Dagelijks archief: 28 maart 2009

Mike’s Place in Tel Aviv

In juli 2001 openden Gal en Assaf Ganzman, kort aan de kust en vlakbij de Amerikaanse ambassade  gelegen, hun ‘bruine kroeg’ genaamd ‘Mike’s Place’. Dé ontmoetingsplaats voor jonge en oudere Israëli’s, toeristen van over de ganse wereld, drinkend uit grote bierglazen van de vele verschillende tapkranen tot en met een goeie oude Schotse whiskey in hun handen of waarom ook niet een frisse Belgische pint Stella Artois van’t vat?, alles schenken ze daar, swinging en rocking op één van de liveoptredens van blues/rock en reggea bands. Als je geluk hebt kan je SOBO zien en horen spelen, een blues/rock duo (Assaf Ganzman en Daniel Kriman) die de pannen van het dak spelen. Als je ooit op bezoek gaat in Tel Aviv en je bent niet in Mike’s Place geweest, heb je een belangrijk deel van de Witte Stad (=Tel Aviv) gemist. Website van Mike’s Place hier klikken. Met dank aan Frits De Wit’s Tel Aviv Fever.

Mike's Place

Mike's Place

De collaboratiejaren van Hergé, schepper van Kuifje (Tintin)

Miljoenen mensen over de gehele wereld kennen de legendarische avonturen van Kuifje (Tintin voor de Franstaligen). Zeer velen zullen bij het horen van de naam denken aan Hergé. Wie evenwel kent de geestelijke vader van Kuifje, de Brusselaar Georges Remi, die vanaf zijn tweeëntwintigste tot aan zijn dood in 1983 werkte aan de immer populaire verslaggever Kuifje en zijn eveneens tot de verbeelding sprekende entourage: Jansen en Janssen, Bianca Castafiore, professor Zonnebloem, kapitein Haddock, etc.

Hergé is de auteur van de Kuifje-boeken. Zijn echte naam is Georges Remi. Als je de initialen achterstevoren leest (RG) en dit op zijn Frans uitspreekt krijg je de naam Hergé. Georges Remi werd geboren op 22 mei 1907 in Brussel. In 1929 publiceerde Hergé zijn eerste Kuifje-album: Tintin au Pays des Soviets (Kuifje in het Land van de Sovjets) er zullen er nog 23 volgen. Het laatste album Tintin et Les Picaros (Kuifje en de Picaros) verscheen in 1976. Hergé werkte lang aan Tintin et l’Art Alpha (Kuifje en de Alfakunst) maar dat heeft hij nooit kunnen afmaken. Hij leed al jaren aan leukemie en stierf op donderdag 3 maart 1983. Kuifje en de Alfakunst verscheen postuum in 1986.

Steven Spielberg

Steven Spielberg

Dreamworks, de filmstudio van Steven Spielberg, filmmaker van ondermeer Schindlers List, die al sinds 1983 onderhandelingen voerde (toen nog rechtstreeks met Hergé) om de rechten te verwerven op de Kuifjereeks, besloot in 2007 om er een filmreeks van te maken onder de titel ‘Tintin’. De eerste film van de Kuifje-trilogie zal door Peter Jackson gemaakt worden en niet door Steven Spielberg, zoals aanvankelijk werd aangekondigd wist Marcel Wilmet, de woordvoerder van de studios Hergé, op 21 augustus 2008 te melden aan La Dernière Heure. Nick Rodwell, topman van Studio’s Hergé en getrouwd met de weduwe van de tekenaar van Kuifje, Fanny Vlamynck, eertijds inkleurster bij de studio’s sinds 1952, onthulde dat de filmmaatschappij met de pre-productie bezig is. “Als deel één aanslaat, gaan we verder“, zei hij.

