel had uitgevaardigd om alle Arabische dorpen tussen Tel Aviv en Haifa te ontruimen in afwachting van een nieuw algemeen offensief. In het begin van mei, wanneer de strijd wordt geïntensiveerd in het oosten van Galilea, werden lokale Arabieren gecommandeerd om alle vrouwen en kinderen in het Rosh Pina gebied weg te voeren, terwijl in het sub-district van Jeruzalem, het Arabisch Legioen van Trans-Jordanië de volledige ontruiming beval van talloze dorpen.

Generaal Sir Alan Cunningham, de laatste Hoge Commissaris van het Britse Mandaat Palestina (© Bettmann/CORBIS)
Wat de Palestijnse Arabische leiders zelf betreft, die tegen de zin van hun kiezers in hen in de jaren 1920 en 1930 op een ramkoers met het zionisme hadden gezet en hen thans hulpeloos hadden meegesleept in een dodelijk conflict, haastten zij zich om weg te komen uit Palestina op het meest kritieke moment. In de staart van de hier hoger aangehaalde gebeurtenissen, stormden de plaatselijke leiders eveneens massaal door de deur. De Hoge Commissaris van het Mandaat Palestina Sir Alan Cunningham vat – met een typisch Britse understatement – hieronder samen wat er toen gebeurde:
“U moet weten dat de ineenstorting van het Arabische moreel in Palestina in zekere mate te wijten is aan de toenemende tendens [om de vlucht te nemen] van hen die verondersteld worden de mensen te leiden om het land te verlaten… Zo ging bijvoorbeeld de burgemeester van Jaffa 12 dagen geleden op een 4-daagse trip en is niet teruggekeerd, en de helft van het nationaal comité heeft de stad verlaten. In Haifa hebben de Arabische gemeenteraadsleden de gemeente enige tijd geleden verlaten, de twee leiders van het Arabische Bevrijdingsleger hebben recent het strijdtoneel daadwerkelijk verlaten. Thans heeft de voornaamste Arabische magistraat de stad verlaten. In alle delen van het land en gespreid over een lange periode, evacueren de klasse van de Effendi in grote aantallen en het tempo neemt nog steeds toe.”
Arif al-Arif, een prominente Arabische politicus tijdens het tijdperk van het mandaat en de nestor van de Palestijnse historici, beschreef de heersende sfeer in de tijd aldus: “Waar men ook gaat door het hele land hoort men steeds hetzelfde refrein: ‘Waar zijn de leiders die ons de weg moeten tonen? Waar is de AHC? Waarom zijn haar leden in Egypte op het ogenblik dat Palestina, hun eigen land, ze nodig heeft? ‘”
Nimr Muhammad al-Khatib, een Palestijns-Arabische leider tijdens de oorlog van 1948, zal de situatie later in deze woorden samenvatten: “De Palestijnen hadden naburige Arabische staten die hun grenzen en deuren voor de vluchtelingen hadden geopend, terwijl de joden geen andere mogelijkheid hadden dan te triomferen of te sterven.”
Dit geldt waar genoeg voor de Joden, maar het gaf voedsel aan de reden voor de vlucht van de vluchtelingen en verstoorde radicaal de kwaliteit van hun opvang elders. Als ze op geen enkele sympathie konden rekenen bij hun broeders thuis,was de reactie in de hele Arabische wereld zo mogelijk nog harder. Er waren herhaalde oproepen voor de gedwongen terugkeer van de vluchtelingen, of op zijn minst van jonge mannen van militaire leeftijd, van wie velen waren toegekomen onder het (valse) voorwendsel van vrijwilligerswerk voor de ALA. Naarmate het einde van het mandaat dichterbij kwam, weigerde de Libanese regering visa voor Palestijnse mannen tussen achttien en vijftig jaar oud en beval alle ‘gezonde en fitte mannen’ die al het land waren binnengekomen, zich officieel te registreren of anders zouden zij als illegale vreemdelingen worden beschouwd en de gevolgen moeten dragen van de toepassing van de wet.
