Dagelijks archief: 7 oktober 2009
De vervolging en verdrijving van de Joden uit Irak
“De ontmenselijking van de Joodse persoonlijkheid zijn het gevolg zijn van voortdurende vernedering en marteling … die ons brachten tot op het laagste niveau van onze lichamelijke en geestelijke vermogens en ons van elke kracht beroofden om te herstellen,” schrijft Max Sawdayee, een Irakese Jood in zijn dagboek dat in 1974 werd uitgebracht als All Waiting to be Hanged (Allen wachten om te worden opgehangen). Hierin beschrijft hij de kritieke situatie van de laatste 7.000 achtergebleven Joden in de nasleep van de Zesdaagse Oorlog van 1967. Het boek bestrijkt een periode van drie jaren tot Sawdayee er uiteindelijk inslaagt om in 1970 Irak via Koerdistan te ontsnappen met zijn dagboek onder de arm.
Heel de wereld kent het verhaal van de naqba (‘de ramp’) toen honderdduizenden Palestijnse Arabieren op de vlucht sloegen tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog van 1947-49 en nog een keer tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967. Niet of nauwelijks bekend is de geschiedenis van de vervolging en verdrijving van de Arabische Joden uit hun thuislanden in diezelfde periode. Het ‘vluchten’ verliep namelijk ook in omgekeerde richting. Op het internet bestaat een website ‘Point of no Return’ die als geen ander in honderden artikelen de opgang en ondergang van de Joodse gemeenschappen in de Arabische wereld beschrijft.
Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog en vooral de jaren die erop volgden, werden tussen 750.000 en 1 miljoen Arabische Joden, moe getergd en vervolgd, gedwongen hun Arabische vaderlanden te verlaten, met achterlating van hun huizen en al hun hebben en houden alsook het verlies van een hoeveelheid land die meerdere keren de huidige oppervlakte van Israël omvatte. Zij hebben hiervoor nooit compensatie gekregen. De meesten van hen vonden onderdak in de nieuwe Joodse staat, anderen trokken verder door naar Europa en de Verenigde Staten. Als de staat Israël omtrent 1900 voornamelijk door Oost-Europese Joden werd opgebouwd, leefden er omstreeks 1955 haast evenveel Arabische Joden als Oost-Europese Joden in Israël.
Wanneer anti-Zionisme omslaat in antisemitisme
In 1941, in de nasleep van de staatsgreep van Rashid Ali al-Gaylani in Irak, een fanatieke sympathisant van het naziregime in Duitsland, braken er in Bagdad anti-joodse rellen uit, bekend als de Farhud (Farhud is arabisch voor pogrom), waarbij ongeveer 180 Joden werden gedood en ongeveer 240 gewond. Daarnaast werden er 586 Joodse bedrijven en handelszaken geplunderd en 99 Joodse huizen werden verwoest.
Farhud – de pogrom tegen de Irakese Joden in juni 1941
Dat gebeurde in volle oorlogstijd in Irak, nog voor de Holocaust in Europa op grootschalige en op industriële wijze moest plaatsvinden in de vernietigingskampen in het Oosten.

Irakese president Rashid Ali op visite bij Adolf Hitler
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zullen vele Irakese Joden pogen naar Israël te ontkomen. In 1948 waren er ongeveer 150.000 Joden in Irak. De gemeenschap was geconcentreerd in Bagdad en Basra. In 2003 bleken er slechts ongeveer 100 Joden overgebleven van deze eerder bloeiende gemeenschap.
In 2008 zouden er nog een tiental Joden wonen in Irak. 2.500 jaar Joodse aanwezigheid in Irak werd onder een antisemitische vloedgolf in amper enkele decennia weggevaagd…
In 1950 legaliseerde het Iraakse parlement eindelijk de Joodse emigratie naar Israël. Tussen mei 1950 en augustus 1951 was het Joodse Agentschap (Jewish Agency) en de Israëlische regering er in geslaagd een luchtbrug in te leggen tussen Irak en Israël en werden ongeveer 110.000 Joden naar Israël gevlogen in Operatie Ezra & Nehemia. Dit cijfer omvat tevens 18.000 Koerdische Joden, die hun eigen specifieke tradities en gewoonten hebben. Ongeveer 20.000 werden gesmokkeld via Iran.
Rina Agagin uit Irak getuigt
De vlucht van de Joden uit Irak was al veel eerder aan de gang. Net als de meeste Arabische Liga Staten, verbood Irak aanvankelijk de emigratie van de Joden na de Onafhankelijkheidsoorlog van 1947-49 op grond van het feit dat het toestaan van die emigratie Israël zou versterken. Echter alleen al in 1949 slaagden Joden erin Irak te ontsnappen aan een snelheid van ongeveer 1.000 per maand. Onder hen ook de broers van Rina Agagin die in de zomer van 1949 Irak ontvluchtten om Israël te bereiken. Vele Joden probeerden met wisselend succes Arabieren om te kopen, die hen dan in vrachtwagens over de tussenliggende grenzen smokkelden.