Intussen meldde De Standaard op 26 maart 2009 dat Spielberg de opnames van de Kuifje-film heeft afgerond. De opnames voor de film “Kuifje en het geheim van de Eenhoorn” (“The Adventures of Tintin: The Secret of the Unicorn”) zijn afgerond. De opnames namen 32 dagen in beslag en hadden plaats in de omgeving van Los Angeles. Jamie Bell vertolkt in de 3D-productie van Steven Spielberg de rol van Kuifje. Andy Serkis speelt kapitein Haddock en Daniel Craig neemt de rol van de schurk Red Rackham voor zijn rekening. De Britse acteurs Nick Frost en Simon Pegg kruipen in de huid van Jansen en Janssen. De film zou in 2011 in de bioscoop te zien zijn. Daniel Craig speelde onlangs in Defiance, de rol van de Joodse partizanenleider Toevia Bielski.

Benieuwd in hoeverre Steven Spielberg bekend is met de donkere jaren van Hergé tijdens de Tweede Wereldoorlog en als hij dat al zou zijn, of hij dan ook nog zo happig zou zijn geweest om Kuifje te verfilmen…

Pierre Assouline over de collaboratiejaren van Hergé

In de monumentale ‘Hergé‘ biografie schetst Pierre Assouline een beeld van de man die met drieëntwintig stripalbums de wellicht meest typische kunstvorm van de twintigste eeuw grondvestte en een mondiale uitstraling gaf. Pierre Assouline is directeur van het gezaghebbende Franse literaire tijdschrift LIRE en medewerker aan RTL. Hij heeft reeds een twaalftal boeken op zijn naam staan, waaronder een belangwekkende biografie van Gaston Gallimard en van Georges Simenon (die eveneens in het Nederlands werd vertaald).

De onthullingen over Georges Simenon (1903-1989), schepper van Inspecteur Maigret, deden eveneens veel stof opwaaien. Georges Simenon was op achttienjarige leeftijd verslaggever bij de ‘Gazette de Liège‘. Tussen 19 juni en 13 oktober 1921 schreef Simenon een reeks van zeventien artikelen over het ‘Het Joodse gevaar‘. De stukken waren voor een groot deel gebaseerd op de beruchte Protocollen van de Wijzen van Zion (Le Péril Juif), een antisemitisch propagandaschrift van de Russische (tsaristische) geheime dienst dat een zogenaamd Joods complot om de wereld te veroveren onthulde.

Kuifje in Kongo

Kuifje in Kongo

Hergé zit voor de oorlog helemaal ingebed in het francofone, ultra-katholieke en anti-communistische establishment. Spreekbuis daarvan is de krant Le Vingtième Siècle waarin hij sinds 1929 zijn Tintin publiceert. Abt Norbert Wallez, zijn hoofdredacteur, een vertrouweling van kardinaal Mercier, fluistert de jonge Hergé precies in wat hij wil. ‘Kuifje in de Sovjetunie‘ en het daaropvolgende ‘Kuifje in Congo‘ (afb. links)zijn niet ingegeven door de muze, maar rechttoe-rechtaan opdrachten. Bevelen. Dat was bekend.

Nieuw is dat Wallez, een onverholen bewonderaar van Mussolini, niet alleen inspirator is van Kuifje, maar ook van het huwelijk van Hergé met zijn eerste vrouw, Germaine Kieckens, Wallez’ secretaresse. Wallez arrangeert een en ander en zegent het huwelijk persoonlijk in. Assouline daarover: “Niet dat het een liefdeloos huwelijk was. Alleen was, volgens Germaine, Hergé maar een broekje vergeleken met abt Wallez. Dat was pas een man, vond ze. En had het gekund, was ze met hem getrouwd. Voor de oorlog zou Germaine Hergé blijven stimuleren om verder te werken aan Kuifje. En waakte ze erover dat hij, vergeleken met zijn collega’s al goed betaald, zich niet vertilde aan de lonkende en beter betalende publiciteit. “La publicité, c’est vulgaire,” zei ze.

Hergé dossier over zijn collaboratiejaren...

Hergé dossier over zijn collaboratiejaren...

