Dagelijks archief: 19 juli 2009
Israëls fundamenten [1] De rechten v/h Joodse volk en de stichting van de Joodse staat

'Ze zeggen dat ze tegen de Zionisten zijn maar ze bedoelen de Joden' (Martin Luther King)
Het ‘idee’ van een Israëlische staat ligt onder vuur. Haar geschiedenis, haar rechten en legitimiteit worden in toenemende mate in vraag gesteld of verdacht gemaakt. Sommige mensen vragen zich – en terecht – verwonderd af: “Waarom zou Israël voortdurend uitleg moeten geven over haar recht om te bestaan als land en natie? Niemand toch die zich ooit afvraagt waar Zweden het recht vandaan haalt om te bestaan als land?” Maar de waarheid is: Israël is anders. De geschiedenis van het Joodse volk en de omstandigheden waarin het land werd gesticht, zijn op zijn minst ongewoon. Bepaalde kernprincipes moeten daarom opnieuw worden bevestigd. Dat is het doel van dit bijzondere document – om de fundamentele nationale rechten van het Joodse volk en hun streven voor de toekomst te herdefiniëren. Of het spreekwoordelijke ‘even terug de puntjes op de ‘i’ te zetten’.
Dat dit soms wel nodig is kwam onlangs op een tragische wijze aan het licht, toen in het begin van dit jaar – naar aanleiding van de Gazacrisis – een antisemitische golf door Europa raasde die we niet meer beleefd hadden sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Het ‘spook van het antisemitisme‘ was weer daar! Die ging andermaal gepaard met vele aanslagen op Joodse burgers en bezittingen. In vergelijking met dezelfde periode het jaar voordien, bleek dat het antisemitisme met meer dan 200 procent was toegenomen. Als de link tussen het Joodse volk en de moderne staat Israël niet erg duidelijk was voor velen, hebben de antisemieten van de wereld die connectie op de meest grimmige en duidelijkste wijze gelegd. Of zoals de mensenrechtenactivist Dr. Martin Luther King het de vorige eeuw ooit uitdrukte: “Wie kritiek heeft op de Zionisten, bedoelt in feite de Joden.”
Dit document is van de hand van Andrew White ‘Israël’s fundamental case‘ en werd opgedeeld in zes hoofdstukken en in 42 punten. Op Verzet Blogspot verschijnt dit – gelet op de omvang van de tekst – in drie delen en werd vrij vertaald en bewerkt door Brabosh. Het eerste deel verscheen eerder op 19 juli met als titel: De rechten v/h Joodse volk en de stichting van de Joodse staat; het tweede deel op 26 juli getiteld: De Israëlische samenleving en de zucht naar Vrede en het derde deel op 2 augustus 2009 getiteld: Israëls fundamenten [3] Israël & de Palestijnse kwestie en de publieke opinie
In dit eerste deel komen de volgende onderwerpen aan bod:
Israëls fundamenten [1] De rechten v/h Joodse volk en de stichting van de Joodse staat
- A) De nationale rechten van het Joodse volk
- B) De stichting van de moderne staat Israël
A) De nationale rechten van het Joodse volk
1. De Joden zijn een volk, geen ras: De Joden zijn een volk, geen ras. De Joden bestaan uit vele rassen en etnische groepen, die op verschillende wijzen uitdrukking geven aan hun identiteit. Dat kunnen religieuze, seculiere of culturele Joden zijn. Dat kunnen ook ashkenazische of sefardische Joden zijn, conservatieve of liberale Joden, of Joden van uiterst links tot uiterst rechts. Het kunnen ook combinaties zijn van een of meerdere van deze. Voor vele Joden is Judaïsme helemaal geen religieuze identiteit. En voor vele Israëli’s is een ‘Israëli’ zijn, thans de enige vorm van hun Joodse identiteit.
2. De Joden hebben een recht op nationale lotsbeschikking: Net als gelijk welk ander volk hebben ook de Joden het recht om zelf hun nationale lot te bepalen en uitdrukking te geven aan hun identiteit als een natie binnen hun eigen land. De beweging die aan het Joodse nationalisme gestalte geeft wordt het zionisme genoemd. Binnen die beweging zijn er zowel linkse als rechtse, seculiere en religieuze zionisten. Zionisme houdt zowel de restauratie in van Joodse zelfbeschikking in het land van Israël als de opbouw van een gemeenschap die zich baseert op de ethische principes van het Judaïsme. ‘Anti-Zionisme’ is immoreel en discriminerend omdat het nationale rechten ontzegd aan het Joodse volk waarvan andere volkeren in de wereld wel van genieten. Om dezelfde reden zijn de oproepen tot een zogenoemde ‘bi-nationale staat’ voor Joden en Arabieren, niet ‘progressief’ of ‘toekomst gericht denken’, maar in feite immoreel en discriminerend.
3. Israël is het nationale huis van de Joden en Jeruzalem is haar hoofdstad: Het concept dat het land van Israël het nationale huis is van de Joden, is meer dan 3000 jaren oud. Het is diep geworteld in de Joodse cultuur, traditie en in hun gebeden. Jeruzalem was 3000 jaar geleden de hoofdstad van Israël zoals ze dat nu ook is. Sommige journalisten, historici en archeologen betwisten de historische band van de Joden met Israël en de betekenis van Jeruzalem. Degelijke beweringen zijn vals, hinderen de zoektocht naar vrede en voeden het extremisme. Helaas is het in de Arabische wereld gemeengoed dat de band van de Joden met hun land een koloniale mythe is. Dat het land [van Israël] zèlf een mythe is. Die band is zeer diepgaand.
4. Het moderne Israël is de derde onafhankelijke Joods-nationale staat: een onafhankelijke Joodse natie heeft in feite drie keer bestaan in het land van Israël. De eerste twee Joodse staten hebben elk verscheidene honderden jaren bestaan voordat dat ze verwoest werden door imperialistische grootmachten. De eerste Joodse staat werd in 586 voor C. Vernietigd door de Babyloniërs en de tweede door de Romeinen in 70 n.C. De moderne staat van Israël is de derde keer dat de Joden als onafhankelijke natie in het land van Israël leven en wonen. De Joden zijn er nooit in geslaagd om ergens anders ter wereld een nationaal bestaan op te richten.
5. De band tussen het Joodse volk en het land van Israël werd nooit verbroken: De fysieke band van het Joodse volk met het land van Israël is voor meer dan 3000 jaren doorlopend blijven bestaan. Als gevolg van de Romeinse vernietiging van de tweede Joodse staat, werden de Joden gedwongen om in ballingschap te leven die bijna tweeduizend jaren heeft geduurd. Tijdens deze periode dat de Joden als volk overleefden in de zogeheten ‘diaspora’, moesten zij het doen zonder nationaal tehuis. Zij raakten verspreid over alle windstreken, waren kwetsbaar en werden zij vaak vervolgd. Maar ze gaven nooit de hoop op dat ze op een dag zouden mogen terugkeren en de wederopbouw [van het land van Israël] konden aanvatten. Al die tijd [in ballingschap] bleven kleine Joodse gemeenschappen achter in het land van Israël (dat de Romeinen hernoemden naar Paelestina), en verzekerden deze gemeenschappen aldus de ononderbroken aanwezigheid [van de Joden] in hun land van herkomst.
