Dagelijks archief: 15 april 2009
Israël’s economie: een succesverhaal

Het Technion Instituut voor Technologie Israël in Haïfa werd opgericht in 1924 en is de oudste universiteit van Israël. Eind 2008 werd zij gerangschikt in de Top 110 van beste universiteiten ter wereld

Het zal velen van ons ontgaan, maar daar waar Israël’s autoweg no. 2 in de buitenwijken van Tel Aviv aan zijn bijna 100 km lange tocht naar Haifa begint, zijn ook de contouren van Israël’s Silicon Valley, ook wel Silicon Wadi genoemd, waar te nemen. Maar ook verder op de route, zoals bij Caesarea en vooral in de omgeving van Haifa met z’n Technion Universiteit, zijn sterke concentraties van de high-tech industrie waar te nemen. In feite is Israël één grote verzameling (cluster) van deze industriën. De Technion Universiteit werd in 1924 opgericht door diverse Duitse wetenschappers, waaronder Paul Nathan en Albert Einstein. Daarmee is het de oudste universiteit van het huidige Israël. De campus van het Technion ligt op het Karmelgebergte, aan de rand van Haïfa.
Onlangs werd Silicon Wadi door het toonaangevende blad “The Economist” wereldwijd als eervolle tweede gerangschikt na haar tegenhanger in Californië. Vooral het niveau van innovatie en vindingrijkheid worden als belangrijke factoren voor het succes aangemerkt. Vele multinationals hebben onderzoek en ontwikkelingscentra (R & D) in Silicon Wadi. Om er een paar te noemen: Intel, IBM, HP, Google, Philips, Cisco Systems, SAP, Microsoft, Motorola, enz. De eigen hi-tech industrie is ook sterk vertegenwoordigd: Tadiran Telecon, Elbit, Israeli Aircraft Industries, Solel en nog vele andere. De meeste bedrijven staan dan ook op de technologiebeurs Nasdaq genoteerd.
Deze technologiesector is sinds 1991 aan een imposante opmars begonnen met groeicijfers van gemiddeld 9,5% p/jaar. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze sector nu geldt als één van de aanjagers van de Israëlische economie met een exportaandeel van rond 25% (2006). Jaarlijks wordt er dan ook fors in deze sector geïnvesteerd: alleen al in 2007 voor ruim $ 1,5 miljard: een stijging van 8,5% t.o.v. 2006. Vergelijk Europa’s investeringen in datzelfde jaar: $7 miljard -5% t.o.v. 2006!
Enkele cijfers ter illustratie:
Silicon Wadi in Israël, wereldwijd als 2de gerangschikt direct na haar tegenhanger Silicon Valley in Californië (VS)
De handelsbalans voor 2006 had een overschot van 5.6% t.o.v. het Bruto Nationaal Product.(BNP) Mede door de uitstekend presterende technologiesector heeft de economie van Israël zich goed hersteld van de recessie die het gevolg was van de 2e Intifada. Als men de ontwikkeling van de economie van Israël sinds de oprichting van de Staat in 1948 nader onder de loep neemt, valt een duidelijke verschuiving waar te nemen van een centralistisch, doelgericht en export georiënteerd beleid met name in de landbouwsector in de eerste decennia, naar een kenniseconomie waar factoren als innovatie en ondernemerschap van vitaal belang zijn.
Door het hoge opleidingsniveau op universiteiten (o.a. Technion) en technische faculteiten (o.a. Weizmann Instituut te Rehovot) nam het aantal technisch geschoolde afgestudeerden van universiteiten toe van 3.963 in 1994 tot 9.458 in 2004 (26% van alle afgestudeerden in dat jaar). Gevoegd bij een actief stimulerend overheidsbeleid, kan gesproken worden van een ideale “mix” om de groei van de Israëlische economie, in het bijzonder in de kennisintensieve en technologie-industrie, te verzekeren. Ook mag niet onvermeld blijven dat in de jaren ‘90 bijna 1 miljoen burgers uit de voormalige Sovjet-Unie, onder wie veel technisch geschoolden naar Israël zijn geëmigreerd. Concluderend kan worden gesteld dat de Israëlische industrie zich voortvarend heeft ontwikkeld. Onderstaande groei-indicatoren zijn daar het sprekende bewijs van.