Hergé wordt in 1939 gemobiliseerd en als instructeur in een Vlaams-talige infanterie-compagnie naar Turnhout, in het noorden van België, gestuurd. Hergé blijft echter elke week twee platen van zijn nieuwe verhaal, “Kuifje en het zwarte goud” opsturen. Zij blijven in “le Petit Vingtieme” verschijnen tot 9 mei 1940, de dag dat de publicatie van het verhaal wordt onderbroken door het binnendringen van Duitse troepen, waardoor er tevens een eind komt aan het bestaan van ‘le Vingtième Siècle’.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de werkomstandigheden van de tekenaar volslagen gewijzigd. Op 28 mei 1940 heeft België zich overgegeven aan nazi-Duitsland en koning Leopold III heeft iedereen opgeroepen het werk te hervatten. Na het aanbod van een van de assistenten van Léon Degrelle om de officiële tekenaar van de rexistische beweging te worden, resoluut te hebben afgeslagen, zal Hergé Kuifje uiteindelijk voortzetten bij het “gestolen” dagblad ‘Le Soir’. Door papierschaarste verkleint de Kuifje bijlage drastisch. Door de noodzaak om het verhaal hierdoor anders te moeten indelen, verandert de verhaaltechniek van Hergé aanzienlijk. Aangezien het blad onder de Duitse censuur viel moest Hergé hete onderwerpen vermijden. ‘De zwarte rotsen’ en ‘Kuifje in Amerika’ kregen een verschijningsverbod opgelegd omdat er Engelsen en Amerikanen in voorkwamen.

De relatie met Wallez zal vertroebelen vanaf het ogenblik dat Hergé zijn albums bij Casterman laat uitgeven. Dan al zal Hergé, en het zal zeker niet voor het laatst zijn, als een handige Harry zijn Kuifje afschermen wanneer hij constateert dat Wallez vindt dat hij ook morele rechten heeft. Harde werker Hergé is niet snel tevreden, vit over het minste detail met zijn uitgever en waakt als een kloekhen over het welzijn van zijn Tintin. Als tijdens de oorlog blijkt dat uitgever Casterman niet genoeg papier heeft, aarzelt Hergé geen seconde om aan te kloppen bij de heren van de Propaganda Abteilung.

Hergé en Raymond Leblanc

Hergé en Raymond Leblanc

Hergé-akolieten hebben het ook nogal eens over het anti-fascistische album ‘De Scepter van Ottokar‘ waarin Kuifje het opneemt tegen de Bordurische dictator Müsstler, een samentrekking van Mussolini en Hitler. “Ach”, vertelt Assouline, “Hergé greep gewoon de politieke actualiteit van de Anschluss aan om te kunnen scoren. Politiek is hij onbeslagen, naïef. Een Leopoldist van het zuiverste water.” Politiek slibt Hergé als vanzelf mee met de wenkende collaboratie. In 1939 publiceert hij in L’Ouest, een blad dat relaties heeft met de Duitse ambassade, en dus een heel vroege antenne van het Duitse mediabeleid in België. In die middens leert hij Raymond De Becker kennen, de latere oorlogshoofdredacteur van Le Soir waardoor hij in oktober 1940 bij die Brusselse avondkrant aan de slag kan. “Een treinmachinist bleef ook verder werken, waarom zou ik dan niet publiceren?“, zou hij, veel later, brutaalweg opmerken.

Hergé wordt intussen koning van het beeldverhaal geworden, legt in die jaren, heel bewust, de basis van zijn later imperium. Het door de Duitsers gecontroleerde Le Soir verhoogt zijn oplage tot 300.00 exemplaren, ondermeer dankzij de populariteit van de dagelijkse Tintin-strip. En hij publiceert, voor het eerst, in Vlaanderen: in Het Laatste Nieuws en Het Algemeen Nieuws duikt ene ‘Kuifje’ op. Als zijn uitgever Casterman hem in 1943, gezien de kerende oorlogskansen, waarschuwt voor zijn onvoorzichtig expansionisme, antwoordt hij cynisch en haast suïcidaal: “Ze kunnen me maar één keer ophangen: een tweede en een derde keer doet dat minder pijn.

