Dit was ook Apeldoorn: Jodenvervolging – Verzet en Bevrijding

Doorgeven

Starend over lege velden, in de ochtenddauw, zie ik haar kijken.

De verbeelding nog hier, het puntje licht in haar ogen, maakt plaats voor een traan.

Heel even kijkt ze, lijkt ze te zien wat ze zocht.

Elk jaar staat ze hier.

Haar geest vermoeid, haar lichaam versleten.

Elk jaar staat ze hier, helemaal alleen, alleen tussen vele anderen.

Haar vermoeide geest zucht, ze denkt terug aan toen.

Maar als de dauw langzaam plaatsmaakt voor de stilte na zang, is de realiteit niet te stoppen.

De velden weer leeg.

Allen langzaam vertrokken, behalve zij.

Stil legt ze haar roos, op de heuvel van bloemen.

De roos niet alleen, maar samen met andere.

Ze staat even stil, en de tijd lijkt te stoppen.

Dan voelt ze een hand, haar dochters hand op haar schouder.

Samen terug.

Stapje voor stapje, naar de poort van vandaag.

Vroeger laat ze even achter, tot het volgend jaar.

En als zij niet meer kan komen, Komt haar dochter voor haar.

Melissa Sadowski, 9 april 2003; zij was leerling van de KSG (Koninklijke Scholengemeenschap Apeldoorn)

De rol van het verzet in de Bevrijding van Apeldoorn

apeldoorn11Bij het sluisje, een stukje ten noorden van de Deventerbrug, ligt in de kanaaloever een gedenksteen (afbeelding links). Die herinnert aan gebeurtenissen op 16 en 17 april 1945. Toen is de stad Apeldoorn maar ternauwernood ontsnapt aan een hevige Canadese artilleriebeschieting voor de beslissende aanval over het Apeldoorns Kanaal. De verzetsmannen Gijs Numan en Albert van de Scheur hebben weten te voorkomen dat de stad werd beschoten.

Op vrijdag 13 april hadden de Canadezen Twello bereikt en rukten verder op naar Teuge. Onderweg naar Apeldoorn werd eerst nog een hevig vuurgevecht geleverd met Duitsers bij de spoorwegovergang ten zuidwesten van Teuge. Vijf tanks brachten hier de beslissing, waarna de Canadezen verder doorstootten tot 2 km voor Apeldoorn. In de nacht van vrijdag 13 op zaterdag 14 april probeerde een Canadese compagnie, meerijdend op tanks, in één run de Broeksbrug over het kanaal te bereiken. Maar om 05.15 uur, toen ze nog maar 50 m van de brug waren, vloog de brug met een daverende knal de lucht in.

Andere Canadezen probeerden zaterdagmorgen vroeg de splitsing Deventerstraat – Zutphenseweg (de Tol) in handen te krijgen, maar tevergeefs. Pas veel later zouden zij er in slagen deze kruising te veroveren. Ook de voortzetting van de aanval naar de Deventerbrug, zondagmorgen vroeg, mislukte volledig. Na afloop kon de trieste balans worden opgemaakt: twee doden, vier zwaar gewonden, twee tanks vernietigd. De hele zondag werd er nog verwoed gevochten om dichterbij het kanaal te komen; pas tegen de avond werd het kanaal bij Zevenhuizen bereikt. Andere Canadezen slaagden er door het vijandelijk vuur niet in bij de Deventerbrug en bij de 400 m meer naar het zuiden gelegen overgang te komen.


Gijs Numan

Gijs Numan

Canadese commandanten trokken uit de mislukte aanvallen en de hevige Duitse tegenstand de conclusie dat de stad hardnekkig zou worden verdedigd door wel 3000 Duitse parachutisten. Niets was minder waar: de Duitsers trokken zich juist uit de stad terug. De opmars van de Engelsen uit de omgeving Arnhem vorderde namelijk zo snel, dat de Duitsers afgesneden dreigden te worden. De Canadezen, die hiervan niets wisten, planden daarom een grootscheepse aanval op Apeldoorn na een voorafgaande artilleriebeschieting. De commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Apeldoorn, Gijs Numan, hoorde van deze plannen. Er moest snel gehandeld worden om deze beschieting te voorkomen.