Bronnen: The Economist; Genootschap Nederland-Israël nieuwsbrief september 2008
Renata Laqueur: Weg uit Bergen-Belsen terug naar Amsterdam
Renata Laqueur:
Overleven in Bergen-Belsen...
“Voor de eerste maal werd ik zonder mijn man gearresteerd, op 18 februari 1943 te Amsterdam. Ik kwam via de politie-gevangenis, na het verhoor bij de SS, in de Duitse politieke gevangenis en daarna in het concentratiekamp Vught. Van hieruit werd ik op transport gesteld naar het doorgangskamp Westerbork. Dank zij bijzonder veel geluk en mijn `honderdtwintigduizend Sperrung’ kwam ik in Amsterdam terug. In november 1943 werd ik ten tweeden male, ditmaal met mijn man, gearresteerd en naar Westerbork overgebracht, vanwaar wij op grond van onze `Sperrung’ op 15 maart 1944 naar Bergen-Belsen op transport gingen.”
In november 1943 werd Renata Laqueur, dochter van een Amsterdamse hoogleraar, met haar man Paul gearresteerd en overgebracht naar het Judendurchgangslager Westerbork. Vier maanden later behoorde zij tot de groep, die overgebracht werd naar het kamp Bergen-Belsen. Daar begon zij met het schrijven van een dagboek; ondanks de peilloze misère die Bergen-Belsen kenmerkte bracht zij het op, dat schrijven vol te houden tot het haar in december 1944 onmogelijk werd.
Op 10 april 1945, nauwelijks vijf dagen voor Engelsen en Canadezen het kamp zullen binnenrijden, werd Renata met een deel van de Joodse kampbevolking die nog op beide benen kon staan, van Bergen-Belsen door het stervende Nazi-regime rondgezeuld in een trein, die begin mei door de Russen in Trobitz bevrijd werd. Renata Laqueur was onder degenen die ook die nachtmerrie-achtige treinreis overleefden. Naar Nederland teruggekeerd, zette zij het relaas van haar afgebroken dagboek voort. Het leed van miljoenen wordt weerspiegeld in dit document humain van één mens – een jonge vrouw van zeldzame vitaliteit. Haar dagboek wordt gekenmerkt door een nuchter, meedogenloos maar tegelijk gevoelig waarnemen van eigen en andere reacties.
Uit het Dagboek uit Bergen-Belsen van Renata Laqueur (blz. 151-152) over haar terugkeer naar Amsterdam:
“Toen kreeg ik vlektyfus. Ik wilde niet weten dat ik `vlek’ had, zei dat ik koorts had van een sinusitis, dat ik verkouden was. De Poolse dokter geloofde dat ik bang was voor de diagnose, omdat ik zelf zovelen had zien sterven aan de ziekte, en zei: `Ja, dat heeft u, over drie weken bent u weer beter.’ Ik wilde geen `vlek’ hebben, omdat de Russen bevolen hadden alle tyfuspatienten kaal te scheren. Ik vocht voor mijn haren. Ten slotte had ik `vlek’ en hield mijn haren. De commandant beloonde mij hiermee voor `bewezen diensten’.
Ik weet dat het kinderachtig was in die tijd voor `haren’ te vechten, maar ik wilde niet `kaal’ in Holland terugkomen. (Later bleek, dat ik me toen toch beter had kunnen laten kaalknippen, in Holland terug, vielen ze ontzettend uit en de kleur veranderde helemaal en werd ongelijk). Zeven weken lag ik, waarvan achttien dagen met koorts tussen q.o en 41 graden. Toen kreeg ik voor de crisis nog longontsteking en ik was al die tijd bij volle bewustzijn, trachtte nog dingen te regelen, wilde transportlijsten en etensmeldingen zien. En weer had ik geluk. Ik werd beter.