Afbeelding links: Hergé en Raymond Leblanc in 1946

De val is diep na de bevrijding. Hergé ontsnapt niet aan de gevangenis (een nacht die hij nooit zal vergeten), maar wonderlijk genoeg wel aan een proces. Hergé is een incivique, mag niet publiceren tenzij hij een attest van burgerzin kan voorleggen. Voor dat mirakel zorgt weerstander Raymond Leblanc. Die wil een jeugdblad met Hergé beginnen en via politiek spel achter de schermen raakt de omstreden tekenaar aan het gegeerde document.

Toch zijn de wonden diep. Hergé zit in een diepe depressie. Assouline onthult dat Hergé, gedegouteerd van het naoorlogse België, wil emigreren. Zowaar naar Argentinië, toen toch de thuishaven voor vele nazi’s. In die jaren is hij ook de samaritaan voor de collaborateurs. Hij helpt vrienden, hij helpt vrienden van vrienden, hij helpt iedereen met een besmet oorlogsblazoen. Met zijn latere medewerker Jacques Martin, een ooggetuige van de kampen, heeft hij eens een discussie over de holocaust: “Heb je wel goed gekeken? Ben je zeker dat het Joden waren? Waren het geen veroordeelden van gemeen recht?”

Hergé volhardt in zijn Ich habe es nicht gewusst-attitude. Assouline daarover: “Tot de oorlog kan je stellen dat hij een opportunist was. Na de oorlog niet meer: dan was hij ongelooflijk trouw aan zijn oude kameraden. In zekere zin getuigt hij dan van echte moed.” Bron: Gazet van Antwerpen

Hieronder, karikaturale strip geïnspireerd op het oorlogsverleden van Hergé.

herge001

Ontdek de mensenrechten in de moslimstaten van het M-O met Wafa Sultan [video]

wafa11

«Ik heb besloten om de islam te bekampen. Opgelet, u hoort het goed: dè islam bekampen. Niet de politieke Islam, niet de militante islam, niet de radicale islam, niet het wahabisme, maar de islam in zijn geheel.

Ik geloof oprecht dat het Westen al deze termen heeft uitgevonden om te voldoen aan de politieke correctheid. In Syrië waar ik ben geboren en getogen, spreekt men enkel van ‘dè islam’. De islam werd altijd verkeerd begrepen, het probleem is de islam zèlf.»

Aan het woord is Wafa Sultan (Banias, Syrië, ca. 1959), een Amerikaanse psychiater van Syrische afkomst die in Los Angeles leeft en de relatie tussen de religies becommentarieert. Ze gaat hierbij uit van haar vaststelling dat, in tegenstelling tot andere religies zoals het Christendom, het Jodendom, het Hindoeïsme of het Boeddhisme, de voornaamste bron van religieus geweld voortspruit uit de Islam. Wafa Sultan en haar man David Sultan emigreerden in 1989 naar de Verenigde Staten en zijn beiden genaturaliseerde Amerikaanse staatsburgers.

Sinds een uitzending op 21 februari 2006 voor de tv-zender Al Jazeera, heeft Wafa Sultan zich opvallend in het wereldnieuws gewerkt. Zij heeft een serie opmerkingen gemaakt over de islam die er niet om liegen. In het interview dat al meer dan een miljoen keer is bekeken op internet fulmineert zij tegen ‘het barbaarse en primitieve karakter van de huidige moslimsamenleving’. Klik voor het zien van de uitzending: the Middle East Media Research Institute

"Islam is een vredelievende religie. Gezien? Er is niemand die me tegenspreekt"

"Islam is een vredelievende religie. Gezien? Niemand die me tegenspreekt!"

Over de huidige kloof tussen het Westen en de Arabische wereld zegt ze: “De botsing die we waarnemen in de wereld is niet een ‘clash of civilisations’; het is een botsing tussen tegengestelden, tussen twee tijdperken. Een botsing tussen een mentaliteit die in de Middeleeuwen thuishoort en een andere mentaliteit, die thuishoort in de 21e eeuw.” Daarnaast zegt zij dat de moslims wel eens een voorbeeld mogen nemen aan het Joodse volk. Wafa Sultan zegt te streven naar verandering van mentaliteit van haar volk en hoopt daarmee een nieuwe werkelijkheid binnen de Islamitische wereld tot stand te brengen.