De Syrische regering pakte de zaken nog strenger aan en verbood de toegang tot haar grondgebied aan alle Palestijnse mannen tussen de zestien en vijftig jaar oud. In Egypte trok een groot aantal betogers naar het Arabische hoofdkwartier in Caïro en dienden een petitie in waarin ze eisten dat “elke gezonde Palestijn die in staat is om wapens te hanteren moet verboden worden om in het buitenland verblijven.” Zodanig groot was de omvang van de Arabische wrok richting Palestijnse vluchtelingen, dat de rector van het Al-Azhar Instituut van Caïro, waarschijnlijk de belangrijkste islamitische autoriteit in die tijd, zich verplicht voelde om een uitspraak te doen in de kwestie van de Palestijns Arabische vluchtelingen met name dat de opvang [van die vluchtelingen] ‘een religieuze plicht is’
De [Arabische] minachting voor de Palestijnen werd in de loop van de tijd alleen maar geïntensiveerd. “De Palestijnse Arabieren zijn in de ban van de angst en vluchten het land uit”, aldus Radio Bagdad aan de vooravond van de pan-Arabische invasie van de pasgeboren staat Israël half mei 1948. “Dit zijn inderdaad harde woorden, maar ze zijn waar.” Camille Chamoun, Minister van Binnenlandse Zaken van Libanon (en toekomstige president) was behoedzamer zeggende dat “Het volk van Palestina, in haar vorige weerstand tegen imperialisten en zionisten, bewezen de onafhankelijkheid waardig te zijn,” maar “ in deze beslissende fase van de strijd hebben zij zich niet zo waardig gehouden.”
Geen wonder, dat destijds maar weinig van de Palestijnse vluchtelingen de Joden de schuld gaven van hun eigen ineenstorting en verspreiding. Tijdens een onderzoekscommissie naar de Gazastrook in juni 1949 was Sir John Troutbeck, het hoofd van de Britse zetel voor het Midden-Oosten in Caïro en zeker geen vriend van Israël of van de Joden, verbaasd om te ontdekken dat “de vluchtelingen helemaal niet verbitterd waren over de Joden (en ook niet wat de Amerikanen of onszelf betreft), maar zij wel met de grootst mogelijke bitterheid over de Egyptenaren en andere Arabische staten spraken. ‘We weten wie onze vijanden zijn,’ zullen zij zeggen en verwijzen naar hun Arabische broeders die, zo verklaarden zij, hen ervan overtuigden om hun huizen onnodig te verlaten… Ik heb zelfs horen zeggen dat veel van de vluchtelingen de Israëli’s hartelijk verwelkomen wanneer ze toekomen om de wijk over te nemen.”
Zestig jaar na hun verspreiding, verblijven de vluchtelingen van 1948 en hun nakomelingen nog steeds in de smerige kampen waar zij worden vast gehouden door hun Arabische broeders, terend op haat en valse hoop. Ondertussen hebben hun voormalige leiders opeenvolgende kansen voor een eigen staat verkwist.
Het is inderdaad de tragedie van de Palestijnen dat de twee leiders die hun nationale ontwikkeling bepaalden tijdens de 20e eeuw – Hajj Amin al-Hoesseini en Yasser Arafat, de laatste die de Palestijnse politiek domineerde sinds halverwege de jaren 1960 tot aan zijn dood in november 2004 – megalomane extremisten waren, verblind door anti-Joodse haat en intens geobsedeerd door geweld. Had de groot-moefti ervoor gekozen om zijn volk te leiden naar vrede en verzoening met hun Joodse buren, zoals hij de Britse ambtenaren had beloofd die hem in het begin van de jaren 1920 tot zijn hoge rang hadden benoemd, dan zouden de Palestijnen in 1948 hun onafhankelijke staat hebben gehad op een wezenlijk deel van het Brits Mandaat Palestina en zou het bespaard zijn gebleven van de traumatische ervaring van hun verstrooiing en ballingschap. Had Arafat de PLO vanaf het begin op de weg naar vrede en verzoening gezet, in de plaats van die organisatie te veranderen in een van de meest moorddadige terroristische organisaties van onze moderne tijd, dan zou een Palestijnse staat zijn opgericht in de late jaren 1960 of in het begin van de jaren 1970, of in 1979 als een uitvloeisel van de Egyptisch-Israëlisch vredesverdrag; of in mei 1999 als onderdeel van het Oslo-akkoorden, of ten laatste tijdens de onderhandelingen van juli 2000 in Camp David.