Renata Laqueur in 1943
Ik heb psychisch nooit zo sterk geleden als in deze vlektyfustijd. Ik droomde ‘s nachts, ik huilde overdag. De beelden uit de trein werden nachtmerries die me tot in de heldere zomermiddag in het gloeiend hete ziekenhuis achtervolgden. Paul [haar echtgenoot, nvdr] trachtte me zo goed mogelijk te verzorgen. Stond ‘s nachts op, zette thee voor me. Ik had zo’n ontzettende dorst. Gaf me een lepel suiker, als ik iets moest eten. Ik vocht om niet bewusteloos te worden, om me niet over te geven. Ik wilde blijven leven, ik wilde terug. Ik wilde niet sterven. Niet nu nog. Ik had niet ziek hoeven te worden als ik niet verpleegd had. Ik wilde erdoor komen.
En 9 juli 1945 gingen wij weg uit Zeithain. Onze reis door Duitsland begon. Door de Russische zone naar de Amerikaanse. Onderhandelingen met grensposten. Onderhandelingen met stad-, dorp- en kampcommandanten. Discussies met treinchefs en stationspersoneel om toestemming te krijgen voor het charteren van treinwagons ‘s nachts met ons groepje van elf Hollanders waaronder nog steeds mensen die praktisch niet konden lopen. Urenlang lopen om bonnen, distributiebescheiden voor eten. Geld. Soms bevelen, dan weer vragen. Soms in het Duits, dan in het Frans en in de Amerikaanse zone in het Engels. Hier een Lucky, daar een Camel `organiserend’, nu eens in een huis, dan weer op de grond in een stationswachtkamer slapend. Toen kwamen wij een week lang in een D.P.camp der Amerikanen in de buurt van Kassel. Vandaar gingen wij in een dag met grote trucks, langs Giessen, Limburg an der Lahn, Godesberg, Bonn, Keulen, Aken naar Maastricht.
Dat was op 22 juli 1945! Daar hoorde ik per telefoon, dat thuis alles goed was. Via het kamp Amersfoort, dat het laatste repatriëringsstation was en waar, toen wij met trucks binnengebracht werden, de N.S.B.-commando’s, juist van hun werk terug, binnenmarcheerden met kale hoofden en op klompen, kwamen wij in Amsterdam.
De 26ste juli 1945 zat ik op de grote divan thuis, in mijn lange bruine broek, die het al die jaren had uitgehouden; en een groene overhemdblouse, die bij de uniform van de Hitlerjugend behoord had; ik had deze in Trobitz `georganiseerd’… Paul vroeg naar zijn boeken. Of ze bewaard waren. Waar ze stonden. Hij zou morgen zijn fluit op gaan halen. Ik vroeg mijn zusje of er nog wat jurken waren.
Wij konden niet direct vertellen, praten; wij praatten over onbelangrijke dingen. Vertelden moppen uit het D.P.camp, gekke dingen van de Russen. Wij konden nog niet spreken over het echter, over het nu, na drie dagen Holland, weer onwerkelijke… Wij dronken wijn, rookten sigaretten. Mijn familie zei, dat dit een bijzondere dag was, want vandaag brandde voor het eerst weer het elektrische licht in huis. Wij hoorden van Holland, van fusillades, honger, staking, bevrijding. Wij wisten niets.
Wij moesten vertellen, maar nog ging dat niet.
Want, toen verdween de B A R A K:
Houten kribben, drie-hoog boven elkaar, in rijen. Op de vuilgrijze, ruwhouten vloer zwerven emmers; koffers en etensbakjes. Een donkere koffieplas glimt op de lange houten tafel. Voor de deur ligt een hoop voddige verluisde kleren en een natte stromatras. Het regent… Ik denk: `Het zal koud zijn, zo vroeg op appèl!’ Ik adem de weezoete; benauwde lucht van koolrapen. Op het prikkeldraad tjilpt een mus.En werd het H U I S tot werkelijkheid…
In de marmeren gang ligt een zacht groene loper. Als ik de deur open, vallen goudige strepen zonlicht om mij heen naar binnen. Ik denk, terwijl ik op de grijze stenen stoep sta: `Wat een zalig weer. Het wordt een mooie dag!’ De frisse ochtendwind brengt de geur van bomen, water en zee mee. Over de Amstel scheren witte meeuwen.”