Wafa Sultan is in Syrië geboren en het grote keerpunt in haar leven -met betrekking tot haar Islamitische geloofsovertuiging -kwam in 1979, toen zij een medische opleiding volgde aan de Universiteit van Aleppo in Syrië. Een groep genaamd “The Brotherhood of Islam” beging in die tijd in naam van Allah, bloedige aanslagen op onschuldige Syrische burgers, in een poging de regering van dictator Hafaz al-Assad ten val te brengen. Wafa Sultan was persoonlijk getuige van de brute en laffe moord op de professor van de Universiteit waaraan zij haar onderwijs genoot. Deze professor was een volkomen onschuldig slachtoffer. Bewapende terroristen drongen de klas binnen en doorzeefden de professor met honderden kogels onder het schreeuwen van “Allah is groot”.

Wafa Sultan vertelde dat zij vanaf dat moment was getraumatiseerd voor het leven. Zij verloor al haar geloof in haar god en begon de lering ervan in twijfel te trekken. Zij en haar man besloten Syrië te verlaten en zich in de Verenigde Staten te vestigen. In de jaren die volgden brandde de woede in haar. “Wat bezielt bijvoorbeeld een jonge moslim, die nog een heel leven voor zich heeft, zichzelf op te blazen?“ vroeg zij zich af. Volgens haar worden de moslims de afgelopen 14 eeuwen gegijzeld door het geloof dat aan hen wordt onderwezen. Zij vervolgt: “Mijn volk bevind zich in totale duisternis, hulpeloos verloren. De karavaan der mensheid is hen voorbij getrokken en men is deze uit het oog verloren.” Lees verder: Interview Dr. Wafa Sultan Al Jazeera. Lees ook de visie van Wafa Sultan op het conflict in Gaza: Gaza, ou l’hypocrisie inégalée

Opgelet: ‘U nadert een gebied waar haat wordt verspreid…’

Opgelet: U nadert een gebied waar haat wordt verspreid

Opgelet: U nadert een gebied waar haat wordt verspreid

Israëlische soldaten vertellen hoe ze Palestijnse burgers hielpen tijdens het Gaza conflict

free

Het zal wellicht allemaal niet veel meer uithalen, maar veel Israëlische soldaten deden werkelijk hun uiterste best om Palestijnse burgers te helpen tijdens de Gaza Oorlog. Zij herkenden helemaal niets van de verhalen die eerder naar buiten kwamen over het bewust doodschieten van ongewapende burgers, vrouwen en kinderen.

Beschrijvingen van soldaten over de ervaringen van hun eenheden tijdens Operation Cast Lead (‘Gegoten Lood‘) worden gebruikt ter illustratie van de vele humane voorzorgsmaatregelen die het leger nam, om Palestijnse burgers te helpen tijdens de duur van het conflict. De soldaten lieten hun getuigenissen registreren en plaatsten ze op de website Soldiers Speak Out, een onderdeel van een initiatief van de Israëlische educatieve organisatie Stand With Us.

Nina Klevipsky

Nina Klevipsky

Nina Klevipsky, 24, die dienst deed in het leger als supervisor in de medische controlekamer van het Home Front Commando centrum, hielp bij het coördineren van verscheidene evacuaties door de lucht van gewonde Palestijnse burgers naar Israëlische hospitalen. Zij vertelde aan de The Jerusalem Post hoe dozijnen Palestijnen tijdens de 22-dagen durende operatie, naar Israël werden geëvacueerd, waar ze werden opgenomen in de  hospitalen van Beersjeba en Rehovot. “Vanaf de eerste minuut dat we begrepen dat er moest geëvacueerd worden, maakten we de hospitalen en landingsstroken klaar en mobiliseerden de dokters. Nadien, volgden we de ziekenhuiszorg van de Palestijnen verder op,” legde Klevispsky uit. Zij voegde eraan toe dat zij de recente beschuldigingen over het zogenaamd opzettelijk doden van burgers door IDF-soldaten, met scepticisme bekeek.