B. De stichting van de moderne staat Israël
6. De oprichting van Israël eiste een stapsgewijs proces van staats wederopbouw: de heroprichting van een onafhankelijk Israël in 1948 herstelde de lang ontzegde nationale rechten van het Joodse volk. Die volgde na een periode van honderd jaren toen in toenemende mate Joden gestaag terugkeerden naar het land – en vaak geconfronteerd werden met groot gevaar om dat te doen – en geleidelijk bouwde zij de instellingen en de economische infrastructuur voor een staat weder op. Hoewel onder hen er veel Joden waren die de Europese vervolging ontvluchtten, waren er veel meer die aangedreven werden door hun idealistische visie op de toekomst van het land. Het is gewoon onjuist om te suggereren dat Israël er gekomen is als gevolg van het ‘internationale schuldgevoel’ over de nazi-holocaust. Israëls hernieuwde vestiging was het hoogtepunt van 100 jaar van persoonlijk ingegeven streven – van en door de Joden van Palestina – tot het herstel van het land.
7. Niet de Britten hebben ‘Israël gecreëerd’ maar zij creëerden inderdaad obstakels: Palestina was een verwaarloosd gebied dat bezet werd gehouden door het Ottomaanse Rijk gedurende vele honderden jaren tot aan het begin van de 20ste eeuw. Er woonden vele duizenden Arabieren – maar er bestonden geen uitgesproken nationale aspiraties van betekenis. Voor vele buitenstaanders leek het een onmogelijke opgave dat de Joden in het verdorde land ooit een levensvatbare natie zouden kunnen opbouwen. Toch overwonnen de Joden alle obstakels tijdens de wederopbouw van de staat, en genereerden een almaar toenemende economische activiteit tijdens het 31-jaar durende Britse Mandaat (1917-1948), die gevolgd was op het het einde van het Ottomaanse Rijk. Het resultaat was dat als gevolg van die enorme economische activiteit die de Joden ontplooiden, veel meer Arabieren ertoe werden aangetrokken [op zoek naar welvaart en een beter leven] en naar Palestina migreerden. Naarmate de contouren van een Joodse staat zich ontwikkelden, groeide het verzet van de Arabieren hiertegen en begon ook een gevoel van Arabische nationalisme zich in dat gebied te ontwikkelen. In plaats van die Joodse staat de kans te geven zich te ontwikkelen, hebben de Britten er integendeel alles aan gedaan tijdens de jaren 1930 en 1940 om de stichting van een Joodse staat te verhinderen, dit om te vermijden dat zij de Arabieren tegen zich in het harnas zouden jagen en alsook omwille van ruimere Britse diplomatieke redenen. De Britten voerden strenge beperkingen op verdere Joodse immigratie. Het is dus niet juist om te suggereren dat Israël werd gecreëerd door Groot-Brittannië, of dat de Israëlische staat door Groot-Brittannië werd opgedrongen aan de Arabische bevolking. Integendeel. Als gevolg van de Arabische oppositie tegen de Joodse staat, sloot Groot-Brittannië de poorten voor Joodse immigratie en joegen zij talloze Joden aldus een zekere dood tegemoet naar het toen door de nazi’s gedomineerde Europa.
8. Joodse leiders accepteerden in 1947 het verdeelplan en de 2-statenoplossing: In november 1947 keurde de Verenigde Naties het ‘Partition Plan’ [verdeelplan] goed, waarin een pas geboren Joodse staat zou bestaan zij-aan-zij met een Arabisch-Palestijnse staat, ongeacht de kosten. Dit was de blauwdruk voor een twee-staten-oplossing. De leiders van de Joden van Palestina, die op zoek waren naar een nationaal Joods tehuis na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog, aanvaardden het plan. Rampzalig genoeg voor iedereen, werd het plan door de Arabieren van het Mandaat Palestina en door de Arabische buren van Israël verworpen. Deze daad van afwijzing bleek zelf-destructief te zijn en ligt aan de basis van het conflict dat al zestig jaar lang aansleept. Sommige Palestijnse Arabieren hebben vandaag toegegeven dat de Arabische leiders 60 jaar geleden een historische vergissing hebben begaan. Israël heeft aldus het recht om te bestaan als Joodse staat omdat het gebaseerd is op het principe van de democratische meerderheid. En die meerderheid onder het VN plan van 1947 voorzag in een staat waar op dat moment de meerderheid Joods was. Tot op vandaag is de meerderheid in Israël Joods. Dus ook indien je het argument van ‘historisch/ goddelijk recht op het land’ niet wenst te aanvaarden, kan je toch niet onder dit fundamenteel principe van democratie uit, nl. beslissingen worden altijd genomen bij democratische meerderheid.
9. Arabische beslissingen en acties liggen aan de basis van het Palestijns-Arabisch vluchtelingenprobleem: Niemand ontkent dat Israël tijdens haar Onafhankelijkheidsoorlog in 1948-49 Palestijnse Arabieren heeft ontheemd, maar dit gebeurde in de context van de overlevingsoorlog die haar werd opgedrongen als pas geboren Joodse staat omringd door vijandige Arabische naties. Veel meer Palestijnen verlieten het land vrijwillig, dikwijls op aandringen van hun Arabische leiders die hen een nakende overwinning op de Joodse staat hadden voorspiegelden en hen beloofden dat ze spoedig konden terugkeren. De Palestijnse Arabieren werden vluchtelingen niet als gevolg van de stichting van de Joodse staat Israël maar als gevolg van de beslissing van de Arabieren om het verdeelplan zoals het werd goedgekeurd door de Verenigde Naties te verwerpen, en in plaats daarvan besloten om de wapens op te nemen om aldus met geweld de stichting van Israël te verhinderen.
10. Miljoenen Joodse vluchtelingen (waaronder ook uit Arabische landen) vonden een onderkomen in Israël: Israël diende als een veilige haven voor miljoenen Joodse vluchtelingen uit Europa, de Arabische landen, de voormalige Sovjet-Unie, Ethiopië en elders. Inderdaad werden 900.000 Joden in de Arabische landen opgejaagd en verdreven in de nasleep van de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog, zonder dat ze daar ooit voor vergoed werden. In het zicht van massieve economische, culturele en sociale uitdagingen, heeft Israël niettegenstaande al deze en andere vluchtelingen voorzien van democratische rechten, onderdak, mogelijkheden en hoop. Dit is een humanitaire verwezenlijking zonder voorgaande.