Bevrijding van Amsterdam. Amstellaan (Vrijheidslaan) nabij het Daniël Willinkplein, 8 mei 1945
De laatste dagen van Hanna Lévy-Hass in de hel van Bergen-Belsen
Hanna Lévy-Hass in haar Dagboek uit Bergen-Belsen (blz. 59-61), de laatste weken en dagen net voor de bevrijding van het kamp door Engelsen en Canadezen op 15 april 1945:
Maart 1945.
“In halfwakende toestand heb ik een hele nacht de agonie van een van hen gevolgd, en de nacht daarop hoorde ik duidelijk het rochelen van de ander. Het is heel eenvoudig, het ademhalen stopt, eerst bij de een, dan bij de ander. Niemand is in staat een ander te helpen, de lijken blijven op de bedden liggen, naast de levenden of halfdoden. Levenden en doden, alles dooreen. Er zijn vrijwel geen grenzen tussen het ene en het andere, vrijwel geen verschil.
Ten aanzien van de dood en de doden heerst er totale onverschilligheid, het is iets gewoons geworden. Je denkt niet meer aan de bevrijding, niemand telt meer de dagen zoals vroeger, het loont niet meet te weten wanneer de geallieerden moeten komen, ofschoon hun aanwezigheid enkele tientallen kilometers hiervandaan aangetoond schijnt te zijn. Maar dat is niet van belang. Alleen de dood is op dit ogenblik onze naaste en trouwste bondgenoot. En wanneer je er soms toch toe komt de dagen te tellen, dan is dat niet om het uur van de bevrijding te kunnen berekenen, maar om te zien hoe lang deze of gene van de onzen het nog zal uithouden. In iedereen schuilt een soort medische nieuwsgierigheid, een merkwaardige obsessie. Wat mij zelf betreft: er is een tijd geweest dat ik er zeker van was dat ik nog hoogstens een of twee maanden te leven had, en nu na de tyfus, die ik als door een wonder doorstaan heb, maar die mij mijn laatste krachten heeft gekost, reken ik er alleen nog maar op maximaal tien of vijftien dagen te leven.
En dit halfbestaan dat mij rest, breng ik door in het gezelschap van andere levende of dode spoken. De lijken, de echte, zijn nog steeds hier bij ons, in onze bedden. Er is niemand die ze wegbrengt, en er is ook geen plaats waar je ze naartoe zou kunnen brengen, alles is overvol. Ook op de binnenplaatsen worden de lijken op elkaar gestapeld, hopen lijken, ze worden elke dag hoger. Het crematorium is met in staat ze allemaal te verbranden.
Er wordt helemaal geen eten van buiten gebracht, alleen van tijd tot tijd een ketel met zuur geworden soep. Soms haal je ergens wat gras en je kookt het, je zoekt aardappelschillen in de afvaltonnen. De omkoopbaren hebben nog steeds iets, maar ook zij zijn niet bestand tegen de infectie, de agonie en de dood. Hij is nu alomtegenwoordig, staat iedereen onmiddellijk te wachten.
Niemand ter wereld bekommert zich meer om ons, de Duitsers laten zich niet meer zien. Wij weten dat hun einde nabij, zeer nabij is. Maar ook het onze. En zij, zij zien dat ook in. En zij hebben niets meer in het kamp te zoeken, daarom zetten zij hier geen voet meer binnen. Zodra de helse arbeid die hun was opgedragen beëindigd was en vaststond dat zij de opdracht hadden uitgevoerd, trokken zij zich terug, waardoor zij ons tot op de laatste man konden laten kreperen. De Kapo’s blijven rondlopen en delen slaag uit, het is monsterachtig. Ook onder hen zijn er die medelijden met ons hebben – ogenblikken lang; ik heb het gezien, maar het was alleen maar toeval. In het algemeen slaan zij ons cynisch gade en blijven zij ten koste van ons grijnzen.”
April 1945.
“Ik schaam me verschrikkelijk dit alles te beleven. De mensen verrotten en ontbinden in het vuil. Er wordt verteld dat er zich in een van de naburige blokken gevallen van kannibalisme hebben voorgedaan. Volgens de verklaring van een Duitse arts die eindelijk in ons blok kwam om klaarheid te krijgen over de `voortgang’ van de massale sterfte, volgens zijn eigen verklaring dus, zijn in de loop van de laatste twee maanden, februari en maart, van de 45.000 gevangenen meer dan 17.000 per maand, dus in totaal 35.000 gestorven.