Afgelopen woensdag, 25 maart, deed een IDF bron aan de Jerusalem Post de beschuldigingen die werden onthuld, categoriek af als onwaar en dat de officiële onderzoeksresultaten van het leger binnenkort publiek zullen worden gemaakt. “Ik geloof geen woord van al deze aantijgingen. Ik ken de soldaten die naar binnen gingen. Ik weet hoe ze werken, welke waarden zij van thuis uit en van het leger hebben meekregen. Op geen enkele manier zouden dergelijke orders ongemerkt de deur uit kunnen gaan, ” zei Klevispsky. “Ik heb het volste vertrouwen in het leger. Elk jaar vervul ik als reserve-soldaat een maand lang mijn legerdienst. Als ik ook maar één seconde zou twijfelen aan de te volgen procedures, zou ik meteen mijn legerdienst staken. Ik dien in een moreel leger – mijn job is om levens te redden, niet om ze te vernietigen,” voegde ze er nog aan toe.

Amir Golan

Amir Golan

Amir Golan, een 25-jaar oude verpleger, trok op met de reserve-eenheid Givati tijdens het voorbije Gaza offensief. “Ik heb nooit iets dergelijks opgemerkt,” vertelde Golan aan de Post met betrekking tot de recente beschuldigingen. “”Ik werd erg ontgoocheld door de Israëlische media. Het deed me pijn mensen hun integriteit te zien verliezen omdat ik weet dat iemand, die dit van buitenaf heeft onderzocht, de zaken erg grof voorstelde,” voegde hij eraan toe.

Golan zei dat er nooit sprake is geweest van enig geweld tegen Palestijnen binnen de leden van zijn eenheid. “Ik denk dat de algemene geest heerste dat we daar waren omdat we onze huizen moesten beschermen tegen het rakettengeschut [vanuit Gaza]. We waren hoogst gemotiveerd,” zei hij.”Het doet altijd pijn als je mensen ziet lijden. Het was van in den beginne duidelijk dat de operatie algemeen lijden zou veroorzaken, maar we hoopten dat eens we het afvuren van raketten konden doen ophouden, het lijden aan beide zijden zou stoppen,” zei Golan.

Golan is een veteraan van meerdere Gaza operaties, en is in het verleden verscheidene malen met zijn eenheid de Gazastrook binnen getrokken. Tijdens een anti-terrorisme raid in 2005, botste Golan met zijn eenheid op een hoogzwangere vrouw in een huis dat toebehoorde aan een gezochte terrorist. “We zagen een vrouw die begon te klagen over pijn in de buik. Ik kreeg het bevel van mijn commandant om haar medisch te onderzoeken,” vertelde Amir. “Het draaide erop uit dat ze moest gaan bevallen. Ik deed alles wat ik kon om haar te helpen…. want voor nogal voor de hand liggende redenen wilde ze zeker daàr niet bevallen. Zij hoopte dat ze nog op tijd een Palestijns hospitaal kon bereiken,” vervolgde hij zijn verhaal. “Dus wat we deden was  met al onze kracht onze eenheid zo snel mogelijk te evacueren. En we renden bijna weg uit die plaats,” vervolgde Amir. “We riepen een Palestijnse ambulance op om zo snel mogelijk ter plaatse te komen en evacueerden haar,” zei hij. “Ik haalde wat verbanden boven en trachtte de vrouw zo goed als mogelijk bij te staan. Zij baarde een gezonde jongen.