In een kelder dicht bij de Deventerbrug zaten een aantal Duitse soldaten, die de brug moesten opblazen als de Canadezen kwamen. Numan en enkele anderen wisten hen te overtuigen dat ze zich beter konden overgeven. Zij leverden hun wapens in en werden in de kelder opgesloten. In de nacht van 16 op 17 april stak Gijs Numan met Albert van der Scheur als gids het kanaal over bij het sluisje aan de Vlijtseweg. Dat was een riskante onderneming, Sluipend en kruipend trokken ze door het maanverlichte niemandsland. Toen plotseling een Canadese schildwacht opdook van achter een heg, wisten ze hem te overtuigen van hun goede bedoelingen en werden meegenomen naar een commandopost. De commandant geloofde hun verhaal niet, hij bleef ervan overtuigd dat er nog 3000 Duitse soldaten in Apeldoorn waren en wilde niet afzien van de artilleriebeschieting om zijn eigen soldaten te sparen.

Albert van de Scheur

Albert van de Scheur

Gijs Numan bood toen aan de gevangen genomen Duitsers op te halen en met drie Canadese vrijwilligers gingen ze terug. Na het verhoor van de Duitsers besloot de commandant de stad Apeldoorn niet te beschieten en in plaats daarvan een stille nachtaanval uit te voeren. In ganzenpas volgden 100 Canadezen Gijs Numan over de sluis. Ze hadden sokken over hun zware soldatenschoenen getrokken om maar zo min mogelijk geluid te maken. Er volgden nog meer Canadese soldaten, die gedekte posities innamen en wachtten op het sein voor de grote aanval. De Canadezen waren er nog steeds niet helemaal van overtuigd dat de Duitsers waren vertrokken.

In de vroege morgen van de 17e april schoot Gijs Numan 3 lichtkogels af als sein dat alles veilig was. Een geweldig lawaai vulde de Deventerstraat. Tanks kwamen aanrijden, de bevrijding van Apeldoorn was begonnen! Zo hadden de Canadezen – zo tegen ‘s ochtends half vijf- de oostkant van de stad stevig in handen. Direct daarna gaf de Canadese commandant orders aan de andere regimenten om bij zonsopgang de stad binnen te trekken. Midden op de ochtend was het noordwesten en het centrum van Apeldoorn bevrijd. Om ongeveer 9.00 uur in de morgen kwamen de eerste troepen aan bij Paleis Het Loo. Een klein half uur later wapperde de Nederlandse vlag boven het bordes. Zo werd Apeldoorn bevrijd. Tijdens hun leven zijn Numan en Van der Scheur niet geëerd met een gedenkteken voor hun dappere optreden. Pas op 17 april 2000 is de gedenksteen bij het sluisje onthuld.

De Jodenvervolging in Apeldoorn

Gedenkzuil op de Joodse begraafplaats van Apeldoorn
Gedenkzuil op de Joodse begraafplaats van Apeldoorn

Op de Joodse begraafplaats aan de Arnhemseweg zijn zo’n 900 gewone graven. Er staat ook een monument ter nagedachtenis aan Joden die hier geen graf hebben: Apeldoornse burgers en patiënten van Het Apeldoornsche Bosch. De meesten zijn omgebracht in Auschwitz en Sobibor. Het exacte aantal is niet bekend, maar het moeten er ongeveer 1500 zijn. In 1798 vestigde zich het eerste Joodse gezin in Apeldoorn. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog waren er 800 Joodse burgers, een grote gemeenschap. Dat had onder andere te maken met de Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch, die veel personeelsleden nodig had.

Op 9 oktober 1941 werden 13 Joodse mannen opgepakt en naar Mauthausen getransporteerd; na een maand leefde geen van hen meer. Het eerste transport van 67 Apeldoornse Joden naar Westerbork was in november 1942. Toen kwam, in januari 1943, het afgrijselijke transport van de patiënten van Het Apeldoornsche Bosch en een groot deel van het personeel: ongeveer 1300 mensen, die rechtstreeks naar de gaskamers van Auschwitz gingen. In maart 1943 gingen nog 7 mensen naar Vught en 8 naar Westerbork. Slechts enkele gezinnen konden onderduiken. Sommigen werden later toch opgepakt. Een klein groepje wist te ontkomen naar Zwitserland of Spanje.

Midden 1943 was het gedaan met de Joodse gemeenschap in Apeldoorn. Na de oorlog keerden ongeveer 150 Joden in Apeldoorn terug. 592 inwoners van Apeldoorn, waaronder de personeelsleden van Het Apeldoornsche Bosch en ongeveer 900 patiënten van die inrichting overleefden de oorlog niet.