Een wandeling in het (gruwel)park van Bergen-Belsen
En als het nu alleen maar een simpele menselijke dood was… Neen, ik wil niet zo sterven, ik niet ! Het is beter er zo spoedig mogelijk een einde aan te maken, als mens. Waar anders, moet je toelaten dat je lichaam en ziel uiteenvallen en zich met hun eigen afval vermengen, langzaam maar onherroepelijk door de totale uitputting verdwijnen, in het niets ondergaan, omringd door etter, stank en alle fasen van het kreperen doorlopend? Want zo is het immers, hier stierf je niet, je krepeert letterlijk. Waarom zou je wachten ? Dat betekent toch de menselijke waardigheid met de voeten treden. Wat een schande, wat een monsterachtige schande.
Ik bekijk deze duistere barakken van spoken, van ontbering en haat, deze onbeweeglijke, volledig hulpeloze zieken, deze levende, reeds rottende lijken, een zwarte afgrond waarin een gehele mensheid wegzinkt. Neen, zolang mijn hersenen nog in staat zijn normaal te werken, zal ik niet toestaan dat mijn einde er zo uitziet. Het is de plicht van de mens als mens te sterven, een einde te vermijden dat erger is dan alle doden, een dood die er geen is…
Het is afschuwelijk wat er van de mens gemaakt is. De somberste scènes uit de middeleeuwen en van de inquisitie worden hier herhaald, tot her uiterste vermenigvuldigd. Deze monsterachtige herhaling zal het `beschaafde’ en `gecultiveerde’ Duitsland van de twintigste eeuw voor altijd tekenen met het teken van de schande. De vernederendste en somberste slavernij die je je kunt voorstellen, heeft teweeggebracht dat het leven in her kamp niets meer gemeen heeft met een menselijke opvatting van het leven.
In werkelijkheid gaat het erom de duivelse en zekere dood van duizenden mensen te veroorzaken. Daaraan bestaat niet de minste twijfel, niet de minste twijfel. Het is voldoende alles wat hier gebeurt duidelijk te zien en opmerkzaam gade te slaan, om onvermijdelijk en zonder aarzelen tot de gevolgtrekking te komen: Dit kamp is niet aangelegd om tijdens een bepaalde periode burgergevangenen of krijgsgevangenen vast te houden, hen provisorisch om een of andere politieke, diplomatieke of strategische reden de vrijheid te ontnemen, met de bedoeling hen in leven te houden, en voor of na het einde van de vijandelijkheden levend over te dragen – neen, dit kamp is met doelbewuste en wetenschappelijke grondigheid zo ontworpen en ingericht dat hier methodisch en systematisch duizenden mensen konden worden uitgeroeid. Ook wanneer het nog maar een maand duurt, is het zeer twijfelachtig dat er zelfs maar één van ons zal ontkomen…”

Bergen-Belsen april 1945. Na de Bevrijding zullen nog 14.000 mensen sterven
Modern Judaïsme kan best samengaan met de evolutieleer van Darwin

Kosjer mobiel telefoneren. Moet kunnen...
Op de website van Joods Actueel verscheen op 14 april een interessant artikel over de hedendaagse moderne visie van het Judaïsme met betrekking tot de evolutieleer van Darwin: De evolutie van een traditie: is Darwin koosjer?
Interessante uiteenzetting die in feite de Darwinistische evolutieleer letterlijk bevestigt in die zin dat het mogelijk is dat een religie, in casu het judaïsme, zich ‘aanpast’ aan de huidige wetenschappelijk kennis en er in perfecte harmonie mee kan samenleven zonder noemenswaardige concessies te doen aan haar eigen religieuze waarden en tradities. Een ‘vervelende’ kwestie (de evolutieleer) voor religies in het algemeen werd hier goed doordacht en handig en intelligent opgelost. Een beetje vals spelen mag al eens, zo lang er niemand echt schade of hinder door ondervindt. Hoe dan ook, laat een uiteenzetting zoals hierboven, religieuze Joden toe om met een open blik, onbevreesd en niet verstart zoals vele andere religies, naar de ontwikkelingen in de wetenschap te kijken èn de onderzoeksresultaten van die ontwikkelingen netjes te integreren in het leven van alle dag. Als actieve atheïst kan ik met die interpretatie goed mee samenleven.