Bronnen: Jeruzalem Post, Israel & Palestijnen Nieuws Blog, Soldiers Speak Out, National Post, Stand With Us en Stand With Us Campus; vertaald en vrij bewerkt door Brabosh, Antwerpen 28 maart 2009

Army of Shadows: Hoe Palestijnen de Joden hielpen bij de stichting van de Israëlische staat

army

De Palestijnen hebben zo luid en bijna een eeuw lang het Zionisme afgewezen dat de meeste waarnemers ervan overtuigd zijn dat de Grootmoefti van Jeruzalem Haj Amin al-Hoesseini, Yasser Arafat en Hamas voluit gesteund werden door het ganse Palestijnse volk. Nee, integendeel: regelmatige gehouden opiniepeilingen tonen aan dat een substantiële minderheid van de Palestijnen, ongeveer 20 procent, bereid is om samen zij-aan-zij te leven binnen de Joodse staat. Hoewel deze minderheid het nooit voor het zeggen had en haar stem altijd begraven werd onder afwijzend getier, heeft Hillel Cohen van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem haar verrassend cruciale rol in de geschiedenis blootgelegd.

Hij verkent dit onderwerp in de pre-staat periode in Army of Shadows: Palestinian Collaboration with Zionism (Het Schaduwleger: Palestijnse Samenwerking met zionisme, 1917-1948), vertaald door Haim Watzman, Universiteit van California Press. Dezelfde schrijver, vertaler en uitgeverij zijn momenteel druk bezig met een vervolgdeel: Good Arabs: The Israeli Security Agencies and the Israeli Arabs, 1948–1967 (Goede Arabieren: De Israëlische veiligheidsdiensten en de Israëlische Arabieren, 1948-1967), dat in 2010 zal verschijnen.

In Army of Shadows, beschrijft Cohen de vele rollen die inschikkelijke Palestijnen speelden voor de Yishoef, de naam van de Joodse gemeenschap in het Heilige Land voor de onafhankelijkheid. Zij verschaften arbeid, bedreven handel, verkochten land, handelden in wapens, overhandigden staats activa, voorzagen de veiligheidsdienst van inlichtingen over vijandelijke troepenbewegingen, verspreiden geruchten en zaaiden onenigheid, overtuigden mede-Palestijnen om zich over te geven, vochten tegen de vijanden van de Yishoef en opereerden zelfs achter de vijandelijke linies. Zo groot was hun alsmaar groeiende hulp, dat men zich kan afvragen of de staat Israël wel had kunnen ontstaan zonder hun bijdrage.

De absolute afwijzing van het Zionisme door Groot-Moeftie Al Hoesseini was bedoeld om de Palestijnse bevolking in haar geheel sterker te maken maar oogste het tegenovergestelde effect. De zelfzuchtige kliek rond Hoesseini, het extremisme en het voortdurende geweld, ondermijnde de onderlinge solidariteit: het gebruik van opruiende giftige taal en moorddadige tactiek waarbij onder meer de jihad werd uitgesproken tegen iemand die de moefti weigerde te gehoorzamen en aldus meer dan de helft van de Palestijnse bevolking als ‘verraders’ demoniseerde, duwde vele gematigde Palestijnen en zelfs ganse gemeenschappen (onder andere de Druzen) naar het kamp van de Zionisten.

Berlijn, 25 november 1941. Groot-Moefti van Palestina Amin Al-Hoesseini op bezoek bij Adolf Hitler. Al-Hoesseini over die alliance met de Führer: "Onze belangrijkste voorwaarde om samen te werken met Duitsland was vrij spel te verkrijgen zodat we in Palestina en de Arabische wereld tot de laatste Jood konden uitroeien."

Berlijn, 25 november 1941. Groot-Moefti van Jeruzalem Amin Al-Hoesseini op bezoek bij Adolf Hitler. Al-Hoesseini over die alliance met de Führer: "Onze belangrijkste voorwaarde om samen te werken met Duitsland was vrij spel te verkrijgen zodat we in Palestina en de Arabische wereld tot de laatste Jood konden uitroeien."

Als gevolg daarvan, schrijft Cohen,  dat “naarmate de tijd verstreek,  een groeiend aantal Arabieren de ‘rejectionisten’ de rug toekeerden en directe hulp boden aan de Britten of zionisten.” Hij noemt de samenwerking met het zionisme “niet alleen alledaags maar een centraal gegeven binnen de Palestijnse samenleving en politiek.” Niemand voor Cohen heeft dit deel van de geschiedenis ooit op deze wijze begrepen.