Hier begint het getuigenis van Rina Agagin over haar vlucht naar het land ‘met de geur van melk en honing’ zoals de zionisten Israël afschilderden in de beginjaren van staat Israël:

Koerdische Joden in Irak omstreeks 1905
Op een dag besloten mijn broers dat ze zouden vertrekken. Ze troffen een reisorganisator die we konden vertrouwen en die bereid was ons vertrek te regelen in ruil voor een grote som geld. We wisten dat, aangezien moeder een beroep had en we naar een kibboets konden gaan, alles in orde zou zijn; maar mijn moeders familie bracht het bezwaar naar voren dat zonder echtgenoot het werk te zwaar voor moeder zou zijn.
Wij, kinderen, konden daar niets aan doen en een jaar later stierf mijn moeder, die leed aan een te hoge bloeddruk, aan een hartaanval. Ze was pas vijfenveertig jaar. Intussen had de Zionistische Beweging een overeenkomst gesloten met de premier van Irak dat alle joden konden vertrekken en naar Israël konden komen. In ruil hiervoor moesten ze hun Iraakse staatsburgerschap opgeven, hun paspoorten en identiteitskaarten inleveren en een document ondertekenen dat ze uit eigen vrije wil het land verlieten.
Die joden die wensten te vertrekken, werd de mogelijkheid geboden hun huizen en al hun huishoudelijke bezittingen te verkopen. De verstandigen (zoals we later ontdekten) zorgden ervoor dat het geld dat ze kregen het land uit werd gesmokkeld. Ze konden met elk willekeurig vervoermiddel reizen, er werden zelfs vliegtuigen ter beschikking gesteld. Sommigen verlieten het land heimelijk, waarbij ze geheime regelingen hadden getroffen met de Israëlische regering. Wij waren niet van plan die koers te varen. We hadden een voogd, de oom van mijn moeder, die voor alles zorgde.
Ik herinner me het moment dat we in de woonkamer bij elkaar kwamen en mijn oudste broer, die ongeveer twintig jaar was, ons samen met mijn een na oudste broer over de beslissing vertelde. Mijn oudste broer zei dat hij alles zou verkopen, het geld zou overmaken naar onze familie in de Verenigde Staten en het later naar Israël zou laten komen. We voerden ons plan uit nadat we de toestemming van onze voogd hadden verkregen. We vertelden hem dat we in een vrij land wilden leven, zonder angst of spanning. We hadden een tante in Israël, maar zij was gestopt ons te schrijven omdat je, als je destijds een brief uit Israël ontving, het risico liep gearresteerd te worden. Er heersten veel anti-Israëlgevoelens. Irakese moslims organiseerden demonstraties met spandoeken als: PALESTINA IS VAN ONS! WE ZULLEN HET NOOIT AAN DE JODEN GEVEN! Dat beangstigde ons. Daarom wilden we gaan.
Mijn op een na oudste broer, die bijna twintig jaar was, besloot te blijven en niet zijn paspoort in te leveren, zodat we ons hele kapitaal en alle bezittingen op zijn naam konden zetten. We hadden land, huizen en winkels. Onze buren verkochten allemaal hun waardevolle bezittingen – Perzische tapijten, goud – en hun huizen.
Wij hadden ook heel veel goud geërfd van onze moeder. Mijn oudere broer verkocht dit – bijna een kilogram – en stortte het geld op de bank met het plan dit aan ons over te maken wanneer we in Israël waren aangekomen. We verkochten Ook twee percelen land en twee winkels via een Arabische makelaar die een goede prijs voor ons wist te bedingen. Intussen raadde een vriend van mijn oudere broer hem aan om zijn naam op de lijst van vertrekkenden te plaatsen. `Maar maak je geen zorgen,’ zei de vriend. `Je krijgt ruim de tijd om alles te verkopen en bet geld over te maken.’ Ik herinner me dat ik tweëendertigduizend dollar had en mijn broer zevenendertigenhalfduizend dollar. We geloofden nog altijd dat we tijd genoeg hadden en er waren mensen genoeg om onze goederen te kopen.

1949: Irakese Joden vluchten in vrachtwagens weg uit Irak op weg naar Israël...
Toen kwam er een speciale aankondiging op de radio: de regering zou alle bankrekeningen van joden bevriezen en al hun bezittingen in beslag nemen. Mijn broer barstte in tranen uit en gaf zichzelf de schuld van wat er met ons geld was gebeurd. We probeerden hem te troosten omdat hij een zeer gevoelige en breekbare man was, en een buurman van ons had een hartaanval gekregen die hem fataal was geworden toen hij het nieuws vernam. We zeiden tegen onze broer dat het belangrijkste was dat we leefden; er zou voor ons worden gezorgd in Israël.