Priester met gsmtoestel, naar wie zou hij bellen? Drie keer raden...
Op de inhoud letterlijk ingaan lijkt me nogal zinloos. Het citaat uit de Psalmen bijvoorbeeld “In Uw ogen zijn duizend jaar slechts een dag”, zou ik ook maar met een grove schep zout nemen. Vermits we maar mensen zijn, hebben wij helaas de hardnekkige gewoonte om onszelf als maatstaf van alle dingen te nemen. Met een aards begin (geboorte) en een einde (sterfte). De oudste mens van dit moment is 115 jaar oud. Die leeftijd is zowat het beste wat wij als mensen kunnen verwachten. De gemiddelde levensduur ligt wel een pak lager. Als we die formule van ‘duizend jaar voor één dag’ zouden hanteren aan een gemiddelde mensenleeftijd van 100 jaar, kom ik nog maar uit op 3 miljoen 650.000 jaar dat het heelal zou bestaan. Andermaal wetenschappelijk niet erg realistisch. Maar toch een verdienstelijke poging om religie in harmonie te brengen met de seculiere wetenschap.
Volgens mij liggen de zaken héél eenvoudig. Het heelal heeft altijd bestaan, zal altijd blijven bestaan, is oneindig groot en ondoorgrondelijk en onbegrijpelijk voor ons mensen omdat we nu eenmaal niet in staat zijn om deze constructie – die wellicht geen begin en geen einde kent – te vatten met ons kleine beperkte menselijke verstand. Religies als compromis om dingen te verklaren die we niet kunnen en/of niet willen begrijpen. Misschien bestaan er wel miljarden andere heelals en zitten miljarden gelijkaardige rationeel denkende wezens zoals u en ik op dit eigenste ogenblik simultaan een gelijkaardige uitleg zoals de onze op hun PC te typen?

Deze burka zendt een zelf gekozen afbeelding van een vrouw uit die via Bluetooth wordt doorgestraald naar een gsmtoestel in de buurt. Het is een concept van Markus Kison, en het lijkt erop alsof er met deze gadget geen wetten van de Koran worden gebroken
De mens is helaas verschrikkelijk arrogant. Zich bezien als doel van de schepping, ergo: als middelpunt van het heelal, voor zichzelf het recht opeisende om eeuwig te willen bestaan, zij het niet hier op deze aardbol dan wel in een imaginaire volgende (minder aardse) wereld, daar keert mijn maag van om. Een beetje meer bescheidenheid aan de dag leggen zou ons zeker geen kwaad kunnen. Duizenden keren hebben we als mensen door nieuwe ontdekkingen en uitvindingen onze inzichten moeten aanpassen en hernieuwen. Hebben we verklaringen blijven zoeken voor dingen die we niet begrepen, en als we de verklaringen niet direct vonden, hebben we ze maar zelf bedacht en in boeken voor honderden of duizenden jaren gebetonneerd.
In sommige landen, volkeren en culturen hebben we die inzichten ‘van het moment’ tot wet gemaakt en als stok gebruikt om hen te slaan die niet in het boek ‘geloven’. Geef mij dan maar de ‘uitleg’ van bovenstaand artikel, dan ben ik er vrij gerust in dat ook atheïsten en godsloochenaars zoals ik, niet op de brandstapel zullen eindigen zoals in vroegere tijden helaas maar dikwijls het geval was en in vele landen, in het bijzonder in moslimstaten waar geen scheiding van kerk en staat bestaat, nog steeds het geval is. Vervolging, moord en doodslag omdat je tot een bepaalde religie of volksgroep behoort, is een gegeven waar Joden helaas erg goed mee bekend zijn.

