Hij onderscheidt een breed scala van motieven aan de kant de Palestijnse bondgenoten van de Yishoef: economisch gewin, klasse of stammen belangen, nationalistische ambities, angst of haat voor de Hoesseini factie, persoonlijke ethiek, nabuurschap of individuele vriendschapsbanden. Tegenover iedereen die deze individuelen ‘collaborateurs’ of zelfs ‘verraders’ zou willen noemen, voert hij aan dat zij de situatie beter begrepen dan de sluwe Hoesseini en de rejectionisten: meegaanders en opportunisten beseften al vroeg dat het zionistische project te sterk was om weerstand te bieden en dat pogingen daartoe zouden leiden tot vernietiging en ballingschap, zodat ze er vrede mee namen.

Tegen 1941 had de inlichtingendienst geavanceerde methoden ontwikkeld, die elk contact met de Palestijnen gebruikten om voor dat doel informatie te vergaren. In Army of Shadows benadrukt Cohen de voortschrijdende sociale ontwikkeling binnen de Yishoef die, door Cohen aangeduid als de “diep doorgedrongen intelligentia van de Palestijns-Arabische samenleving,” een eenrichtingsverkeer was – de Palestijnen vonden namelijk geen antwoord om anders te reageren en drongen de Joodse samenleving binnen.

Vrouwelijke soldaat, militielid van de Haganah - de directe voorloper van het huidige Israëlische leger - hier tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog in 1948

Vrouwelijke soldaat, militielid van de Haganah - de directe voorloper van het huidige Israëlische leger - hier tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog in 1948

Samen met de ontwikkeling van een militaire macht (de Haganah), een moderne economische infrastructuur en een democratisch staatsbestel, behoort de infiltratie van de Palestijnse levenswijze [in de Yishoef] tot een van de belangrijkste verwezenlijkingen van het zionisme. Het betekende dat, terwijl zionisten zich verenigden en in het offensief gingen, “de Palestijnse gemeenschap meer bezig was met interne strijd en aldus niet in staat bleek te mobiliseren en zich te verenigen achter een leiderschap.”

Cohen blijft bescheiden over de implicaties van zijn onderzoek, meer in het bijzonder m.b.t. het argument dat de Palestijnse bijstand niet ‘de belangrijkste oorzaak’ was van de Arabische nederlaag in 1948-49. Cohen blijft over de ganse lijn eerlijk, maar toch kan niemand naast de bewijzen kijken die hij aanbrengt en de cruciale rol aan het licht brengt die deze [Palestijns-Arabische] bijdrage heeft gespeeld, die onmiskenbaar mede aan de basis lag tot het succes van de zionistische onderneming tijdens de moeilijke beginjaren van haar bestaan.

Allemaal zeer interessant, terwijl die Palestijns-Arabische bijstand tot op vandaag erg belangrijk blijft voor het Israëlische leger (hoe anders zou het IDF zoveel terroristische pogingen kunnen verijdelen op de Westelijke Jordaanoever?), zet de staat Israël veel meer middelen in dan de Yishoef, waardoor de Palestijnse bijstand tegenwoordig veel minder dan vroeger een centrale rol speelt.

Cohen bevestigt ook het belangrijkste feit, namelijk dat niet alle Palestijnen de vijanden van Israël zijn- iets wat we moeten blijven onthouden en opslagen voor meer recente tijden. Dit feit geeft reden tot hoop; inderdaad, indien de 20 procent van de Palestijnen die Israël accepteren, kunnen worden uitgebreid tot 60 procent, zou het Arabisch-Israëlisch kunnen opdrogen. Een dergelijke Palestijnse verandering vanuit het hart – en zonder herhaalde ‘pijnlijke concessies’ door Israël – zou het doel moeten zijn van elke kandidaat-vredestichter.

v r e d e

v r e d e


Bron: Daniel Pipes org: Palestinians Who Helped Create Israel door Daniel Pipes van 26 maart 2009; vrij vertaald door Brabosh op 28 maart 2009

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 224 other followers