De volgende dag openden mijn twee broers onze winkels en ze probeerden te verkopen wat ze konden. Na twee dagen werd de winkel door de autoriteiten gesloten; ze sloten de goudhandelaren als eerste. Mijn broers waren heel boos en maakten zich zorgen over de toekomst. Mijn zuster en ik gingen op bezoek bij een paar mensen die bevriend waren met onze familieleden in de VS en we smeekten hun ons geld naar onze familie daar over te maken. Ze stemden ermee in, maar wilden niet onze gouden sieraden aannemen. Nu hadden we in elk geval iets om op terug te vallen wanneer we in Israël aankwamen.
Na zes weken hoorden we dat het onze beurt was om te vertrekken. Intussen hadden we alles wat we bezaten voor heel weinig geld moeten verkopen zodat we eten konden kopen. Eens hadden we prachtige meubels en zeldzame Perzische tapijten gehad. Op het laatst waren we gedwongen het meubilair in stukken te slaan zodat we een vuur konden maken om het badwater te verwarmen; maar ja, we wilden het toch niet achterlaten voor de Arabieren.
De dag van ons vertrek brak aan en mijn zuster en ik gingen met onze tassen samen met de anderen naar de binnenplaats van de synagoge. Mijn oudste broer was al naar Israël vertrokken. Ieder van ons was toegestaan twintig kilo aan persoonlijke bezittingen mee te nemen. Ik nam kleren en een lichte deken mee. Het was heel moeilijk te beslissen wat je achterliet. Het vliegveld was te ver weg en we werden er met een taxi been gebracht. Voor we aan boord gingen, wogen ze onze tassen en als ze zwaarder waren dan twintig kilo, moesten we er dingen uithalen.
Ik was heel verdrietig omdat ik me zorgen maakte over mijn broer die was achtergebleven en al de deposito’s moest terugbetalen aan de verscheidene kopers in spe die we hadden. Ik was ook verdrietig omdat ik het land verliet waar ik was geboren en getogen, zonder de hoop het ooit weer te zien of zelfs te kunnen bezoeken. Op het vliegveld werden de mannen van de vrouwen gescheiden en werden we grondig gecontroleerd om na te gaan of we iets illegaals bij ons hadden. In een kamer werden onze tassen geopend en werd alles op de grond uitgeschud. Ik had foto’s van mijn ouders en souvenirs uit mijn jeugd en schooltijd bij me, maar toen ik probeerde ze bij elkaar te rapen, duwde een van de Iraakse bewakers me opzij en zei dat ze alles terug zouden doen, wat ze uiteraard niet deden. We kwamen later tot de ontdekking dat ze dingen stalen voor zichzelf.

Operatie Ezra & Nechemia: tussen mei 1951 en het begin van 1952 vluchten ongeveer 110.000 Irakese Joden naar Israël
We werden ondergebracht in een enorme tent om daar op het vliegtuig te wachten. Niet lang daarna werd er een aankondiging gedaan: het vliegtuig was defect en we moesten nog een paar uur wachten. We wachtten van tien uur in de ochtend tot drie uur ‘s middags. De zionisten voorzagen ons van broodjes en een Iraakse politieman bewaakte ons. Ze pakten alle handtassen van de vrouwen af en wierpen ze op een grote stapel met de belofte dat we ze terug zouden krijgen wanneer we aan boord gingen. Ik smeekte hun of ik de mijne kon houden en uiteindelijk stemden ze ermee in.
Tegen de tijd dat we aan boord gingen, waren we heel erg moe. We kwamen om zes uur ‘s morgens in Tel Aviv aan. Terwijl we landden, keek ik door het kleine raampje naar buiten en ik kreeg mijn eerste aanblik van Israël. Toen we uit het vliegtuig kwamen, knielden velen neer om de grond te kussen. Ik niet. Ik keek om me heen en door het hek kon ik mensen naar hun werk zien gaan, die een normaal leven leidden. Er hing vreugde en geluk in de lucht.
Niet lang na de landing kreeg ik mijn eerste teleurstelling. Ze gaven ons thee in kartonnen bekertjes en eenvoudig donker brood van een soort dat ik nooit eerder had geproefd, dat was besmeerd met marmelade. Toen gaven ze ons tijdelijke papieren en namen ze ons mee naar een centrum waar ze nieuwkomers uit de Arabische staten besproeiden met DDT. Ons werd verteld voorover te buigen en ons haar voor ons uit te spreiden om te besproeien, maar ik weigerde. Op de een of andere manier slaagde ik erin aan dit vernederende proces te ontsnappen en wist ik tevens de immunisering tegen TB te ontlopen.