11. Het bestaansrecht van Israël werd erkend door internationale wetten: Israël wordt al sinds 1948 als een onafhankelijk lid van de Verenigde Naties en werd erkend door internationale wetten. Haar vredesverdragen met Egypte (1976) en met Jordanië (1994) bevestigen het bestaansrecht van Israël als een vredelievende natie en dat binnen veilige grenzen.
12. Israël is in deze 21ste eeuw een volwaardig lid van de gemeenschap der volkeren: Sommigen argumenteren dat het idee van een Joodse staat een anachronistisch idee is. Zij beweren dat een natie-staat geen ‘rol’ mag spelen in wat wij thans de ‘global village’ van de 21ste eeuw heten. Toegegeven, de wereld wordt steeds meer geïntegreerd en onderling afhankelijk. Maar dat betekent niet het einde van de natie-staat. Verre van dat. Er zijn meer soevereine naties in de wereld dan ooit tevoren. Het Joodse volk heeft het recht om een rol te spelen in de internationale gemeenschap van zowel als burgers van verschillende landen, als via de staat Israël. De ironie wil dat veel van diegenen die beweren dat Israël een achterhaald idee zou zijn, zij dikwijls tegelijk dezelfde krachtige pleitbezorgers zijn van een Palestijnse natie.
13. Inzicht in de geschiedenis van Israël schept toekomstperspectieven voor de vrede: Sommigen zeggen dat de geschiedenis van Israël niet relevant is. Zij betogen dat het zinloos is om in te gaan op het verleden, dat ‘niemand geïnteresseerd is’ in geschiedenis, en dat we alleen maar naar de toekomst moeten kijken als we willen bouwen aan de vrede. Dit is echter niet het geval met Israëls conflict met de Palestijnen en met haar buurlanden. De legitimiteit van Israël is ontstaan uit haar geschiedenis. En in de aanvaarding van Israëls legitimiteit ligt de sleutel tot de oplossing van het conflict. Verre van een zaak van geschiedenis, worden in het begrijpen van deze vraagstukken de vooruitzichten gevormd voor een betere toekomst. Zolang zij die vrede wensen deze geschiedenis niet erkennen en in het bijzonder de rechten die voortvloeien uit deze geschiedenis, kan er geen duurzame oplossing komen voor het conflict.
Lees verder:
Israëls fundamenten [2] De Israëlische samenleving en de zucht naar Vrede
- C) De hedendaagse Israëlische samenleving
- D) Israëls zoektocht naar vrede en haar houding daar tegenover in het gebied
Israëls fundamenten [3] Israël & de Palestijnse kwestie en de publieke opinie
- E) Israël en de Palestijnen: kernpunten
- F) Israël en de internationale publieke opinie
Bronnen: Beyond Images: Israel’s fundamental case door Andrew White, directeur van het Beyond Images Project, mei 2008, vrije bewerkt en vertaald door Brabosh; lees ook op JTA: Israel as a Jewish State, opiniestuk van Lawrence J. Epstein van 6 juli 2009; andere gerelateerde artikels van Beyond Images: How President Obama got it wrong on Israel’s history..…. and why it matters for future peace van 14 juni 2009, vrij bewerkt en vertaald door Brabosh als Obama kent de geschiedenis van Israël niet… en waarom dat zo belangrijk is voor de toekomstige vrede van 12 juli 2009; ‘Five foundations for Israel’s right to exist’ (Briefing 167, February 2006); ‘Israel and the Jews: the 3500 year connection’ (July 2002) en ‘Rejection of Israel in the Muslim world: observations by a pioneer of dialogue’ (Briefing 145, van 27 juni 2005); lees ook op Verzet Blogspot: Barack Obama en de mythe van de nederzettingen van 6 juni 2009; Israëli’s hebben geen vertrouwen meer in Barack Obama van 22 juni 2009; Waarom zouden we naar twee staten streven als er al drie zijn? van 11 juni 2009; Obama maakte historische fout tijdens ‘historische’ speech van 8 juni 2009; Barack Obama’s speech in Kaïro aan de moslimwereld: ‘We’re sorry!’ van 5 juni 2009; Israël wordt ‘obstakel’ voor Barack Obama’s nieuwe politiek in het M-O van 24 april 2009; Palestijnse kwestie: ‘Doos van Pandora’ voor Arabische landen in het M-O van 31 januari 2009
Oorlog en vrede – en misleiding – in de Islam: Taqiyya [deel 1]
In februari van dit jaar publiceerde Raymond Ibrahim op Pajamas Media onderstaand essay (in 2 delen) waarin hij het Westen waarschuwt voor de manier van oorlogvoeren van (radicale) moslims. Raymond Ibrahim is de mededirecteur van het ‘Middle East Forum’ en de auteur van ‘The Al Qaeda Reader’, vertalingen van religieuze teksten en religieuze propaganda. Dit essay werd vertaald door Sam van Rooy en gepubliceerd op Het Vrije Volk op 16 juli 2009. Sam is de zoon van Wim van Rooy die bekendheid verwierf met zijn boek De malaise van de multiculturaliteit, dat onlangs werd gepubliceerd.
Oorlog en vrede – en misleiding – in de Islam: Taqiyya [deel 1] en [deel 2]
Islam, oorlog en misleiding: een synthese

Niet-moslims mag je beliegen en bedriegen voor het heil van de Islam
Vandaag, in een tijd van oorlog en oorlogsgeruchten afkomstig uit de islamitische wereld – gaande van het on-going conflict in Gaza tot het ‘sabelgekletter’ van het nucleair gewapende Pakistan en binnenkort ook Iran – wordt de behoefte van niet-moslims om de islamdoctrine en islamdoelstellingen over oorlog en vrede en alles daartussen (verdragen, diplomatie) beter te begrijpen, uitermate dringend. Wat doet men bijvoorbeeld met het feit dat Hamas, na open en heftig keer op keer duidelijk te verklaren dat het haar ultieme doel is om Israël vernietigd te zien, ook ‘vredesverdragen’ nastreeft, inclusief verschillende toegevingen van Israël – en nog raadselachtiger, die ‘vredesverdragen’ ook aanvaardt?
Vooraleer men zulke vragen kan beantwoorden, moet men eerst de volledige en gedetailleerde strikt legalistische oorsprong van de mainstream (soennitische) islam begrijpen. Vreemd genoeg is de islam – hoezeer men ook altijd beweert verkeerd begrepen of geïnterpreteerd te zijn door ‘radicalen’ – in tegenstelling tot de meeste andere religies een duidelijk gedefinieerde religie die geen dubbelzinnigheid toestaat: inderdaad, volgens de sharia (d.i. ‘de manier van leven volgens de islam’, meestal vertaald als de ‘islamitische wet’) is elke denkbare menselijke daad gecategoriseerd als verboden, ontmoedigd, toegestaan, aanbevolen of verplicht. ‘Gezond verstand’ of ‘algemene opvattingen’ hebben weinig te maken met de opvattingen van de islam aangaande goed en slecht. Het enige wat telt is wat Allah (via de Koran) en zijn profeet Mohammed (via de Hadith) hebben te zeggen over eender welk onderwerp, en hoe de grootste theologen en juristen van de islam – algemeen bekend als de ulema, letterlijk: ‘zij die het weten’ – het hebben uitgesproken.