In plaats daarvan Arafat veranderde de gebieden die onder zijn controle stonden in de jaren 1990 in een effectieve staat van terreur, vanwaar hij een totale oorlog begon (de al-Aqsa Intifada) kort nadat hem onafhankelijke Palestijnse staat werd aangeboden in de Gazastrook en 92 procent van de Westelijke Jordaanoever met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. Tijdens dat proces, onderwierp hij de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook aan een repressief en corrupt regime in de slechtste traditie van de Arabische dictaturen en stortte hun levensstandaard tot ongekende diepten.
Wat deze toestand des te wranger maakt is dat los van hun ongelukkige aberraties, Hajj Amin en Arafat typische vertegenwoordigers waren van de cynische en zelfzuchtige leiders die door het Arabische politieke systeem werden geproduceerd. Net zoals de Palestijnse leiders tijdens het mandaat niet twijfelden om hun kiezers aan te zetten tot haat tegen het zionisme en de Joden, onderwijl hun eigen zakken vullende met de vruchten van het Joodse ondernemerschap, maakten de ambtenaren van de PLO gretig misbruik van de miljarden dollars die hun werden geschonken door de Arabische oliestaten en, tijdens het Oslo-tijdperk, door de internationale gemeenschap hun luxueuze levensstijl laten financieren terwijl de gewone Palestijnen moesten krabben voor hun dagelijks levensonderhoud.
En zo is dat gegaan. Zes decennia nadat de groot-moefti en zijn trawanten hun mensen veroordeelden tot statenloosheid door afwijzing van het verdeelplan met Resolutie 181 van de Verenigde Naties, worden hun roekeloze beslissingen van toen nagespeeld door de nieuwste generatie van Palestijnse leiders. Dit geldt niet alleen voor Hamas, dat in januari 2006 de PLO aan het roer van de Palestijnse Autoriteit (PA) heeft vervangen, maar ook voor de zogenaamde gematigde Palestijnse leiders – van president Mahmoud Abbas tot over Ahmad Qureia (onderhandelaar tijdens de Oslo-akkoorden in 1993), van Saeb Erekat tot aan premier Salam Fayad – die recent nog weigerde het bestaan van Israël te erkennen als een Joodse staat en aandringt op de volledige uitvoering van het ‘recht van terugkeer’ [van de Arabische vluchtelingen én hun 4 miljoen nakomelingen.]
En zo gaat dat ook met de Westerse antizionisten, die niet minder dan ‘in naam van de rechtvaardigheid’ tot op vandaag nog steeds oproepen niét om een nieuw en fundamenteel verschillend Arabische leiderschap, maar tot de ontmanteling van de Joodse staat. Alleen wanneer deze disposities veranderen zullen de Palestijnse Arabieren realistisch kunnen uitkijken om eindelijk die ‘catastrofe’ [= nakba] – die ze enkel aan zichzelf te wijten hebben – achter zich kunnen laten.
Bronnen: Commentary Magazine: 1948, Israel, and the Palestinians—The True Story door Efraim Karsh, mei 2008, vrij vertaald en bewerkt door Brabosh op 23 oktober 2009; Cidi.nl / CIDI Israel Nieuwsbrief 2008: De Naqba en de waarheid van 6 juni 2008; op deze blog: Grote Leugens deel 1: Het vluchtelingenprobleem van 16 oktober 2009; Mahmoud Abbas over de Naqba: ‘Wij verlieten ons dorp in 1948 uit vrije wil’ van 9 juli 2009; Waarheid en mythe over de Naqba, de vlucht van de Arabieren uit Palestina van 9 juli 2009; Israël wil herdenken van Palestijnse ‘naqba’ bij wet verbieden van 25 mei 2009 en Joden van Jemen in het geheim naar Israël gesmokkeld van 22 februari 2009; De verzwegen exodus: de verdrijving van 850.000 Joden uit het M-O door de Arabieren van 24 maart 2009 en Joodse en Arabische vluchtelingen: het verschil tussen retoriek en realiteit van 28 februari 2009
Een positieve blik op het Midden-Oostenconflict

Voor wie net zoals ik van de typisch Joodse humor houdt, hier andermaal een Dry Bones‘ grapje, deze keer over ‘de kracht van het positieve denken’:
“Alhoewel van een miljard moslims kan verondersteld worden dat ze de Joden haten…” – “… kan het hele Midden-Oosten conflict eenvoudig worden samengevat …” – “… als een lokaal conflict tussen Israëli’s en Palestijnen.” – “Maar dan wel als je bereid bent om één oog te sluiten…” – “… dan het andere oog…” – “… en vervolgens een beetje scheel kijkt.”