Toen moesten we wachten tot we met een vrachtwagen naar het spoorwegstation werden gebracht. Mijn koffer was er nog niet, maar ze vertelden me dat ik deze later kon ophalen bij Sha’ah Aliyah, dat letterlijk `de poort van de immigratie naar Israël betekent. Gelukkig had ik enkele persoonlijke spullen in mijn handtas. De volgende teleurstelling was de trein. Hij bestond uit veewagens en de tocht naar Chadera duurde zes uur omdat de trein regelmatig stopte. Het was donker tegen de tijd dat we aankwamen. Ze gaven ons veldbedden en zeiden dat we in de open lucht moesten slapen.

Joodse vluchtelingen die in 1951 uit Irak vluchten laten zich registreren in Iraël (foto: Babylonian Heritage Center)
De volgende dag werden we naar Sha’ah Aliyah gebracht. Daar zagen we bungalows met enkele bedden erin. Ze gaven ons voedselbonnen. Er was een gemeenschappelijke eetruimte, maar diegenen die gezinnen hadden, konden apart eten als ze dat wensten. Er waren nieuwkomers van overal, inclusief Roemenië, maar we konden niemand uit onze eigen stad vinden. Maar ik sprak Frans en daardoor kon ik met de Roemenen communiceren. De toiletten waren smerig.
Mijn oudste broer woonde al in Kirjat Ono. Hij vertelde ons dat we moesten vragen of wij ook daarheen overgebracht konden worden, maar ze wilden ons ergens anders naartoe sturen. Ik weigerde en zei dat we wezen waren en dat we samen wilden zijn; uiteindelijk werd dit zo geregeld. Toen we vertrokken, gaven ze ons genoeg geld om de eerste dagen eten te kopen. Toen we in Kirjat Ono aankwamen, ontdekten we dat onze tent een heel eind van de poort stond en terwijl we er met onze zware koffers naartoe liepen, zonken we weg in het zachte zand. Het was vreselijk, een nachtmerrie!
We kregen ieder een bed, een paar dunne dekens, een brood en een paar blikken voedsel. ‘s Nachts zagen we allerlei soorten kruipende wezens op het dikke materiaal waarvan de tent was gemaakt. Zolang ik leef, zal ik die eerste nacht met vergeten. Dit was niet waarvan ik had gedroomd. Maar ik wist dat we geen keus hadden.
Mijn andere broer kwam veilig aan, maar onze broers wilden niet dat we gingen werken, aangezien in Irak de meisjes gewoonlijk nooit werkten. Onze broers gingen aan het werk in de bouw, waarbij ze graafwerk verrichtten, en ze deden elk ander zwaar werk dat ze via het arbeidsbureau konden krijgen.
Bronnen: boek Dawn of the Promised Land uit 1997 door Ben Wicks, in 1998 vertaald als De geur van melk en honing, A.W. Bruna Uitgevers Utrecht B.V., ISBN 90 229 84001; From Wikipedia, the free encyclopedia: History of the Jews in Iraq; Jewish Virtual Library: The Jews of Iraq door Mitchell Bard en Operations Ezra & Nechemia: The Aliyah of Iraqi Jews; the Babylonian Jewry Heritage Center; op deze blog: De ondergang en verdrijving van de Joden van Lybië van 1 oktober 2009; The Holocaust in Lybia door Goël Pinto van 5 april 2005; Israël – Palestina Informatie: Vluchtelingen: Palestijnse en Joodse vluchtelingen in het Midden-Oosten van 8 juli 2009; Cidi.nl / CIDI Israel Nieuwsbrief 2008: De Naqba en de waarheid van 6 juni 2008; lees ook op deze blog: Dhimmitude: de status van niet-moslim minderheden onder Islamitisch bestuur van 23 april 2009; Islamitisch antisemitisme, de wortel van het Midden-Oosten conflict? van 1 februari 2009; Mahmoud Abbas over de Naqba: ‘Wij verlieten ons dorp in 1948 uit vrije wil’ van 9 juli 2009; Waarheid en mythe over de Naqba, de vlucht van de Arabieren uit Palestina van 9 juli 2009; Israël wil herdenken van Palestijnse ‘naqba’ bij wet verbieden van 25 mei 2009 en Joden van Jemen in het geheim naar Israël gesmokkeld van 22 februari 2009; De verzwegen exodus: de verdrijving van 850.000 Joden uit het M-O door de Arabieren van 24 maart 2009 en Joodse en Arabische vluchtelingen: het verschil tussen retoriek en realiteit van 28 februari 2009

