Neem ‘liegen’. Volgens de sharia is bedrog of misleiding niet alleen toegestaan in sommige situaties, het is soms zelfs verplicht. Bijvoorbeeld: moslims die moeten kiezen tussen de islam afzweren en gedood worden moeten, en dit in tegenstelling tot de vroegere christelijke traditie, bedriegen door hun afvalligheid te veinzen. Vele juristen hebben vonnissen uitgesproken die stellen dat moslims verplicht zijn om te liegen volgens de Koran 4:29.
De doctrine van de taqiyya
Veel draait rond de allesomvattende doctrine van taqiyya, een concept dat veelal vergoelijkend wordt benaderd als ‘religieuze veinzing’, doch in realiteit heel eenvoudig ‘bedrog van moslims ten opzichte van ongelovigen’ inhoudt. Volgens de gezaghebbende Arabische tekst Al-Taqiyya fi Al-Islam is “Taqiyya (bedrog) van fundamenteel belang in de islam. Vrijwel elke islamitische sekte stemt ermee in en voert het uit. We kunnen daarom stellen dat de uitoefening van taqiyya de heersende stroming is binnen de islam, en dat de weinige groeperingen die de taqiyya niet uitoefenen, danig verschillen van die heersende stroming. Taqiyya is overheersend in de islamitische politiek, voornamelijk in de moderne tijd [p. 7, eigen vertaling].”
Sommigen geloven verkeerdelijk dat taqiyya een exclusieve Shia doctrine is (de tweede grootste islamstroming, na de soennitische islam): als een minderheidsgroep verspreid tussen haar traditionele vijanden, de veel talrijkere soennieten, hebben shiieten historisch gezien meer ‘reden’ om te misleiden. Ironisch genoeg echter bevinden soennieten die vandaag in het Westen leven zich in dezelfde situatie: zij zijn nu een minderheidsgroep omsingeld door hun historische vijanden – christelijke ongelovigen.
Het belangrijkste koranvers dat bedrog ten opzichte van niet-moslims bevestigt zegt: “Laat gelovigen (moslims) geen ongelovigen (niet-moslims) als vrienden en bondgenoten nemen in plaats van gelovigen. Wie dit doet zal geen relatie meer hebben met Allah – tenzij je alleen jezelf beschermt tegen hen uit voorzorg” (3:28. Andere verzen waarnaar wordt verwezen in de ulema ter ondersteuning van de taqiyya zijn 2:173, 2:185, 4:29, 16:106, 22:78, 40:28).
Al-Tabari’s (d. 923) beroemde tafsir (exegese van de Koran) is een standaard en gezaghebbend referentiewerk in de hele moslimwereld. Betreffende 3:28 schrijft hij: “Als jullie (moslims) onder hun (ongelovigen) gezag zijn, vrezend voor jezelf, gedraag je dan loyaal tegenover hen, met jullie tong, terwijl jullie innerlijke vijandigheid herbergen. Allah heeft gelovigen (moslims) verboden om vriendschappelijk of intiem te zijn met ongelovigen in plaats van gelovigen – behalve wanneer ongelovigen boven hen staan (in gezag). In dat scenario, laat ze zich dan vriendschappelijk gedragen tegenover hen.”
Wat betreft 3:28 schrijft Ibn Kathir (d. 1373, tweede in gezaghebbende in rang na Tabari): “Wie wanneer of waar dan ook hun (ongelovigen) slechtheid vreest, mag zichzelf beschermen door middel van oppervlakkig toneelspelen.” Als bewijs hiervan citeert hij Mohammeds naaste metgezel, Abu Darda, die zei: “Laat ons lachen naar het gezicht van sommige mensen (niet-moslims) terwijl ons hart ze vervloekt”. Een andere metgezel, al-Hassan, zei: “Het uitoefenen van taqiyya is aanvaardbaar tot aan de dag des oordeels (i.e. tot in de eeuwigheid).”
Andere prominente leden van de ulema, zoals al-Qurtubi, Al-Razi en Al-Arabi, hebben de taqiyya uitgebreid om acties of daden toe te dekken. Met andere woorden, moslims kunnen zich als ongelovigen gedragen – inclusief door neer te buigen en afgoden en kruisen te aanbidden, valse getuigenissen af te leggen, zelfs door zwakheden van andere moslims aan de ongelovige vijand te onthullen – alles behalve werkelijk een moslim te doden.
Is het daarom dat de Amerikaanse moslim, sergeant Hasan Akbar, zijn medesoldaten doodde in Irak 2003? Had zijn geveinsde loyaliteit uiteindelijk een maximum bereikt toen hij begon te beseffen dat moslims zouden kunnen worden gedood onder zijn gezag? In zijn dagboek had hij het volgende geschreven: “Ik mag dan geen enkele moslim hebben gedood, maar in het leger zijn is net hetzelfde. Ik zal misschien spoedig een keuze moeten maken over wie ik dood”.
Oorlog is misleiding
Niets hiervan zou mogen verbazen als men weet dat Mohammed zelf – wiens voorbeeld als de ‘meest perfecte mens’ strikt moet worden gevolgd – een handig beeld van liegen ophing. Het is bijvoorbeeld goed geweten dat Mohammed liegen toeliet in drie situaties: om twee of meerdere ruziënde partijen te verzoenen, tegenover je vrouw en in de oorlog (zie Sahih Muslim B32N6303, beschouwd als een ‘authentieke’ hadith).
Wat betreft onze voornaamste bezorgdheid hier – oorlog – onthult het volgende verhaal uit het leven van Mohammed de centrale rol van bedrog in de oorlog. Tijdens de ‘Battle of the Trench’ (627), die Mohammed en zijn volgelingen voerden tegen verschillende niet-moslimstammen bekend als de ‘Geconfedereerden’, liep één van hen, Naim bin Masud, over naar het moslimkamp en hij bekeerde zich tot de islam. Toen Mohammed ontdekte dat de Geconfedereerden niet op de hoogte waren van de bekering van hun stamgenoot, raadde hij Masud aan om terug te keren en op een of andere manier zijn stamgenoten ervan te overtuigen hun belegering op te geven “Omdat,” verzekerde Mohammed hem, “Oorlog misleiding is.” Masud keerde terug naar zijn vroegere stamgenoten zonder dat ze wisten dat hij ‘van kamp was verwisseld’, en hij begon zijn voormalige bondgenoten slechte raad te geven. Ook ging hij erg ver in het veroorzaken van ruzies tussen de verschillende stammen tot ze, elkaar sterk wantrouwend, uit elkaar gingen, op die manier de belegering van de moslims verzaakten en daardoor de islam redden in zijn embryonale periode (zie Al-Taqiyya fi Al-Islam. Ook Ibn Ishaq’s Sira, de eerste biografie van Mohammed).