Arabische en Joodse ambulanciers slaan de handen in elkaar

Donderdag, 15 oktober 2009, werd in het YMCA gebouw in de King David Straat (Jeruzalem) geschiedenis geschreven. Een groep van Arabische medici uit Oost-Jeruzalem is er toegetreden tot de gelederen van de groeiende medici van de United Hatzalah, een Israëlische versie van de Rode Kruis hulpdiensten. Arabieren en Joden, religieus en seculier, links en rechts, waren samen gekomen om de 30 nieuwe medici te verwelkomen. Naast de medici, zijn ook 2 artsen in Oost-Jeruzalem toegetreden tot United Hatzalah om het niveau van de medische noodhulp te helpen verbeteren en beschikbaar te stellen aan de Arabische burgers in Oost-Jeruzalem.
Tot nu toe werd de medische noodhulp ernstig gehinderd door de veiligheidseisen die werden gesteld door onder meer het politie-escorte voor ambulances, door de klassieke problemen van ongemarkeerde straatjes en ontoegankelijke steegjes, tezamen met de gekende taal barrières. United Hatzalah ontwikkelde het concept van groepspraktijken van medici in de verscheidene religieuze gemeenschappen die zich steeds verder uitbreiden over het land. Uitbreiding naar de achtergebleven Arabische gemeenschappen was een logische uitbreiding van het concept.
Bert Cohen, reeds lange tijd supporter van United Hatzalah, die eerder ambu-snorfietsen (afb. linksonder) schonk die door de eenheid worden gebruikt, was er als de eerste bij om de nieuwe apparatuur te helpen verspreiden. De heer Cohen uitte zijn hoop dat de kameraadschap en de eenheid binnen de United Hatzalah navolging zal vinden bij andere organisaties en gemeenschappen en zelfs landen zal helpen om kloven te overbruggen en positieve tastbare veranderingen in onze samenleving te maken.
Zev Kashash, voorzitter van United Hatzalah, legde uit: “Net zoals wij niet discrimineren met wie wij omgaan, discrimineren wij ook niet wie we de eerste medische zorgen toedienen”. Murad Alian uit Beit Safafa, die de eenheid zal leiden, merkte op dat zijn lange ervaring met de medici van United Hatzalah en de Joodse gemeenschap in het algemeen hebben hem het warme gevoel geven van universele broederschap.
Samen met hun reflecterende vesten, met het nieuwe Arabische United Hatzalah logo (afb. rechtsboven), nam elk medisch lid een eerste-hulpzak in ontvangst, uitgerust met geavanceerde apparatuur en benodigdheden voor het behandelen van dringende medische incidenten en trauma. Alle medici kregen ook MIRS communicatie-apparatuur mee die verbonden is met het controlecentrum van United Hatzalah. Het gebruik van United Hatzalah’s high-tech-communicatienetwerk en de alomtegenwoordige ambufietsen, zullen een duidelijk meetbaar effect hebben bij het dichten van de kwalitatieve kloof tussen de verschillende gemeenschappen qua dringende medische zorg. Twee gloednieuwe United Hatzalah ambufietsen zullen voortaan racen door de kronkelende steegjes en routes van Oost-Jeruzalem en aan iedereen die in nood verkeerd de eerste medische zorgen bieden, zonder onderscheid van ras, religie of origine.
