‘De Stille uit Jodenstad en de koning van Praag’ (Joodse sage)

Oude Joodse begraafplaats in Praag
Tot in de 12e eeuw was de situatie van de Joden in Praag en Bohemen redelijk gunstig. Ze werden gezien als buitenlanders, die volledige bewegings- en handelsvrijheid hadden, grond en huizen konden kopen en belangrijke ambten bekleden, zoals blijkt uit de privileges, toegezegd door Sobeslav II (1174-1178). De situatie veranderde ingrijpend na het Derde en Vierde Latheraans Concilie (1179 en 1215), waarin de katholieke Kerk een aantal anti-Joodse maatregelen afkondigde. De Joden mochten geen eigen grond meer bezitten en geen enkel ambacht uitoefenen; in feite konden ze alleen nog werkzaam zijn in de geldhandel.
Nadat het Derde Latheraans Concilie een decreet had uitgevaardigd waarin werd bepaald dat alle Joden binnen een begrensd gebied – later getto genoemd – moesten wonen, werden de Joden vanuit de verschillende stadsdelen in een wijk ondergebracht: Zidovske Mesto, Jodenstad. Bij de stichting van de Oude Stad in 1254 door Ottakar II, werden de juridische statuten van de Joodse gemeenschap vastgesteld in de `Statuta Judaeorum’. Het getto werd van het christelijke gedeelte van de stad gescheiden door een muur, waarvan ‘s nachts de poorten werden gesloten. Er waren zes poorten, de laatste is verdwenen in 1822. Volgens cijfers woonden er omstreeks 1930 356.830 Joden in Tsjecho-Slowakije. Slechts 17.247 zullen de concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog overleven.
Hierna volgt een sage uit de 13de eeuw
Stille waters hebben diepe gronden
In een van de armste huisjes van Jodenstad woonde Reb Schime Scheftels, die braaf zijn beroep van klerenhersteller uitoefende, zijn vrouw en kinderen liefhad, maar zijn mond nooit opendeed en daarom `de Stille‘ werd genoemd.
Het getto van Praag omstreeks 1890
Op een junimorgen van het jaar 1286 heerste er een grote opwinding in het getto; er werd omgeroepen dat ‘s middags koning Wenceslas II en zijn vrouw Jutta de Jodenstad kwamen bezichtigen. Iedereen maakte zich op om het koninklijk paar gastvrij te ontvangen en rijendik juichte men de stoet toe. Maar het gejuich veranderde in een kreet van ontzetting toen er op de terugweg van een huis een zware baksteen pal voor de voeten van de koning viel. Koning Wenceslas bleef ongedeerd, maar verliet woedend de stad.
Dezelfde avond kreeg de opperrabbijn een brief met het zegel van de koning. Als niet binnen acht dagen de dader uitgeleverd werd, zou op de negende dag Jodenstad geplunderd worden en de bewoners verjaagd. Maar wat men ook deed, de dader werd niet gevonden.
De negende dag brak aan. Een grote menigte met mokers, bijlen en andere sloopwerktuigen stond voor de poort van Jodenstad klaar om aan het plunderen te slaan. In de Oudnieuwsynagoge was de hele Joodse gemeenschap bij elkaar. Eén ontbrak echter: de Stille. Het was niemand opgevallen, behalve zijn grootmoeder. Het gemompel verstomde toen de opperrabbijn het woord nam en verklaarde dat het onheil afgewend was, omdat Reb Schime Scheftels zich de vorige avond bij de koning had gemeld als de dader.
Vreugde en verdriet streden om de voorrang, want iedereen wist dat hij het niet gedaan had. Zijn grootmoeder slaakte een kreet: “Mijn stille Schimele!” en viel dood neer.
Op bevel van de koning werd de `moordenaar’ van hetzelfde dak geworpen waarvan de baksteen was gegooid, terwijl soldaten met opgerichte speren beneden stonden.
Twee jaar later stierf de staatskanselier van de koning wegens hoogverraad op het schavot. Een kwartier voor zijn dood liet hij de opperrabbijn roepen om hem te vertellen dat hij de baksteen had laten gooien uit haat tegen de Joden.
Bronnen: ‘Praag laat je nooit los‘ door Rindert Brouwer; blz. 59-62; Uitgeverij Elmar BV, Rijswijk, 2001; ISBN 9038911351
Posted on 16 mei 2009, in Antisemitisme / Jodenhaat, Tsjechië. Bookmark the permalink. Geef een reactie.



















Geef een reactie