Nog overtuigender in verband met de legitimatie van misleiding vis-à-vis ongelovigen is de volgende anekdote. Een dichter, Kab bin al-Ashruf, beledigde Mohammed door een kleinerend vers over moslimvrouwen te maken. Mohammed verklaarde vervolgens in het bijzijn van zijn volgelingen: “Wie zal deze man doden die Allah en zijn profeet pijn heeft gedaan?” Een jonge moslim genaamd Mohammed bin Maslama stelde zich kandidaat, maar op voorwaarde dat hij, om dicht genoeg bij Kab te komen om hem te vermoorden, mocht liegen tegen de dichter.
Mohammed ging akkoord. Maslama reisde naar Kab, begon de islam en Mohammed zwart te maken en ging daarmee door totdat zijn afkeer zo overtuigend werd dat Kab hem in vertrouwen nam. Niet lang daarna verscheen Maslama met een andere moslim en, nadat de bewaker van Kab buiten spel was gezet, vielen ze Kab aan en doodden ze hem. Ibn Sa’ads versie beschrijft dat ze naar Mohammed liepen met Kabs hoofd, naar wie de laatste schreeuwde: “Allahu Akbar!” (God is groot!)
Het is ook het vermelden waard dat de hele reeks openbaringen in de Koran een getuigenis zijn van taqiyya. En daar Allah wordt beschouwd als de openbaarder van deze verzen, is hij uiteindelijk te beschouwen als de voltrekker van de misleiding – wat niet verwonderlijk is omdat Allah zelf in de Koran beschreven staat als de beste ‘misleider’ of ‘samenzweerder’ (3:54, 8:30, 10:21). Dit fenomeen draait rond het feit dat de Koran zowel vredevolle en tolerante als gewelddadige en intolerante verzen bevat. De ulema waren verward over welke verzen moesten worden geïmplementeerd in het sharia-wereldbeeld. Is dat bijvoorbeeld die ene vers dat zegt dat er geen dwang is in religie (2:256), of zijn het de verzen die moslims oproepen om alle ongelovigen te bevechten tot ze zich ofwel bekeren tot of ten minste onderwerpen aan de islam (8:39, 9:5, 9:29)? Om uit dit dilemma te geraken ontwikkelde de ulema de leer van de opheffing (naskh, gesteund door de Koran 2:106), die in essentie de verzen die later werden ‘geopenbaard’ in Mohammeds carrière prioriteit geven boven de eerdere verzen, en dit voor alle verzen die elkaar tegenspreken.
Maar eerst en vooral: waarom is er die contradictie? De algemene opvatting is dat, omdat Mohammed met zijn gemeenschap in de vroege jaren van de islam zwaar in de minderheid was ten opzichte van ongelovigen en andersgelovigen, een boodschap van vrede en coëxistentie aangewezen was (klinkt ons dat niet bekend in de oren?).
Nadat hij echter uitgeweken was naar Medina en zowel in aantal als op militair vlak een serieuze macht vormde, werden de gewelddadige en intolerante verzen ‘geopenbaard’, die moslims aanzetten om – nu ze toch de mogelijkheid hadden – over te gaan tot de aanval. Volgens deze opvatting, nogal standaard bij de ulema, kan men alleen concluderen dat de vredelievende Mekka-verzen uiteindelijk een misleidend plan waren om de islam tijd te geven totdat hij voldoende sterk was om dan zijn jihadistische ‘ware’ verzen te implementeren. Of, zoals oorspronkelijk begrepen en uitgevoerd door moslims zelf: wanneer ze zelf zwak en in de minderheid zijn, moeten ze preken en zich gedragen volgens de Mekka-verzen (vrede en tolerantie). Wanneer ze sterk zijn moeten ze ten aanval trekken volgens de Medina-verzen (oorlog en verovering). De plotse wendingen in de islamitische geschiedenis zijn een getuigenis van deze dualiteit.
Een moslimcollega van me maakte dit ooit duidelijk tijdens een ‘casual’ doch onthullende conversatie. Na hem gedetailleerd al deze problematische doctrines die het moslims onmogelijk maken om vredevol samen te leven met ongelovigen – jihad, loyaliteit en vijandigheid, het goede opleggen en het slechte verbieden – te hebben uitgelegd, vroeg ik scherp hoe en waarom hij, als moslim, ze zelf niet handhaafde. Hij bleef eromheen draaien, terwijl hij mij wees op op de vredelievende en tolerante verzen. In de veronderstelling dat hij zich niet helemaal bewust was van zulke mysterieuze doctrines als ‘opheffing’, begon ik hem (vrij triomfantelijk) het verschil uit te leggen tussen (tolerante) Mekka-verzen en (intolerante) Medina-verzen, en hoe de laatste de vorige ophieven. Hij glimlachte enkel maar en zei: “Ik weet het, maar ik leef op dit moment in Mekka”. Net zoals zijn zwakke en in de minderheid zijnde profeet tussen een ongelovige meerderheid in Mekka, voelt ook hij zich voor zijn overleving verplicht om vrede en tolerantie te prediken, en een vredevol samenleven met de ongelovige meerderheid van Amerika.