Bron: United Hatzallah of Israël: United Hatzalah in Arabic van 16 oktober 2009
Voorakkoord met het Westen omtrent nucleaire ambities van Iran

Updated zaterdag 24 oktober 2009: Zoals verwacht negeert Iran de deadline van de VN die gisteren vrijdag was vervallen. Het blijft gissen wanneer de onderhandelingen over de nucleaire bewapingswedloop in Iran een vervolg zullen krijgen. (zie Reuters: Iran ignores U.N. nuclear deadline en De Standaard: Iran blijft pokeren over uraniumakkoord)
Gisteren – 21 oktober – bevestigde in Wenen Mohammed ElBaradei, de voorzitter van het Internationaal Atoomagentschap (IAEA) dat een voorlopig akkoord met Iran omtrent haar nucleaire ambities werd gesloten. Volgens dit ontwerpplan wordt Iran verplicht driekwart van zijn uranium tot kernbrandstof te laten verrijken in Rusland, en het vandaar uit terug te laten verschepen voor gebruik in een onderzoeksreactor in Teheran. De vertegenwoordigers van Iran, de Verenigde Staten, Rusland en Frankrijk hebben ermee ingestemd het plan voor te leggen aan hun regeringen. Ali Ashgar Soltanieh, het hoofd van de Iraanse delegatie bij de IAEA, vond het plan een stap in de goede richting maar beklemtoonde dat het nog de goedkeuring moet krijgen in Teheran. Het Iraanse persbureau Irna benadrukte wel dat er nog niks is ondertekend.

Ali Asghar Soltanieh (Iran): 'We hebben nog niks getekend'
In Jeruzalem wordt verdeeld gereageerd op het voorakkoord. De Iraanse nucleaire dreiging is ‘nog steeds springlevend “, vertelde een hoge ambtenaar in Jeruzalem aan Ynet in de nasleep van de berichten over een ontwerp-overeenkomst tussen Teheran en de grootmachten Verenigde Staten, Rusland en Frankrijk met betrekking tot het nucleaire programma van Iran. Blijkt echter dat de Israëlische ambtenaren verdeeld reageren over de implicaties van het ontwerp-akkoord, waarbij sommige beweren dat het een eerste goede stap in de richting is in de strijd tegen Iran. Voorstanders van voorakkoord beweren dat de nucleaire inspanningen van Iran met een jaar achteruit worden geschroefd indien de overeenkomst zou worden goedgekeurd.
Andere ambtenaren in Israël zeggen dat ze vrezen dat de overeenkomst zal neerkomen op het geven van het startsein aan Iran dat het haar programma voor de verrijking van uranium mag voortzetten. “De grote vrees bestaat dat het met dit soort overeenkomst lijkt alsof Iran zich een verzoenende houding aanmeet, terwijl het nog steeds kan voortgaan met de verrijking van uranium in Natanz en in de geheime site van Qom die onlangs werd onthuld door de westerse geheime diensten,” zei een ambtenaar. “De verwachte overeenkomst laat toe dat Iran openlijk uranium mag verrijken voor schijnbare vreedzame doelen, terwijl het in het geheim uranium blijft verrijken voor militaire doeleinden,” zei hij.
Israëlische ambtenaren kijken nu naar de Amerikaanse regering in Washington, die haar tevredenheid heeft geuit over de wijze waarop de overeenkomst werd geformuleerd, zoals het werd bereikt via de dialoog eerder dan met bedreigingen. Op dit ogenblik onthoudt Jeruzalem zich nog van een officiële reactie op het voorakkoord. Intussen heeft de doorbraak in de nucleaire onderhandelingen met Iran in Parijs nieuwe vrees veroorzaakt. De Franse Minister van Buitenlandse Zaken nam een duidelijk standpunt in deze zaak en zei dat de Franse regering van Iran verwacht dat het haar verplichtingen gaat uitvoeren tegen het einde van dit jaar en dat dit laatste de rode lijn vormt voor de ambtenaren in Parijs.
Bronnen: Ynet news: Israeli official: Bomb threat still alive door Roni Sofer van 22 oktober 2009; De Standaard: Voorlopig akkoord over atoomdossier van 21 oktober 2009;

Voor wie wil weten hoe ver het staat met de mate van beschaving in een bepaald land of gebied, doet er altijd goed aan om eerst te praten met de vrouwen van dat land en hoe het gesteld is met hun mensenrechten. De situatie van de vrouwen in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever, het gebied dat door de Arabische wereld ‘Palestina’ wordt genoemd, is ronduit een schande voor de mensenrechten. Voortdurend wordt er door de meute anti-Israël haters gezwaaid met rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch, wanneer het er omgaat de Israëlische staat te demoniseren en te veroordelen. Een rapport van Human Rights Watch, dat snel door elke Israëlbasher onder de mat werd geveegd is namelijk het HRW rapport van november 2006 




