Het Apeldoornsche Bosch

apeldoorn3

In het Prinsenpark staat een eenvoudige monument (afbeelding links). Het is een gebogen wand, bekleed met kleine, kleurige mozaïektegels. Het monument gedenkt de slachtoffers van de Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch. De inrichting was tussen 1909 en 1943 gevestigd aan de Zutphensestraat, waar nu ‘s Heerenloo is. Tot januari 1943 hadden de nazi’s Het Apeldoornsche Bosch ongemoeid gelaten. Sinds 1 april 1942 woonden en werkten er alleen nog maar Joden in de inrichting. Het niet-Joodse personeel moest toen worden ontslagen. Het personeelsbestand kwam echter weer ruimschoots op peil, omdat Joden vooral uit het westen zich meldden als werknemer. Zo konden ze deportatie ontlopen én nuttig werk doen.

Er waren wel wat onrustbarende signalen, maar die bereikten de werkvloer meestal niet. Op 19 januari 1943 kwam er bedreigend bericht: personeelsleden die nog buiten de inrichting woonden, moesten voortaan binnen de inrichting wonen. Het definitieve signaal kwam op woensdag 20 januari 1943. Uit Westerbork arriveerde een groep van ongeveer honderd leden van de Ordedienst. Dat was de kamppolitie, die bestond uit Nederlandse en Duitse Joden. Van een Apeldoornse spoorman kwam het bericht dat er op het station een trein van veertig wagons zou worden samengesteld, genoeg om 1500 mensen te transporteren.

Toen begon een gruwelijke nacht: personeelsleden realiseerden zich dat zíj zouden kunnen vluchten. Of waren ze moreel verplicht te blijven? Van de ongeveer 350 personeelsleden vluchtte ongeveer de helft. Eén verpleger besloot samen met zijn vrouw tot zelfmoord. Waarschijnlijk zijn er ook zo’n tachtig ‘betere’ patiënten gevlucht. De rest van het personeel werkte hard om levensmiddelen- en voedselpakketten klaar te maken. Ervaren verpleegkundigen namen verbandmiddelen, spuiten en injectievloeistoffen onder hun hoede.

De Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch hield opeens op te bestaan toen de Duitsers de patiënten en een groot deel van het personeel naar de gaskamers deporteerden. Foto Herinneringscentrum Kamp Westerbork

De Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch hield opeens op te bestaan toen de Duitsers de patiënten en een groot deel van het personeel naar de gaskamers deporteerden. Foto Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Op 21 januari 1943 nam Aus der Fünten, het hoofd van de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, de leiding over van de directeur, dr. Lobstein. De ontruiming begon. Het terrein was omsingeld, net als het Apeldoornse station. De Duitsers sloten de directeur met zijn staf op in z’n kamer. Ook de een deel van het personeel werd gescheiden van de patiënten. Vrachtauto’s reden voor. Patiënten werden ingeladen en met hoge snelheid naar het station gereden. Doodzieke mensen moesten gedragen worden. Er waren patiënten in een dwangbuis, enkelen liepen naakt het stationsterrein op. De Ordedienst dreef ze in de goederenwagons. De laatste afdeling die ontruimd werd, was het Paedagogium Achisomog (= mijn broeder te hulp) voor zwakzinnige en zwakbegaafde kinderen en kinderen met opvoedingsmoeilijkheden. Om vijf uur in de ochtend van vrijdag 22 januari 1943 zaten alle patiënten in de ijskoude goederentrein. De bagage, de levensmiddelen, de medicijnen, alles lag nog in de paviljoens.

Aus der Fünten sprak in de eetzaal het achtergebleven personeel toe. Hij wilde vijftig vrijwilligers om mee te gaan in de trein. Twintig meldden zich. Aus der Fünten wees er nog dertig aan. Zij werden naar het station gebracht, waar enkelen bij de patiënten in de goederenwagons terechtkwamen. De overigen moesten in een aparte personenwagon stappen. Om zeven uur in de ochtend vertrok de trein met ongeveer 1300 mensen. Op zondag 24 januari 1943 kwamen ze aan in KZ Auschwitz-Birkenau. Bij aankomst hebben zich gruwelijke taferelen afgespeeld, waarover uiteenlopende getuigenissen zijn afgelegd. In ieder geval is er van niemand uit dit transport ooit nog iets vernomen.

De ongeveer honderd achtergebleven personeelsleden gingen op transport naar Westerbork, tegelijk met zo’n tachtig Apeldoornse Joden die kort daarvoor in de inrichting waren ingekwartierd. De meesten van hen werden vrijwel meteen doorgestuurd naar de vernietigingskampen. Lobstein, zijn vrouw en enkele personeelsleden, sommigen met hun gezinnen, moesten nog tot 1 februari op het terrein blijven. Toen gingen ook zij naar Westerbork. Van de personeelsleden die in eerste instantie naar Westerbork werden gedeporteerd, overleefden waarschijnlijk slechts veertien de kampen (het getal is onzeker). Van de groep gevluchte personeelsleden overleefde waarschijnlijk de helft (ongeveer 75) de oorlog.