Vervolgt in: Oorlog en vrede – en misleiding – in de Islam: Taqiyya [deel 2]
Bronnen: Het Vrije Volk: Ibrahim over taqiyya door Sam van Rooy; Pajamas Media.com: War and Peace — and Deceit — in Islam (Part 1) door Raymond Ibrahim van 12 februari 2009 en War and Peace — and Deceit — in Islam (Part 2) van 13 februari 2009; Lees ook op Verzet Blogspot: Taqiyya, de [islamitische] kunst van leugen en bedrog jegens niet-moslims en Joden van 2 mei 2009; Faith, Answers & Questions van 21 april 2009; Bloodthirsty Liberal: He is just not That into Jews; Jewish Blogging: “Peaceful” Imam Calls For Extermination of Those Evil Jews van 19 april 2009; Palestinian Media Watch bulletin van 19 april 2009: Hamas Racism: Jews are evil – “Their children will be exterminated.”; Islam Watch: Understanding Taqiyya ― Islamic Principle of Lying for the Sake of Allah van 30 april 2007 door Warner MacKenzie; Wikipedia.eng: Abu Hamza Al-Masri; Counter Espionage: ‘Taqiyya’: how Islamic extremists deceive the West door Andrew Campbell van 1 juni 2005 en ‘Taqiyya’ and the global war against terrorism door Andrew Campbell van 1 september 2005 en Iran and Deception Modalities door Andrew Campbell van 1 september 2006 en Iran’s nuclear deception: taqiyya and kitman van 1 december 2006; op deze blogspot: Dhimmitude: de status van niet-moslim minderheden onder Islamitisch bestuur van 23 april 2009
Oorlog en vrede – en misleiding – in de Islam: Taqiyya [deel 2]
Oorlog en vrede – en misleiding – in de Islam: Taqiyya [deel 1] en [deel 2]
Oorlog is eeuwigdurend
Het feit dat de islam misleiding en bedrog legitimeert tijdens een oorlog mag niet verbazen. Het gezegde gaat immers: ‘alles is geoorloofd in liefde en oorlog’. Bovendien, niet-moslim denkers en filosofen, zoals Sun Tzu, Machiavelli en Hobbes, rechtvaardigden allen misleiding in oorlogstijd. Het cruciale verschil echter is dat volgens alle vier de erkende scholen van soennitische rechtsgeleerdheid, de oorlog tegen de ongelovige verder gaat tot de eeuwigheid: totdat “alle chaos eindigt en alle religie tot Allah behoort” (Koran 8:39).
Over jihad verklaar de definitieve Encyclopedie van de islam simpelweg:
De plicht van jihad bestaat zolang de universele dominantie van de islam niet is bereikt. Vrede met niet-moslimlanden is daarom slechts een tijdelijke verhouding, enkel tijdelijke omstandigheden kunnen dit verantwoorden. Voorts kunnen geen echte vredesverdragen met deze landen worden gesloten. Enkel bestanden met een duur die in principe de 10 jaar niet kan overschrijden, zijn toegestaan. Maar zelfs zulke bestanden zijn riskant, in die zin dat ze nog voor het einde van hun duur kunnen worden opgezegd als zou blijken dat het voor de islam beter is om het conflict te hervatten.
Nog in verband met de doctrine van de opheffing: de overgrote meerderheid van de ulema is het erover eens dat Koran 9:5, genoegzaam bekend als ayat al-saif (’vers van het zwaard’), zowat 124 van de ietwat vredelievendere Mekka-verzen heeft opgeheven.
De verplichte jihad is het best te verklaren via de tweeledige kijk op de wereld die de Dar al-Islam (het ‘Huis van Onderwerping’, i.e. de islamitische wereld), tegen Dar al-Harb afzet (het ‘Huis van Oorlog’, i.e. de niet-islamitische wereld), totdat de eerste de laatste omvat.
Internationaal gerenommeerd moslimhistoricus en filosoof Ibn Khaldun (d. 1406) verklaart deze opdeling op de volgende manier: “In de moslimgemeenschap is de heilige oorlog (jihad) een religieuze plicht als gevolg van het universalisme van de moslimmissie en de verplichting om iedereen tot de islam te bekeren door middel van overtuiging of geweld. De andere religieuze groepen, meer bepaald christenen en joden, hadden geen universele missie, en de heilige oorlog was voor hen geen religieuze plicht, maar enkel een middel om zich te verdedigen. (…) Maar de islam houdt een verplichting in om de macht te grijpen over andere landen.”
Het concept van de ‘verplichte jihad’ werd geïllustreerd door het feit dat, gebaseerd op het 10 jaar durende bestand van Hudaibiya (628), geratificeerd door Mohammed en zijn Qoeraisj tegenstrevers in Mekka, 10 jaar theoretisch de maximumtijd is dat moslims in vrede met ongelovigen kunnen leven. Gebaseerd op Mohammeds voorbeeld om het bestand na twee jaar te breken (door een of andere inbreuk van de Quraisj aan te halen), is de enige functie van het ‘vredesbestand’ (of hudna) dat verzwakte moslims tijd kunnen winnen om te hergroeperen alvorens opnieuw in de aanval te gaan. Overigens zei Mohammed volgens een gecanoniseerde hadith: “Als ik een eed afleg en later iets anders beter vind, dan doe ik wat ik het beste vind en breek ik mijn eed”. Voorts moedigde de profeet moslims aan hetzelfde te doen: “Als je ooit plechtig belooft iets te doen en later vind je dat iets anders beter is, dan moet je je belofte breken en doen wat beter is.”
Na een vredesbestand te hebben onderhandeld met Israël (fel bekritiseerd door moslims omdat ze het zagen als een toegeving), rechtvaardigde voormalig PLO-leider en Nobelprijswinnaar Yasser Arafat deze actie door tegen moslims – in moskeeën en off the record – te zeggen: “Ik zie dit bestand als niet meer dan een overeenkomst tussen onze profeet Mohammed en de Qoeraisj in Mekka.” De ‘gematigde’ Arafat gaf met andere woorden – net zoals zijn profeet – enkel zijn woord om het te kunnen verbreken op het moment dat ‘iets beters’ boven water kwam: de Palestijnen die opnieuw krachtig genoeg zouden worden om weer ten aanval te trekken.
Zeer recent stelde een nieuwe islamitische groepering ‘Jaysh al-Umma’, die met Hamas is geassocieerd: “moslims over de hele wereld zijn verplicht om de Israëli’s en de ongelovigen te bevechten totdat enkel en alleen de islam de wereld regeert.” Kort daarna beseften ze hun ‘verspreking’, en ze verklaarden: “Wij zeggen dat de wereld niet in vrede zal leven zolang het bloed van moslims blijft vloeien.” Wat bedoelen ze nu eigenlijk: “totdat bloed van moslims stopt met vloeien in Israël” of “totdat enkel de islam de wereld regeert”?
Dit zijn allemaal duidelijke voorbeelden van moslims die het idee van vrede als voorwendsel gebruiken met als doel tijd te winnen om hun kracht te vergroten.
En hier is dan het probleem: als de islam in een continue staat van oorlog moet zijn met de niet-moslimwereld, een oorlogsstaat die niet per se fysiek moet zijn daar de ulema verschillende niet-gewelddadige vormen van jihad heeft opgesteld, zoals ‘jihad-met-de-pen’ (propaganda) en ‘geld-jihad’ (economisch), en als het moslims is toegestaan om te liegen en om loyaliteit, vriendschap en zelfs affectie te veinzen ten opzichte van de ongelovige, enkel ten bate van hun oorlogszucht, wat moet men dan denken van eender welke aanzet van moslims tot vrede, tolerantie of dialoog?
Dit wordt duidelijk als men bedenkt dat elke keer als moslims ‘vredevol de hand reiken’, dat steeds is als ze in een verzwakte positie zijn ten opzichte van ongelovigen. Dat is dus op het moment dat zij, niet hun niet-moslim tegenstanders, voordeel hebben van wapenstilstand. Dat is de les van de laatste twee eeuwen van islamitisch-Westerse interactie, waarin de eerste groep militair inferieur was en dus verplicht was het Westen te gehoorzamen.
Men kan zich afvragen of het omgekeerde waar zou zijn. Als bijvoorbeeld de Palestijnen plots sterker zouden worden en Israël makkelijk zouden kunnen vernietigen. Als Israël dan de hand zou reiken voor vrede of een bestand, zouden de Palestijnen (voor de overgrote meerderheid moslim) dat aanvaarden? Het antwoord op deze vraag is eigenlijk evident als we alle landen bekijken waar niet-moslimgroepen als minderheden leven tussen een moslimmeerderheid: terwijl ze constant leven in een vorm van sociale onderdrukking (volgens Koran 9:29), worden ze ook sporadisch vervolgd en vermoord. Een voorbeeld hiervan zijn de Koptische christenen van Egypte. Op een bepaald moment kwamen ze samen om te bidden in een vervallen fabriek. Na enkele ogenblikken al werden ze omsingeld door 20 000 gewelddadige moslims, die met stenen gooiden en de islamitische oorlogsleuze “Allah Akbar” schreeuwden.
Wederkerige dreiging of religieuze plicht?
Waarom viel Osama bin Laden, die steevast gelooft in de splitsing van de wereld in twee delen – islam en de rest, die moeten vechten totdat de eerste de wereld domineert – de V.S. aan? De volgende anekdote licht een en ander toe: nadat een groep van prominente moslims een brief had geschreven naar de Amerikanen waarin stond dat de islam een vredelievende religie is die in vrede wil samenleven met anderen en enkel wil ‘leven en laten leven’, wees Bin Laden, die dacht dat geen enkele niet-moslim deze brief zou lezen, hen terecht op de volgende manier:
Over de relaties tussen moslims en ongelovigen, is dit wat degene met het Hoogste Woord zegt: “Wij (moslims) geven jullie (niet-moslims) op. Vijandschap en haat zullen altijd tussen ons staan, totdat jullie alleen in Allah geloven” (Koran 60:4). Op die manier is er een vijandschap die alle kenmerken heeft van een diep gewortelde haat. En deze hevige haat – dus gevecht – stopt enkel als de ongelovigen zich onderwerpen aan het gezag van de islam, of als het verboden is voor zijn bloed om te vloeien (d.i., een dhimmi) of als moslims op dat moment zwak en onbekwaam zijn (d.i. taqiyya). Maar als de haat op een bepaald moment het hart verlaat, dan is dat afvalligheid! Dat is de basis van de relatie tussen de ongelovige en de moslim. Geweld, vijandschap en haat – gericht van de moslim op de ongelovige – is het grondbeginsel van onze religie. En we beschouwen het als billijk en vriendelijk tegenover hen (The Al Qaeda Reader, p. 43).
Het verdient te worden herhaald dat deze vijandige ‘weltanschauung’ netjes wordt gesteund door mainstream rechtsislamscholen (i.e. er is niets ‘radicaal’ aan). Bin Ladens toon verandert drastisch als hij zich richt tot het westers publiek. Dan somt hij een bepaald aantal ‘grieven’ als reden op om tegen het Westen te vechten: van Palestijnse onderdrukking tot de ‘zichtbaarheid’ van westerse vrouwen en de V.S. die het Kyoto-protocol niet ondertekenen. Nooit eens waagt Bin Laden zich eraan te stellen dat de V.S. moeten worden bevochten omdat het een ongelovige entiteit is die moet worden onderworpen aan de islam. Inderdaad, veelal begint hij zijn berichten aan het Westen met te zeggen: “Wederzijdse dreiging maakt deel uit van rechtvaardigheid” of “Vrede aan iedereen die richting volgt”, maar hij bedoelt iets totaal anders dan wat zijn westerse publiek denkt.
Dit is uiteraard een duidelijke vorm van taqiyya, daar Bin Laden niet alleen gewag maakt van een fysieke jihad, maar ook van een jihad van propaganda. Een seculiere westerling (wiens manier van denken de notie van religieuze verovering niet toelaat) ervan overtuigen dat het huidige conflict helemaal diens fout is, zou er alleen maar voor zorgen dat hij en zijn zaak alleen maar meer sympathie zouden verliezen in het Westen. Omgekeerd weet Bin Laden ook zeer goed dat als de Amerikanen, buiten alle echte of ingebeelde grieven, zich zouden realiseren dat enkel hun onderwerping aan de islam vrede zou kunnen brengen, dit zijn propagandacampagne vlug zou compromitteren. Maar feit is dat Al-Qaeda meer door religieuze verplichting is gemotiveerd dan door een wederzijdse handelwijze. Bijgevolg is er die continue noodzaak om te liegen, omdat ‘oorlog misleiding is’ zoals hun profeet het voorhoudt.
Hier moet nog aan worden toegevoegd dat, ondanks het feit dat de overgrote meerderheid van de moslims in de wereld geen actieve terroristen zijn, de grievenlijst van Bin Laden tegen het Westen model staat voor de gemiddelde grieven van alle moslims.
Als zij er zich echter niet van bewust zijn dat volgens de islam en niet volgens Bin Laden, de vijandigheid ten opzichte van ongelovigen tijd, ruimte en grieven overstijgt, en dat de religieuze verplichting de continue oorlog beveelt tot “alle religie tot Allah behoort”, dan zijn zij ofwel onwetend over hun eigen religie, ofwel… taqiyya?
Met zulke vrienden…
De organisatie werd in verband gebracht met Hamas, ze werd terechtgewezen door Amerikaanse politici voor het “nastreven van een extreme islamitische politieke agenda” en haar leden werden aangehouden in verband met terrorismegerelateerde beschuldigingen: het gaat hier over de ‘Council on American-Islamitic Relations’ (CAIR). Deze organisatie is nog maar eens een moslimgroep die minder eerlijk is tegenover haar niet-moslimpubliek. Verblijvend in de V.S. zitten ze ook veel dichter bij huis. Jihad, eeuwigdurende oorlogvoering en zelfs doctrines als taqiyya passeerden inderdaad allemaal de revue in dit essay. CAIR was er als eerste bij om het bestaan ervan te ontkennen, beschuldigingen van ‘islamofobie’ te uiten en met rechtszaken te dreigen tegenover iedereen die naar hen verwees. Op die manier censureerden ze alle kritiek aan het adres van de islam.
Zou het kunnen dat CAIR lessen had geleerd van de tot islam bekeerde Masud, die Mohammed aanzette om onder de verenigde gelovigen te gaan wonen, enkel en alleen om hen te misleiden en te bedriegen zodat de islam zou kunnen triomferen?