Personeelsleden, een aantal van hen met Jodenster, van Het Apeldoornsche Bosch. Slechts veertien van de honderden personeelsleden overleefden de gruwelen van het nazi-regime

Personeelsleden, een aantal van hen met Jodenster, van Het Apeldoornsche Bosch. Slechts veertien van de honderden personeelsleden overleefden de gruwelen van het nazi-regime

Bronnen: Monumenten in Apeldoorn; website van Het Apeldoornsche Bosch; Nazi-gruwelen in het Apeldoornsche Bosch van 14 maart 2009 door L. Vogelaar; Oorlogsmonumenten: Apeldoorn, monument ‘Het Apeldoornsche Bosch’; Getuigenverhaal: Eli Asser, Apeldoorn – Gelderland ‘Ze zouden een krankzinnigengesticht toch niet naar Polen verplaatsen?’; Oorlogsmonumenten: Verzet Nederland; KSG (Koninklijke Scholengemeenschap Apeldoorn)


Kroniek van de Jodenvervolging in Nederland


Lees ook deze boekbesprekingen op Verzet.org (eigen collectie):


•  Boulevard des Misères. Het verhaal van doorgangskamp Westerbork (Jacob Boas)
•  De nacht der Girondijnen (Jacques Presser) / Westerbork (Coen Rood)
•  Concentratiekampen. Systeem en de praktijk in Nederland (C.J.F. Stuldreher en H.A.V.M. van Stekelenburg)
•  Onbekende Kinderen. De laatste trein uit Westerbork (Daphne Meijer)
•  Ondergang – De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945 (Jacques Presser)
•  Kroniek der Jodenvervolging 1940-1945 (Abel J. Herzberg)
•  Het Achterhuis. Het dagboek van Anne Frank
•  De laatste zeven maanden. Vrouwen in het spoor van Anne Frank (Willy Lindwer)
•  Settela (Aad Wagenaar)
•  Westerbork: het begon in 1933 (Dick Houwaart)
•  Westerbork Girl (Steffie van den Oord)
•  Krijgen zal ik je. Pijn en angst van een overlevende Jood (Karel Logher)
•  Collaboratie en Verzet 1940 – 1945. Delen 1, 2 en 3 (Friedrich Weinreb)
•  Het verstoorde leven. Dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943 (Etty Hillesum)
•  De tas van Eva. Een uniek dagboek van een Joodse heldin (Donald Speelman en Dick Schaap)
•  Goethe in Dachau. Literatuur en werkelijkheid (Nico Rost)
•  Studies over de Jodenvervolging (B. A. Sijes)
•  Geschiedschrijving als opdracht. Abel Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong over de Jodenvervolging (Conny Kristel)
•  Strepen aan de hemel (Gerhard L. Durlacher)
•  Arthur Seyss-Inquart – Het leven een Duits onderkoning in Nederland (Neuman)
•  De drie van Breda. Duitse oorlogsmisdadigers in Nederlandse gevangenschap, 1945-1989 (Hinke Piersma)
•  Ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog (Conny Kristel)
•  Roof. De ontvreemding van Joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog (Gerard Aalders)
•  Berooid. De beroofde Joden en het Nederlandse restitutiebeleid sinds 1945 (Gerard Aalders)
•  Terugkeer. Antisemitisme in Nederland rond de bevrijding (Dienke Hondius)
•  Na het kamp – Overlevenden en de strijd om herinnering (Jolande Withuis)
•  U wordt door niemand verwacht. Nederlandse joden na kampen en onderduik (Michal Citroen)
•  Om erger te voorkomen (Nanda van der Zee)
•  Tegen beter weten in. Zelfbedrog en ontkenning in Nederlandse geschiedschrijving over Jodenvervolging (Ies Vuijsje)
•  Na de ondergang. De herinnering aan de Jodenvervolging in Nederland 1945-1995 (Ido de Haan)
•  Voorbij de verboden drempel – De Shoah in ons geschiedenisbeeld (H.W. von der Dunk)

Posted on 5 mei 2009, in Holocaust / Shoah, Nederland, Verzet. Bookmark the permalink. Geef een reactie.

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

Gravatar
WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 224 other followers