Het meest voor de hand liggende voorbeeld van taqiyya komt echter van een heel land: Saoedi Arabië. Als er één land is dat de sharia nauwgezet volgt – inclusief (maar niet slechts) de verdeling van de wereld in twee eeuwig oorlogvoerende helften, de islam en de ongelovige wereld – dan is het Saoedi Arabië, a.k.a. Amerika’s ‘vriend’. Volgens de sharia kunnen de Saoedi’s bijvoorbeeld de bouw van één enkele kerk of synagoge niet toelaten in hun land. Bijbels worden verbannen en verbrand, christenen die met een of andere zendelingenmissie bezig zijn worden gearresteerd, gefolterd en soms gedood. Moslims die zich tot het christendom bekeren worden gedood.
Maar ondanks dit alles hebben de Saoedi’s – in hun poging om de islam weer te geven als een ‘tolerante’ religie die voor de zoveelste keer alleen maar ‘vredevol wil samenleven’ met anderen – aangedrongen op meer ‘dialoog’ tussen moslims en niet-moslims, vooral christenen en joden (dat zijn ironisch genoeg de volkeren die momenteel machtiger zijn dan de islam). Saoedi Arabië weigert echter om gastheer te zijn van deze ‘samenkomsten van dialoog’. Hun profeet Mohammed heeft immers op zijn sterfbed gewenst dat joden en christenen het Arabische schiereiland zouden worden uitgezet, hoe kan men ze dan nu uitnodigen om over vrede en tolerantie te praten? Natuurlijk vrezen de Saoedi’s ook dat een ‘echt debat’ – niet enkel dat oppervlakkig gezwets over ‘wederzijds begrip’ waardoor deze schijnvertoningen worden gekenmerkt – zou plaatsvinden wanneer de niet-moslimdeelnemers zouden ontdekken dat ze niet vrij zijn om hun geloof te belijden op Saoedi-grondgebied. De recentste interreligieuze conferentie werd gehouden in Madrid, waar Koning Abdullah – ondanks al het bovengenoemde – beweerde: “Islam is een religie van gematigdheid en tolerantie, een boodschap die de volgelingen van alle religies oproept constructief met elkaar in dialoog te gaan.”
Enkele dagen later werd onthuld dat in de schoolboeken van kinderen uit Saoedi Arabië nog steeds staat geschreven dat christenen en joden ‘infidels’, ‘gehate vijanden’ en ‘varkens en zwijnen’ zijn. Een multiple choice-vragenlijst in een schoolboek van het vierde leerjaar vraagt aan moslimkinderen: ‘Wie is een ‘echte’ moslim?’ Het correcte antwoord is niet een man die bidt, vast, enz…, maar eerder ‘een man die enkel God aanbidt, houdt van gelovigen en de infidels haat’. Dat gaat over diezelfde mensen waarmee de Saoedi’s ‘in dialoog’ willen gaan.
Het is duidelijk dat wanneer de Saoedi’s – of andere sharia-aanhangende moslims – oproepen tot dialoog, ze enkel het bovengenoemde advies van Mohammeds vriend Abu Darda volgen: “Laat ons lachen naar het gezicht van bepaalde mensen, terwijl ons hart ze vervloekt.”
Implicaties
Er is ook een lastig filosofisch – opnieuw, specifiek epistemologisch – aspect aan het concept van taqiyya. Iedereen die echt gelooft dat niemand minder dan God dat rechtvaardigt en die naar het voorbeeld van zijn profeet misleiding billijkt, zal geen ethische bezwaren of dilemma’s ervaren wat betreft liegen. Dit is des te meer waar als men aanneemt dat de menselijke geest inderdaad een tabula rasa is, vormgegeven door de omgeving en het onderwijs: misleiding wordt zo een tweede natuur.
Beschouw het geval Ali Mohammed, bin Ladens ‘eerste trainer’ en jarenlang Al-Qaeda medewerker. Ondanks het feit dat hij zich in de hoogste echelons van het terrorismenetwerk bevindt, was zijn capaciteit om te liegen en te misleiden groot genoeg om jarenlang een CIA-agent en een FBI-informant te zijn. Mensen die hem kenden beschreven hem met angst en ontzag voor “zijn ongelooflijke zelfvertrouwen, zijn onvermogen om te worden geïntimideerd, zijn absolute hardvochtige vastberadenheid om de vijanden van de islam te doden en zijn vurig geloof in de basisprincipes van militant islamitisch fundamentalisme”. Deze zin zegt inderdaad alles: een ‘vurig geloof’ in de ‘basisprincipes’ van de islam, wat zoals gezegd misleiding rechtvaardigt, zal zeker zorgen voor een ‘ongelooflijk zelfvertrouwen’ bij het liegen.
De conclusie is dat elke moslim die nauwgezet de sharia bestudeert – en dat is nu eenmaal de definitie van een moslim, “hij die zich overgeeft aan de wetten van Allah”, wetten die, te midden van andere oorlogszuchtigheid, zeer duidelijk en ondubbelzinnig de wereld in twee eeuwig oorlogvoerende helften verdelen – altijd een ‘goddelijk geïnspireerd’ recht zal hebben om te misleiden. En dit totdat “alle chaos eindigt en alle religie tot Allah behoort” (Koran 8:39). Alle uitingen van moslims in verband met vrede, dialoog en zelfs tijdelijke bestanden moeten in dit licht bekeken worden.
Bronnen: Het Vrije Volk: Ibrahim over taqiyya door Sam van Rooy; Pajamas Media.com: War and Peace — and Deceit — in Islam (Part 1) door Raymond Ibrahim van 12 februari 2009 en War and Peace — and Deceit — in Islam (Part 2) van 13 februari 2009; Lees ook op Verzet Blogspot: Taqiyya, de [islamitische] kunst van leugen en bedrog jegens niet-moslims en Joden van 2 mei 2009; Faith, Answers & Questions van 21 april 2009; Bloodthirsty Liberal: He is just not That into Jews; Jewish Blogging: “Peaceful” Imam Calls For Extermination of Those Evil Jews van 19 april 2009; Palestinian Media Watch bulletin van 19 april 2009: Hamas Racism: Jews are evil – “Their children will be exterminated.”; Islam Watch: Understanding Taqiyya ― Islamic Principle of Lying for the Sake of Allah van 30 april 2007 door Warner MacKenzie; Wikipedia.eng: Abu Hamza Al-Masri; Counter Espionage: ‘Taqiyya’: how Islamic extremists deceive the West door Andrew Campbell van 1 juni 2005 en ‘Taqiyya’ and the global war against terrorism door Andrew Campbell van 1 september 2005 en Iran and Deception Modalities door Andrew Campbell van 1 september 2006 en Iran’s nuclear deception: taqiyya and kitman van 1 december 2006; op deze blogspot: Dhimmitude: de status van niet-moslim minderheden onder Islamitisch bestuur van 23 april 2009

















